← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060223.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060223.6 Rolnummer: D.05.0017.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-04-07 Raadplegingen: 355 - laatst gezien 2026-07-04 09:10 Fiche Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: ADVOCAAT Tekst van de beslissing Nr. D.05.0017.N G.A.M., advocaat bij de balie te Gent, wonende te , eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, kantoor houdende te 9000 Gent, Koophandelsplein 23, verweerder. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing, op 28 juni 2005 gewezen door de Tuchtraad van Beroep van de balies van het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Gent. De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 149 van de Grondwet; de artikelen 1341 tot 1348 van het Burgerlijk Wetboek; de artikelen 468, 473 en 915 van het Gerechtelijk Wetboek; de artikelen 6.1 en 6.3.

  1. c)en
  2. d)van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome en goedgekeurd bij de Belgische Wet van 13 mei 1955; het algemeen rechtsbeginsel betreffende de onpartijdigheid van de rechter. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing wordt de tenlastelegging bewezen verklaard en wordt eiseres veroordeeld tot de tuchtstraf van schrapping van het tableau van de Orde van advocaten van de balie te Gent, op grond van de volgende motieven: "3. Beoordeling A. de nietigheid van de bestreden beslissing Krachtens artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek is artikel 780 van dit wetboek ook van toepassing op de aangevochten tuchtrechterlijke beslissing. Dat betekent dat in het geval dat de aangevochten beslissing niet voldoet aan de formele vereisten deze kan nietig verklaard worden zonder dat moet voldaan zijn aan de artikelen 860 - 867 Gerechtelijk Wetboek, die niet van toepassing zijn op vonnissen. Zonder enige twijfel beantwoordt de aangevochten beslissing niet aan de formele vereisten van artikel 780 Gerechtelijk Wetboek omdat nergens uit blijkt dat de uitspraak werd gedaan in openbare terechtzitting, hetgeen wel degelijk vereist was gelet op het feit (eiseres) niet heeft afgezien van de openbaarheid van de uitspraak. Deze nietigheid maakt het overbodig om de gevolgen te bepalen: - van de tegenstrijdigheid in de beslissing nopens de datum van de uitspraak, die volgens de ene vermelding (in het begin van de beslissing) gebeurde op 16.11.2004 en volgens de andere vermelding (op het einde van de beslissing) op 14.12.2004; - van de onmogelijkheid om aan de hand van het zittingsblad van de zitting van 16.11.2004 waarop de zaak werd behandeld na te gaan of de beslissing is gewezen door de rechters die alle zittingen hebben bijgewoond; De nietigheid van de bestreden beslissing brengt mee dat de Tuchtraad van Beroep de zaak in haar geheel dient te beoordelen. B. de opmerkingen aangaande de voorbereidende fase van de tuchtprocedure Naar aanleiding van de kennisgeving door de nieuwe raadsman van G.R. van het ten laste gelegde feit aan de Stafhouder heeft deze laatste bij schrijven van 30 augustus 2004 gevraagd dat (eiseres) zich bij hem zou aanbieden op 3 september 2004. (Eiseres) heeft na het gesprek dat doorging op genoemde datum van de Stafhouder een schrijven ontvangen waarin duidelijk gesteld is dat (eiseres) bekende dat zij een twee bladzijden tellende tekst heeft opgemaakt en dat zij deze overmaakte zonder dat er op 23 december 2003 door de vijfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent in haar echtscheidingszaak een vonnis zou zijn uitgesproken. (Eiseres) stelt niet dat de inhoud van dat schrijven waarop ze trouwens ook niet reageerde niet beantwoordt aan de werkelijkheid. In dat schrijven werd een paleisverbod opgelegd van drie maanden vanaf 13 september 2004. (Eiseres) heeft de kans gekregen om middels haar raadsman twee nota's ter kennis te brengen van de Stafhouder. De ene nota bevat een biografie. De andere nota betreft een relaas betreffende het ten laste gelegde feit en de omstandigheden waarin dit plaats greep. (Eiseres) heeft duidelijk het tuchtfeit erkend en de omstandigheden waarin zich dit voordeed toegelicht. In haar conclusies, genomen voor de Raad van de Orde, heeft ze trouwens ook gezegd dat ze het tuchtfeit dat door de Stafhouder in de adiëring van de Raad is weerhouden aanvaardt. In haar conclusies in beroep stelt ze nu dat tijdens het onderzoek haar rechten werden geschonden hetgeen volledig in strijd is met hetgeen blijkt uit het voorafgaande. De Stafhouder blijkt duidelijk (eiseres) in kennis gesteld te hebben van het feit dat tot het tuchtonderzoek aanleiding gaf. (Eiseres) heeft onmiddellijk het ten laste feit bekend en aldus elk bijkomend onderzoek overbodig gemaakt. Het feit dat zij voor de Stafhouder het feit bekende wordt niet betwist. Hetgeen (eiseres) naast de bekentenis ter kennis wilde brengen van de Stafhouder in de fase van het onderzoek heeft zij kunnen ter kennis brengen. C. de grond van de zaak De feiten ten laste van (eiseres) en zoals hoger sub.2 omschreven zijn op grond van de overgelegde stukken en gelet op de behandeling van de zaak bewezen. Zij worden trouwens door (eiseres) niet betwist. Het verweer wordt in wezen beperkt tot 'clementie en mildheid, rekening houdend met alle omstandigheden eigen aan onderhavige zaak'. (Eiseres) streeft ernaar nog een 'professionele kans' te bekomen. (Eiseres) verwijst naar een opeenstapeling van moeilijkheden - tegenslagen zowel in haar privé-leven als in haar beroepsactiviteiten als advocaat. Tevens wordt verwezen naar de 'enorme psychische druk en stress' waarmee (eiseres) sedert jaren geconfronteerd wordt op het kantoor waar zij als medewerkster is tewerkgesteld. Het zou nooit de bedoeling geweest zijn van (eiseres) om te schaden noch te benadelen. Ook zou zij geen geldgewin hebben nagestreefd. Aan de hand van de gegevens van het dossier blijkt dat (eiseres) het initiatief heeft genomen om ten behoeve van haar cliënte mevr. G.R. een document op te maken dat naar vorm en inhoud niet anders kan worden gezien en begrepen dan als een echtscheidingsvonnis verleend door de 5e kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent gewezen op 23 december 2003 tussen mevrouw R.G. als eisende partij en vertegenwoordigd door (eiseres), tegen de echtgenoot, P.A., als verweerder. Het fictieve vonnis beantwoordt omzeggens volledig aan de vereisten zoals gesteld in het Gerechtelijk Wetboek (art. 780 tot en met 782 Ger. W.). Het vonnis spreekt de echtscheiding uit tegen de verweerder, wijst een notaris aan om tot de vereffening - verdeling van het huwelijksvermogensstelsel over te gaan voor zover geen minnelijke verdeling mogelijk is, wijst een tweede notaris aan met de bevoegdheden zoals omschreven in art. 1209, alinea 3, Ger.W., bepaalt dat de vordering nopens de persoonlijke uitkering na echtscheiding nog niet in staat van wijzen is en houdt de uitspraak over de kosten aan. Tenslotte vermeldt het fictieve vonnis de naam van de rechter en de griffier en hun resp. handtekening. Ook is er de