id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060209.4 Rolnummer: C.06.0029.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-06-01 Raadplegingen: 244 - laatst gezien 2026-07-03 09:19 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het Hof van cassatie willigt het verzoek tot onttrekking van de zaak uitgaande van één der partijen in het belang van een goede rechtsbedeling in wanneer het vaststelt dat de rechter reeds meer dan zes maanden verzuimd heeft de zaak te berechten die hij in beraad genomen heeft, en de zaak zelf geen bijzondere kenmerken vertoont die zouden kunnen verantwoorden dat de zaak zo lang in beraad werd gehouden. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - ALGEMEEN Vrije woorden: RECHTBANKEN - ALGEMEEN Verzuim meer dan zes maanden de zaak te berechten Verzoek van een partij Onttrekking aan de rechter Beoordelingscriteria Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.648,4°en Fiche 2 Wanneer het Hof van cassatie op verzoek van één der partijen een zaak onttrekt aan de rechter die gedurende meer dan zes maanden verzuimd heeft de zaak te berechten die hij in beraad heeft genomen, wijst het de rechter aan naar wie het de zaak verwijst; het kan de zaak verwijzen naar hetzelfde gerecht, anders samengesteld
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: VERWIJZING VAN EEN RECHTBANK NAAR EEN ANDERE - ALGEMEEN Vrije woorden: VERWIJZING VAN EEN RECHTBANK NAAR EEN ANDERE - ALGEMEEN Verzuim meer dan zes maanden de zaak te berechten Verzoek van een partij Onttrekking aan de rechter Verwijzing van de zaak Aanwijzing van de rechter Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.648,4°en Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. THIJS, Cass., 9 feb. 2006, AR C.06.0029.N, A.C., 2006, nr ... Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - ALGEMEEN Vrije woorden: RECHTBANKEN - ALGEMEEN Verzuim meer dan zes maanden de zaak te berechten Verzoek van een partij Onttrekking aan de rechter Beoordelingscriteria Thesaurus CAS: VERWIJZING VAN EEN RECHTBANK NAAR EEN ANDERE - ALGEMEEN Vrije woorden: VERWIJZING VAN EEN RECHTBANK NAAR EEN ANDERE - ALGEMEEN Verzuim meer dan zes maanden de zaak te berechten Verzoek van een partij Onttrekking aan de rechter Verwijzing van de zaak Aanwijzing van de rechter Nota: C.06.0029.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS:
- Verzoekster heeft door tussenkomst van haar advocaat een verzoekschrift ingediend tot onttrekking van de zaak aan de rechter op grond van de artikelen 648, 4° en 652 van het Ger. W. Sedert de wetswijziging bij de wet van 6 december 2OO5 laten deze bepalingen toe dat iedere partij kan vorderen dat de zaak aan de rechter wordt onttrokken wanneer de rechter gedurende meer dan zes maanden verzuimt de zaak te berechten die hij in beraad genomen heeft. De wet van 6 december 2OO5 werd op 13 januari 2OO6 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, en is in werking getreden 1O dagen na haar publicatie op 23 januari 2OO
- Nu deze wet een procedurewet betreft, is zij onmiddellijk van toepassing op de hangende geschillen. In casu werd de zaak door de rechter in beraad genomen op de zitting van 11 januari 2OO5 van de 27 ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Op 19 december 2OO5 schreef de raadsman van verzoekster naar de hoofdgriffier van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel met de vraag wanneer in deze zaak een uitspraak kon worden verwacht. De griffier-hoofd van dienst liet bij schrijven van 23 december 2OO5, verzonden op 26 december 2OO5, weten dat "tot op heden geen vonnis werd geveld in de zaak" en dat het schrijven van 19 december 2OO5 overgemaakt werd aan de heer Voorzitter van de rechtbank. Het verzoekschrift tot onttrekking werd vervolgens ter griffie van Uw Hof neergelegd op 24 januari 2OO
- Het verzoekschrift werd bijgevolg neergelegd op een ogenblik waarop de rechter gedurende meer dan zes maanden verzuimt heeft uitspraak te doen, zodat Uw hof in beginsel de onttrekking kan uitspreken.
