id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art.100
,eerste Fiche 2 In geval van een onrechtmatige overheidsdaad, komt de schuldvordering tot stand op het ogenblik waarop de schade ontstaat of waarop haar toekomstige verwezenlijking, naar redelijke verwachting vaststaat
(1); de omstandigheid dat de omvang van de schade op dat tijdstip nog niet precies vaststaat, doet hieraan geen afbreuk.
(1)Zie Cass., 13 jan. 1994, AR 9627, nr 16; Cass., 9 sept. 2002, AR C.99.0327.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020909.6, nr 424; Cass., 13 juni 2003, R.W., 2004-2005, 384, noot S. Van der Jeught. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Staat. Overheid Vrije woorden: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Staat. Overheid Schuldvordering Ontstaan Tijdstip Wettelijke bepalingen:
Art.100
,eerste Fiches 3 - 4 Een voor het gerecht bij dagvaarding ingestelde vordering gegrond op een schuldvordering ten laste van de Staat, stuit de verjaring en schorst deze totdat een definitieve beslissing is gewezen
(1).
(1)Zie P.-J. Defoort, "Het toepassingsgebied van de vijfjarige verjaringstermijn van schuldvorderingen ten laste van de Staat m.b.t. schuldvorderingen op grond van artikel 1382 B.W.", P. & B., 1995, 34. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Schorsing Vrije woorden: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Schorsing Wet op de rijkscomptabiliteit Schuldvordering ten laste van de Staat Vordering voor het gerecht Dagvaarding Wettelijke bepalingen:
Art.101
Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Stuiting Vrije woorden: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Stuiting Wet op de rijkscomptabiliteit Schuldvordering ten laste van de Staat Vordering voor het gerecht Dagvaarding Wettelijke bepalingen:
Art.101
Fiche 5 Een verzoekschrift tot nietigverklaring van een administratieve handeling voor de Raad van State moet niet ingesteld worden vooraleer de gelaedeerde een vordering tot schadeloosstelling bij de burgerlijke rechter aanhangig maakt
(1).
(1)Zie Cass., 16 dec. 1965 (Pas., 1966, I, 513) met conclusie van de toenmalige eerste advocaat-generaal Ganshof van der Meersch; Cass., 9 jan. 1997, AR C.96.0066.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970109.9, nr 20; Arbitragehof, 28 maart 2002, nr 64/2002, A.A., 2002, 783; D. Van Heuven en F. Van Volsem, "De Raad van State kan als enige ... Enkele beschouwingen over het administratief - en het gemeenrechtelijk kort geding" in Publiek recht, ruim bekeken, opstellen aangeboden aan Prof. J. Gijssels, Antwerpen, Maklu, 1994, 353. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Staat. Overheid Vrije woorden: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Staat. Overheid Onrechtmatige overheidsdaad Vordering tot schadeloosstelling bij de burgerlijke rechter Raad van State Beroep tot nietigverklaring van een administratieve handeling Vereiste Fiches 6 - 7 Het verzoekschrift tot vernietiging van een administratieve handeling voor de Raad van State stuit of schorst de verjaring niet van het recht om voor een burgerlijke rechtbank schadevergoeding te vorderen gegrond op een onrechtmatige overheidsdaad
(1).
(1)Zie W. Wilms, Dagvaarding en verjaring, Antwerpen, Maklu, 1990, 79; P.-J. Defoort, ibid.; A. Mast, J. Dujardin, M. Van Damme en J. Vande Lanotte, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Antwerpen, Kluwer, 1999, p. 703, nr 750. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Schorsing Vrije woorden: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Schorsing Schuldvordering ten laste van de Staat Onrechtmatige overheidsdaad Vordering voor een burgerlijke rechtbank Raad van State Beroep tot nietigverklaring van een administratieve handeling Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Stuiting Vrije woorden: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Stuiting Schuldvordering ten laste van de Staat Onrechtmatige overheidsdaad Vordering voor een burgerlijke rechtbank Raad van State Beroep tot nietigverklaring van een administratieve handeling Fiches 8 - 9 Indien een cassatiemiddel een vraag opwerpt omtrent de schending door een wet van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, is het Hof van Cassatie niet gehouden aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen, wanneer het middel niet ontvankelijk is wegens onnauwkeurigheid, doordat het niet nader preciseert waarin de discriminatie tussen bepaalde categorieën van personen bestaat
(1).