vermelding dat het vonnis aangeboden werd ter registratie op 3 januari 2004. Dit vonnis was voor mevr. R. aanleiding om tegen (eiseres) klacht neer te leggen bij de politie te Gent op 5 augustus 2004. Zij verklaarde o.m. het volgende: '... In het jaar 2003 had ik een echtscheidingsprocedure gestart, dit met de hulp van een raadsman. Ik kreeg thuis een brief dit in december 2003 met de vraag naar het kantoor te komen voor het ophalen van de echtscheidingsformulieren. Het was juist voor Kerstmis 2003 en ik bood mij bij mijn raadsman aan om het attest op te halen. Er werd mij één document gegeven, waarvan ik u kopie overhandig, waaruit zou moeten blijken dat de echtscheiding een feit was. Ik kan wel verklaren dat ik met mijn raadsman enkel naar het vredegerecht was geweest, doch nooit diende te verschijnen voor een andere rechtbank. Het betrof een echtscheiding op basis van feiten. Er was nooit sprake van onderlinge toestemming. In verband met de echtscheiding heb ik nooit enig document dienen te ondertekenen. De uitspraak van de bevoegde rechtbank werd mij ook nooit betekend. Het overhandigde document zou volgens mijn raadsman voldoende zijn geweest om de echtscheiding te laten bevestigen bij de dienst bevolking. Mijn raadsman zegde mij dat de echtscheiding automatisch zou worden ingeschreven in het bevolkingsregisters en dat ik daar dan bericht van zou ontvangen. Ik bleef wachten op die bevestiging, doch kreeg er geen. Ik heb dan ook diverse keren met mijn raadsman contact genomen, die steeds zegde dat het ook haar eigenaardig leek dat het nog niet was gebeurd. Zij zegde steeds, overtuigend, dat zij de bevolkingsdienst om uitleg zou vragen. Zij heeft mij daar ook nooit enig antwoord omtrent gegeven. Uiteindelijk werd mijn inkomen en dat van mijn man door de belastingsdienst steeds samengevoegd. Ik bood mij dan ook aan op de belastingsdienst om de inkomens te scheiden. De scheiding van die inkomens werd gedaan, doch hetgeen mijn echtgenoot verschuldigd was, diende ik te betalen daar er nergens iets was gekend van mijn echtscheiding. Uiteindelijk bood ik mij aan bij een andere advocaat (D.P.K.), die alles voor mij heeft uitgezocht. Bij de bevoegde rechtbank was er geen dossier gekend, waar ik vermeld ben. Er is dus nooit een echtscheidingsprocedure behandeld. Ik kon dus nooit als wettelijk gescheiden worden aanzien. Van de advocaat-wissel werd mijn eerste advocate in kennis gesteld en daarop heeft zij de stukken uit mijn dossier overgemaakt aan de nieuwe advocate. Ik overhandig u een kopie van deze stukken. Uiteindelijk wens ik dat zij, mijn eerste advocate (eiseres) mij alle betaalde kosten terugbetaalt. Ik heb reeds een deel van het honorarium betaald. Door deze handeling leed ik schade en ik wens daarvoor schadeloos gesteld te worden. Ik zal de kosten kenbaar maken via mijn huidige advocate (D.P.K.). Door de handeling gesteld door (eiseres), raak ik financieel aan de grond ... '. Uit de verklaring van (eiseres) aan de politie afgelegd op 24 november 2004 blijkt dat (eiseres) de tekst van het fictieve vonnis zelf getypt heeft met de bedoeling haar cliënte te doen geloven dat het een echt vonnis was. En verder verklaarde(eiseres): 'Mijn bedoeling was het dossier recht te trekken en ik verwachtte een vonnis dat qua inhoud hetzelfde zou zijn als het vonnis dat ik maakte. Ik weet immers hoe dergelijke vonnissen er uitzien...' In haar verklaring afgelegd aan de federale politie op 26 november 2004 geeft (eiseres) nadere uitleg nopens de wijze waarop het vonnis werd gemaakt. Zij bevestigde dat zij de tekst heeft getypt en met tussenkomst van de secretaresse van het kantoor, aan de cliënte heeft laten overhandigen. Verder verklaarde (eiseres): '... U vraagt mij hoe de handtekeningen op het vonnis gekomen zijn. Ik heb die handtekeningen gekopieerd van een ander echtscheidingsvonnis. U kan het zien aan de gekopieerde tekst onderaan blz. 2. Ons fotokopietoestel vertoonde slijtage en daardoor waren de letters niet voldoende scherp. Het bovenste deel van blz. 2 en de eerste bladzijde vertoont die afwijking niet. U vraagt mij uitleg over de datum onderaan het vonnis nl. 3 jan. 2004, datum van aanbieden op de registratie, daar waar R.G. verklaarde dat zij het vonnis bij mij kwam afhalen voor Kerstdag 2003. De datumstempels van de registratie zijn met "bleke inkt" gezet, wat betekent dat zij niet zo duidelijk zijn als gekopieerd worden. In dit geval zal het cijfer 3 duidelijk geweest zijn, want de vorm van de stempel is nog te zien. De letters JAN en de cijfers 2004 heb ik erbij geschreven omdat de rest van de datumstempel niet leesbaar was. Uit die datum blijkt dat R.G. het vonnis niet voor Kerstdag kwam afhalen, want anders zou ik 3 december 2003 geschreven hebben. Hoe dan ook moet ik het vonnis nagemaakt hebben rond die datum, in januari 2004.. '. Het staat vast, en (eiseres) betwist het niet, dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in een authentieke akte door een vonnis na te maken dat met uitzondering van de vermelding van het folionummer, beantwoordde aan de wettelijke vereisten van een vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Gent. Tevens heeft zij gebruik gemaakt van het valse vonnis. Deze feiten worden door de art. 193 tot en met 196 van het Strafwetboek gekwalificeerd als een misdaad en worden beteugeld met zware straffen. Er bestaat terzake dan ook niet de minste twijfel dat (eiseres) de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan het beroep van advocaat ten grondslag liggen (art. 456 Ger.W.) op bijzonder ernstige wijze heeft miskend en geschonden. Alleen de gedachte als advocaat en ten behoeve van een cliënte een fictief echtscheidingsvonnis te produceren is het bewijs van een in geen enkel opzicht te verschonen ondeontologische ingesteldheid. Daarbij komt nog dat (eiseres) haar laakbaar idee heeft uitgewerkt door zelf de tekst van het vonnis te typen en ervoor te zorgen dat bij de cliënte de schijn werd gewekt dat dit vonnis volledig beantwoordde aan een wettelijk vonnis en derhalve authentiek was. Bij de tuchtrechtelijk appreciatie van de gedragingen van (eiseres) moet eveneens rekening worden gehouden met de door de rechtspraak en de rechtsleer algemeen aanvaarde mening dat de advocaat een centrale plaats inneemt in de rechterlijke organisatie. Hij wordt beschouwd als een tussenpersoon tussen de rechtzoekenden en de rechtbanken. Als garantie voor de medewerking aan de rechtsbedeling voorziet de wet gedetailleerde voorwaarden om tot het beroep van advocaat te worden toegelaten (art. 428 e.v. Ger. W.), waaronder het afleggen van de eed (art. 429 Ger. W.) dat de advocaat niet zal afwijken van de eerbied aan het gerecht en de openbare overheid verschuldigd. Door de gepleegde feiten heeft (eiseres) op onaanvaardbare wijze de eed geschonden, het vertrouwen in de rechtbank en de rechtsbedeling fundamenteel geschonden en schade veroorzaakt aan de cliënte. Dergelijk onethisch gedrag is ook maatschappelijk niet te verantwoorden en totaal onaanvaardbaar. De gedragingen van (eiseres) kunnen geenszins verschoond