← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060209.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060209.6 Rolnummer: C.01.0492.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2006-11-28 Raadplegingen: 204 - laatst gezien 2026-07-03 09:20 Versie(s): Vertaling FR Fiche De wijziging van artikel 4, A.W.D.A. door artikel 3 van de wet van 27 december 1993, waarbij de administratie der Douane en Accijnzen vanaf 1 januari 1994 onder meer bevoegd wordt gemaakt om de inning te verrichten van de landbouwheffingen, en de opheffing bij artikel 33 van het K.B. van 30 december 1993 van het K.B. van 25 oktober 1971, dat de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen voorheen belastte met het innen van bedoelde heffingen, hebben geen terugwerkende kracht op de voor de inwerkingtreding van het K.B. van 30 december 1993 ontstane en definitief voltrokken toestanden. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Administratie der Douane en Accijnzen Bevoegdheden Inning van landbouwheffingen A.W.D.A. Artikel 4 Inwerkingtreding Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 30-12-1993 - Art.32,eerste Tekst van de beslissing Nr. C.01.0492.N

  1. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Economie, met kantoor te 1000 Brussel, de Meeussquare 23,
  2. BELGISCH INTERVENTIE- EN RESTITUTIEBUREAU, afgekort BIRB, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 1040 Brussel, Trierstraat 82, eisers, vertegenwoordigd door mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen LENSING & BROCKHAUSEN GMBH, vennootschap naar Duits recht, met kantoor te 46446 Emmerich (Duitsland), Reeserstraat 235, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 4, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 18 juni 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1, 33, 144 en 145 van de Grondwet; - artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 703 en 705 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1, 1é, en 4é, a, 2, en 4, tweede lid, van de algemene wet op de douane en accijnzen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 18 juli 1977 bekrachtigd bij de wet van 6 juli 1978, artikel 4, zowel vóór als na de wijziging bij de wet van 27 december 1993; - de artikelen 1 en 2 van de wet van 11 september 1962 betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen; - de artikelen 1, 3, 4, 5, 10, 13, 14, 18, 20 en 32, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 december 1993 betreffende de toepassing van de handelingen uitgaande van de bevoegde instellingen der Europese Gemeenschappen in verband met de landbouw; - de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 26 juli 1962 betreffende de uitvoering van de verordeningen, richtlijnen, adviezen en beslissingen van de Europese Economische Gemeenschap betreffende de landbouw; - de artikelen 1, 2 en 3 van de bij koninklijk besluit van 3 februari 1995 gecoördineerde wet van 10 november 1967 houdende oprichting van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau; - artikel 1, 3, ,§3, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1995 houdende herstructurering van het ministerie van Economische Zaken; - de artikelen 1 en 3 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 tot vaststelling van het organiek reglement van het ministerie van Financiën en van de bijzondere bepalingen die er voorzien zijn in de staat van het Rijkspersoneel; - het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest van gedeeltelijke bevestiging verklaart de door de Belgische Staat tegen verweerder ingestelde vordering tot betaling van 19.728.137 BEF landbouwheffingen inzake invoer van melkpoeder en kaas, ontoelaatbaar, en de eis van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau tot betaling deze som ongegrond, op volgende gronden: "2.
  3. De invorderingsbevoegdheid. 2.2.
  4. De bepaling van de met de invordering belaste overheid of administratie dient te geschieden volgens de wetgeving, geldend op het ogenblik waarop tot invordering wordt overgegaan. De Belgische Staat en het Belgische Interventie- en Restitutiebureau bewijzen niet - en roepen ook niet in - dat enige daad van invordering werd gesteld vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 december 1993, houdende wijziging van onder meer artikel 4 A.W.D.A., van het koninklijk besluit van 30 december 1993, houdende onder meer de afschaffing van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 en bepaling van de bevoegdheden van de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen van het ministerie van Economische Zaken en de Administratie der douane en accijnzen en van het Communautair Douanewetboek. Dit brengt mee dat de met invordering belaste overheid moet worden bepaald op grond van deze bepalingen (de wet van 27 december 1993 en het koninklijk besluit van 30 december 1993) en, voor wat Belgisch Interventie- en Restitutiebureau betreft, rekening houdend met de koninklijke besluiten van 7 augustus 1995 en 11 december
  5. 2.2.
