← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060206.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060206.4 Rolnummer: S.05.0063.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2006-11-28 Raadplegingen: 685 - laatst gezien 2026-07-04 07:35 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De werkgever is aan de werknemer geen rente verschuldigd op het gedeelte van de opzeggingsvergoeding dat hij als bedrijfsvoorheffing en sociale zekerheidsbijdragen inhoudt

(1).
(1)Cass., 7 april 2003, AR S.00.0013.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030407.18, nr 229; Loonbeschermingswet, art. 10, vóór de inwerkingtreding van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen (zie artt. 82 en 90, ,§ 1 van die wet. Op de dag van de uitspraak van het arrest van het Hof was art. 82, Wet 26 juni 2002 nog niet van kracht). Thesaurus CAS: LOON - BESCHERMING Vrije woorden: LOON - BESCHERMING Rente Inhouding Bedrijfsvoorheffing Sociale zekerheidsbijdragen Opzeggingsvergoeding Vergoeding vastheid van betrekking Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - Art.10 Fiches 2 - 3 Is geen interpretatieve wet het artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 dat artikel 10 van de Loonbeschermingswet vervangt in die zin dat interest verschuldigd is op het brutobedrag van het loon in de zin van de Loonbeschermingswet. Thesaurus CAS: LOON - BESCHERMING Vrije woorden: LOON - BESCHERMING Rente Inhouding Bedrijfsvoorheffing Sociale zekerheidsbijdragen Artikel 82, Wet 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen Vervangt artikel 10, Loonbeschermingswet Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 26-06-2002 - Art.82 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - UITLEGGING Vrije woorden: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - UITLEGGING Artikel 82, Wet 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen Vervangt artikel 10, Loonbeschermingswet Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 26-06-2002 - Art.82 Tekst van de beslissing Nr. S.05.0063.N HANNOVER INTERNATIONAL, naamloze vennootschap, met zetel te 1050 Brussel, Louizalaan 65, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen V.D.S G., verweerster, vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 2 november 2004 gewezen door het Arbeidshof te Brussel. Eiseres voert in een verzoekschrift drie middelen aan. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 2, eerste lid, 1°, 10 en 23, 1°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers; - de artikelen 270, 272 en 273 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 10 april 1992 en bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992; - artikel 23, ,§1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, - de artikelen 2 en 1153 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over het incidenteel beroep van verweerster, het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond. Het arbeidshof hervormt het beroepen vonnis van de arbeidsrechtbank en veroordeelt eiseres tot betaling aan verweerster van 317.197,35 euro provisioneel als opzeggingsvergoeding en 95.159,20 euro als "bijzondere vergoeding vastheid van betrekking" gelijk aan negen maanden loon, bedragen te vermeerderen met de interest. Het arbeidshof beslist dat onder meer op grond van de volgende motieven: "De interesten: Het incidenteel hoger beroep heeft betrekking op de berekeningsbasis van de interesten. (Verweerster) vordert dat deze zouden worden toegekend op de brutobedragen. Overeenkomstig artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 op de sluiting van de onderneming en waarmee artikel 10 van deze loonbeschermingswet wordt gewijzigd. (Eiseres) brengt hiertegen in dat die wet nog niet in werking is getreden. Aangezien uit de voorbereidende werken van de wet van 26 juni 2002 blijkt dat net de aangebrachte wijziging een interpretatie bevestigt die steun vindt in het doel zelf van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965, oordeelt het (arbeidshof) dat de intresten verschuldigd zijn op de toegekende brutobedragen". Grieven
