← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060209.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060209.5 Rolnummer: C.03.0074.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2006-06-01 Raadplegingen: 678 - laatst gezien 2026-07-04 03:52 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De pauliaanse vordering strekt tot vergoeding van de schade die de bedrieglijke verarming van de schuldenaar aan de schuldeiser berokkent; ter zake van de bedrieglijke overdracht van een vermogensbestanddeel door de schuldenaar aan een derde-medeplichtige, bestaat de vergoeding van de schade in beginsel hierin dat die overdracht niet tegenwerpelijk is aan de agerende schuldeiser zodat hij tot executie op het overgedragen vermogensbestanddeel kan overgaan; indien deze vorm van herstel in natura niet meer mogelijk is of indien het vermogensbestanddeel niet meer identificeerbaar is in het vermogen van de derde-medeplichtige, kan de schuldeiser aanspraak maken op een vervangende schadevergoeding vanwege de derde-medeplichtige die beperkt is tot de waarde van het vervreemde vermogensbestanddeel en dit ten belope van het bedrag van zijn schuldvordering

(1).
(1)Zie Cass., 25 okt. 2001, AR C.99.0038.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011025.4, A.C., 2001, nr 572. Thesaurus CAS: PAULIAANSE RECHTSVORDERING Vrije woorden: PAULIAANSE RECHTSVORDERING Schuldenaar Bedrieglijke verarming Verkoop Schuldeiser Schadevergoeding Herstel in natura Onmogelijkheid Vergoeding door derde-medeplichtige Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.1167 Fiche 2 De schuldeiser kan de pauliaanse vordering ook instellen tegen de derde-onderverkrijger, aan wie de derde-medeplichtige de zaak heeft overgedragen, indien zowel ten aanzien van de derde-medeplichtige als ten aanzien van de derde-onderverkrijger aan de voorwaarden van de pauliaanse vordering is voldaan. Thesaurus CAS: PAULIAANSE RECHTSVORDERING Vrije woorden: PAULIAANSE RECHTSVORDERING Vermogensbestanddeel Bedrieglijke overdracht aan een derde-medeplichtige Overdracht aan een derde-onderverkrijger Vordering tegen de derde-onderverkrijger Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.1167 Tekst van de beslissing Nr. C.03.0074.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de ontvanger der directe belastingen te Malle, met kantoor te 2390 Malle, Antwerpsesteenweg 27 en de ontvanger der directe belastingen te Boom, met kantoor te 2850 Boom, Groene Hofstraat 13, eiser, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen V.I., met betekening van het verzoekschrift in cassatie aan de Procureur des Konings bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, wiens parket gevestigd is te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 13, verweerster. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten, op 8 november 2001 en 14 maart 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN Geschonden wettelijke bepalingen artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; artikel 1167, eerste lid, en 1382, van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen In het arrest van 8 november 2001 wordt vastgesteld: "Bewezen is dat de vennootschap in kwestie gebruikt werd om de inkomsten van de heer B.te onttrekken aan de schuldeisers van de heer B., in casu aan (eiser)". En verder: "De eerste rechter heeft evenzeer terecht geoordeeld dat (verweerster) foutief heeft gehandeld door deel te nemen aan het onvermogend maken van de heer B.. Zij is immers medeoprichter van de vennootschap en is (alleszins op papier) de zaakvoerster. Zij was ongetwijfeld op de hoogte van de beweegredenen voor de oprichting van de vennootschap waarvan zij uitkeringen ontving zonder daadwerkelijke tegenprestatie'. (Verweerster) is gehouden tot vergoeding van de door haar fout veroorzaakte schade". De appelrechters overwegen evenwel: "De belastingschulden waarop (eiser) steunt spruiten voort uit aanslagen in de directe belastingen die gevestigd werden op naam van beide echtelieden B.