← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060216.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060216.7 Rolnummer: C.04.0094.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2006-06-16 Raadplegingen: 687 - laatst gezien 2026-07-04 07:21 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De rechter bij wie een beroep aanhangig wordt gemaakt van de luchtvervoerder tegen een hem op grond van artikel 74/4bis, ,§ 1, van de Vreemdelingenwet opgelegde administratieve geldboete, mag de wettigheid van deze sanctie onderzoeken en in het bijzonder nagaan of de feitelijke en de wettelijke voorwaarden vervuld zijn en of ze overeenstemt met de wettelijke voorschriften; hij mag inzonderheid nagaan of ze evenredig is, zonder dat hij om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid de administratieve geldboete mag kwijtschelden

(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie en de erin aangehaalde verwijzingen. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Vrije woorden: VREEMDELINGEN Administratieve geldboete Luchtvervoerder Wettigheid Toetsing door de rechter Wettelijke bepalingen: Wet - 15-12-1980 - Art.74/4bis,§ Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT Vrije woorden: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT Rechtbank van eerste aanleg Administratieve geldboete Vreemdelingenwet Luchtvervoerder Betwisting Toetsing Wettelijke bepalingen: Wet - 15-12-1980 - Art.74/4bis,§ Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. m.o. Cornelis, Cass., 16 feb. 2006, AR C.04.0094.N, A.C., 2006, nr ... Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Vrije woorden: VREEMDELINGEN Administratieve geldboete Luchtvervoerder Wettigheid Toetsing door de rechter Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT Vrije woorden: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT Rechtbank van eerste aanleg Administratieve geldboete Vreemdelingenwet Luchtvervoerder Betwisting Toetsing Nota: C.04.0094.N Advocaat-generaal met opdracht P. Cornelis heeft in substantie gezegd:
  1. Verweerster heeft, overeenkomstig artikel 74/4bis, ,§5, eerste lid, van Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, een beroep bij de rechtbank van eerste aanleg ingesteld.tegen een administratieve geldboete van 150.000 BEF die haar werd opgelegd om als luchtvervoerder een passagierster naar België te hebben vervoerd, die niet in het bezit was van de voorgeschreven stukken, nl. van een visum dat toegang verleent tot het Belgisch grondgebied. De rechtbank van eerste aanleg heeft eerst bij verstek de vernietiging van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete bevolen en, op verzet van de Belgische Staat, de geldboete tot een bedrag van 20.000 Bef herleid. Het hof van beroep heeft beslist dat in de omschreven omstandigheden het niet paste een administratieve geldboete op te leggen en heeft het bij verstek gewezen vonnis bevestigd.
  2. Het door de Belgische staat ontwikkeld middel betreft het toetsingsrecht van de rechter t.a.v. het opleggen van een administratieve geldboete. Uw hof heeft reeds de gelegenheid gehad zich uit te spreken over de omvang van de rechterlijke toetsingsbevoegdheid op de administratieve geldboeten in fiscaal recht, in 't bijzonder met zijn arresten van 22 januari 1998 en 24 januari 2004 en, in sociaal recht, met het arrest van 2 februari
  3. Het is de eerste keer dat de toepassing van dergelijke boeten in het kader van de wet over de toegang tot het grondgebied van vreemdelingen aan Uw hof wordt voorgelegd.