  6. De wet van 27 december 1993 en het koninklijk besluit van 30 december 1993 hielden, voor wat de bevoegdheid betreft tot inning van landbouwrechten, in essentie in: - opheffing van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 waaruit, tot dan, de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen zijn bevoegdheid en opdracht putte de landbouwheffingen te innen; - invoeging in de A.W.D.A., van bepalingen betreffende de landbouwheffingen, waaronder artikel 4, alinea 2, luidend: Binnen de beperkingen en volgens de voorwaarden vastgesteld door de Koning, is de Administratie der douane en accijnzen eveneens bevoegd om de rechten bij uitvoer te innen bedoeld in artikel 1, 4é, a, 2, en de rechten bij uitvoer bedoeld in artikel 1, 4é, b, 2 (waarbij het Hof opmerkt dat het woord "eveneens" verwijst naar alinea 1 dat de bevoegdheid van deze administratie met betrekking tot invoerrechten omschrijft). Het koninklijk besluit van 30 december 1993 betreffende de toepassing van de handelingen uitgaande van de bevoegde instellingen der Europese Gemeenschappen in verband met de landbouw gaf aan dit artikel uitvoering - op een wijze die niet strijdig is met de wet van 27 december 1993 en waarvan de toepassing derhalve niet moet worden geweerd en bepaalt in artikel 1 onder meer het volgende: De Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen van het ministerie van Economische Zaken en de Administratie der douane en accijnzen van het ministerie van Financiën worden volgens de modaliteiten voorzien in dit besluit, belast met de invordering voor rekening van de Europese Gemeenschappen, van de heffingen, premies, extra bedragen of compenserende bedragen, aanvullende bedragen of elementen en de overige in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ingestelde of in te stellen rechten verschuldigd bij de in- en uitvoer van sommige producten, hierna bedragen en rechten genoemd. Zowel uit de memorie van toelichting bij de wet van 27 december 1993 (De modaliteiten van deze bevoegdheidsverdeling zullen worden vastgelegd in een koninklijk besluit dat steunt op de algemene wet inzake douane en accijnzen en op de voornoemde wet van 11 september 1962: memorie van toelichting, punt 5) als uit artikel 2 van het koninklijk besluit van 30 december 1993 (De Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen en de Administratie der douanen en accijnzen worden belast met de inning van de nalatigheidinteresten die verschuldigd zijn op de in artikel 1 bedoelde bedragen en rechten waarvoor zij, elk wat hem betreft, met de inning belast zijn) blijkt dat de opdrachten tussen de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen van het ministerie van Economische Zaken en de Administratie der douane en accijnzen werden verdeeld en niet, zoals de Belgische Staat en het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau voorhouden, samengevoegd. Waar aldus de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen door de opheffing van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 zijn invorderingsbevoegdheid enkel nog kon putten uit het koninklijk besluit van 30 december 1993, kan uit artikel 1 ervan niet worden afgeleid dat deze dienst een algemene bevoegdheid kreeg. De eerste paragraaf van artikel 1 dient zo verstaan, dat deze dienst met betrekking tot landbouw die bevoegdheid toegewezen kreeg die hem in de daaropvolgende bepalingen van dit koninklijk besluit (hetzij de modaliteiten) werden verleend. Geen enkele bepaling geeft aan de Centrale Dienst voor Contingenten en de Vergunningen de bevoegdheid tot invordering over te gaan van de landbouwheffingen waarvan de verschuldigdheid voortvloeit uit het niet aanzuiveren van T1-documenten. Daarentegen wordt aan de Administratie van douane en accijnzen wel de opdracht gegeven tot inning over te gaan van de in artikel 1 bedoelde rechten (aldus ook omvattend de landbouwheffngen) die moet geïnd worden bij het beëindigen van een regeling tijdelijke invoer, behandeling of douanetoezicht, actieve veredeling, (schorsingssysteem) of douaneregeling die er technisch mee verwant is (artikel 15), terwijl artikel 18 aan de Administratie der douane en accijnzen een residuaire bevoegdheid verleent (de Administratie der douane en accijnzen is bevoegd de bedragen te innen die door communautaire handelingen in verband met de landbouw vastgesteld zijn of moeten worden, wanneer deze bedragen niet beoogd worden in de andere bepalingen van dit besluit of in andere nationale bepalingen). 2.2.