  1. Artikel 10 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, hieronder afgekort als Loonbeschermingswet, bepaalt dat voor het loon van rechtswege rente verschuldigd is met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt. Blijkens de bewoordingen en het opzet van dat artikel, slaat dat enkel op het loon dat de werknemer van zijn werkgever kan vorderen. Artikel 10 van de Loonbeschermingswet is van toepassing op de opzeggings-vergoeding verschuldigd krachtens artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Het artikel is evenzeer van toepassing op een bijzondere ontslagvergoeding toegekend aan de werknemer wegens miskenning door de werkgever van een procedure bepaald in een collectieve arbeidsovereenkomst betreffende de vastheid van betrekking. Beide vergoedingen zijn inderdaad geldelijke bedragen waarop de werknemer lastens zijn werkgever aanspraak kan maken ingevolge de dienstbetrekking. Uit de stukken van de rechtspleging voor het arbeidshof blijkt overigens dat tussen partijen geen betwisting bestond over de toepasselijkheid van artikel 10 van de Loonbeschermingswet op de bedragen die verweerster als opzeggingsvergoeding en "werkzekerheidsvergoeding" vorderde en dat verweerster op die bedragen interest vorderde met toepassing van dat artikel
  2. Krachtens artikel 270, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 is de bedrijfsvoorheffing verschuldigd door de belastingplichtigen die als schuldenaar bezoldigingen betalen of toekennen. Behoudens tegenstrijdig beding hebben de in het voornoemde artikel bedoelde belastingschuldigen krachtens artikel 272, 1°, van hetzelfde wetboek, het recht op de belastbare inkomsten de desbetreffende voorheffing in te houden. Luidens artikel 273, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 is de bedrijfsvoorheffing opeisbaar uit hoofde van het betalen of toekennen van belastbare bezoldigingen. Bijgevolg heeft de werknemer, behoudens tegenstrijdig beding waarvan het arbeidshof het bestaan niet vaststelt en waarvan het bestaan evenmin blijkt uit een stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, niet het recht te eisen dat die voorheffing aan hem zou betaald worden. De bijdragen voor sociale zekerheid worden berekend op grond van het loon van de werknemer. Overeenkomstig artikel 23, ,§1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hieronder afgekort als R.S.Z.-wet, moet de werkgever bij iedere betaling van het loon de bijdrage van de werknemer inhouden. De werkgever is die ingehouden bijdrage, samen met de zijne, verschuldigd aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Bijgevolg kan de werknemer van de werkgever niet de betaling van zijn socialezeker-heidsbijdragen vorderen. Luidens artikel 23, eerste lid, 1°, van de Loonbeschermingswet mogen de inhoudingen krachtens de belastingwetgeving, de wetgeving op de sociale zekerheid en krachtens particuliere of collectieve overeenkomsten betreffende bijkomende voordelen inzake socialezekerheid, in mindering gebracht worden op het loon van de werknemer.
  3. In een regelmatig voor het arbeidshof neergelegde conclusie voerde eiseres aan dat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen nog niet in werking is getreden en dat het incidenteel beroep van verweerster dan ook ongegrond is. Het arbeidshof overweegt dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 26 juni 2002 blijkt dat "de aangebrachte wijziging een interpretatie bevestigt die steun vindt in het doel zelf van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965" en oordeelt dat interest verschuldigd is op de toegekende brutobedragen. Aldus veroordeelt het arbeidshof eiseres tot betaling van interest op de brutobedragen van de "verbrekingsvergoeding" en de "bijzondere vergoeding vastheid van betrekking" die het aan verweerster toekent. De laatstgenoemde vergoeding betreft een bijzondere ontslagvergoeding die aan verweerster wordt toegekend wegens miskenning door eiseres van de bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst inzake vastheid van betrekking, wat genoegzaam blijkt uit de overwegingen van het arbeidshof op de bladzijde dertien en volgende van het arrest. Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen, dat artikel 10 van de Loonbeschermingswet vervangt als volgt: "Artikel
  4. Voor het loon is van rechtswege rente verschuldigd met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt. Die rente wordt berekend op het loon, vooraleer de in artikel 23 bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht", was nog niet in werking getreden op het ogenblik van het opeisbaar worden van de toegekende vergoedingen, noch op het ogenblik dat het arbeidshof uitspraak deed. Dat artikel 82 is evenmin een interpretatieve bepaling. Derhalve is de beslissing van het arbeidshof dat interest verschuldigd is op de brutobedragen, niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 2, eerste lid, 1°, 10 en 23, 1°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, 270, 272 en 273 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, 23, ,§1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, en voor zoveel als nodig, artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek). Aangezien het noch uitdrukkelijk, noch