  4. Bij het arrest van 22 januari 1998
(1)oordeelde Uw Hof dat de door de wet aan de Minister van Financiën toegekende bevoegdheid te beslissen over verzoeken om kwijtschelding van administratieve geldboeten, aan de rechter niet de bevoegdheid ontneemt de rechtmatigheid van een administratieve geldboete wegens overtreding van de BTW-wetgeving te toetsen, maar wel uitsluit dat hij zijn beslissing op redenen van billijkheid laat steunen. In de drie arresten van 24 januari 2002
(2)heeft U het principe herinnerd dat de rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van art. 6 E.V.R.M., de wettelijkheid van die sanctie mag onderzoeken en in het bijzonder mag nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Verder heeft Uw hof beslist dat dit toetsingsrecht in het bijzonder aan de rechter moet toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Meer concreet heeft U gepreciseerd dat de rechter inzonderheid acht mag slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige gevallen werd geoordeeld. U oordeelde tevens dat het toetsingsrecht niet zo ver gaat dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen. 4. In verband met administratieve sancties in het sociale recht en meer bepaald in zaken van uitsluiting van werklozen heeft Uw Hof meermaals, voor het eerst bij een arrest van 2 februari 1998
(3), de vermindering door de rechter van de duur van de uitsluiting aanvaard. Deze arresten stellen dat de toetsing van volle rechtsmacht met zich brengt dat:" Mits eerbiediging van het recht van verdediging en binnen het kader van het geding, alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de directeur van de werkloosheidsbureau valt, onder de controle van de arbeidsrechtbank valt", met uitzondering van het geval "waar een bijzondere bepaling uitdrukkelijk aan de directeur een discretionaire bevoegdheid toekent." 5. Het Europees Hof voor de rechten van de mens heeft zich uitgesproken over het toezichtsrecht van de Belgische rechter op administratieve geldboeten in het "Silvester's Horeca Service" arrest van 4 maart 2004
(4). Het Hof beschouwde dat artikel 6 EVRM vereist dat een beslissing van een administratieve overheid, die zelf niét voldoet aan de waarborgen van artikel 6, ,§ 1 EVRM, moet kunnen onderworpen worden aan de controle van een rechterlijke instantie met volle rechtsmacht. Dit houdt in dat de rechter de bevoegdheid moet hebben om de beslissing van de administratieve overheid te hervormen op feitelijke en juridische gronden. Meer bepaald moet de rechter zich kunnen buigen over feitelijke en juridische vragen die relevant zijn voor de betwisting waarover hij uitspraak moet kunnen doen. In casu hadden de appèlrechters geoordeeld dat zij slechts de werkelijkheid van de inbreuken en de wettelijkheid van de opgelegde boeten wegens BTW-inbreuken vermochten na te gaan en dat zij niet bevoegd waren om de opportuniteit van de boete te controleren of om deze geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden. Die opvatting had het Hof van Cassatie, aldus het EHRM, tot de zijne gemaakt door te overwegen dat een toetsing met volle omvang niet inhield dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid de belastingplichtige zou kunnen bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid. Hieruit leidt het EHRM af dat in deze procedure het recht op toegang tot de rechter van de belastingplichtige vennootschap werd miskend. Het Europees Hof heeft niet uitgelegd wat onder "volle rechtsmacht " begrepen moet worden. Het arrest beperkt er zich toe aan te wijzen dat dit begrip met zich brengt dat de rechter de bevoegdheid moet hebben om te beslissen, rekening houdend met al de feitelijke en juridische aspecten van de zaak. 6. De recente rechtspraak van Uw Hof betreffende de bevoegdheid van de evenredigheidstoets door de rechterlijke instantie lijkt niet onverenigbaar met de uitspraak van het Europees Hof. Deze toetsing houdt inderdaad rekening met de feitelijke omstandigheden en de juridische grond van de zaak. Uw arresten van 24 januari 2002 lijken me de juiste omkadering van het toetsingsrecht van de rechter vast te leggen: de rechterlijke controle op administratieve geldboeten behelst niet alleen een onderzoek van de wettelijkheid van de beslissing maar ook een evenredigheidstoets. Dit laat de rechter niet toe om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kwijt te schelden of verminderen. 7. Eiser roept de schending van art. 74/4bis, ,§1 en 5, van de Vreemdelingenwet in. Volgens hem en in overeenstemming met het arrest van 24 september 2003 van het Arbitragehof
