← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060223.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060223.7 Rolnummer: C.04.0048.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-06-01 Raadplegingen: 669 - laatst gezien 2026-07-04 03:35 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Tegenvorderingen kunnen voor het eerst in hoger beroep ingesteld worden indien zij berusten op een feit of op een handeling in de dagvaarding aangevoerd of een verweer op de hoofdvordering uitmaken of tot compensatie strekken

(1).
(1)Cass., 22 jan. 2004, AR C.02.0506.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040122.5, nr 39; zie Jaarverslag Hof van cassatie 2002, p.
  1. Thesaurus CAS: NIEUWE VORDERING Vrije woorden: NIEUWE VORDERING Burgerlijke zaken Tegenvordering Tegenvordering voor het eerst in hoger beroep ingesteld Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.807,808, Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Uitbreiding van eis en nieuwe eis Vrije woorden: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Uitbreiding van eis en nieuwe eis Tegenvorderingen voor het eerst in hoger beroep ingesteld Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.807,808, Tekst van de beslissing Nr. C.04.0048.N
  2. D.A.,
  3. B.J.
  4. B.D.,
  5. B.H., gedinghernemende partijen voor E.B., overleden op 15 juli 1992, eisers, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen DE INTERGEMEENTELIJKE DIENSTVERLENENDE VERENIGING IML, publiekrechtelijk rechtspersoon, in voortzetting van de INTERCOMMUNALE MAATSCHAPPIJ VOOR RUIMTELIJKE ONTWIKKELING IN LIMBURG, coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 3500 Hasselt, Kunstlaan 20, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 22 september 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. De eisers voeren in een verzoekschrift een middel aan. Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 149 en 159 van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 19, 23, 24, 807 tot 810 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 16, tweede lid, en 21 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemene nutte (hierna genoemd "Onteigeningswet"), zoals vervangen bij artikel 3 van de wet van 6 april 2000; - artikel 4 van de wet van 6 april 2000 tot wijziging, wat de interesten op het terug te betalen gedeelte van de onteigeningsvergoeding betreft, van artikel 18 van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte en artikel 21 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemene nutte; - het algemeen rechtsbeginsel dat afstand van recht niet wordt vermoed en enkel kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn. Aangevochten beslissingen Het hof van beroep verklaarde eisers' tegenvordering wegens onwettigheid niet toelaatbaar, stelde de aan eisers toekomende onteigeningsvergoeding vast op 89.240,36 euro en veroordeelde eisers solidair tot terugbetaling aan verweerster van de som van 46.784,10 euro, te vermeerderen met: - de intresten door de Deposito- en Consignatiekas op de terug te betalen som betaald vanaf de consignatie tot op de datum van afbetaling; - de compensatoire intresten tegen de wettelijke rentevoet vanaf de terugtrekking op de teveel geconsigneerde som tot op heden; - de gerechtelijke intresten vanaf de uitspraak tot de dag der algehele betaling, o.m. op volgende gronden: "(Eisers) werpen in laatste conclusie van 4 november 1996 de onregelmatigheid op van de onteigening na tussenarrest wegens onwettigheid. Het Hof volgt de vaststelling van (verweerster) die benadrukt dat (eisers) nooit voor de eerste rechter de onwettigheid van de onteigening opgeworpen hebben, zodat hierover geen uitspraak werd gedaan en derhalve er niet tegen opgekomen kan worden door middel van een incidenteel beroep. In de inleidende dagvaarding beperkte de onteigenaar (verweerster), zijn vordering immers tot een herziening van de toegekende onteigeningsvergoeding bij vonnis van Vrederechter van het kanton Bilzen op 21 januari
  6. De door (eisers) opgeworpen onwettigheid van de onteigening is dan ook een nieuwe vordering, die voor het eerst werd gesteld in hoger beroep. Nu kan een tegenvordering wel voor het eerst in hoger beroep worden ingesteld, doch enkel wanneer zij berust op een feit of een handeling die in dagvaarding wordt aangevoerd. Een nieuwe vordering, ook in hoger beroep, is slechts ontvankelijk conform art. 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, als het feit waaruit de onwettigheid afgeleid wordt in de dagvaarding aangevoerd was. De voorgehouden onregelmatigheden door gemis aan machtiging, aan procesbevoegdheid en aan wettelijke grondslag, waarvan thans sprake zijn nooit opgeworpen geweest. Trouwens hebben (eisers) steeds de bevestiging gevraagd van het bestreden vonnis en waren zij enkel oneens omtrent de kwalificatie van de onteigende gronden. In het tussenarrest werd bovendien terzake al standpunt ingenomen door het aanstellen van een nieuw college van deskundigen. Uit het motiverend gedeelte blijkt daarenboven onomstootbaar dat het hof de wettigheid van de onteigening aanvaard heeft. ... Aangezien in uitvoering van het vonnis van de Vrederechter er teveel geconsigneerd werd maakt (verweerster) terecht aanspraak op de betaling van de som van 1.887.266 BEF (46.784,10 euro) meer de interesten zoals hierna bepaald wordt". Grieven Eerste onderdeel a. Artikel 16, tweede lid, Onteigeningswet bepaalt