stilzwijgend de zekere bedoeling van de wetgever is artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen toe te passen op het verleden, schendt het arbeidshof ook artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek krachtens hetwelk de wet alleen beschikt over het toekomende en geen terugwerkende kracht heeft. Aldus oordeelt het arbeidshof niet wettig dat interest verschuldigd is op de toegekende bruto-bedragen. Bijgevolg verklaart het arbeidshof het incidenteel beroep van verweerster niet wettig gegrond en veroordeelt het eiseres niet wettig tot betaling aan verweerster van 317.197,35 euro provisioneel als "verbrekingsvergoeding" gelijk aan dertig maanden loon en 95.159,20 euro als "speciale vergoeding vastheid van betrekking" gelijk aan negen maanden loon, beide bedragen te vermeerderen met de interest (schending van de artikelen 2, eerste lid, 1°, 10 en 23, 1°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, 270, 272 en 273 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, 23, ,§1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en voor zoveel als nodig, artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 15, zoals vervangen door artikel 6 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 31 mei 1989 gesloten in uitvoering van het Interprofessioneel Akkoord van 18 november 1988, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 5 oktober 1989 (Belgisch Staatsblad 26 oktober 1989), van de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 november 1987 betreffende vastheid van betrekking, gesloten in het paritair comité voor het verzekeringswezen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 30 maart 1988 (Belgisch Staatsblad 9 april 1988), - de artikelen 2, 3, 20, 3° en 39, inzonderheid ,§1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, - artikel 2, eerste lid, 1° t.e.m. 3°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de oorspronkelijke vordering van verweerster, het principaal hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Het arbeidshof hervormt het beroepen vonnis van de arbeidsrechtbank en veroordeelt eiseres onder meer tot betaling aan verweerster van 95.159,20 euro als "bijzondere vergoeding vastheid van betrekking" gelijk aan negen maanden loon, bedrag te vermeerderen met de interest. Het arbeidshof beslist dat onder meer op grond van de volgende motieven: "Bijkomende vergoeding (Verweerster) maakt daarnaast aanspraak op de vergoeding werkzekerheid voorzien door de CAO van 31 mei 1989 en deze van 9 november 1987 betreffende de vastheid van betrekking, afgesloten in het paritair comité voor het verzekeringswezen. Volgens de vennootschap is deze vergoeding niet verschuldigd omdat zij de procedure voorzien door de CAO heeft nageleefd. Zij stipt aan dat bij een ontslag om dringende reden de CAO enkel vereist dat de syndicale afvaardiging op de hoogte moet worden gebracht. Volgens de vennootschap gebeurde dit, hetgeen door (verweerster) niet wordt betwist. (Verweerster) kan derhalve aanspraak maken op de speciale vergoeding, die gelet op haar anciënniteit 9 maanden bedraagt. Deze vergoeding dient berekend te worden op het loon en de voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst, net als de verbrekingsvergoeding. Artikel 15 van de sectoriële CAO bepaalt de forfaitaire vergoeding gelijk aan een aantal maanden loon, zonder het begrip loon nader te omschrijven. Er bestaat een parallel tussen de bijzondere vergoeding en de opzeggingsvergoeding. Beide vergoedingen zijn verschuldigd als forfaitaire schadevergoeding uitgedrukt in loon ingevolge de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het verschil is dat de opzeggingsvergoeding verschuldigd is ingevolge de wet in geval van ontslag zonder naleving van een opzeggingstermijn, de bijzondere vergoeding krachtens een CAO wegens het niet naleven van de bepalingen ingesteld met het oog op de vastheid van betrekking.. In vier arresten van 20 april 1977 die betrekking hadden op het loonkarakter van de eindejaarspremies, definieerde het Hof van Cassatie het begrip loon als "de tegenprestatie van arbeid die ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst wordt verricht". (...). Deze definitie vloeit voort uit de wederkerigheid tussen de arbeids- en de loonverbintenis die de arbeidsovereenkomst kenmerkt. Zij wordt door het Hof van Cassatie en een unanieme rechtsleer en rechtspraak toegepast op het begrip loon in de Arbeidsovereenkomstenwet (...). Zij wordt in de rechtspraak en rechtsleer als de gemeen arbeidsrechtelijke loondefinitie beschouwd die geldt voor elke wetgeving of reglementering die hetzelfde concept arbeidsovereenkomst aanhoudt, behoudens afwijking (...). Daaruit volgt niet noodzakelijk dat het loonbegrip zich uitstrekt tot de overeenkomsten. Deze worden uitgelegd volgens de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Bij het achterhalen van de wil van de partijen dient eerst en vooral uitgegaan te worden van de tekst zelf. Is de tekst niet duidelijk, dan geeft het Burgerlijk Wetboek een aantal richtlijnen voor verdere interpretatie. Artikel 1156 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de gemeenschappelijke bedoeling van partijen voorrang heeft op de letterlijke betekenis van de woorden. Volgens een constante rechtspraak van het Hof van Cassatie kan een beroep gedaan worden op extrinsieke elementen waaruit de werkelijke wil van partijen zou kunnen blijken, zoals de uitvoering die aan de overeenkomst wordt gegeven, de context waarbinnen ze tot stand is gekomen, de inhoud van de voorafgaande onder-handelingen, de persoonlijkheid van de partijen e.d. (...). De CAO-vastheid van betrekking handelt over de procedures die dienen te worden nageleefd bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomsten binnen de sector en bepaalt de sanctie bij niet-naleving ervan onder vorm van een bijzondere forfaitaire schadevergoeding uitgedrukt in "loon" volgens de anciënniteit van de werknemer. Het betreft dus wel degelijk een arbeidsrechtelijke context. De normatieve bepalingen van de CAO die algemeen verbindend werd verklaard bij koninklijk besluit hebben daarenboven een reglementair karakter (...). De partijen die de CAO afsloten waren, gezien hun hoedanigheid van werknemers en werkgeversorganisaties, zeker vertrouwd met de gemeen arbeidsrechtelijke definitie van dit loonbegrip dat algemeen door rechtspraak en rechtsleer wordt gehanteerd. Hieruit leidt het (arbeidshof) af dat zij wel degelijk dit loonbegrip hebben bedoeld nu zij daarop geen uitzonderingen hebben voorzien, te meer nu krachtens de wet voorziene beschermingsvergoedingen worden berekend op het loon met inbegrip van de voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst. Uit het feit dat artikel 39 AOW bepaalt dat de opzeggingsvergoeding berekend wordt op het lopend loon en de voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst kan niet a contrario worden afgeleid dat deze voordelen in de beschermingsvergoeding niet zouden moeten worden opgenomen. Die bepaling heeft het immers over het "lopend" loon en de vermelding van de voordelen wil enkel duidelijk maken dat wel degelijk het volledige loon in aanmerking dient te worden genomen. Het betreft een "explicitering" van wat reeds in het begrip "loon" vervat ligt. Dit kan onder meer worden afgeleid uit het cassatiearrest met betrekking tot de berekeningsbasis van de uitwinningsvergoeding, waarin wordt overwogen dat de uitwinningsvergoeding berekend wordt op het loon van de handelsvertegenwoordiger dat ook voor de aanvulling van artikel 101 door de wet van 17 juli 1985 de voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst omvat (...). De bijzondere vergoeding bedraagt bijgevolg: 126.878,94 x (9 : 12) = 95.159,2 euro". Grieven
  5. Artikel 15 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 november 1987 aangaande de vastheid van betrekking, gesloten in het paritair comité voor het verzekeringswezen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 30 maart 1988, bepaalt dat in geval van ontslag zonder dat de in de artikelen 4 en 5 bepaalde procedures zijn nageleefd, alsook in geval van ontslag dat in strijd is met artikel 10, de werkgever ertoe gehouden is de werknemer een forfaitaire vergoeding te betalen die gelijk is aan het loon van zes maanden voor de personeelsleden met een anciënniteit tussen een en vijf jaar en een forfaitaire vergoeding die gelijk is aan het loon van negen maanden voor de personeelsleden met een anciënniteit van meer dan vijf jaar, onverminderd de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Zoals het arbeidshof vaststelt, bepaalt artikel 15 van voornoemde collectieve arbeids-overeenkomst de forfaitaire vergoeding op een bedrag gelijk aan een aantal maanden loon zonder het begrip "loon" nader te omschrijven. Loon is de tegenprestatie van arbeid die ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst wordt verricht. Noch artikel 15, noch enige andere bepaling van de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 november 1987 aangaande de vastheid van betrekking wijkt af van het begrip loon als tegenprestatie van de arbeid die ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst wordt verricht. Bijgevolg kan enkel de tegenprestatie van de arbeid die ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst wordt verricht in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de