- Situering van de problematiek. Overeenkomstig artikel 5 Ger. W. is er sprake van 'rechtsweigering' wanneer de rechter weigert recht te spreken onder enig voorwendsel, zelfs van stilzwijgen, de duisterheid of de onvolledigheid van de wet. Overeenkomstig artikel 258 van het Strafwetboek is rechtsweigering strafbaar gesteld met een geldboete van 2OO euro tot 5OO euro en kan zij aanleiding geven tot ontzetting van het recht om openbare ambten, bedieningen of betrekkingen te vervullen. Er is niet alleen sprake van "rechtsweigering" wanneer de rechter effectief weigert recht te spreken, maar tevens wanneer hij nalaat uitspraak te doen in de zaken die hem zijn toevertrouwd (R.D.D.B., Vo Déni de justice, deel III, nr. 9). Dit verbod van rechtsweigering, begrepen in de zin van het verzuimen recht te spreken in de zaken die de rechter in beraad heeft genomen, wordt verder in het Ger. W. geobjectiveerd. Overeenkomstig artikel 77O, eerste lid, Ger. W. moet de rechter die de zaak in beraad houdt binnen de maand na het sluiten van de debatten uitspraak doen. Het derde lid van dit artikel schrijft voor dat indien de rechter het beraad langer dan drie maanden aanhoudt, hij de eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof verwittigt. Ten slotte volgt uit de artikelen648, 4° en 652 van het Ger. W. dat wanneer de rechter verzuimt om binnen de zes maanden uitspraak te doen, de zaak hem kan worden onttrokken. De termijn voor de uitspraak van vonnissen en arresten is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid (Cass., 3O januari 1998, A.C., 1998, nr. 55). Uit de verschillende drempels die de wetgever heeft voorzien (één maand, drie maand, zes maand) moet afgeleid worden dat het overschrijden van de termijn voor het beraad op zichzelf niet moet beschouwd worden als een verzuim aan de ambtsplichten door de rechter die de zaak in beraad heeft genomen, dat aanleiding kan geven tot het opleggen van tuchtstraffen overeenkomstig artikel 4O4 Ger. W.. Zulks zal slechts het geval zijn wanneer de vertraging in de uitspraak niet gerechtvaardigd is en de goede rechtsbedeling in het gedrang wordt gebracht, waarbij dit laatste doorslaggevend is (Cass., 4 december 1986, Pas., I, 1987, nr. 2O8; Zie over de verplichting om binnen de wettelijke termijn uitspraak te doen: X. DE RIEMAECKER en G. LONDERS, Deontologie en tucht, in "Statuut en deontologie van de magistraat", die Keure, Brugge, 2OOO, p. 324-325). Wanneer een zaak in beraad is genomen, is het voor de rechtzoekende van het grootste belang dat het vonnis of arrest binnen een redelijke termijn wordt uitgesproken. Het is immers zeer frustrerend voor de rechtzoekende dat de uitspraak herhaaldelijk wordt uitgesteld. Die uitstellen zijn ook van aard om bij de rechtzoekende een zekere achterdocht te doen ontstaan nu in die fase van de procedure de partijen en hun advocaten geen zicht meer hebben op het dossier (Advies van de Hoge Raad voor de justitie met betrekking tot het wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 648, 652, 654, 655 en 656 van het Ger. W., met het oog op de vereenvoudigde onttrekking van de zaak aan de rechter die gedurende meer dan zes maanden verzuimt de zaak die hij in beraad heeft genomen, te brechten, bijlage bij het Verslag namens de Commissie voor de Justitie, Parl. St., Senaat, Zitting 2OO4-2OO5, 8 maart 2OO5, st. 3-663/5, p. 12). Het behoort dan ook tot de fundamentele taken van de betrokken rechter om de wettelijke termijn van het beraad zo goed mogelijk te eerbiedigen en van de korpschef van die magistraat om systematisch toezicht uit te oefenen op die naleving. De rechtzoekende die vaststelt dat