(1)Cass., 24 maart 2000, AR C.97.0292.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000324.3, nr 202. Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: PREJUDICIEEL GESCHIL Arbitragehof Verplichting van het Hof van Cassatie Niet ontvankelijk middel Wettelijke bepalingen: Wet - 26-01-1989 - Art.26,§2 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: ARBITRAGEHOF Prejudiciële vraag Verplichting van het Hof van Cassatie Niet ontvankelijk middel Wettelijke bepalingen: Wet - 26-01-1989 - Art.26,§2 Annotaties Publicaties: RAGB - Caroline LEBON; Annulatieberoep bij Raad van State stuit noch schorst ... - 2007,332-341 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0022.N V.P., eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Eerste Minister, met kabinet gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 16, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 21 juni 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; - de artikelen 100, lid 1, 1°, en 101 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit; - de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en, voor zover als nodig, 2244 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het aangevochten arrest oordeelt dat de eerste rechter de vordering van eiser terecht onontvankelijk heeft verklaard wegens verjaring en dat eisers hoger beroep ongegrond is op de volgende gronden: "
(2)Aanvangsdatum van de verjaring ? Volgens artikel 100, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit begint de vijfjarige verjaringstermijn te lopen 'vanaf de eerste januari voor het begrotingsjaar in de loop waarvan (de schuldvorderingen) zijn ontstaan'. P. V. houdt voor dat de verjaring slechts aanvang kan nemen vanaf de datum van uitspraak door de Raad van State (19 april 1999). De vraagstelling te weten, nu de verjaringstermijn van voornoemd artikel 100 toepasselijk is, vanaf wanneer de verjaring dan wel kan beginnen te lopen, werd herhaaldelijk aan het Arbitragehof voorgelegd. ln het arrest nr. 5/99 besliste het Arbitragehof dat de redenering van het arrest nr. 32/96 (dat stelt dat de verjaring slechts aanvang kan nemen vanaf het ogenblik dat een schade zich manifesteert en niet vanaf het ogenblik dat de fout werd begaan die de schade - die zich pas vele jaren later manifesteert - eigenlijk heeft veroorzaakt) niet kan worden doorgetrokken tot schuldvorderingen die tot doel hebben een nadeel te herstellen dat wordt veroorzaakt door een als foutief gekwalificeerde beslissing om werknemers ongelijk te verlonen om reden dat rechten en verplichtingen van het personeel voorafgaandelijk zijn vastgelegd in een geheel van statutaire regelen die zijn bekendgemaakt en waarvan eenieder geacht kan worden de draagwijdte te kennen. In het arrest nr.85/2001 besliste het hof dat de redenering van het arrest nr. 32/96 evenmin kan worden toegepast wanneer de benadeelde persoon onmiddellijk in rechte kon treden tegen de overheid die aansprakelijk zou kunnen worden verklaard, zonder dat hij diende te wachten tot de Raad van State uitspraak zou hebben gedaan over het beroep dat hij had ingesteld tegen de beslissing van de minister waarbij hem zijn functie werd ontnomen. Wanneer dienvolgens, zoals te dezen, P. V. onmiddellijk zijn vordering tot schadevergoeding kon instellen om reden dat de schade en de identiteit van de aansprakelijke onmiddellijk (dit is vanaf de feitelijke kennisname van het MB van 24 december 1993) door P. V. kon worden vastgesteld en zonder dat hij diende te wachten op de uitspraak van de Raad van State over zijn beroep tot vernietiging vermits het nadeel waarvan hij herstel vordert zich voordeed op 24 december 1993, dan is er geen aanleiding om af te stappen van de regel dat de vijfjarige verjaringstermijn gesteld bij voornoemde wet, aanvang neemt vanaf de datum van de feitelijke kennisname van het M.B. van 24 december
- De loutere omstandigheid dat P. V. nog twijfels had aangaande bepaalde aspecten van zijn vordering (het resultaat van de vordering tot vernietiging van het bestreden M.B.) doet hieraan geen afbreuk. Zijn situatie is niet vergelijkbaar met die van personen die zich in de onmogelijkheid bevinden om binnen de wettelijke termijn in rechte te treden omdat hun schade pas na het verstrijken van de termijn tot uiting is gekomen. Bij arrest van 20 februari 2002 besliste het Arbitragehof dat door dergelijke vorderingen (waarbij de schadelijder vanaf het ogenblik dat een litigieuze beslissing is genomen waarvan hij de facto kennis heeft, er op de hoogte van is dat zijn subjectieve rechten worden gekrenkt) aan de vijfjarige verjaring te onderwerpen, de wetgever een maatregel heeft genomen