forfaitaire vergoeding waarvan sprake in artikel 15 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 november 1987 aangaande de vastheid van betrekking, en kan het begrip loon in die bepaling niet verruimd worden tot alle krachtens de arbeidsovereenkomst verworven voordelen. De definitie die artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon van de werknemers geeft aan loon, geldt enkel voor die wet, tenzij anders is bepaald. Artikel 39, ,§1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereen-komsten, bepaalt dat de opzeggingsvergoeding niet alleen het lopend loon, maar ook de voordelen verworven krachtens de overeenkomst bevat. Die bepaling geldt specifiek voor de opzeggingsvergoeding. Het arbeidshof overweegt dat de "bijzondere vergoeding vastheid van betrekking" moet worden berekend op het loon én de voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst, net als de "verbrekingsvergoeding". Onderaan de elfde bladzijde van het arrest, overweegt het arbeidshof: "De berekening van het basisloon waarop de opzeggingsvergoeding dient te worden berekend, komt correct voor. Het bedraagt: vast loon: 269.464 BEF x 13,92 = 3.750.939 F jaarlijkse premie : 200.000 x 12,92/12 = 215.333 BEF maaltijdcheques = 41.580 BEF verzekeringspremies: 92.536 x 12 = 1.110.432 BEF (zonder rekening te houden met de premie voor de aanvullende verzekering die hierna ter sprake komt Totaal = 5.118284 BEF of 126878,94 euro". Het arbeidshof overweegt dat de "bijzondere vergoeding vastheid van betrekking" "126.878,94 x (9 : 12) =
  6. 159,2 euro" bedraagt. Door te oordelen dat de "bijzondere vergoeding vastheid van betrekking" moet worden berekend op het loon én de voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst, net als de "verbrekingsvergoeding", en de "bijzondere vergoeding vastheid van betrekking" te berekenen op dezelfde basis als die voor de berekening van de "verbrekingsvergoeding", miskent het arbeidshof het eigenlijke begrip loon, zijnde de tegenprestatie van arbeid die ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst wordt verricht (schending van de artikelen 15, zoals vervangen door artikel 6 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 31 mei 1989 gesloten in uitvoering van het Interprofessioneel Akkoord van 18 november 1988, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 5 oktober 1989 (Belgisch Staatsblad 26 oktober 1989), van de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 november 1987 betreffende vastheid van betrekking, gesloten in het paritair comité voor het verzekeringswezen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 30 maart 1988 (Belgisch Staatsblad, 9 april 1988), 2, 3, 20, 3° en 39, inzonderheid ,§1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, 2, eerste lid, 1° t.e.m. 3°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers).
  7. Loon is de tegenprestatie van arbeid die ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst wordt verricht. Het arbeidshof overweegt dat bovenstaande definitie als de gemeen arbeidsrechtelijke loondefinitie wordt beschouwd en geldt voor elke wetgeving of reglementering die het-zelfde concept arbeidsovereenkomst aanhoudt, behoudens afwijking. Het arbeidshof stelt vast dat de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 november 1987 aangaande de vastheid van betrekking, gesloten in het paritair comité voor het verzekeringswezen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 30 maart 1988, handelt over de procedures die moeten worden nageleefd bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst binnen de sector en een sanctie bij niet-naleving ervan bepaalt in de vorm van een forfaitaire vergoeding uitgedrukt in "loon" volgens de anciënniteit van de werknemer, zodat het wel degelijk een arbeidsrechtelijke context betreft. Het arbeidshof overweegt vervolgens dat de partijen die voornoemde collectieve arbeidsovereenkomst sloten, gelet op hun hoedanigheid van werknemers en werkgeversorganisaties, zeker vertrouwd waren met de gemeen arbeidsrechtelijke definitie van het loonbegrip, en leidt daaruit af dat zij wel degelijk dat loonbegrip hebben bedoeld nu zij daarop geen uitzondering hebben voorzien, te meer nu alle krachtens de wet bepaalde beschermingsvergoedingen worden berekend op het loon met inbegrip van de voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst. In de mate dat het arbeidshof met die overwegingen te kennen geeft dat het loon, zijnde de tegenprestatie van arbeid die ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst wordt verricht, ook de voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst bevat, miskent het arbeidshof