een vonnis of arrest onredelijk lang uitblijft kan, rechtstreeks of via zijn raadsman, verschillende initiatieven nemen: - hij kan de feiten melden aan de hiërarchische meerdere (de voorzitter of de eerste voorzitter) van de betrokken magistraat of magistraten, met verzoek tussen te komen om de uitspraak te bespoedigen; - hij kan klacht instellen bij de tuchtoverheid bevoegd om de tuchtprocedure in te stellen (art. 414, ,§ 3, eerste lid, Ger. W.); - hij kan, tenslotte, als procespartij de procedure van onttrekking instellen indien het verzuim meer dan zes maanden aanhoudt. In zijn voormeld advies heeft de Hoge Raad voor de Justitie er op gewezen dat zij het niet wenselijk acht dat elke overschrijding van de termijn van zes maanden automatisch zou leiden tot het instellen van een vordering tot onttrekking van de zaak aan de rechter (Advies van de H.R.J, o.c., p. 14). Het is in deze context dat de Minister van Justitie bij de parlementaire voorbereiding van de wet van 6 december 2OO5 heeft onderstreept dat de procedure van onttrekking moet worden beschouwd als het ultimum remedium voor de partijen: " Krachtens het Gerechtelijk Wetboek moeten de korpschefs nu reeds toezien op de termijnen van beraad van de rechters in hun gerecht. Ingeval zulks nodig is kunnen zij preventief optreden om de oorzaak van de vertraging vast te stellen en maatregelen nemen om zulks te verhelpen. Een dergelijke opdracht past volkomen in het kader van een moderne en verantwoorde opvatting van het ambt van korpschef. Tenslotte is het niet de bedoeling dat het aan de partijen verleende recht om de onttrekking te verzoeken wordt aangewend ingeval de rechter bij wie de grond van de zaak aanhangig is gemaakt, niets onderneemt, maar wel ingeval de korpschef voornoemde taak van beheer en toezicht in zijn gerecht niet vervult. Het ontwerp van wet dat thans wordt onderzocht, biedt de partijen de mogelijkheid op te treden door middel van een snelle en vereenvoudigde procedure in de gevallen waarin dat toezicht niet wordt uitgeoefend." (eigen onderlijning; Verslag namens de Commissie voor de Justitie, Parl. St., Kamer, 3 november 2OO5, st. 1662/OO3, p. 3).
- Om na te gaan of het verzoek tot onttrekking in die optiek niet voorbarig voorkomt, dient onderzocht in welke mate de korpschef in de gelegenheid werd gesteld zijn taak van beheer en toezicht uit te oefenen. In voorliggende zaak werd de voorzitter van de rechtbank op 23 december 2OO5 op de hoogte gesteld van het uitblijven van een vonnis na het in beraad nemen van de zaak op 11 januari 2OO5, ingevolge het schrijven van verzoeker van 19 december 2OO5 dat hem door toedoen van de griffier-hoofd van dienst werd overgemaakt. In het kader van zijn taak van beheer en toezicht diende de voorzitter, enerzijds de in gebreke blijvende rechter onmiddellijk aanzetten tot het uitspreken van een vonnis in de zaak, anderzijds, minstens de partij die om inlichtingen had gevraagd, op de hoogte brengen van de genomen maatregelen. Maar blijkbaar werd er noch door de voorzitter, noch door de betrokken rechter enig initiatief genomen. Tot 24 januari 2OO6, en dus gedurende één volle maand, heeft de rechter de gelegenheid gehad zijn zogenaamde "vergetelheid" recht te zetten door onverwijld een vonnis uit te spreken, terwijl de voorzitter de zich opdringende maatregelen kon nemen en de partijen hiervan in kennis kon stellen. Voorliggende zaak betreft dan ook een geval waarin de korpschef zijn taak van beheer en toezicht in zijn gerecht niet heeft uitgeoefend, zodat het door verzoeker op 24 januari 2OO6 neergelegd verzoek tot onttrekking in dat opzicht geenszins voorbarig voorkomt.