die niet onevenredig is met het nagestreefde doel. De schade ontstaat voor P. V. niet ingevolge het arrest van de Raad van State, de Raad van State kan enkel een administratieve rechtshandeling vernietigen, in dat geval geldt deze vernietiging ex tunc en moet ingevolge de juridische fictie (die een rechtsfeit is die op alle vlakken dit effect sorteert ook op het vlak van de verjaring) geacht worden dat de beslissing nooit heeft bestaan zodat de partijen in dezelfde positie staan als deze waarin zij zich bevonden op het ogenblik dat de beslissing werd genomen, ofwel - zoals te dezen - vernietigt de Raad van State de bestreden rechtshandeling niet, in dat geval spreekt het voor zich dat het arrest, dat het beroep verwerpt, geen enkele vaststelling doet omtrent enig foutief optreden vanwege de overheid wiens administratieve rechtshandeling (het M.B. van 24 december 1993) onaangeroerd gelaten wordt. De fout dewelke volgens P. V. door de overheid werd begaan situeert zich dienvolgens op het moment van het tot stand komen van het M.B. van 14 december
- Uit de feitelijke omstandigheden, met name het toevoegen van een kopie van dit M.B. aan het verzoek tot nietigverklaring en de motieven van voornoemd verzoek zelf, blijkt dat minstens vanaf 20 mei 1994, P. V. kennis had van de beweerde onrechtmatige daad zodat de verjaring overeenkomstig voornoemd artikel 100 intrad ten laatste op 31 december 1998.
(3)Stuiting van de verjaring ? Het middel van niet ontvankelijkheid kan niet aangenomen worden indien de verjaring zou zijn gestuit of geschorst. Artikel 101 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit bepaalt dat de verjaring wordt gestuit door een gerechtsdeurwaardersexploot, alsook door een schulderkenning van de Staat. Het instellen van een rechtsvordering schort de verjaring op totdat een definitieve beslissing gewezen is. Het is niet betwist dat er geen deurwaardersexploot is betekend geworden dat tot doel had tussen de procespartijen de verjaring te stuiten. P. V. houdt echter voor dat het voor de Raad van State neergelegde verzoekschrift tot vernietiging van het M.B. een stuitend effect zou hebben. Er moet opgemerkt worden dat artikel 101 enkel aan een deurwaardersexploot een stuitend effect verleent, daar waar het instellen van een rechtsvordering een schorsend effect heeft. Hoewel deze regeling zoals zij uit de wet blijkt, gunstiger zou zijn voor de stelling van (eiser), laat deze als middel gelden dat zijn verhaal voor de Raad van State stuitend werkt. Een verzoek tot vernietiging van een administratieve rechtshandeling is evenwel niet gelijk te stellen met een rechtsvordering zoals voorzien in voornoemd artikel
- Met 'een rechtsvordering' wordt uitdrukkelijk bedoeld: de rechtsvordering dewelke ertoe strekt een vordering in te leiden, tegen de overheid die de beslissing heeft genomen waardoor de schadelijder gegriefd wordt. Ten aanzien van een schadeclaim dewelke zijn grondslag vindt in artikel 1382 en volgende B.W. kan de rechtsvordering enkel voor de burgerlijke rechter worden ingesteld. De burgerlijke rechter is immers krachtens de Grondwet bij uitsluiting bevoegd om geschillen over burgerlijke rechten te beslechten (artikel 144 Grondwet). De 'rechtsvordering tot het bekomen van schadevergoeding' kon dienvolgens onder geen beding voor de Raad van State ingesteld worden. Ten onrechte houdt P. V. voor dat het inleiden van de vordering voor de Raad van State de verjaring heeft gestuit (of juister 'geschorst'). Immers, de vordering ingesteld voor de Raad van State is een beroep tot nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling (artikel 14, ,§1, van de gecoördineerde wet op de Raad van State) doch geen burgerlijke rechtsvordering strekkende tot het bekomen van herstel in de geschonden subjectieve burgerlijke rechten (in de zin van artikel 17 Ger. W. en zoals bedoeld in artikel 101 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit). Enkel een vordering die ertoe strekt het door verjaring bedreigde recht te doen erkennen kan als rechtsvordering in de zin van voornoemde wetsbepaling aanzien worden. Een dagvaarding stuit de verjaring enkel voor de vordering die ze inleidt alsmede voor de vordering waarvan het voorwerp virtueel begrepen is in het voorwerp van de bij dagvaarding ingestelde vordering. ln de vordering tot vernietiging van een administratieve rechtshandeling is niet virtueel begrepen enige eis tot het bekomen van een vergoeding van de door de bestreden rechtshandeling geleden schade. Beide vorderingen hebben een totaal ander voorwerp, de ene (schadeclaim) is wel een mogelijk uitvloeisel van de andere (vordering tot annulatie), doch ze is er niet