het rechtsbegrip "loon" (schending van de artikelen 2, 3 en 20, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). Aldus oordeelt het arbeidshof niet wettig dat de "bijzondere vergoeding vastheid van betrekking" moet berekend worden op het loon en de voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst, net als de "verbrekingsvergoeding", en veroordeelt eiseres niet wettig tot betaling aan verweerster van 95.159,20 euro als "bijzondere vergoeding vastheid van betrekking" gelijk aan negen maanden loon (schending van de artikelen 15, zoals vervangen door artikel 6 van de collectieve arbeidsovereen-komst van 31 mei 1989 gesloten in uitvoering van het Interprofessioneel Akkoord van 18 november 1988, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 5 oktober 1989 (Belgisch Staatsblad 26 oktober 1989), van de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 november 1987 betreffende vastheid van betrekking, gesloten in het paritair comité voor het verzekeringswezen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 30 maart 1988 (Belgisch Staatsblad 9 april 1988), 2, 3, 20, 3°, en 39, inzonderheid ,§1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, 2, eerste lid, 1° t.e.m. 3°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers). Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 39, inzonderheid ,§1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de oorspronkelijke vordering van verweerster, het principaal hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Het arbeidshof hervormt het beroepen vonnis van de arbeidsrechtbank en veroordeelt eiseres onder meer tot betaling aan verweerster van 317.197,35 euro (provisioneel) als "verbrekingsvergoeding", bedrag te vermeerderen met de interest. Het arbeidshof beveelt de heropening van de debatten en draagt eiseres op de stukken voor te leggen met betrekking tot de provisies of premies die zij heeft betaald met het oog op de financiering van een aanvullend pensioen ten voordele van verweerster vanaf 1 juni 2004 om de eventuele begroting van dat voordeel in het bedrag van de verbrekingsvergoeding mogelijk te maken. Het arbeidshof beslist dat onder meer op grond van de volgende motieven: "(Verweerster) vordert dat behalve de premies voor de groepsverzekeringen ook nog rekening zou worden gehouden met de premie in de bedrijfsleidersverzekering. (Eiseres) is het daarmee niet eens daar de begunstigde van deze verzekering volgens haar (eiseres) zelf is en niet (verweerster). (Verweerster) toont echter aan dat tussen partijen op 8 juli 1998 een overeenkomst werd gesloten waarbij haar een aanvullend rustpensioen werd beloofd door (eiseres) t.b.v. 4.200.000 BEF (index 1 juni 1998) bij leven op 1 juni 2004 en dit ongeacht de reden waarom zij de dienst zou verlaten, met dien verstande dat de voordelen op dat ogenblik zouden worden verminderd in functie van de jaren verlopen tussen het afsluiten van de overeenkomst en het beëindigen van de functie. Ondervraagd over de toekenning van dit bijkomend voordeel verklaarde de voormalig algemeen directeur, de heer B., dat de aanpassing van de groepsverzekering zich situeerde in de context van het Barber-arrest en overlegd werd met de voorzitter van de raad van bestuur, hetgeen aanleiding gaf tot een bijkomende jaar-premie. De afgesloten verzekering beoogde wel degelijk de toekenning van een pensioenvoordeel aan (verweerster) en vertoont de kenmerken van een groepsverzekering. Uit de toegepaste techniek: bedrijfsleidersverzekering met het oog op het waarborgen van een aanvullend pensioen, volgt dat de onderneming ofwel een provisie heeft moeten vastleggen om dit voordeel te bekostigen, ofwel boekhoudkundige premies in rekening heeft gebracht. (Eiseres) dient aan te tonen dat zij bij de betaling hiervan rekening heeft gehouden met de periode gedekt door de opzeggingsvergoeding ofwel het daarmee overeenstemmend voordeel op te nemen in de opzeggingsvergoeding. Een heropening der debatten is hiertoe noodzakelijk".. Grieven Artikel 39, ,§1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, bepaalt dat de partij die de arbeidsovereenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder inachtneming van een opzeggingstermijn, gehouden is de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterend gedeelte van die termijn. Krachtens het tweede lid van die bepaling, behelst de opzeggingsvergoeding niet alleen het lopend loon, maar ook de voordelen verworven krachtens de overeenkomst. De vergoeding moet worden berekend met inachtneming van het loon waarop de werknemer op het tijdstip van de beëindiging recht heeft. Het arbeidshof stelt vast dat verweerster vorderde dat, behalve de premies voor de groepsverzekeringen, ook nog rekening zou gehouden worden met de premie in de bedrijfsleiderverzekering. In de tweede tekstalinea van het twaalfde blad van het arrest stelt het arbeidshof vast dat verweerster aantoont dat tussen de partijen op 8 juli 1998 een overeenkomst werd gesloten waarbij verweerster een aanvullend pensioen werd beloofd door eiseres ten bedrage van 4.200.000 BEF bij leven op 1 juni