(5), betekent het gebruik van het woord "kan" in dit artikel, dat de administratie een beperkte beoordelingsbevoegdheid heeft in die zin dat ze kan beslissen, ofwel de administratieve geldboete niet op te leggen, bijvoorbeeld omdat er geen schuld bestaat, ofwel het forfaitair bedrag ervan op te leggen. In de interpretatie van het Arbitragehof kan de rechter, bij wie een beroep is ingesteld binnen de grenzen van de beoordeling van de overheid, de geldboete al dan niet handhaven, zonder het bedrag ervan te kunnen moduleren. De rechter kan, anders dan de strafrechter noch verzachtende omstandigheden in aanmerking nemen ten aanzien van de feiten, noch op die gronden het bedrag van de administratieve geldboete moduleren, zelfs rekening houdend met het redelijkheidsbeginsel en met het evenredigheidsbeginsel. Eiser verwijst ook naar Uw rechtspraak waar U uitsluit dat de rechter zijn beslissing om een administratieve geldboete al dan niet op te leggen van verzachtende omstandigheden of van loutere redenen van opportuniteit of billijkheid laat afhangen. Hij voert aan dat het arrest vaststelt dat verweerster de bij de wet beschreven inbreuk had gepleegd, maar oordeelt dat er geen verplichting is om een administratieve geldboete op te leggen. Uiteindelijk beslist het Hof dat het niet past, in de beschreven omstandigheden een administratieve geldboete op te leggen. Zodoende hebben, volgens eiser, de appèlrechters impliciet maar zeker verzachtende omstandigheden in aanmerking genomen en hun beperkte wettelijk toetsingsrecht geschonden. 8. De vraag is te weten hoe de beschreven omstandigheden, die volgens het bestreden arrest de beslissing rechtvaardigen dat het niet past een geldboete op te leggen, geïnterpreteerd moeten worden. Gaat het om verzachtende omstandigheden, om opportuniteitsredenen of om een billijkheidsredenering van het evenredigheidsbeginsel? Het hof van beroep maakt terzake geen expliciete redenering. Het antwoord op deze vraag moet voortvloeien uit de lezing van het arrest. Het kan voor mij moeilijk sprake zijn van verzachtende omstandigheden, omdat deze nooit zover gaan dat geen straf op een bewezen verklaarde inbreuk uitgesproken kan worden. Wanneer het om de toepassing van het evenredigheidsbeginsel gaat, rijst de vraag of geen vergelijking moet gemaakt worden tussen de zwaarte van de schuld en de zwaarte van de straf? Kan dit impliciet zijn? In de beslissing van het hof van beroep komt de zwaarte van de straf niet ter sprake. Het hof steunt volgens mij eerder op een opportuniteitsredenering. De vaststellingen van het arrest betreffen het medisch aspect van het geval, de nood aan een medische behandeling en het feit dat een visum toch na de aankomst werd afgeleverd. Het impliciet besluit is: in zulke omstandigheden, zou men toch beter geen geldboete opleggen. Dit is een opportuniteitsoordeling, die echter tegen de wet ingaat. Dit is in laatste instantie mijn stelling, hoewel ik mij bewust ben dat het verschil tussen opportuniteit en evenredigheid in sommige gevallen gering is en van de wijze van formuleren kan afhangen. Ik concludeer tot de vernietiging, met verwijzing. ___________________________
(1)Cass., 22 januari 1998, A.R. C.94.0274.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980122.4, nr. 42 en AcT. Dr., 1998, 713, noot Demoulin.
(2)Cass., 24 januari 2002, A.R C.00.0234.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020124.8 en C.00.0422.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030411.9, nr. 51; Cass., 24 januari 2002, A.R. C.00.0307.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020124.10 en C.00.0599.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020124.10, nr. 52; Cass., 24 januari 2002, A.R. F.00.0099.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020124.9, nr.53.
(3)Cass. 2 februari 1998, A.R. S.97.0099.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980202.5, nr. 57.
(4)Hof Mensenrechten, arrest Silvester's Horeca Service t. België van 4 maart 2004, T.F.R., 2004, 636, noot Coopman.