-V.. Aldus beschikt (eiser) over een uitvoerbare titel voor de inning van deze belastingschuld, ook ten overstaan van (verweerster). "(Eiser) vordert van (verweerster) betaling van de bedragen die zij van CV Ages-I ontving. Hij bewijst echter niet dat deze bedragen hem zouden zijn toegevallen indien deze niet bedrieglijk onttrokken waren geweest aan B.. De schade in hoofde van de niet betaalde schuldeiser bestaat immers niet in het onbetaald blijven van de schuld tenzij hij bewijst dat zijn schuldvordering met zekerheid zou betaald geweest zijn zonder de fout van de schuldenaar. Dit bewijs ontbreekt ten dezen. Partijen hebben niet geconcludeerd over de omvang en de samenstelling van de schade in hoofde van (eiser) veroorzaakt door de fout van (verweerster). De debatten worden dan ook heropend om partijen toe te laten hierover standpunt in te nemen. NV Kuzee, die de commissies betaalde aan CV Ages-I, is niet in de procedure betrokken geworden. De debatten worden dan ook heropend om (eiser) toelichting te laten verstrekken bij het belang en de draagwijdte van haar (pauliaanse) vordering om de door NV Kuzee gedane betalingen niet aan hem tegenstelbaar te doen verklaren. Ages-I werd failliet verklaard. Meteen stelt zich de vraag naar het belang van de (pauliaanse) vordering ertoe strekkende de door Ages-I aan (verweerster) gedane betalingen niet tegenstelbaar te doen verklaren. Deze vordering leidt er immers niet toe dat (verweerster) gehouden is de ontvangen bedragen terug te bezorgen aan Ages-I. Het arrest van 8 november 2002 beveelt op die gronden de heropening van de debatten. Na nieuwe conclusies volgt dan op 14 maart 2002 het eindarrest waarin beslist wordt: "In het arrest van 8 november 2001 heeft het hof reeds geoordeeld dat de schade in hoofde van (eiser) niet gelijk is aan de onbetaald gebleven belastingschuld. De heropening van de debatten strekte er toe deze schade door (eiser) te laten aantonen. (Eiser) heeft deze schade niet aangetoond, laat staan cijfermatig begroot op grond van stukken ter staving van de eis. De vordering kan dan ook slechts gegrond worden verklaard voor een bedrag van 0,02 euro". "Voor het overige stelt het hof vast: 1. geen eis werd gesteld ten overstaan van de schuldenaar van de commissies in kwestie, NV Kuzee, 2. CV Ages-I failliet werd verklaard en (eiser) in conclusies heeft toegelicht een schuldvordering in het passief te hebben ingediend die blijkbaar aanvaard werd. Daarenboven deze vennootschap in het vonnis a quo veroordeeld werd tot betalingen en geen hoger beroep werd ingesteld met betrekking tot deze veroordelingen. 3. de vordering gesteund op de veinzing en de pauliaanse vordering in zover gericht tegen (verweerster) kan slechts resulteren in de vaststelling dat (verweerster) bedragen moet terug betalen aan de failliete boedel van CV Ages-I, welke vordering uitsluitend toekomt aan de curator van het faillissement. 4. indien in de voormelde vordering van (eiser) (veinzing of pauliana) ook de vordering tot schadevergoeding begrepen is, ter zake dezelfde motieven gelden met betrekking tot de geleden schade als hoger vermeld. Deze schade is dezelfde als deze veroorzaakt door het bedrieglijk onvermogen". Waarop het arrest beslist: "Verklaart het hoger beroep gegrond als volgt en verklaart het incidenteel beroep ongegrond; Wijzigt het bestreden vonnis in zover (verweerster) veroordeeld werd tot betaling van 52.702,16 euro, te vermeerderen met de intresten; Verklaart de vordering van (eiser) slechts gegrond voor een bedrag van 0,02 euro; Wijst het overige van de vordering van (eiser) ten overstaan van (verweerster) af; Bevestigt voor het overige het bestreden vonnis; Compenseert de kosten". Grieven Eerste onderdeel Uit de uitgebreide beschrijving van feiten, in de vonnissen van de eerste rechter aangehaald en in het arrest van 8 november 2001 overgenomen, blijkt dat de echtgenoten B.