  8. Vervolgens overweegt het arbeidshof dat de afgesloten verzekering wel degelijk de toekenning van een pensioenvoordeel aan verweerster beoogde en de kenmerken ver-toont van een groepsverzekering. Voorts stelt het arbeidshof vast dat uit de toegepaste techniek, een bedrijfsleiderverzekering met het oog op het waarborgen van een aanvullend pensioen, volgt dat de eiseres ofwel een provisie heeft moeten vastleggen om dat voordeel te bekostigen, ofwel boekhoudkundige premies in rekening heeft gebracht. Vervolgens overweegt het arbeidshof dat eiseres dient aan te tonen dat zij bij de betaling hiervan rekening heeft gehouden met de periode gedekt door de opzeggingsvergoeding ofwel het daarmee overeenstemmende voordeel heeft opgenomen in de opzeggingsvergoeding. Aldus beslist het arbeidshof dat eiseres bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst rekening had moeten houden met de provisie of boekhoudkundige premies tot bekostiging van het pensioenvoordeel bij de bepaling van de opzeggingsvergoeding. Met zijn vaststellingen stelt het arbeidshof evenwel noch uitdrukkelijk noch impliciet vast dat het pensioenvoordeel, toegekend in een overeenkomst van 8 juli 1998, of de provisie of de boekhoudkundige premie tot bekostiging ervan op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst deel uitmaakten van het loon van verweerster. Zulks blijkt evenmin uit enig stuk waarop het Hof vermag acht te slaan. Het arbeidshof beslist dan ook niet wettig dat eiseres dient aan te tonen dat zij bij de betaling van de provisie of boekhoudkundige premies tot bekostiging van het pensioenvoordeel rekening heeft gehouden met de periode gedekt door de opzeggingsvergoeding ofwel het daarmee overeenstemmende voordeel heeft opgenomen in de opzeggingsvergoeding. Het arbeidshof beslist niet wettig dat eiseres dient aan te tonen dat zij bij het vastleggen van de provisie of het in rekening brengen van boekhoudkundige premies tot bekostiging van het pensioenvoordeel rekening heeft gehouden met de periode gedekt door de opzeggingsvergoeding ofwel het daarmee overeenstemmende gedeelte heeft opgenomen in de opzeggingsvergoeding. Bijgevolg veroordeelt het arbeidshof eiseres niet wettig tot betaling aan verweerster van 317.197,35 euro (provisioneel) als "verbrekingsvergoeding", bedrag te vermeerderen met de interest (schending van artikel 39, inzonderheid ,§1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  9. Artikel 10 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, naar luid waarvan voor het loon van rechtswege rente verschuldigd is met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar is, slaat blijkens de bewoordingen en het opzet van dat artikel, enkel op het loon dat de werknemer van zijn werkgever kan vorderen.
  10. Artikel 270, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bepaalt dat de bedrijfsvoorheffing verschuldigd is door de belastingplichtigen die als schuldenaar bezoldigingen betalen of toekennen, terwijl, volgens artikel 272, 1°, van dat wetboek, behoudens strijdig beding, de in artikel 270, 1°, vermelde belastingschuldigen het recht hebben op de belastbare inkomsten de desbetreffende voorheffing in te houden. Bijgevolg heeft de werknemer, behoudens strijdig beding waarvan het arrest het bestaan niet vaststelt, niet het recht te eisen dat hem die voorheffing zou worden betaald.
  11. Krachtens artikel 23, ,§1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt de bijdrage van de werknemer door de werkgever bij iedere betaling van het loon ingehouden en is deze die bijdrage, samen met de zijne, verschuldigd aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Bijgevolg kan de werknemer de betaling van zijn socialezekerheidsbijdragen niet van de werkgever vorderen.
  12. De opzeggingsvergoeding en de werkzekerheidsvergoeding zijn voordelen ten laste van de werkgever, toegekend aan de werknemer ingevolge de beëindiging van de dienstbetrekking, en maken derhalve overeenkomstig artikel 2 van de Loonbeschermingswet loon uit in de zin van deze wet.
  13. Het arrest schendt de voormelde wetsbepalingen, zoals te dezen van toepassing, door interest toe te kennen op het brutobedrag van deze vergoedingen, tot betaling waarvan eiseres ten aanzien van verweerster veroordeeld wordt.