(5)Arbitragehof, 24 september 2003, nr. 125/2003, rol 2574, A.A., 159. Tekst van de beslissing Nr. C.04.0094.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, dienst Vreemdelingenzaken, met kantoren te 1000 Brussel, Koningsstraat 60-62, eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen AIR ANATOLIA Anadolu Havacilik A.S., vennootschap naar Turks recht, met zetel te Florya Cad. Ozgen Sok. Nr. 6, 34810 Senlikköy-Florya, Istanbul (Turkije), met keuze van woonplaats bij mr. Zvonimir Miskovic, kantoor houdende te 3620 Lanaken, Koning Albertlaan 73, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 20 augustus 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. De eiser voert in een verzoekschrift een middel aan. Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 74/4bis, ,§1, eerste lid, en ,§5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna genoemd "Vreemdelingenwet"), ingevoegd bij de wet van 8 maart 1995 en gewijzigd bij de wet van 15 juli 1996. Aangevochten beslissingen Het hof van beroep verklaarde verweersters oorspronkelijke vordering gegrond en eisers verzet tegen het verstekvonnis van 9 oktober 2000 ongegrond, o.m. op volgende gronden: "Beoordeling 7. De geldboete is door de gemachtigde van de minister opgelegd omdat (verweerster) een passagier van Turkije naar België heeft vervoerd die bij de inscheping geen visum voor toegang tot het Belgisch grondgebied kon voorleggen. 10. (Verweerster) heeft een passagier naar België vervoerd, hoewel deze geen houder was van een paspoort voorzien van een geldig visum, zoals voorgeschreven door artikel 2 van de wet van 15 december 1980. De inbreuk, die krachtens artikel 74/4bis, ,§1, 1°, van de wet van 15 december 1980 tot het opleggen van een administratieve geldboete kan leiden, staat vast. 11. Artikel 74/4bis, ,§5, van de wet van 15 december 1980 kent aan de rechtbank van eerste aanleg de bevoegdheid toe de beslissing van de minister of zijn gemachtigde, waarbij een inbreuk wordt vastgesteld en een administratieve geldboete wordt opgelegd, te beoordelen. Die bevoegdheid, die in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg wordt uitgeoefend door het hof van beroep, is aan geen beperkingen onderworpen. De rechtbank van eerste aanleg en het hof van beroep oefenen als rechtscolleges van de rechterlijke orde hun gewone rechtsmacht uit, die de beoordeling van de feiten en de toepassing van de rechtsregels omvat. De vraag of de administratieve geldboete, waarin artikel 74/4bis, ,§l, van de wet van 15 december 1980 voorziet, een straf is, in de zin van artikel 6 E.V.R.M. en artikel 14 B.U.P.O., dient dan ook niet te worden gesteld. 12. De passagier in kwestie was mevrouw G.E., die door (verweerster) op 26 juli 2000 werd vervoerd van Turkije naar België. Zij reisde met een Turks paspoort. Het visum dat in dat paspoort was aangebracht was slechts geldig van 29 mei 2000 tot 4 juli 2000. Zij heeft bij het inschepen een uitnodiging voor een consultatie op 27 juli 2000 bij een arts in het Universitair Ziekenhuis Gasthuisberg te Leuven getoond. Tevens was zij in het bezit van een 'aankomstverklaring', afgeleverd door de gemeente Sint-Jans-Molenbeek. In dat document verklaarde de gemeente dat zij gerechtigd was op het grondgebied van de gemeente te verblijven, op een bepaald adres, tot 25 juni 2000. Later heeft de gemeente die machtiging verlengd tot 25 september 2000. Uit een verklaring van haar artsen blijkt dat zij een behandeling diende te ondergaan, die in Turkije niet voorhanden was. Zij heeft na haar aankomst op 26 juli 2000 overigens een visum bekomen om Belgisch grondgebied te kunnen betreden, zodat de medische behandeling kon plaats vinden. Aldus staat vast dat (verweerster) mevrouw G. naar België heeft vervoerd louter en alleen om haar de kans te geven medische zorgen te genieten. Artikel 74/4bis, ,§1, van de wet van 15 december 1980 bepaalt dat, ingeval de omschreven inbreuk vaststaat, een administratieve geldboete kan worden opgelegd. Een verplichting in die zin bestaat dus niet. In de bovenbeschreven omstandigheden past het geen administratieve geldboete op te leggen. 