worden door moeilijkheden die (eiseres) in haar persoonlijk leven heeft gekend, evenmin als zij zich kan beroepen op overlast op het kantoor. Het behoort immers tot de uitoefening van het beroep van advocaat, permanent passende maatregelen te nemen om het inderdaad veeleisend beroep van advocaat blijvend te kunnen uitoefenen, steeds met inachtneming van de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die er ook zijn ten dienste van de rechtzoekenden en ten behoeve van een goede rechtsbedeling. Zoals (eiseres) zelf toegeeft in haar verklaringen aan de politie, heeft zij nagelaten de nodige afstandelijkheid, en derhalve onafhankelijkheid, ten aanzien van haar cliënte in acht te nemen. Dat de cliënte zich bijzonder gegriefd voelde door de werkwijze van (eiseres), blijkt onweerlegbaar uit de verklaring van mevr. V.R. afgelegd n.a.v. de strafinformatie. De hoger vermelde feiten wettigen de zwaarste tuchtsanctie, ook rekening houdend met de specifieke omstandigheden waarin zij werden gepleegd en de veroorzaakte gevolgen die (eiseres) kon kennen. Het behoort tot de maatschappelijke eisen dat het rechtsverkeer gebeurt zonder dat de advocaat die eraan deelneemt enige twijfel doet en laat bestaan over het vertrouwen dat in hem wordt gesteld. Een afdoend herstel van het vertrouwen in (eiseres) als advocaat lijkt uitgesloten voor de toekomst". (bestreden beslissing, blz.2-6). Grieven Eerste onderdeel Eiseres voerde in conclusie aan dat de Stafhouder mevrouw G.R. niet gehoord heeft en dat het recht op een eerlijk proces van eiseres hierdoor miskend werd. Eiseres voerde meer bepaald aan dat: "b/ Bovendien blijkt uit het dossier dat de Stafhouder mevrouw R.G. niet eens heeft gehoord (geen proces-verbaal van verhoor aanwezig in het dossier), noch dat de Stafhouder enige brief of klacht zou hebben ontvangen van deze gewezen cliënte van (eiseres), noch dat de gewezen cliënte werd uitgenodigd voor een confrontatie met (eiseres) bij de Stafhouder. c/ De aan onderhavige tuchtprocedure voorafgaande instructie vertoont aanzienlijke leemtes waardoor ernstige vragen rijzen omtrent 'a fair trial'." (conclusie voor de tuchtraad in graad van hoger beroep te Gent, blz. 4). Eiseres voerde verder aan dat het tuchtfeit geplaatst diende te worden binnen een kader van een opeenstapeling van moeilijkheden/tegenslagen, zowel privé als professioneel, die eiseres volledig het noorden deden verliezen, met irrationele paniekreacties tot gevolg. Eiseres bood aan deze omstandigheden, die belangrijk waren voor het bepalen van de strafmaat, te bewijzen aan de hand van getuigen. Eiseres voerde meer bepaald aan dat: "(Eiseres)verzoekt de Tuchtraad in graad van hoger beroep om clementie en mildheid, rekening houdende met alle omstandigheden eigen aan onderhavige zaak. (Eiseres) vraagt de Tuchtraad in graad van hoger beroep haar nog een professionele kans te geven. Zij verwijst naar haar conclusie in eerste aanleg evenals naar haar uiteenzettingen, zowel nopens haar levensloop (`biografie') als nopens de feiten, neergelegd in eerste aanleg, die hierbij worden herhaald en hernomen. (Eiseres) kan niet genoeg uitdrukken hoezeer het gebeurde haar spijt en vraagt zich nog dagdagelijks af hoe dit alles is kunnen gebeuren. 1.Terzake zijn er toch verzachtende omstandigheden aanwezig, waarmee rekening dient te worden gehouden bij de `strafmaat'. a/ De feiten kunnen enkel geplaatst worden binnen een kader van een dermate opeenstapeling van moeilijkheden/tegenslagen, zowel privé als professioneel, die (eiseres) volledig het noorden deden verliezen, met irrationele paniekreacties tot gevolg. Vooreerst is er haar wankele en onzekere gezondheidstoestand die (eiseres) parten speelt. In 2002 werd zij geconfronteerd met een kwaadaardig, agressief kankergezwel (huidkanker) dat operatief werd verwijderd. In 2003-2004 dienden er opnieuw, weze het preventief gezwellen te worden verwijderd. Sedert 2002 en tot heden toe dient (eiseres) driemaandelijks een onderzoek te ondergaan om te controleren of de kanker niet opnieuw de kop op steekt, met alle stress, onderzekerheid en angst vandien. Daarnaast was er in de afgelopen jaren het overlijden van diverse personen waaraan (eiseres) zeer gehecht was. (Eiseres) heeft nooit de nodige tijd genomen om dit verdriet op een normale wijze te verwerken en dacht, volkomen ten onrechte, dit te kunnen doen door hard te werken. Haar meter, zuster van haar moeder, stierf in 2001 na een ellendige lijdensweg aan buikvlieskanker; (eiseres) ging dagelijks op kliniekbezoek en waakte ook de laatste dagen van haar leven bij haar meter; het afscheid en overlijden viel haar zeer zwaar. In 2003 stierf plots de oom van haar verloofde aan een hartaderbreuk; nonkel R., zoals zij hem placht te noemen, was voor (eiseres) als een tweede vader. In januari 2004 verloren (eiseres) en haar vriend een zeer goede vriend in een verkeersongeval. Tevens is er de enorme psychische druk en stress waarmee (eiseres) reeds jaren geconfronteerd wordt op het kantoor van mr. G. R., van wie zij de medewerkster is. Sedert november 2002 is (eiseres) de enige medewerkster op het kantoor. Zij diende hoe langer hoe meer zaken en taken op zich te nemen met als gevolg dat zij vrijwel dag en nacht diende te werken om alles te kunnen bolwerken. Van enig normaal privé leven was nauwelijks nog sprake. (Eiseres) werkte altijd maar door, zonder zichzelf nog enige rust te gunnen. Haar werd beloofd dat er een medewerkster zou bijkomen, wat tot op heden nog steeds niet het geval is. Onvermijdelijk is ook de opeenstapeling van het continu overlast zijn er bij (eiseres) teveel aan geweest; dermate dat mag worden gezegd dat zij uiteindelijk niet meer wist waar haar hoofd stond omwille van het dagdagelijkse hectische tempo waarin zij diende te werken (lopen en vliegen naar diverse rechtbanken en naar notarissen, cliënten ontvangen, telefoons beantwoorden, conclusies opstellen en neerleggen waarvan zij door de gebrekkige organisatie op het kantoor dikwijls maar te elfder ure kennis kreeg van de eindtermijn voor het opstellen ervan, enz.). Voor zover Uw Tuchtraad hogervermelde omstandigheden nopens de privé- en professionele situatie van (eiseres) niet bewezen zou achten, biedt (eiseres) aan om zonodig al deze omstandigheden te bewijzen met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen." (conclusie voor de Tuchtraad in graad van hoger beroep te Gent, blz. 5-6). Eiseres voerde tenslotte aan dat het niet zo was dat het vertrouwen van de magistratuur in eiseres dermate geschonden was dat een normale samenwerking niet meer mogelijk zou zijn en bood aan dit feit te bewijzen aan de hand van getuigen. Eiseres voerde meer bepaald aan dat: "2. In de beslissing a quo stelde de Raad van de Orde van Advocaten van de balie van Gent, zetelend als tuchtraad, dat door de feiten, het vertrouwen van de magistratuur in (eiseres) zodanig is geschonden, dat een normale samenwerking niet meer mogelijk zou zijn. (Eiseres) ontving evenwel signalen dat dit niet het geval zou zijn, en zulks uit verschillende hoeken, zowel vanwege magistraten, als