  14. Het arrest vermocht niet zijn beslissing te gronden op artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 dat artikel 10 van de Loonbeschermingswet vervangt in die zin dat interest verschuldigd is op het brutobedrag van het loon in de zin van de Loonbeschermingswet, vermits dit artikel 82 geen interpretatieve wetsbepaling is en krachtens artikel 90, ,§1, van de wet van 26 juni 2002 nog niet in werking was getreden op het ogenblik van het wijzen van het arrest.
  15. Het middel is gegrond. Tweede middel
  16. Artikel 15 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 november 1987 aangaande de vastheid van betrekking, gesloten in het paritair comité voor het verzekeringswezen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 30 maart 1988, bepaalt dat in geval van ontslag zonder dat de in de artikelen 4 en 5 bepaalde procedures zijn nageleefd, alsook in geval van ontslag in strijd met artikel 10, de werkgever ertoe gehouden is de werknemer een forfaitaire vergoeding te betalen die gelijk is aan het loon van zes maanden voor de personeelsleden met een anciënniteit tussen een en vijf jaar en een forfaitaire vergoeding die gelijk is aan het loon van negen maanden voor personeelsleden met een anciënniteit van meer dan vijf jaar, onverminderd de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
  17. Met loon wordt in deze wettelijke bepaling niet louter het maandloon bedoeld maar het loon in de arbeidsrechtelijke zin, dit is het geheel van de voordelen toegekend als tegenprestatie voor de in het kader van de arbeids-overeenkomst gepresteerde arbeid.
  18. Waar in sommige wetsbepalingen, zoals artikel 39 en 101 van de Arbeids-overeenkomstenwet ter bepaling van de opzeggingsvergoeding of de uitwinningsvergoeding, sprake is van het lopend loon, is in die bepalingen bijgevoegd dat het lopend loon ook de krachtens de arbeidsovereenkomst verworven voordelen behelst, dit om te preciseren dat het lopend loon niet alleen het maandloon betreft.
  19. Waar in voormeld artikel 15 er geen sprake is van lopend loon, is er dan ook geen melding gemaakt van de voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst. De voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst zijn immers in beginsel toegekend als tegenprestatie voor de in het kader van de arbeidsover-eenkomst gepresteerde arbeid en zijn dus bestanddelen van het loon in de arbeidsrechtelijke zin.
  20. Het arrest neemt terecht in aanmerking als basis ter berekening van de bedoelde werkzekerheidsvergoeding: het maandloon, vermeerderd met de voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst, zoals de jaarlijkse premie, de maaltijdcheques en de verzekeringspremies.
  21. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel
  22. Het middel komt op tegen het arrest in zoverre de veroordeling tot betaling aan verweerster van 317.197,35 euro als verbrekingsvergoeding slechts provisioneel is, op grond dat het arrest niet vaststelt dat de provisie of de boekhoudkundige premie tot bekostiging van een pensioenvoordeel voor verweerster, waarvan de hoegrootheid na heropening van debat moet worden bepaald, deel uitmaakten van het loon van verweerster bij de beëindiging van haar overeenkomst.
  23. Het arrest oordeelt evenwel uitdrukkelijk dat: - de afgesloten verzekering wel degelijk de toekenning van een pensioen-voordeel aan verweerster beoogde en de kenmerken van een groepsverzeke-ring vertoont; - de onderneming ofwel een provisie heeft moeten vastleggen om dit voordeel te bekostigen ofwel boekhoudkundige premies in rekening heeft gebracht; - de heropening van het debat nodig is om na te gaan of het daarmee overeen-stemmend voordeel in de opzeggingsvergoeding is opgenomen of nog moet worden opgenomen.
  24. Zodoende geeft het arrest te kennen dat de bedoelde provisie of premies te beschouwen zijn als voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst.
  25. Het middel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de interest en de kosten. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt eiseres in twee derden van de kosten. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Antwerpen. De kosten begroot op de som van honderd zevenendertig euro twaalf cent jegens de eisende partij en op de som van honderd tachtig euro vijftien cent jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois en Ghislain Londers, en in openbare terechtzitting van zes februari tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060206.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060920.5 ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070213.27 ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070425.13 ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20100201.13 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131118.2 ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070328.23 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030407.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.