virtueel in begrepen (zij moet hoe dan ook afzonderlijk worden ingesteld voor een burgerlijke rechter en niet voor een administratieve rechtbank). Wie zich benadeeld voelt door een bestuurlijke beslissing moet kiezen: ofwel stelt hij een burgerlijke vordering in en pleit hij de onwettigheid van de beslissing conform artikel 159 Grondwet, ofwel stelt hij een beroep tot nietigverklaring in voor de Raad van State, ofwel stelt hij ter bekomen van de vernietiging van de beslissing een beroep tot vernietiging in en leidt hij de burgerlijk vordering tot het bekomen van schadeloosstelling parallel met de administratieve vordering in. De regels inzake de verjaring hebben precies tot doel de overheid op korte termijn klaar te laten zien aangaande de vorderingen (tot schadevergoeding). Zulks vereist dat wie meent een vordering tegen de overheid te moeten laten gelden gehouden is binnen de korte termijn van vijf jaar deze vordering zelf voor de burgerlijke rechter in te stellen. De overheid mag er van uit gaan dat wie verzuimt de vordering op deze wijze in te leiden, geen civielrechtelijke schadeclaim zal stellen zelfs indien deze partij een vordering tot vernietiging van de beslissing voor de Raad van State instelde. De korte verjaring strekt er precies toe rechtszekerheid tot stand te brengen. De omstandigheid dat de Raad van State pas op 19 april 1999 arrest velde omtrent een annulatieberoep dat was ingesteld bij verzoekschrift neergelegd op 20 mei 1994 doet hieraan geen afbreuk. P. V. moest zich bewust zijn van de buitenmatig lange wachttijden voor de Raad van State. Door te opteren voor het administratief beroep in plaats van toepassing te vorderen voor de burgerlijke rechter van artikel 159 Grondwet, heeft P. V. een proceskeuze uitgeoefend waarvoor hij zelf de aansprakelijkheid voor de gevolgen dient te dragen. Zijn keuze voor het administratief forum van de Raad van State is niet van aard enige daad van stuiting of schorsing van de verjaring met zich te brengen". Grieven Eerste onderdeel Schending van de artikelen 100, lid 1, 1°, van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit en 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Krachtens artikel 100, lid 1, 1°, van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, zijn verjaard en voorgoed vervallen ten voordele van de Staat, de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan. Het recht op schadevergoeding gegrond op de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, hierna de extra-contractuele schadevergoeding genoemd, ontstaat vanaf het ogenblik dat alle bestanddelen vereist door die bepalingen, nl. de fout, de schade en het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade, voorhanden zijn. De schade is voorhanden wanneer en eventueel naarmate ze aan het licht komt. Wanneer die schade bestaat in het verlies van wedden, aanvullende toelagen, vakantietoeslagen en alle andere toebehoren, ontstaat de schade telkens de betrokken wedde, aanvullende toelage, vakantietoeslag en andere toebehoren verschuldigd zijn of zouden zijn. De verjaring begint dus slechts te lopen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan die wedde, aanvullende toelage, vakantietoeslag en andere toebehoren verschuldigd zijn of zouden zijn. Te dezen stelt het aangevochten arrest dat de vordering van eiser stoelt op een quasi-delictuele fout en dat de wedden en toelagen het bedrag van de gevorderde schadevergoeding uitmaken. Hieruit volgt dat het arrest bijgevolg niet wettig kon oordelen dat de schade zich op 24 december 1993 - datum van het ministeriel besluit tot ontslag van eiser - voordeed, dat die schade onmiddellijk, d.w.z. vanaf de feitelijke kennisneming van dit ministerieel besluit - zijnde vanaf minstens 20 mei 1994 -, door eiser kon worden vastgesteld en dat hij zich niet in de situatie bevond van de personen die zich in de onmogelijkheid bevinden om binnen de wettelijke termijn in rechte te treden omdat hun schade pas na het verstrijken van de termijn tot uiting is gekomen. Hieruit volgt dat het aangevochten arrest derhalve evenmin kon oordelen dat de termijn van vijf jaar, bedoeld in artikel 100, lid 1, 1°, van het koninklijk besluit van 17 juli 1991, ten laatste op 31 december 1998 was verstreken en dat de vordering, ingesteld bij dagvaarding van 30 augustus 1999, verjaard was. Het arrest heeft aldus bedoeld artikel 100, lid 1, 1°, van het koninklijk besluit van 17 juli 1991, alsmede de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, geschonden. Tweede onderdeel Schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, 100, lid 1, 1°, en 101 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit en, voor zover als nodig artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek. Krachtens artikel 101 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 wordt de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 100, lid 1, 1°, gestuit door een gerechtsdeurwaardersexploot, en geschorst door het instellen van een rechtsvordering totdat een definitieve beslissing is gewezen. Het begrip "gerechtsdeurwaardersexploot" van artikel 101 inzake stuiting dient ruim te worden uitgelegd naar analogie van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat "een dagvaarding voor het gerecht" stuiting van de verjaring tot gevolg heeft, met name in de zin van iedere vordering in rechte die ertoe strekt het bedreigde recht rechtens te doen erkennen. Minstens dient die interpretatie te worden gegeven aan de bewoordingen "instellen van een rechtsvordering" inzake schorsing van de verjaring van schuldvorderingen tegen de Staat. Een verzoekschrift tot nietigverklaring voor de Raad van State is een vordering in rechte die ertoe strekt "het bedreigde recht rechtens te doen erkennen". Dergelijk verzoekschrift strekt immers tot de vernietiging van een eenzijdige administratieve rechtshandeling, en aldus tot het vaststellen van de onwettigheid en bijgevolg de fout - van de verwerende partij, wat medebepalend is, minstens kan zijn, voor de juridische grondslag van de schadevergoeding die achteraf voor de burgerlijke rechter kan worden gevorderd. Het verzoekschrift voor de Raad van State stuit, of schorst minstens, de verjaring van het recht voor de burgerlijke rechter vergoeding te vorderen van de schade die werd veroorzaakt door voormelde onwettigheid (fout van de overheid), zodat de burgerlijke vordering tot schadevergoeding - minstens virtueel - daarin begrepen is. In elk geval bestaat er geen objectieve en redelijke verantwoording voor het onderscheid, getoetst aan het doel en de gevolgen van de verjaring en aan de redelijkheid van de verhouding tussen de aangewende middelen en het beoogde doel, tussen enerzijds het ontzeggen aan dit verzoekschrift tot nietigverklaring van elk stuitend of schorsend gevolg voor de verjaring van het recht op schadevergoeding en anderzijds de stuiting en schorsing van de verjaring van datzelfde recht louter door het instellen van een rechtsvordering, bij gerechtsdeurwaardersexploot, voor de burgerlijke rechter tot schadevergoeding, die de vaststelling van dezelfde 'fout' van de overheid impliceert. Het in het arrest gemaakte onderscheid is dan ook strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In dat verband verzoekt eiser het Hof de hieronder geformuleerde prejudiciële vraag voor te leggen aan het Arbitragehof. Hieruit volgt dat het aangevochten arrest niet wettig oordeelt dat een verzoekschrift tot vernietiging van een administratieve rechtshandeling voor de Raad van State niet gelijk te stellen is met een rechtsvordering die ertoe strekt het door verjaring bedreigde recht te doen erkennen en dat de eis tot het verkrijgen van een vergoeding van de door de bestreden rechtshandeling geleden schade niet virtueel begrepen is in de vordering tot vernietiging van een administratieve rechtshandeling. Hieruit volgt dat het aangevochten arrest dan ook niet wettig beslist dat eisers verzoekschrift voor de Raad van State strekkende tot de nietigverklaring van het ministerieel besluit van 24 december 1993 de verjaring niet kon stuiten noch schorsen van zijn recht voor de burgerlijke rechter een vergoeding te vorderen voor de door die eenzijdige rechtshandeling veroorzaakte schade. Het maakt in dat verband een onderscheid waarvoor geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het aangevochten arrest heeft bijgevolg de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, alsmede 100, lid 1, 1°, en 101, van het koninklijk besluit van 17 juli 1991, en, voor zoveel als nodig, 2244 van het Burgerlijk Wetboek, geschonden. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Volgens artikel 100, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, zijn verjaard en vervallen voorgoed ten voordele van de Staat, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen, de schuldvorderingen waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet is geschied binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan. Overeenkomstig die bepaling neemt deze bijzondere verjaringstermijn voor schuldvorderingen op de Staat een aanvang op de eerste januari van het begrotingsjaar waarin de schuldvordering is ontstaan. Behoudens andersluidende wettelijke bepalingen, geldt die vijfjarige verjaringstermijn in de regel voor alle schuldvorderingen ten laste van de Staat.