confraters, griffiers en ander justitiemedewerkers. (Eiseres) wenst dit zonodig hard te maken aan de hand van getuigen." (conclusie voor de Tuchtraad in graad van hoger beroep te Gent, blz. 6). De appelrechters laten na deze omstandige verweermiddelen te beantwoorden en schenden dan ook artikel 149 van de Grondwet. Tweede onderdeel Artikel 473, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de procureur-generaal of het lid van zijn parket dat hij aanwijst, het openbaar ministerie uitoefent. De tuchtraad van beroep kan derhalve slechts rechtsgeldig zitting houden indien de procureur-generaal of een lid van zijn parket op deze zitting aanwezig is en het openbaar ministerie uitoefent. In de bestreden beslissing wordt weliswaar vermeld dat advocaat-generaal V.H. op de uitspraak aanwezig was, doch in de bestreden beslissing wordt geen melding gemaakt van het feit dat de advocaat-generaal gehoord is in haar vordering. Uit de bestreden beslissing blijkt derhalve niet of de procureur-generaal of een lid van zijn parket het openbaar ministerie werkelijk heeft uitgeoefend. De bestreden beslissing schendt derhalve artikel 473, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Derde onderdeel Artikel 6.1 E.V.R.M. bepaalt dat eenieder recht heeft op een eerlijke behandeling van zijn zaak door een onpartijdige rechterlijke instantie. De regel volgens dewelke de rechter onafhankelijk en onpartijdig moet zijn, is tevens een algemeen rechtsbeginsel dat op alle rechtscolleges en met name op de tuchtraad van beroep van toepassing is. Artikel 6.1 E.V.R.M. en artikel 6.3.
  3. d)E.V.R.M. vereisen dat er een grondig onderzoek wordt ingesteld naar de feiten die aan de verdachte advocaat ten laste worden gelegd en dat zowel de omstandigheden à charge als à décharge op een gelijke wijze onderzocht worden. Op grond van de artikelen 1341 tot 1348 van het Burgerlijk Wetboek en 915 van het Gerechtelijk Wetboek heeft de verdachte advocaat het principiële recht om de door hem aangevoerde feiten door middel van getuigen te bewijzen. Dit recht maakt eveneens deel uit van het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd door de artikelen 6.1 en 6.3.
  4. d)E.V.R.M. Verder vereisen artikel 6.1 E.V.R.M. en artikel 6.3.
  5. c)E.V.R.M. dat de tuchtrechtelijk vervolgde persoon door de vervolgende instanties wordt gehoord in het bijzijn van een advocaat. Eiseres voerde in conclusie aan dat er van enig grondig voorafgaand onderzoek geen sprake was in deze zaak. Eiseres werd weliswaar gehoord door de Stafhouder, doch dit gebeurde niet in het bijzijn van haar advocaat. Evenmin werd van dit verhoor enig proces-verbaal opgesteld, zodat eiseres niet in de mogelijkheid werd gesteld om haar verklaringen te herlezen en desgevallend te verbeteren, zodat de tuchtrechter geen kennis had kunnen nemen van dit voorafgaand onderzoek door de Stafhouder evenmin als van de motieven van de Stafhouder om de zaak aanhangig te maken bij de raad van de Orde. De appelrechters verwerpen dit verweer op grond van de enkele overweging dat eiseres het haar ten laste gelegde tuchtfeit erkend heeft. Eiseres voerde nog aan dat mevrouw R., voor wie zij de tekst in de vorm van een vonnis opstelde, evenmin in de procedure werd gehoord, zodat de tuchtrechtelijke instanties geen precies beeld konden krijgen van de omstandigheden waarin de tekst werd opgesteld. De appelrechters laten na dit verweer te beantwoorden. Verder had eiseres gevraagd om de omstandigheden nopens haar privé- en professionele situatie, die voor haar op een bepaald moment te zwaar werden, waardoor het feit van het opstellen van het valse vonnis in de juiste context geplaatst kon worden, te mogen bewijzen aan de hand van getuigen. Eiseres vroeg verder te mogen bewijzen aan de hand van getuigen dat het vertrouwen in haar van magistraten, confraters, griffiers en andere justitiemedewerkers niet dermate geschonden was dat een normale samenwerking niet meer mogelijk zou zijn. De appelrechters verwerpen de beide verzoeken van eiseres om voormelde feiten te bewijzen aan de hand van getuigen zonder hiervoor enige reden op te geven. Vervolgens wordt in de bestreden beslissing geen melding gemaakt van de vordering van de procureur-generaal, noch van het feit dat de procureur-generaal gehoord is in de vordering. Deze was voor eiseres nochtans belangrijk daar de procureur-generaal niet de schrapping van eiseres eiste, doch slechts een schorsing voor een beperkte duur (1 à 2 maanden) en uitgebreid aandacht besteedde aan de verzachtende omstandigheden die in het voordeel van eiseres pleitten. Uit het feit dat de vordering van de procureur-generaal niet vermeld wordt, blijkt dat de appelrechters hiermee geen rekening hielden. Tenslotte wordt in de bestreden beslissing wel melding gemaakt van het feit dat het ten laste gelegde feit als een misdaad gekwalificeerd wordt, maar niet van het feit dat er in het kader van de strafprocedure geopteerd werd voor de bemiddeling in strafzaken, wat het verval van de strafvordering tot gevolg heeft en dus door het parket niet tot vervolging wordt overgegaan gelet op de bijzondere omstandigheden waarin het feit werd gepleegd. Deze omstandigheid werd weliswaar niet schriftelijk in conclusie aangevoerd, doch was de tuchtrechter wel bekend, gezien het strafdossier aan de tuchtrechter werd overgemaakt en de tuchtraad van beroep hieruit enkele verklaringen citeert en dit eveneens uitdrukkelijk werd vermeld in de tuchtprocedure door de raadslieden van eiseres en door de procureur-generaal. Niettegenstaande deze omstandigheid, die van belang was bij de beoordeling van de schade die werd geleden door mevrouw R.en derhalve tevens bij het beoordelen van de strafmaat, beslissen de appelrechters de behandeling van de zaak niet te schorsen tot de definitieve beëindiging van de strafprocedure. Uit het feit dat er geen grondig voorafgaand onderzoek werd gevoerd, dat eiseres niet ondervraagd werd of minstens dat er geen proces-verbaal werd opgesteld van dit verhoor, dat de benadeelde partij niet gehoord werd, dat eiseres niet toegelaten werd tot het bewijs door getuigen van de omstandigheden die aanleiding gaven tot het opstellen van het valse vonnis en evenmin van het feit dat het vertrouwen in eiseres niet definitief geschonden was, dat geen aandacht wordt besteed aan de vordering van de procureur-generaal die voor mildheid pleitte, dat geen aandacht wordt besteed aan het feit dat de bemiddeling in strafzaken werd toegestaan, en dat de tuchtprocedure niet werd geschorst tot de beëindiging van de procedure bemiddeling in strafzaken, blijkt dat de appelrechters het onderzoek van de zaak enkel à charge van eiseres hebben gevoerd en niet à décharge. Hieruit volgt dat de appelrechters, door aan eiseres de zwaarste tuchtsanctie van de schrapping op te leggen, zonder het onderzoek ook à décharge van eiseres te hebben gevoerd, niet onpartijdig waren in de zin van artikel 6.1 E.V.R.M. en voormeld algemeen rechtsbeginsel, dat eiseres geen eerlijke behandeling van haar zaak heeft gekregen (schending van artikel 6.1 en 6.3.