13. De vordering van (verweerster), in artikel 74/4bis, ,§5, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 'beroep' genoemd, is gegrond. Het verzet van (eiser) tegen het bij verstek gewezen vonnis van 9 oktober 2000 is ongegrond. Nu de eerste rechter het gedeeltelijk gegrond heeft verklaard, moet het in hoger beroep aangevochten vonnis in zoverre gewijzigd worden, en is het incidenteel beroep gegrond. Het hoofdberoep is ongegrond". Grieven 1.1 Artikel 74/4bis, ,§1, eerste lid, Vreemdelingenwet, luidt als volgt: "De minister of diens gemachtigde kan een administratieve geldboete van (3.750 euro) opleggen aan: 1° de openbare of private luchtvervoerder voor elke passagier die hij naar België vervoert, die niet in het bezit is van de in artikel 2 voorgeschreven stukken; ...". Uit de parlementaire voorbereiding van deze bepaling blijkt dat zij voornamelijk tot doel heeft de vervoerders ertoe aan te zetten de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen, door daadwerkelijk de reisdocumenten van hun passagiers te controleren, om te verhinderen dat passagiers die niet over de vereiste documenten beschikken toch naar België zouden worden vervoerd. Zij heeft in hoofdzaak een repressief karakter. Bedoelde administratieve geldboete is dus in beginsel verschuldigd zodra vaststaat dat een vreemdeling naar België wordt vervoerd zonder over de vereiste documenten te beschikken. Uit het gebruik van het woord "kan" in artikel 74/4bis, ,§1, volgt echter dat de minister of zijn gemachtigde een weliswaar beperkte beoordelingsbevoegdheid heeft, waardoor hij kan beslissen ofwel de administratieve geldboete niet op te leggen, m.n. omdat de vervoerder geen enkele schuld treft, ofwel het forfaitair bepaalde bedrag van de administratieve geldboete op te leggen. Hoewel het aan de wetgever staat te oordelen of het aangewezen is de overheid en de rechter te dwingen tot gestrengheid wanneer inbreuken het algemeen belang schaden, moet de rechter steeds kunnen nagaan of de beslissing van de minister of zijn gemachtigde in rechte en in feite verantwoord is, i.h.b. of de vervoerder enige schuld treft, meer bepaald of de vervoerder al dan niet de nodige maatregelen heeft genomen om te verhinderen dat zijn passagiers zonder geldige reisdocumenten het land worden binnengebracht. Binnen dezelfde grenzen van beoordeling van de overheid dient de rechter de opgelegde administratieve geldboete al dan niet te handhaven. De rechter kan evenwel, bij de uitoefening van zijn toetsingsrecht naar aanleiding van het "beroep" van de vervoerder bedoeld in ,§5 van voormeld artikel 74/4bis, zijn beslissing, bv. om de administratieve geldboete niet op te leggen, niet laten afhangen noch van verzachtende omstandigheden, noch van loutere redenen van opportuniteit of billijkheid. 1.2 Te dezen stelt het hof van beroep vast dat de inbreuk, die krachtens artikel 74/4bis, ,§1, 1°, Vreemdelingenwet tot het opleggen van een administratieve geldboete kan leiden, vaststaat (arrest, nr. 10). Vervolgens oordeelt het evenwel dat zijn beoordelingsbevoegdheid "aan geen beperkingen (
  1. is)onderworpen" (arrest, nr. 11). Ten slotte beslist het - na opsomming van de feitelijke omstandigheden waarin mevr. G. naar België werd vervoerd (geldigheidsduur van het visum verstreken op 26 juli 2000; bezit van een "aankomstverklaring" afgeleverd door de gemeente Sint-Jans-Molenbeek, geldig tot 25 juni 2000, later verlengd tot 25 september 2000; verklaring van haar artsen over de noodzaak van een medische behandeling; verkrijgen van een visum na aankomst) - dat vaststaat dat verweerster mevr. G. naar België heeft vervoerd "louter en alleen om haar de kans te geven medische zorgen te genieten", dat er geen verplichting bestaat om een administratieve geldboete op te leggen en dat het in de bovenbeschreven omstandigheden "past" geen administratieve geldboete op te leggen (arrest, nr. 12). 