  7. Uit bovenstaande overwegingen vloeit voort dat, sedert de opheffing van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971, uitsluitend de Administratie der douane en accijnzen bevoegd was om de landbouwheffingen, verschuldigd wegens de niet-aanzuivering van T1-documenten, te innen. 2.
  8. De vordering van de Belgische Staat. De Belgische Staat roept terecht in dat alleen hij en niet zij ministeriële departementen rechtspersoonlijkheid hebben, maar ziet over het hoofd dat hij zich in dit geding laat vertegenwoordigen door zijn minister van Economie. De Belgische Staat is enkel geldig vertegenwoordigd door de minister tot wiens bevoegdheid het geschil behoort. Nu de bevoegdheid tot het innen van landbouwheffingen voortvloeit uit een wettelijke bepaling, te weten artikel 4, alinea 4, A.W.D.A. en het op die grond getroffen uitvoeringsbesluit, gaat het niet om een aan de Belgische Staat louter intern blijvende aangelegenheid maar dient het hof, gelet op het gevoerde verweer, na te gaan of de Belgische Staat op rechtsgeldige wijze vertegenwoordigd is. De minister van Economie die de Belgische Staat in deze zaak vertegenwoordigt, geeft in de aanhef van de procedurestukken aan zich voor zijn optreden te steunen op het feit dat de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen onder zijn bevoegdheid valt. Nu uit randnummer 2.2.
  9. blijkt dat de invordering niet tot opdracht van deze dienst behoort doch tot deze van de Administratie der douane en accijnzen behoort, voor dewelke de minister van Economie niet bevoegd is en dit overigens ook niet voorhoudt, is de Belgische Staat niet rechtsgeldig vertegenwoordigd. Zijn vordering is daarom ontoelaatbaar. 2.
  10. De vordering van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau. Het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau acht zich vorderingsgerechtigd, stellende dat de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen vorderingsgerechtigd was en dat hij door de koninklijke besluiten van 7 augustus 1995 en 11 december 1995 in de rechten en plichten van deze dienst trad. Hij vraagt dus de toekenning van een recht, waarvan hij staande houdt dat het hem eigen is, wat hem de hoedanigheid verschaft zijn vordering te stellen. Zijn vordering is derhalve toelaatbaar. Vermits echter hoger bleek dat het niet tot de opdracht van de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen behoorde deze vordering te stellen bekwam het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau dit vorderingsrecht evenmin. Daaruit vloeit voort dat zijn vordering tegen Lensing & Brockhausen GmbH ongegrond is". Grieven Eerste onderdeel Het artikel 4 A.W.D.A, zoals gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 27 december 1993 gelast, enerzijds in het eerste lid de Administratie der douane en accijnzen met de inning der rechten bij invoer bedoeld in artikel 1, 4é, a, 1, zijnde de douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij de invoer van goederen toepasselijk zijn, van rechten bij de uitvoer bedoeld in artikel 1, 4é, b, 1, zijnde de douanerechten en rechten van gelijke werking die bij de uitvoer van goederen toepasselijk zijn, en van de accijnzen, en stelt, anderzijds, in het tweede lid dat binnen de beperkingen en volgens de voorwaarden vastgesteld door de Koning, de Administratie der douane en accijnzen eveneens bevoegd is om de rechten bij de invoer te innen bedoeld in artikel 1, 4é, a, 2, zijnde de landbouwheffingen en andere belastingen die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van de specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen van toepassing zijn, en om de rechten bij uitvoer te innen bedoeld in artikel 1, 4é, b, 2, zijnde eveneens de landbouwheffingen en andere belastingen bij de uitvoer die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van de specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen van toepassing zijn. Door het gebruik van het woord "eveneens" in het tweede lid van artikel 4 A.W.D.A., heeft de wetgever rekening gehouden met de reeds bestaande bevoegdheid van de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen, voor wie thans eisers optreden (schending van artikel 1, 4é, a, 2, en 4, tweede lid, A.W.D.A.). Bij artikel 1, ,§1, van het koninklijk besluit van 30 december 1993 betreffende de toepassing van de handelingen uitgaande van de bevoegde instellingen der Europese Gemeenschappen in