- Inzake de draagwijdte van artikel 652 Ger. W. oordeelde Uw Hof dat het woord "verzuimen" de zaak te berechten in de context van die wetsbepaling niet in de tuchtrechterlijke zin van het woord mag worden opgevat en evenmin noodzakelijk kan worden begrepen in de zin van "foutieve nalatigheid"; het betekent, volgens uw Hof, " niet voldoen aan de verplichting uitspraak te doen (Cass., 9 december 1977, A.C., 1978, 437). De redelijkheid van de overschrijding van de termijn om uitspraak te doen, moet overigens steeds in concreto worden onderzocht. Daarbij moeten een aantal factoren in aanmerking genomen worden, zoals de aard en de ingewikkeldheid (zowel in feite als in rechte) van de zaak, de noodwendigheden van een normaal beraad in een collegiale kamer, de werklast en de persoonlijke situatie van de betrokken magistraat. Factoren als een langdurende ziekte of het vervullen van wettelijke opdrachten kunnen in zijnen hoofde leiden tot een toestand van overmacht ( Advies van de H.R.J., o.c., p. 14). Uw Hof oordeelde in dit verband dat het bij de toetsing van een verzoekschrift tot onttrekking van de zaak aan de rechter omdat deze gedurende meer dan zes maanden heeft verzuimd een zaak te berechten die hij in beraad heeft genomen, weliswaar rekening mag houden met de omstandigheden van de zaak en onder meer met een toestand van overmacht, maar moet het niettemin, bij zijn beslissing als doorslaggevende factor de belangen van een goede rechtsbedeling in aanmerking nemen (Cass., 4 december 1986, A.C., 1986-87, nr. 2O8). Als oorzaak voor het uitblijven van een vonnis in deze zaak verklaarde de in gebreke blijvende rechter dat het procedurebundel door hem op een ongelukkige wijze verkeerd werd gerangschikt zodat hij deze zaak uit het oog verloren had. Nu de rechter voorts nog verklaarde dat hij "geen argumenten kan voorleggen ter goedkeuring van deze gang van zaken", terwijl hij na het schrijven van de raadsman van verzoekster van 19 december 2OO5 geen enkel initiatief blijkt te hebben genomen, komt het mij voor dat de achterstand van één jaar in het uitspreken van een vonnis in casu door geen enkel gegeven kan worden verantwoord. Er kan ten deze overigens geen sprake zijn van een situatie van overmacht die de rechter zou hebben belet recht te spreken. Het verzoek komt mij dan ook gegrond voor zodat er aanleiding toe bestaat de zaak te onttrekken aan de betrokken rechter. ARREST Tekst van de beslissing Nr. C.06.0029.N B.M., verzoekster tot onttrekking van de zaak aan de rechter, vertegenwoordigd door mr. Patrick Hofströssler en mr. Sofie Hoogers, advocaten, kantoor houdende te 1000 Brussel, Goedheidsstraat 5-7, in de zaak van D.P., vertegenwoordigd door mr. Michel Godhaird, advocaat, kantoor houdende te 1060 Brussel, Sint-Bernardusstraat 76, tegen B.M. vertegenwoordigd door mr. Patrick Hofströssler en mr. Sofie Hoogers, advocaten, kantoor houdende te 1000 Brussel, Goedheidsstraat 5-
- I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De verzoekster heeft op 24 januari 2006 een verzoek neergelegd tot onttrekking van de zaak nr. 03/4334/B aan de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, wegens verzuim van meer dan zes maanden om de zaak te berechten. Op 3 februari 2006 heeft de griffie van het Hof van Cassatie de opmerkingen ontvangen van de toenmalige voorzitter van de 27ste kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF
- Het verzoekschrift is gebaseerd op de volgende omstandigheden: - op 10 juni 2003 werd bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel een verzoekschrift ingediend tot omzetting van het vruchtgebruik van de overlevende echtgenoot; - op de zitting van 11 januari 2005 werd de zaak door de 27ste kamer in beraad genomen; - op 19 december 2005 schreef de advocaat van de verzoekster naar de hoofdgriffier van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel met de vraag wanneer een uitspraak ter zake werd verwacht; - op deze brief werd op 23 december 2005 geantwoord dat er nog geen vonnis was. Uit die omstandigheden blijkt dat de rechters van de 27ste kamer reeds meer dan zes maanden verzuimd hebben de zaak te berechten die zij in beraad hebben genomen.
- De magistraat die de kamer voorzat die de zaak waarvan de onttrekking wordt gevraagd, heeft behandeld en in beraad genomen, verklaart dat het dossier op een ongelukkige wijze door hem verkeerd werd gerangschikt zodat hij de zaak uit het oog heeft verloren en er nog geen vonnis werd uitgesproken.
- De zaak zelf vertoont geen bijzondere kenmerken die zouden kunnen verantwoorden dat de zaak zo lang in beraad werd gehouden.
- De beslissing over het geschil mag in het belang van een goede rechtsbedeling niet langer uitblijven. Dictum Het Hof, Onttrekt de zaak nummer 03/4334/B, ingeschreven op de rol van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, aan de 27ste kamer van deze rechtbank. Verwijst de zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, anders samengesteld. Veroordeelt de Belgische Staat in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van nul euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Ghislain Londers en Paul Maffei, en in openbare terechtzitting van 9 februari 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060209.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div