  6. c)en
  7. d)E.V.R.M.) en dat het principiële recht van eiseres om het bewijs van de door haar aangevoerde feiten door getuigen te leveren werd miskend (schending van de artikelen 1341 tot 1348 van het Burgerlijk Wetboek, 915 van het Gerechtelijk Wetboek en 6.1 en 6.3.
  8. d)E.V.R.M.). Vierde onderdeel De regel volgens dewelke de rechter onafhankelijk en onpartijdig moet zijn, is neergelegd in artikel 6.1 van het E.V.R.M. Deze regel is tevens een algemeen rechtsbeginsel dat op alle rechtscolleges en met name op de tuchtraad van beroep van toepassing is. Dit algemeen rechtsbeginsel en artikel 6.1 E.V.R.M. worden miskend wanneer de beslissing wordt gewezen door rechters van wie terecht kan worden gevreesd dat zij niet de nodige waarborgen van onpartijdigheid bieden waarop de rechtzoekende recht heeft. De oordelende rechters dienen niet enkel persoonlijk onpartijdig te zijn, doch zij dienen tevens onpartijdig te zijn in organieke zin. De organisatie van een gerechtelijke procedure kan met name van die aard zijn dat ze voor de betrokken burger een vertrouwensprobleem doet rijzen en dat de rechtzoekende terecht kan vrezen dat er onvoldoende garanties aanwezig zijn voor de organieke onpartijdigheid van het rechtscollege. Artikel 473 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de tuchtraad van beroep zitting houdt met een voorzitter (dit is de eerste voorzitter van het Hof van Beroep of de kamervoorzitter die de eerste voorzitter aanwijst), vier assessoren, die advocaten zijn en waarvan er twee lid zijn van de balie van de verdachte advocaat, en een secretaris. Het feit dat de tuchtraad van beroep in hoofdzaak is samengesteld uit advocaten, dit zijn concurrenten van de verdachte advocaat, kan bij de verdachte advocaat een vertrouwensprobleem doen rijzen. De verdachte advocaat kan met name terecht vrezen dat er onvoldoende garanties aanwezig zijn voor de onpartijdigheid van het rechtscollege. Hieruit volgt dat de tuchtraad van beroep onvoldoende waarborgen biedt inzake de onpartijdigheid van de rechter, zodat het recht van eiseres op een behandeling van haar zaak voor een onpartijdige rechterlijke instantie geschonden is (schending van artikel 6.1 E.V.R.M. en van het algemeen rechtsbeginsel betreffende de onpartijdigheid van de rechter, en, voor zoveel als nodig van artikel 473 van het Gerechtelijk Wetboek). Vijfde onderdeel Artikel 6.1 E.V.R.M. bepaalt dat eenieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onpartijdige rechter. Deze bepaling garandeert niet als dusdanig een recht op hoger beroep, doch ingeval er een recht op hoger beroep gecreëerd wordt, dient dit te voldoen aan de eisen van artikel 6 E.V.R.M. Artikel 468 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat tegen alle beslissingen in tuchtzaken gewezen door de raad van de Orde, de betrokken advocaat hoger beroep kan instellen. Uit deze bepaling en artikel 6.1 E.V.R.M. volgt dat de betrokken advocaat recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak voor de raad van de Orde én voor de tuchtraad van beroep. Indien de raad van de Orde niet voldoet aan de vereisten van een eerlijke en openbare behandeling van de zaak door een onpartijdige rechter, dan kan de betrokken advocaat zijn zaak slechts aan één onpartijdige rechterlijke instantie voor een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak voorleggen. De facto wordt hem dan een aanleg ontnomen en wordt het recht op hoger beroep van de betrokken advocaat, dat nochtans gewaarborgd wordt door de artikelen 468 van het Gerechtelijk Wetboek en 6.1 E.V.R.M., miskend. Eiseres voerde aan dat de procedure voor de raad van de Orde door tal van onregelmatigheden werd aangetast, zodat zij voor de raad van de Orde geen eerlijk en openbaar proces voor een onpartijdige rechter had genoten. De appelrechters verklaren het verweer van eiseres op dit punt gegrond en beslissen dat de beslissing van de eerste rechter nietig is. De appelrechters beslissen vervolgens dat de tuchtraad van beroep de zaak in haar geheel dient te beoordelen. Uit het feit dat de procedure voor de eerste rechter door onregelmatigheden nietig werd verklaard, volgt dat aan eiseres een aanleg werd ontnomen en dat zij derhalve haar zaak niet heeft kunnen voorleggen aan twee onpartijdige rechterlijke instanties met het oog op een eerlijke en openbare behandeling van haar zaak. Hieruit volgt dat het recht op hoger beroep van eiseres, zoals gewaarborgd door de artikelen 6.1 E.V.R.M. en 468 van het Gerechtelijk Wetboek, is miskend. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 149 van de Grondwet; artikel 3 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome en goedgekeurd bij de Belgische Wet van 13 mei 1955. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing wordt de tenlastelegging bewezen verklaard en wordt eiseres veroordeeld tot de tuchtstraf van schrapping van het tableau van de Orde van advocaten van de balie te Gent, op grond van de volgende motieven: "C. de grond van de zaak De feiten ten laste van (eiseres) en zoals hoger sub.2 omschreven zijn op grond van de overgelegde stukken en gelet op de behandeling van de zaak bewezen. Zij worden trouwens door (eiseres) niet betwist. Het verweer wordt in wezen beperkt tot 'clementie en mildheid, rekening houdend met alle omstandigheden eigen aan onderhavige zaak'. (Eiseres) streeft ernaar nog een 'professionele kans' te bekomen. (Eiseres) verwijst naar een opeenstapeling van moeilijkheden - tegenslagen zowel in haar privé-leven als in haar beroepsactiviteiten als advocaat. Tevens wordt verwezen naar de 'enorme psychische druk en stress' waarmee (eiseres) sedert jaren geconfronteerd wordt op het kantoor waar zij als medewerkster is tewerkgesteld. Het zou nooit de bedoeling geweest zijn van (eiseres) om te schaden noch te benadelen. Ook zou zij geen geldgewin hebben nagestreefd. Aan de hand van de gegevens van het dossier blijkt dat (eiseres) het initiatief heeft genomen om ten behoeve van haar cliënte mevr. G. R. .een document op te maken dat naar vorm en inhoud niet anders kan worden gezien en begrepen dan als een echtscheidingsvonnis verleend door de 5e kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent gewezen op 23 december 2003 tussen mevrouw R..G. als eisende partij en vertegenwoordigd door (eiseres), tegen de echtgenoot, P.A., als verweerder. Het fictieve vonnis beantwoordt omzeggens volledig aan de vereisten zoals gesteld in het gerechtelijk wetboek (art. 780 tot en met 782 Ger. W.). Het vonnis spreekt de echtscheiding uit tegen de verweerder, wijst een notaris aan om tot de vereffening - verdeling van het huwelijksvermogensstelsel over te gaan voor zover geen minnelijke verdeling mogelijk is, wijst een tweede notaris aan met de bevoegdheden zoals omschreven in