verband met de landbouw worden, enerzijds zowel de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen van het ministerie van Economische Zaken en de Administratie der douane en accijnzen van het ministerie van Financiën, volgens de modaliteiten voorzien in dit besluit, belast met de inning voor rekening der Europese Gemeenschappen, van de heffingen, premies, extrabedragen, of compenserende bedragen, aanvullende bedragen en de overige in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ingestelde of in te stellen rechten bij de in- en uitvoer van sommige producten, hierna bedragen en rechten genoemd. Deze bevoegdheid bevat de invordering van landbouwheffingen, verschuldigd ingevolge het niet aanzuiveren van T1-documenten. Anderzijds werd bij artikel 1, ,§1, de Administratie der douane en accijnzen belast met het innen van de compenserende interesten en de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen met de inning van de nalatigheidinteresten Door deze bepalingen is een samenlopende bevoegdheid der beide diensten ingesteld voor het innen van onder meer landbouwheffingen en een exclusieve bevoegdheid voor het innen van bepaalde interesten. De modaliteiten, die verder voorzien worden, en die bepaalde wijzen van uitvoering van de bevoegdheden betreffen, brengen geen wijziging aan de in artikel 1 toegekende bevoegdheden (schending van de artikelen 1, ,§1, 3, 4, 5 en 10 van het koninklijk besluit van 30 december 1993, 1, 2 en 3 van de bij koninklijk besluit van 3 februari 1995 gecoördineerde wet van 10 november 1967, 3, ,§3, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1995). Het toekennen van een residuaire bevoegdheid aan de Administratie der douane en accijnzen doet aan de samenlopende bevoegdheid, toegekend aan beide administraties, geen afbreuk, temeer het koninklijk besluit van 30 december 1993 genomen werd in uitvoering zowel van de wet van 11 september 1962 betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen, als van de algemene wet inzake douane en accijnzen, waardoor het principe der gelijklopende bevoegdheden der beide diensten bevestigd wordt (schending van de artikelen 1, ,§1 en 18 van het koninklijk besluit van 30 december 1993, 1 en 2 van de wet van 11 september 1962, 1, 2 en 3 van de bij koninklijk besluit van 3 februari 1995 gecoördineerde wet van 10 november 1967, 3, ,§3 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1995). Tweede onderdeel De bepalingen van het koninklijk besluit van 26 juli 1962 betreffende de toepassing van de verordeningen, richtlijnen, beschikkingen of besluiten, adviezen en aanbevelingen van de Europese Economische Gemeenschap in verband met de landbouw, en meer bepaald de artikelen 1 en 2 van dit besluit, krachtens dewelke de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen de bevoegdheid had om tot inning der landbouwheffingen over te gaan, werden niet toepasselijk verklaard zonder terugwerkende kracht, bij artikel 32, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 december 1993 betreffende de toepassing van de handelingen uitgaande van de bevoegde instellingen der Europese Gemeenschappen in verband met de landbouw, op de in dit besluit geregelde aangelegenheden. De in huidige zaak betwiste transacties, die aanleiding gegeven hebben tot de invordering der door verweerster verschuldigde landbouwheffingen, dateren van 1992, zodat het bestreden arrest de opheffingsregeling van het koninklijk besluit van 30 december 1993 ten onrechte met terugwerkende kracht heeft toegepast en de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen, thans de eisers, bevoegd bleef om de vordering in te stellen. Het feit dat de dagvaarding daartoe in 1997 betekend werd doet daaraan geen afbreuk (schending van de artikelen 2 van het Burgerlijk Wetboek, 1 en 2 van het koninklijk besluit van 26 juli 1962, 32, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 december 1993, 4, A.W.D.A., vóór de wijziging bij de wet van 27 december 1993). Derde onderdeel De vordering tot inning der door verweerster verschuldigde heffingen werd terecht ingesteld door de Belgische Staat, die een morele rechtspersoon van publiek recht is en die hoedanigheid niet toegekend is aan de ministeriële departementen (schending van de artikelen 1 van de Grondwet, 703 en 705, van het Gerechtelijk Wetboek, 1 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1995, 1 en 3 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971). De