- In geval van een onrechtmatige overheidsdaad, komt in de regel de schuldvordering tot stand op het ogenblik waarop de schade ontstaat of waarop haar toekomstige verwezenlijking, naar redelijke verwachting, vaststaat. De omstandigheid dat de omvang van de schade op dat tijdstip nog niet precies vaststaat, doet hieraan geen afbreuk.
- Het onderdeel gaat ervan uit dat de schade, bestaande in het verlies van wedden, aanvullende toelagen, vakantietoelagen en alle andere toebehoren die het gevolg zijn van een onwettig ontslag, slechts ontstaan telkens die wedden en toebehoren verschuldigd zijn of zouden zijn zodat de verjaringstermijn slechts begint te lopen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan die wedde en toebehoren verschuldigd zijn of zouden zijn.
- Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 101 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, wordt de verjaring gestuit door een gerechtsdeurwaardersexploot alsook door een schulderkenning van de Staat. Het instellen van een rechtsvordering schorst de verjaring totdat een definitieve beslissing is gewezen. Uit de wetsgeschiedenis van dit artikel blijkt dat onder gerechtsdeurwaardersexploot dient te worden verstaan een gerechtsdeurwaardersakte tot ingebrekestelling of een dagvaarding. Een voor het gerecht bij dagvaarding ingestelde vordering gegrond op een schuldvordering ten laste van de Staat, stuit de verjaring en schorst deze totdat een definitieve beslissing is gewezen. Artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek dat op de stuiting betrekking heeft, is niet van toepassing daar in de specifieke bepalingen van artikel 101 voorzien is in de stuiting en de schorsing van de verjaring van schuldvorderingen ten laste van de Staat.
- Het door de rechtszoekende bij de Raad van State ingesteld beroep tot nietigverklaring is een objectief beroep dat niet de bescherming van een subjectief recht beoogt, maar heeft een legaliteitscontrole van de akten en de reglementen van de administratieve overheden tot voorwerp en is gericht op het herstel van de wettigheid. Het verzoekschrift tot nietigverklaring heeft niet tot voorwerp een schadevergoeding wegens onwettig handelen van de overheid te verkrijgen. Dergelijk verzoekschrift moet niet ingesteld worden vooraleer de gelaedeerde bij de burgerlijke rechter een vordering tot schadeloosstelling aanhangig maakt.
- Het verzoekschrift tot vernietiging van een administratieve handeling voor de Raad van State stuit of schorst de verjaring niet van het recht om voor een burgerlijke rechtbank schadevergoeding te vorderen gegrond op een onrechtmatige overheidsdaad.
- Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.
- Het onderdeel voert verder aan dat er geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat voor dit onderscheid zonder te preciseren waarin de discriminatie tussen bepaalde categorieën van personen bestaat.
- Het onderdeel is in zoverre wegens onnauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- Het Hof is derhalve niet verplicht tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 504,97 euro jegens de eisende partij en op de som van 109,67 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Dirix en Dirk Debruyne, en in openbare terechtzitting van 16 februari 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060216.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090402.14 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100903.2 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120426.1 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150424.2 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20151112.8 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181012.1 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210122.1N.2 ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.202 ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.031 ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.049 ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.003 ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.038 ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.148 ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.175 ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.040 precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970109.9 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000324.3 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020909.6 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030414.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080508.4 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100225.10 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181011.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div