art. 1209, alinea 3, Ger. W., bepaalt dat de vordering nopens de persoonlijke uitkering na echtscheiding nog niet in staat van wijzen is en houdt de uitspraak over de kosten aan. Tenslotte vermeldt het fictieve vonnis de naam van de rechter en de griffier en hun resp. handtekening. Ook is er de vermelding dat het vonnis aangeboden werd ter registratie op 3 januari 2004. Dit vonnis was voor mevr. R.aanleiding om tegen (eiseres) klacht neer te leggen bij de politie te Gent op 5 augustus 2004. Zij verklaarde o.m. het volgende: '... In het jaar 2003 had ik een echtscheidingsprocedure gestart, dit met de hulp van een raadsman. Ik kreeg thuis een brief dit in december 2003 met de vraag naar het kantoor te komen voor het ophalen van de echtscheidingsformulieren. Het was juist voor Kerstmis 2003 en ik bood mij bij mijn raadsman aan om het attest op te halen. Er werd mij één document gegeven, waarvan ik u kopie overhandig, waaruit zou moeten blijken dat de echtscheiding een feit was. Ik kan wel verklaren dat ik met mijn raadsman enkel naar het vredegerecht was geweest, doch nooit diende te verschijnen voor een andere rechtbank. Het betrof een echtscheiding op basis van feiten. Er was nooit sprake van onderlinge toestemming. In verband met de echtscheiding heb ik nooit enig document dienen te ondertekenen. De uitspraak van de bevoegde rechtbank werd mij ook nooit betekend. Het overhandigde document zou volgens mijn raadsman voldoende zijn geweest om de echtscheiding te laten bevestigen bij de dienst bevolking. Mijn raadsman zegde mij dat de echtscheiding automatisch zou worden ingeschreven in het bevolkingsregisters en dat ik daar dan bericht van zou ontvangen. Ik bleef wachten op die bevestiging, doch kreeg er geen. Ik heb dan ook diverse keren met mijn raadsman contact genomen, die steeds zegde dat het ook haar eigenaardig leek dat het nog niet was gebeurd. Zij zegde steeds, overtuigend, dat zij de bevolkingsdienst om uitleg zou vragen. Zij heeft mij daar ook nooit enig antwoord omtrent gegeven. Uiteindelijk werd mijn inkomen en dat van mijn man door de belastingsdienst steeds samengevoegd. Ik bood mij dan ook aan op de belastingsdienst om de inkomens te scheiden. De scheiding van die inkomens werd gedaan, doch hetgeen mijn echtgenoot verschuldigd was, diende ik te betalen daar er nergens iets was gekend van mijn echtscheiding. Uiteindelijk bood ik mij aan bij een andere advocaat (D.P.K.), die alles voor mij heeft uitgezocht. Bij de bevoegde rechtbank was er geen dossier gekend, waar ik vermeld ben. Er is dus nooit een echtscheidingsprocedure behandeld. Ik kon dus nooit als wettelijk gescheiden worden aanzien. Van de advocaat-wissel werd mijn eerste advocate in kennis gesteld en daarop heeft zij de stukken uit mijn dossier overgemaakt aan de nieuwe advocate. Ik overhandig u een kopie van deze stukken. Uiteindelijk wens ik dat zij, mijn eerste advocate (eiseres) mij alle betaalde kosten terugbetaalt. Ik heb reeds een deel van het honorarium betaald. Door deze handeling leed ik schade en ik wens daarvoor schadeloos gesteld te worden. Ik zal de kosten kenbaar maken via mijn huidige advocate (D.P.K.). Door de handeling gesteld door (eiseres), raak ik financieel aan de grond ... '. Uit de verklaring van (eiseres) aan de politie afgelegd op 24 november 2002 blijkt dat (eiseres) de tekst van het fictieve vonnis zelf getypt heeft met de bedoeling haar cliënte te doen geloven dat het een echt vonnis was. En verder verklaarde(eiseres): 'Mijn bedoeling was het dossier recht te trekken en ik verwachtte een vonnis dat qua inhoud hetzelfde zou zijn als het vonnis dat ik maakte. Ik weet immers hoe dergelijke vonnissen eruitzien...'. In haar verklaring afgelegd aan de federale politie op 26 november 2004 geeft (eiseres) nadere uitleg nopens de wijze waarop het vonnis werd gemaakt. Zij bevestigde dat zij de tekst heeft getypt en met tussenkomst van de secretaresse van het kantoor, aan de cliënte heeft laten overhandigen. Verder verklaarde (eiseres): '... U vraagt mij hoe de handtekeningen op het vonnis gekomen zijn. Ik heb die handtekeningen gekopieerd van een ander echtscheidingsvonnis. U kan het zien aan de gekopieerde tekst onderaan blz. 2. Ons fotokopietoestel vertoonde slijtage en daardoor waren de letters niet voldoende scherp. Het bovenste deel van blz. 2 en de eerste bladzijde vertoont die afwijking niet. U vraagt mij uitleg over de datum onderaan het vonnis nl. 3 jan. 2004, datum van aanbieden op de registratie, daar waar R.G. verklaarde dat zij het vonnis bij mij kwam afhalen voor Kerstdag 2003. De datumstempels van de registratie zijn met 'bleke inkt' gezet, wat betekent dat zij niet zo duidelijk zijn als gekopieerd worden. In dit geval zal het cijfer 3 duidelijk geweest zijn, want de vorm van de stempel is nog te zien. De letters JAN en de cijfers 2004 heb ik erbij geschreven omdat de rest van de datumstempel niet leesbaar was. Uit die datum blijkt dat R.G. het vonnis niet voor Kerstdag kwam afhalen, want anders zou ik 3 december 2003 geschreven hebben. Hoe dan ook moet ik het vonnis nagemaakt hebben rond die datum, in januari 2004.. '. Het staat vast, en (eiseres) betwist het niet, dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in een authentieke akte door een vonnis na te maken dat met uitzondering van de vermelding van het folionummer, beantwoordde aan de wettelijke vereisten van een vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Gent. Tevens heeft zij gebruik gemaakt van het valse vonnis. Deze feiten worden door de art. 193 tot en met 196 van het Strafwetboek gekwalificeerd als een misdaad en worden beteugeld met zware straffen. Er bestaat terzake dan ook niet de minste twijfel dat (eiseres) de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan het beroep van advocaat ten grondslag liggen (art. 456 Ger. W.) op bijzonder ernstige wijze heeft miskend en geschonden. Alleen de gedachte als advocaat en ten behoeve van een cliënte een fictief echtscheidingsvonnis te produceren is het bewijs van een in geen enkel opzicht te verschonen ondeontologische ingesteldheid. Daarbij komt nog dat (eiseres) haar laakbaar idee heeft uitgewerkt door zelf de tekst van het vonnis te typen en ervoor te zorgen dat bij de cliënte de schijn werd gewekt dat dit vonnis volledig beantwoordde aan een wettelijk vonnis en derhalve authentiek was. Bij de tuchtrechtelijk appreciatie van de gedragingen van (eiseres) moet eveneens rekening worden gehouden met de door de rechtspraak en de rechtsleer algemeen aanvaarde mening dat de advocaat een centrale plaats inneemt in de rechterlijke organisatie. Hij wordt beschouwd als een tussenpersoon tussen de rechtzoekenden en de rechtbanken. Als garantie voor de medewerking aan de rechtsbedeling voorziet de wet gedetailleerde