-V. een vennootschapsstructuur hebben opgericht, met de cooperatieve vennootschap Ages-I, die "tot doel had de heer B.bedrieglijk onvermogend te maken". Volgens het beschreven systeem werden de commissielonen die aan B.toekwamen, door de CV Ages-I geïnd, om langs die weg verweerster te bereiken. De door eiser ingeleide vordering, benevens een aanspraak op schadeloosstelling wegens foutieve gedragingen, vorderde de toepassing van artikel 1167, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (actio pauliana). In toepassing van deze bepaling kan een schuldeiser, wiens schuldenaar zijn insolvabiliteit bedrieglijk heeft bewerkstelligd met de medeplichtigheid van een derde, van deze derde teruggave vorderen van hetgeen hij verkreeg. Deze vordering heeft tot doel de herroeping van de rechtshandeling die de debiteur, hier Marcel B., met de vermelde derde, hier verweerster via de CV Ages-I, heeft tot stand gebracht. Tegenover het voorwerp waarop de bestreden rechtshandeling betrekking heeft, mag de schuldeiser optreden alsof dit voorwerp in het vermogen van de debiteur zou zijn gebleven. In casu is dit de door B. aan verweerster doorgespeelde commissielonen, of hun equivalent in schadevergoeding. In de in deze zaak ingestelde pauliaanse vordering zijn betrokken:
  1. a)de schuldenaar, hier B.;
  2. b)zijn medeplichtige, hier verweerster. De NV Kuzee, die als bron van de bedrieglijk afgeleide inkomsten wordt vermeld, komt in de uitwerking van de pauliaanse vordering niet tussen. Het feit dat de gelden aan verweerster langs de omweg van de CV Ages-I werden overgemaakt kan de rechten van eiser tegen verweerster niet aantasten, nu de oprichting van deze vennootschap juist het frauduleus middel uitmaakte, door verweerster en haar echtgenoot opgezet om hun doel te bereiken. De door eiser tegen verweerster en haar echtgenoot ingestelde pauliaanse vordering kan ten andere geen schuldvordering van de CV Ages-I op verweerster doen ontstaan. De pauliaanse vordering moet enkel de rechten van de benadeelde schuldeiser vrijwaren. In de toepassing van deze wettelijke regeling moet ten slotte de optredende schuldeiser geen andere schade aantonen dan de frauduleuse verarming van zijn schuldenaar. Indien aan de voorwaarden voor de toepassing van deze regeling voldaan is, mag de schuldeiser, binnen de perken van het bedrag van zijn schuldvordering en van de vastgestelde frauduleuze verarming, zijn rechten rechtstreeks tegen de medeplichtige derde laten gelden. Ingevolge de frauduleuze verarming van B.verkrijgt eiser bijgevolg, in toepassing van artikel 1167, eerste lid, B.W., een rechtstreekse schuldvordering op verweerster. Besluit Ten onrechte stellen de appelrechters, in het tussenarrest van 8 november 2001 (laatste overweging), het belang van de ingestelde pauliaanse vordering in vraag, en beslissen zij in het eindarrest van 14 maart 2002 dat deze vordering slechts kan resulteren in de vaststelling dat verweerster bedragen zou moeten terugbetalen aan de failliete boedel van de CV Ages-I. Deze uitspraak miskent de rechtstreekse vordering die krachtens artikel 1167, eerste lid, ontstaat tussen de schuldeiser en de medeplichtige van de schuldenaar, hetzij tot restitutie in natura, hetzij in de vorm van een vervangende schadevergoeding, en schendt bijgevolg deze wetsbepaling. Tweede onderdeel Kenmerk van de pauliaanse vordering is dat zij een rechtstreekse vordering aan de schuldeiser verleent tegen de medeplichtige van zijn schuldenaar. Zij heeft tot doel de herroeping van de rechtshandeling die de debiteur met zijn medecontractant heeft tot stand gebracht. Voor de schuldeiser is de uitwerking van de pauliaanse vordering dat hij tegenover het voorwerp waarop die rechtshandeling betrekking heeft, mag optreden alsof het in het vermogen van zijn debiteur ware gebleven. Bovendien, voor zover een vordering "in natura" niet mogelijk zou zijn, kan de schuldeiser aanspraak maken op schadevergoeding ten laste van diegenen die onder de greep van de pauliaanse vordering