minister van Economie is een orgaan van de Staat door wiens tussenkomst de Staat voor de uitoefening van deze vordering rechtsgeldig in rechte kan optreden (schending van de artikelen 703 en 705 van het Gerechtelijk Wetboek). Het feit dat de administratie der douanen en accijnzen belast werd met de inning der litigieuze heffingen doet daaraan geen afbreuk. Immers, enerzijds, bezit deze Administratie geen rechtspersoonlijkheid (schending van artikel 1, 1é, A.W.D.A) en de door de Administratie der douane en accijnzen ontvangen heffingen worden overgedragen aan de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen die evenmin de rechtspersoonlijkheid heeft (schending van de artikelen 1, 13, 14 en 18, tweede lid, en 20 van het koninklijk besluit van 30 december 1993). Tussen de departementen van Financiën en van Economische Zaken en/of het Belgisch Interventieen Restitutiebureau bestaat er derhalve een interpenetratie op het gebied der landbouwheffingen zodat de Staat rechtsgeldig door de minister van Economie of door de minister van Financiën vertegenwoordigd werd (schending van de artikelen 703 en 705 van het Gerechtelijk Wetboek). Het optreden in casu van de minister van Economie berust op een opportuniteitsbeslissing van de minister die ingevolge het principe der scheiding der machten niet ter beoordeling ligt aan de justitiële rechter (schending van de artikelen 33, 144 en 145 van de Grondwet en van het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten). Vierde onderdeel Het bestreden arrest heeft ten onrechte geoordeeld dat de ingestelde vordering niet tot bevoegdheid van de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen zou behoord hebben, zodat de beslissing, volgens dewelke de eis van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau ongegrond is, niet wettelijk gerechtvaardigd is (schending van de artikelen 1, 2 en 3 van de bij koninklijk besluit van 3 februari 1995 gecoördineerde wet van 10 november 1967, 1 en 3, ,§3, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1995, 1, ,§1, van het koninklijk besluit van 30 december 1993). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  11. De verweerster voert vooreerst aan dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is omdat het haar niet regelmatig werd betekend. Zij houdt meer bepaald voor dat het cassatieberoep haar werd betekend overeenkomstig de bepalingen van de EG-verordening nummer 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000, terwijl krachtens artikel 1 van die verordening zij alleen van toepassing is in burgerlijke en handelszaken en het huidig geschil van fiscale aard is en dus een publiekrechtelijke materie betreft. De bepalingen van de verordening 1348/2000 zouden derhalve niet van toepassing zijn, zodat de betekening overeenkomstig die bepalingen niet regelmatig is.
  12. Uit de stelling van de verweerster volgt dat de betekening overeenkomstig artikel 40 van het Gerechtelijk Wetboek kon worden gedaan, wat te dezen is gedaan.
  13. Het middel van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
  14. Verweerster voert vervolgens aan dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is omdat de betekening ervan nietig is daar zij vermeldingen bevat in een andere taal dan die van de rechtspleging.
  15. De akte van betekening van het cassatieberoep vermeldt de woonplaats van verweerster en de bestemmeling van het exploot in de Duitse taal.
  16. De wet op het taalgebruik in gerechtszaken belet niet dat buitenlandse instellingen of buitenlandse straatnamen weergegeven worden in de taal van het land waar die instellingen gevestigd of die straten gelegen zijn.
  17. Het middel van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
  18. Verweerster voert tenslotte aan dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is omdat het verzoekschrift niet uitsluitend is gesteld in de taal van de rechtspleging. Verweerster houdt meer bepaald voor dat het verzoekschrift een in het Frans gestelde passage bevat, die niet is vertaald in het Nederlands en waarvan de zakelijke inhoud niet in het Nederlands is weergegeven, zodat dit verzoekschrift nietig is.
  19. Het citaat van A. B., enkel in het Frans aangehaald in de toelichting bij het middel, heeft geen nietigheid van het cassatieberoep voor gevolg, daar de vermeldingen in de toelichting niet vereist zijn voor de regelmatigheid van het cassatieberoep.