voorwaarden om tot het beroep van advocaat te worden toegelaten (art. 428 e. v. Ger. W.), waaronder het afleggen van de eed (art. 429 Ger. W.) dat de advocaat niet zal afwijken van de eerbied aan het gerecht en de openbare overheid verschuldigd. Door de gepleegde feiten heeft (eiseres) op onaanvaardbare wijze de eed geschonden, het vertrouwen in de rechtbank en de rechtsbedeling fundamenteel geschonden en schade veroorzaakt aan de cliënte. Dergelijk onethisch gedrag is ook maatschappelijk niet te verantwoorden en totaal onaanvaardbaar. De gedragingen van (eiseres) kunnen geenszins verschoond worden door moeilijkheden die (eiseres) in haar persoonlijk leven heeft gekend, evenmin als zij zich kan beroepen op overlast op het kantoor. Het behoort immers tot de uitoefening van het beroep van advocaat, permanent passende maatregelen te nemen om het inderdaad veeleisend beroep van advocaat blijvend te kunnen uitoefenen, steeds met inachtneming van de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die er ook zijn ten dienste van de rechtzoekenden en ten behoeve van een goede rechtsbedeling. Zoals (eiseres) zelf toegeeft in haar verklaringen aan de politie, heeft zij nagelaten de nodige afstandelijkheid, en derhalve onafhankelijkheid, ten aanzien van haar cliënte in acht te nemen. Dat de cliënte zich bijzonder gegriefd voelde door de werkwijze van (eiseres), blijkt onweerlegbaar uit de verklaring van mevr. Van R.afgelegd n.a.v. de strafinformatie. De hoger vermelde feiten wettigen de zwaarste tuchtsanctie, ook rekening houdend met de specifieke omstandigheden waarin zij werden gepleegd en de veroorzaakte gevolgen die (eiseres) kon kennen. Het behoort tot de maatschappelijke eisen dat het rechtsverkeer gebeurt zonder dat de advocaat die eraan deelneemt enige twijfel doet en laat bestaan over het vertrouwen dat in hem wordt gesteld. Een afdoend herstel van het vertrouwen in (eiseres) als advocaat lijkt uitgesloten voor de toekomst." (bestreden beslissing, blz. 3-6). Grieven Artikel 3 E.V.R.M. bepaalt dat niemand mag onderworpen worden aan onmenselijke of vernederende straffen. Een straf die kennelijk onevenredig is, schendt artikel 3 E.V.R.M. Eiseres voerde in conclusie aan dat het haar ten laste gelegde feit geplaatst diende te worden in het kader van een opeenstapeling van moeilijkheden en tegenslagen, zowel privé als professioneel, met de irrationele paniekreactie die erin bestond zelf een vonnis op te stellen, als gevolg. Eiseres voerde met name de volgende feiten aan: "Vooreerst is er haar wankele en onzekere gezondheidstoestand die (eiseres) parten speelt. In 2002 werd zij geconfronteerd met een kwaadaardig, agressief kankergezwel (huidkanker) dat operatief werd verwijderd. In 2003-2004 dienden er opnieuw, weze het preventief gezwellen te worden verwijderd. Sedert 2002 en tot heden toe dient (eiseres) driemaandelijks een onderzoek te ondergaan om te controleren of de kanker niet opnieuw de kop op steekt, met alle stress, onderzekerheid en angst vandien. Daarnaast was er in de afgelopen jaren het overlijden van diverse personen waaraan (eiseres) zeer gehecht was. (Eiseres) heeft nooit de nodige tijd genomen om dit verdriet op een normale wijze te verwerken en dacht, volkomen ten onrechte, dit te kunnen doen door hard te werken. Haar meter, zuster van haar moeder, stierf in 2001 na een ellendige lijdensweg aan buikvlieskanker; (eiseres) ging dagelijks op kliniekbezoek en waakte ook de laatste dagen van haar leven bij haar meter; het afscheid en overlijden viel haar zeer zwaar. In 2003 stierf plots de oom van haar verloofde aan een hartaderbreuk; nonkel R., zoals zij hem placht te noemen, was voor (eiseres) als een tweede vader; In januari 2004 verloren (eiseres) en haar vriend een zeer goede vriend in een verkeersongeval. Tevens is er de enorme psychische druk en stress waarmee (eiseres) reeds jaren geconfronteerd wordt op het kantoor van mr. G. R., van wie zij de medewerkster is. Sedert november 2002 is (eiseres) de enige medewerkster op het kantoor. Zij diende hoe langer oer meer zaken en taken op zich te nemen met als gevolg dat zij vrijwel dag en nacht diende te werken om alles te kunnen bolwerken. Van enig normaal privé leven was nauwelijks nog sprake. (Eiseres) werkte altijd maar door, zonder zichzelf nog enige rust te gunnen. Haar werd beloofd dat er een medewerkster zou bijkomen, wat tot op heden nog steeds niet het geval is. Onvermijdelijk is ook de opeenstapeling van het continu overlast zijn er bij (eiseres) teveel aan geweest; dermate dat mag worden gezegd dat zij uiteindelijk niet meer wist waar haar hoofd stond omwille van het dagdagelijkse hectische tempo waarin zij diende te werken (lopen en vliegen naar diverse rechtbanken en naar notarissen, cliënten ontvangen, telefoons beantwoorden, conclusies opstellen en neerleggen waarvan zij door de gebrekkige organisatie op het kantoor dikwijls maar te elfder ure kennis kreeg van de eindtermijn voor het opstellen ervan, enz.)". (conclusie voor de Tuchtraad in graad van hoger beroep te Gent, blz. 5-6). Het bestaan van deze omstandigheden wordt door de appelrechters aanvaard. De appelrechters stellen daarnaast vast dat eiseres de tekst getypt heeft om haar cliënte te sussen en haar te doen stoppen met bellen en verder dat eiseres niet voldoende afstandelijkheid en onafhankelijkheid ten aanzien van haar cliënte in acht heeft genomen. Aldus erkennen de appelrechters impliciet doch zeker dat eiseres handelde vanuit een zekere dwang van haar cliënte. Het staat verder vast dat eiseres zelf geen enkel (financieel of ander) voordeel kon halen uit de door haar gestelde handeling en dat deze handeling geen ernstige schade kon berokkenen en evenmin heeft berokkend. Dit laatste blijkt uit de principiële instemming van mevrouw R.met de bemiddeling in strafzaken en uit het feit dat zij tot op heden heeft nagelaten enige schade-eis in het kader van de bemiddeling in strafzaken in te dienen. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, en met name uit het strafdossier dat bij het tuchtdossier werd gevoegd, blijkt verder dat geopteerd werd voor bemiddeling in strafzaken, wat het verval van de strafvordering tot gevolg heeft. Hieruit blijkt dat de procureur des Konings en het parket generaal van oordeel waren dat een bestraffing van het feit, bestaande in het opstellen van het valse vonnis, niet opportuun was. Verder vroegen noch de Stafhouder in eerste aanleg, noch de procureur-generaal in hoger beroep de schrapping van het tableau van eiseres, doch werd enkel de schorsing voor korte duur gevraagd. De appelrechters beslissen echter dat eiseres blijk heeft gegeven van een in geen enkel opzicht te verschonen ondeontologische ingesteldheid, dat eiseres op onaanvaardbare wijze de eed heeft geschonden, het vertrouwen in de rechtbank en de rechtsbedeling fundamenteel geschonden heeft en dat de gedragingen van eiseres geenszins verschoond kunnen worden door privé en professionele moeilijkheden. De appelrechters beslissen dat de feiten de zwaarste tuchtsanctie wettigen, nu het behoort tot de maatschappelijke eisen dat het rechtsverkeer gebeurt zonder dat de advocaat die eraan deelneemt enige twijfel doet en laat bestaan over het vertrouwen dat in hem wordt gesteld en nu een afdoend herstel van het vertrouwen in eiseres als advocaat uitgesloten lijkt voor de toekomst. Aldus beslissen de appelrechters dat het opstellen van een vals vonnis door een advocaat steeds aanleiding moet geven tot de schrapping van de advocaat, zelfs indien er ernstige verzachtende omstandigheden zijn. Gelet op het feit dat het opstellen van het valse vonnis enkel kon gebeuren in een irrationele vlaag van paniek die verklaard wordt door de door eiseres aangevoerde privé- en professionele omstandigheden én door de druk vanwege haar cliënte waarvan eiseres onvoldoende onafhankelijk, was, gelet op het feit dat dit valse vonnis geen gevolgen kon sorteren en derhalve geen "schade kon berokkenen, en verder gelet op het feit dat eiseres zelf geen enkel voordeel kon halen en evenmin haalde uit de door haar gestelde handeling, is de aan eiseres opgelegde sanctie van de schrapping kennelijk onevenredig. Door in de omstandigheden van de zaak aan eiseres de tuchtstraf van de schrapping op te leggen, schenden de appelrechters derhalve artikel 3 E.V.R.M. Door verder noch de vordering van de Stafhouder, noch de vordering van de procureur-generaal in de bestreden beslissing en evenmin in het proces-verbaal van de terechtzitting te vermelden, is uw Hof niet in staat om de wettigheid van de bestreden beslissing te controleren, en met name om te controleren of de straf niet kennelijk onevenredig is in de zin van artikel 3 E.V.R.M. De appelrechters schenden derhalve artikel 149 van de Grondwet. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel Het onderdeel voert vooreerst aan dat niet werd geantwoord op het verweer inzake het recht op een eerlijk proces. De bestreden beslissing verwerpt en beantwoordt dit verweer door te oordelen dat "in haar conclusies in beroep (eiseres) nu stelt dat tijdens het onderzoek haar rechten werden geschonden, hetgeen volledig in strijd is met het voorgaande". In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Het onderdeel voert verder aan dat niet werd geantwoord op het verweer dat het feit geplaatst moet worden tegen de achtergrond van bepaalde omstandigheden, alsook dat het vertrouwen van de magistratuur niet was geschokt, feiten die zij met een getuigenverhoor wilde bewijzen. De bestreden beslissing verwerpt en beantwoordt dit verweer door te oordelen: "De gedragingen van (de eiseres) kunnen geenszins verschoond worden door moeilijkheden die de (eiseres) in haar persoonlijk leven heeft gekend, evenmin als zij zich kan beroepen op overlast op het kantoor" en "de hoger vermelde feiten (wettigen) de zwaarste tuchtsanctie, ook rekening houdend met de specifieke omstandigheden waarin zij werden gepleegd en de veroorzaakte gevolgen die (de eiseres) kon kennen. Het behoort tot de maatschappelijke eisen dat het rechtsverkeer gebeurt zonder dat de advocaat die eraan deelneemt enige twijfel doet en laat bestaan over het vertrouwen dat in hem wordt gesteld. Een afdoend herstel van het vertrouwen in (de eiseres) als advocaat lijkt uitgesloten voor de toekomst". In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van woensdag 18 mei 2005, blijkt dat het openbaar ministerie werd gehoord in zijn vordering. De bestreden beslissing moest niet herhalen dat de advocaat-generaal gehoord is in zijn vordering. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel Het onderdeel voert een aantal motiveringsgebreken aan. De bestreden beslissing verwerpt en beantwoordt de vermelde aanvoeringen zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel. Het onderdeel voert verder aan dat "de appelrechters geen rekening hielden met de vordering van de procureur-generaal". Uit het antwoord op het tweede onderdeel blijkt dat het openbaar ministerie wel werd gehoord. Het feit dat de beslissing afwijkt van de vordering maakt geen schending uit van het recht op een eerlijk proces. Voor het overige voert het onderdeel in wezen aan dat het onderzoek niet à décharge was gevoerd omdat de procedure niet werd opgeschort in afwachting van de resultaten van de strafprocedure, de benadeelde niet opgeroepen werd en geen getuigenverhoor werd gehouden. Het recht op een eerlijk proces en het recht om het bewijs van aangevoerde feiten door getuigen te leveren worden niet geschonden door de tuchtrechters in beroep die op basis van toegegeven en niet betwiste feiten oordelen dat de ten laste gelegde gedragingen geenszins kunnen worden verschoond door moeilijkheden die eiseres in haar persoonlijk leven heeft gehad. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vierde onderdeel Uit de omstandigheid alleen dat de tuchtraad van beroep van de Orde van advocaten is samengesteld uit vier advocaten en een magistraat valt niet af te leiden dat dit rechtscollege niet onafhankelijk en onpartijdig is. Een dergelijk gevolg kan evenmin worden gehecht aan de door het onderdeel niet nader gepreciseerde bewering dat, nu de leden advocaten zijn, zij "concurrenten" van de verdachte advocaat zijn. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vijfde onderdeel Uit het feit dat de procedure in eerste aanleg door de appelrechters wegens onregelmatigheden wordt nietig verklaard, volgt niet dat eiseres een aanleg werd ontnomen. De toetsing gedaan door de appelrechters is integendeel te dezen het gevolg geweest van het door eiseres uitgeoefend recht op hoger beroep. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel De appelrechters beslissen niet dat het opstellen van een vals vonnis door een advocaat steeds aanleiding moet geven tot schrapping van een advocaat, maar beoordelen op grond van feitelijke omstandigheden en op grond van de taak van de advocaat in de rechtsbedeling dat de sanctie van schrapping de gepaste sanctie is. Zij hebben op die gronden kunnen oordelen dat de schrapping van de eiseres evenredig was met de zwaarte van de begane feiten. Zij schenden zodoende artikel 3 EVRM niet. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 567,92 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Greta Bourgeois en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van 23 februari 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060223.6 Gerelateerde publicatie(
  9. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100226.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.