1.3 Te dezen stelt hof vast dat verweerster de inbreuk heeft gepleegd die bij toepassing van artikel 74/4bis, ,§1, 1°, Vreemdelingenwet tot het opleggen van een administratieve geldboete kan leiden. Het oordeelt evenwel dat eiser geen administratieve geldboete kon opleggen om voormelde loutere redenen van opportuniteit of billijkheid. Minstens neemt het hof, bij de uitoefening van zijn toetsingsrecht, aldus impliciet maar zeker "verzachtende omstandigheden" in aanmerking. Het hof gaat hierbij geenszins na in hoeverre verweerster enige schuld treft, m.n. of zij de nodige maatregelen heeft genomen om te verhinderen dat passagiers zonder geldige reisdocumenten het land worden binnengebracht. Door dit alles schenden de appelrechters bijgevolg hun beperkt wettelijk toetsingsrecht, zodat hun beslissing niet naar recht verantwoord is (schending van artikel 74/4bis, ,§1, eerste lid, en ,§5, Vreemdelingenwet). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Krachtens het te dezen toepasselijk artikel 74/bis, ,§1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna Vreemdelingenwet), kan de minister of diens gemachtigde een administratieve geldboete van 150.000 BEF opleggen aan: 1° de openbare of private luchtvervoerder voor elke passagier die hij naar België vervoert en die niet in het bezit is van de in artikel 2 voorgeschreven stukken. Krachtens ,§5 van hetzelfde artikel, kan de vervoerder die de beslissing van de minister of van diens gemachtigde betwist, beroep instellen bij de rechtbank van eerste aanleg binnen een termijn van een maand te rekenen van de kennisgeving van de beslissing, dit op straffe van verval. Indien de rechtbank van eerste aanleg het beroep van de vervoerder ontvankelijk en gegrond verklaart, wordt de betaalde of in consignatie gegeven som teruggegeven. Uit voormelde wetsbepalingen volgt dat de boete is verschuldigd zodra een vreemdeling zonder geldige reisdocumenten naar België wordt gebracht. 2. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de rechter moet nagaan of het overheidsoptreden wettig en niet willekeurig is. Hij mag zich evenwel niet uitspreken over de opportuniteit van het opleggen van een geldboete, maar moet kunnen nagaan in welke mate de vervoerder schuld treft en of hij te goeder trouw was. 3. De rechter mag aldus de wettigheid van de op grond van artikel 74/4bis, ,§1, van de Vreemdelingenwet opgelegde administratieve geldboete onderzoeken en in het bijzonder nagaan of de feitelijke en de wettelijke voorwaarden vervuld zijn voor die sanctie vervuld zijn en of de sanctie overeenstemt met de wettelijke voorschriften, inzonderheid of zij evenredig is, zonder dat hij om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid de administratieve geldboete mag kwijtschelden. 4. Het arrest stelt vast dat verweerster op 26 juli 2000 een passagierster van Turkije naar België heeft vervoerd en deze bij de inscheping geen visum voor toegang tot het Belgisch grondgebied kon voorleggen, zoals is voorgeschreven door artikel 2 van de Vreemdelingenwet. Het arrest oordeelt dat verweerster de passagierster heeft vervoerd "louter en alleen om haar de kans te geven medische zorgen te genieten" en beslist dat het in deze omstandigheden past geen administratieve geldboete op te leggen. Het arrest onderzoekt niet of de sanctie onwettig of onevenredig was. 5. Het arrest schendt zodoende artikel 74/4bis, ,§1, van de Vreemdelingenwet. 6. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigd arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Dirix en Dirk Debruyne, en in openbare terechtzitting van 16 februari 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060216.7 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140509.2 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220627.3F.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980122.4 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980202.5 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020124.10 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020124.8 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020124.9 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030411.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.