  20. Het middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep moet worden verworpen. Tweede onderdeel
  21. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 26 juli 1962 betreffende de toepassing van de verordeningen, richtlijnen, beschikkingen of besluiten, adviezen en aanbevelingen van de Europese Economische Gemeenschap in verband met de landbouw bepaalt dat, behoudens de uitzondering voorzien bij artikel 5, de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen, optredend voor rekening van de Belgisch-Luxemburgse Gemengde Administratieve Commissie, wordt belast met het innen van de heffingen, compenserende heffingen, premies en waarborgen ingesteld bij in- of uitvoer van sommige producten in toepassing van de verordeningen, richtlijnen, beschikkingen of besluiten, adviezen en aanbevelingen uitgaande van de bevoegde instellingen van de Europese Economische Gemeenschap. Deze dienst wordt ook belast met de restituties die er verband mede houden. Artikel 2 van het koninklijk besluit bepaalt dat het bedrag van de heffingen, compenserende heffingen, waarborgen en restituties wordt vastgesteld overeenkomstig de verordeningen, richtlijnen, beschikkingen of besluiten, adviezen en aanbevelingen van de bevoegde instellingen van de Europese Economische Gemeenschap.
  22. Artikel 32, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 december 1993 betreffende de toepassingen van de handelingen van de bevoegde instellingen der Europese Gemeenschappen in verband met de landbouw, bepaalt dat het koninklijk besluit van 26 juli 1962 betreffende de toepassing van de verordeningen, richtlijnen, beschikkingen of besluiten, adviezen en aanbevelingen van de Europese Gemeenschap in verband met de landbouw niet van toepassing is op de in dit besluit geregelde aangelegenheden. Dit artikel heeft geen terugwerkende kracht. Bij toepassing van het artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek beheersen de bepalingen van het koninklijk besluit van 26 juli 1962 de voor de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 30 december 1993 ontstane en definitief voltrokken toestanden.
  23. Artikel 1, ,§1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 betreffende de toepassing van de handelingen uitgaande van de bevoegde instellingen der Europese Gemeenschappen in verband met de landbouw, belast de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen, gemandateerd door de Belgisch-Luxemburgse administratieve commissie, met het innen, voor rekening van de Europese Gemeenschappen, van de heffingen, premies, extrabedragen of compenserende bedragen, aanvullende bedragen of aanvullende elementen en de overige in het kader van het landbouwbeleid ingevoerde of in te voeren rechten verschuldigd bij de invoer en bij de uitvoer van sommige producten. Artikel 9 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 bepaalt weliswaar dat het koninklijk besluit van 26 juli 1962 betreffende de toepassing van de verordeningen, richtlijnen, beschikkingen of besluiten, adviezen en aanbevelingen van de Europese Economische Gemeenschap in verband met de landbouw, niet van toepassing is op de materies beheerst door het koninklijk besluit van 25 oktober
  24. Dit doet evenwel geen afbreuk aan de bevoegdheden van de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen zoals door dit laatste koninklijk besluit bepaald.
  25. Artikel 4 AWDA, gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 27 december 1993, in werking getreden op 1 januari 1994, maakt de administratie der Douane en Accijnzen: - bevoegd om de inning te verrichten van de rechten bij invoer bedoeld in artikel 1, 4°, a, 1, van rechten bij uitvoer bedoeld in artikel 1, 4°, b, 1 en van de accijnzen binnen de beperkingen en volgens de voorwaarden vastgesteld door de Koning; - eveneens bevoegd om, binnen de beperkingen en volgens de voorwaarden vastgesteld door de Koning, de rechten bij invoer te innen bedoeld in artikel 1, 4°, a, 2, en de rechten bij uitvoer bedoeld in artikel 1, 4°, b,
  26. Artikel 33 van het koninklijk besluit van 30 december 1993 bepaalt dat het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 wordt opgeheven. Bij toepassing van artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en overeenkomstig artikel 32, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 december 1993 hebben de wijziging van artikel 4 AWDA en de opheffing van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 evenwel geen terugwerkende kracht op de voor de inwerkingtreding van dit koninklijk besluit ontstane en definitief voltrokken toestanden.
  27. Door betreffende verschuldigde landbouwheffingen die dateren van 1992, te beslissen dat, sedert de opheffing van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 uitsluitend de administratie der Douane en Accijnzen bevoegd was om de landbouwheffingen, verschuldigd wegens de niet-aanzuivering van T1 documenten, te innen, ontzegt het bestreden arrest rechtskracht aan de wettelijke bepalingen die toepasselijk blijven op de voor de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 30 december 1993 ontstane en definitief voltrokken toestanden en schendt het hierdoor de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen.
  28. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, de raadsheren Luc Huybrechts, Ghislain Londers en Paul Maffei, en op de openbare terechtzitting van 9 februari 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060209.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.