vallen. Eiser heeft, in zijn "beroepsbesluiten na heropening der debatten", uitdrukkelijk aanspraak gemaakt op dit recht: "In de gevallen waarin een herstel in natura niet mogelijk is... wordt de tegenwaarde van de schade vergoed..." (blz. 4, met citaat van de noot E. Dirix onder Cass. 15 mei 1992, R.W. 1992-1993, p. 331, en De Page, III, nr. 244). "Het belang van de vordering... is dan ook gelegen in de vervangende schadevergoeding waarop (eiser) gerechtigd is en blijft" (blz. 5, tweede alinea). De vordering strekte ertoe de oorspronkelijke verweerders "te veroordelen om aan (eiser) bij wijze van vervangende schadevergoeding een bedrag te betalen van ..."(blz. 13, herformulering van de vordering). Hetzelfde komt in dezelfde conclusie herhaaldelijk terug. De vordering tot schadevergoeding ex. art. 1167 B.W. vertoont eigen kenmerken ten opzichte van de aquiliaanse vordering ex art. 1382 B.W. De fout, waarvan het bewijs wel door de eiser moet geleverd worden, bestaat uit de opgezette frauduleuze verrichting die de insolvabiliteit van de schuldenaar tot gevolg heeft. Dit werd in casu door de appelrechters aangenomen. De schade ligt in de frauduleus gecreëerde insolvabiliteit. De vaststelling ervan is niet onderworpen aan de voorwaarde dat het bewijs gevoerd wordt dat de schuld, zonder de frauduleuze verrichting, zeker en in elk geval zou betaald zijn geweest. De schuldeiser heeft een rechtstreekse vordering tegen de schuldenaar uit kracht van de wet, en kan zonder meer, zijn rechten tegen de medeplichtige derde uitoefenen. Het oorzakelijk verband vloeit eveneens voort uit de wet, en wordt aangetoond door de tot stand gebrachte insolvabiliteit van de schuldenaar. Ook dit wordt door eiser in de reeds vermelde beroepsbesluiten aangevoerd: "Volgens (eiser) is het geenszins vereist dat hij zou moeten bewijzen dat hij 'met zekerheid' zou betaald geweest zin. Dergelijke voorwaarde is niet verbonden aan de toepassing van art. 1167 B.W" (blz. 6, derde alinea). Deze kenmerken zijn het gevolg van het feit dat de schadevergoeding ex art. 1167 B.W. een vervangende schadevergoeding (
  3. is)voor het geval de wedersamenstelling van het oorspronkelijk vermogen van de schuldenaar niet meer mogelijk is. De arresten wijzen de vordering tot schadevergoeding van eiser af, behalve de symbolische veroordeling tot 0,02 euro, met de overweging dat eiser niet bewijst "dat deze bedragen hem zouden toegevallen zijn indien deze niet bedrieglijk onttrokken waren geweest aan B." (tussenarrest, blz. 5), en dat eiser "deze schade niet heeft aangetoond, laat staan cijfermatig begroot...". (eindarrest, blz. 3). Noch deze overwegingen, noch enige andere overweging van de arresten houden enig antwoord in op de bovenvermelde conclusies. Integendeel zijn beide arresten gemotiveerd alsof eisers vordering enkel gesteund was op een aanspraak van schadevergoeding op grond van artikel 1382 B.W. Daaruit is af te leiden, ofwel, dat het arrest eisers aanspraak tot schadevergoeding beschouwt als enkel gesteund op artikel 1382 B.W., in welk geval het arrest de boven aangehaalde conclusie niet beantwoordt, ofwel de op artikel 1167 B.W. gesteunde vordering tot schadevergoeding aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 1382 B.W. onderwerpt, in welk geval het arrest de eigen kenmerken van de uit artikel 1167 B.W. gehaalde rechten miskent. Deze onduidelijkheid laat tenslotte aan het Hof niet toe, zijn toezicht uit te oefenen op de motivering van de arresten, nu uit de termen van de arresten niet uit te maken is welke van beide wetsbepalingen als rechtsgrond van de uitspraak aan te nemen zijn, en het arrest geen voldoende inzicht geeft in de aan de beslissing ten grondslag liggende gedachtengang. Besluit Door het niet beantwoorden van bovenvermelde conclusies, alsook door de aangeklaagde onduidelijkheid in de motivering, is het arrest niet naar het grondwettelijk vereist gemotiveerd (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Minstens, door de gevorderde schadevergoeding te ontzeggen op grond van een voorwaarde, die naar de toepassing van artikel 1382 B.W. kan verwijzen, maar die voor de toepassing van artikel 1167 B.W. niet geldt, miskent het arrest de eigen kenmerken van de op artikel 1167 B.W. gesteunde vordering tot schadevergoeding (schending van dit artikel en onjuiste toepassing van artikel 1382 B.W.). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel Volgens artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek, kan een schuldeiser in eigen naam opkomen tegen handelingen die zijn schuldenaar verricht met bedriegelijke benadeling van zijn rechten. Dergelijke pauliaanse vordering strekt tot vergoeding van de schade die de bedrieglijke verarming van de schuldenaar aan de schuldeiser berokkent. De vergoeding van deze schade, terzake van de bedrieglijke overdracht van een vermogensbestanddeel door de schuldenaar aan een derde-medeplichtige, bestaat in beginsel hierin dat die overdracht aan de agerende schuldeiser niet tegenwerpelijk is zodat hij tot executie op het overgedragen vermogensbestanddeel kan overgaan. Indien deze vorm van herstel in natura niet meer mogelijk is of indien het vermogensbestanddeel niet meer identificeerbaar is in het vermogen van de derde-medeplichtige, kan de schuldeiser aanspraak maken op vergoeding door de derde-medeplichtige van de geleden schade. De door de derde-medeplichtige verschuldigde vervangende schadevergoeding is beperkt tot de waarde van het vervreemde vermogensbestanddeel en dit ten belope van het bedrag van de schuldvordering van de schuldeiser. De schuldeiser kan de pauliaanse vordering ook instellen tegen de derde-onderverkrijger, aan wie de derde-medeplichtige de zaak heeft overgedragen, indien zowel ten aanzien van de derde-medeplichtige als ten aanzien van de derde-onderverkrijger aan de voorwaarden van de pauliaanse vordering is voldaan. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eiser een pauliaanse vordering instelde tegen de CV Ages-I en tegen verweerster, die van deze vennootschap zaakvoerster was; - die vordering ertoe strekte de verweerster en de CV Ages-I hoofdelijk, de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen om de eiser bij wijze van vervangende schadevergoeding een bedrag te betalen van 2.126.000 BEF. Het arrest stelt vast, met eigen redenen en met overname van de redenen van het beroepen vonnis, dat: - B., echtgenoot van de verweerster, de inkomsten van zijn persoonlijke arbeid (commissielonen), heeft afgeleid naar de coöperatieve vennootschap Ages-I zonder dat hij daarvoor van de vennootschap enige tegenprestatie ontving; - deze vennootschap te dezen gebruikt werd om de inkomsten van B.te onttrekken aan zijn schuldeisers. Op grond van die vaststellingen oordeelt het arrest dat de verweerster foutief heeft gehandeld door deel te nemen aan het onvermogend maken van de heer B.en dat zij uitkeringen van de CV Ages-I ontving zonder daadwerkelijke tegenprestatie. Door vervolgens te beslissen dat de pauliaanse vordering van de eiser slechts kan leiden tot in de vaststelling dat verweerster bedragen moet terugbetalen aan de failliete boedel van de CV Ages-I, schendt het arrest artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Ghislain Londers en Paul Maffei, en in openbare terechtzitting van 9 februari 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060209.5 Gerelateerde publicatie(
  4. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120426.3 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130125.3 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150924.10 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20151029.7 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170113.4 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240412.1F.10 ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250520.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011025.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.