dat de vordering tot herziening ook kan gegrond zijn op de onregelmatigheid van de onteigening en dat zij wordt behandeld overeenkomstig de regels van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering (lees thans : het Gerechtelijk Wetboek). Uit deze wetsbepaling volgt dat de onteigende, in het kader van de herzieningsprocedure, alle gronden met betrekking tot de onregelmatigheid van de onteigening kan laten gelden. Artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een vordering die voor de rechter aanhangig is, kan uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. Die bepaling is, krachtens artikel 1042 van dat wetboek, van toepassing in hoger beroep. Artikel 807 vereist niet dat de nieuwe vordering, wanneer zij berust op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, uitsluitend op dat feit of op die akte berust. Uit bedoelde artikelen 807 tot 810 en 1042 volgt dat een tegenvordering voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld wanneer zij beantwoordt aan de voorwaarden die in die wetsbepalingen zijn gesteld voor de ontvankelijkheid van nieuwe vorderingen, dit is berusten op een feit of een handeling in de dagvaarding aangevoerd, ofwel wanneer zij een verweer tegen de hoofdvordering uitmaken of strekken tot compensatie. b. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt:
(1)dat verweersters dagvaarding in herziening van 27 februari 1984 vermeldde dat zij is overgegaan tot "onteigening van de volgende onroerende goederen: - Gemeente Bilzen, weide, ... groot 2ha 17a 0ca, toebehorende aan: E.B., ... A.B., ..." en dat zij ertoe strekte de door de vrederechter voorlopig bepaalde onteigeningsvergoeding te verminderen tot de sommen van 2.170.000 BEF voor de gronden en van 12.300 BEF voor het hout, o.a. omdat de onteigende grond diende beschouwd als landbouwgrond en men geen rekening mocht houden met zijn bestemming in het "Gewestplan" als industriegrond, aangezien de onteigening de industriezone realiseert;
(2)dat eisers in hun op 4 november 1996 neergelegde 'conclusie houdende hervatting van het geding' géén 'incidenteel beroep' instelden maar, in ondergeschikte orde als "verweer" tegen de onteigening opwierpen dat deze onwettig en onregelmatig was, bij gebrek aan: de vereiste machtiging, procesbevoegdheid, wettelijke grondslag (onder verwijzing naar de bestemming van de grond volgens het gewestplan Tongeren-Sint-Truiden), hoogdringendheid en openbaar nut (p. 6 e.v.), en de vaststelling van deze 'onregelmatigheid' vorderden met aanstelling van een deskundige. Bedoeld verweer en bedoelde vordering berustten bijgevolg wel degelijk op een feit of akte in de dagvaarding in herziening aangevoerd, m.n. de onteigening en bestemming van de betrokken grond. Bovendien maakte eisers' tegenvordering duidelijk een verweer uit tegen de hoofdvordering van verweerster. c. Afstand van recht wordt niet vermoed en kan alleen worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn. d. Uit dit alles volgt dat de appelrechter enerzijds, in zoverre hij oordeelt dat "(eisers) nooit voor de eerste rechter de onwettigheid van de onteigening opgeworpen hebben, zodat hierover geen uitspraak werd gedaan en derhalve er niet tegen opgekomen kan worden door middel van een incidenteel beroep", de bewijskracht schendt van eisers' conclusie in hoger beroep, neergelegd op 4 november 1996 (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek), en anderzijds, door eisers' tegenvordering "wegens onwettigheid niet toelaatbaar" te verklaren, op de gronden dat verweerster in haar inleidende dagvaarding haar vordering beperkte tot "een herziening van de toegekende onteigeningsvergoeding", dat de in de nieuwe (tegen)vordering voorgehouden onregelmatigheden "nooit opgeworpen geweest zijn" en dat eisers trouwens "steeds de bevestiging (hebben) gevraagd van het bestreden vonnis en (het) enkel oneens (waren) omtrent de kwalificatie van de onteigende gronden", en zonder na te gaan of die tegenvordering een verweer tegen de hoofdvordering uitmaakte, de artikelen 16, tweede lid, Onteigeningswet, 807 tot 810 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek evenals het algemeen rechtsbeginsel dat afstand van recht niet wordt vermoed en alleen kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn, schendt. Tweede onderdeel a. Naar luid van artikel 14 van het Gerechtelijk Wetboek is de tegenvordering een tussenvordering die de verweerder instelt om tegen de eiser een veroordeling te doen uitspreken, terwijl volgens artikel 13 van hetzelfde wetboek een tussenvordering in de loop van het geding wordt ingesteld. Uit de artikelen 807 tot 810 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat een tegenvordering voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld wanneer zij beantwoordt aan de voorwaarden die in die wetsbepalingen zijn gesteld voor de ontvankelijkheid van nieuwe vorderingen, dit is berusten op een feit of een handeling in de dagvaarding aangevoerd, ofwel wanneer zij een verweer tegen de hoofdvordering uitmaken of strekken tot compensatie. In de regel kan een tegenvordering, in het bijzonder deze welke een verweer vormt tegen de hoofdvordering, dan ook voor het eerst in hoger beroep en in elke stand van het geding tot aan de sluiting van het debat, zelfs na het wijzen van een tussenvonnis of arrest waarbij, alvorens recht te doen, deskundigen worden aangesteld, worden ingesteld. Dit is des te meer het geval wanneer de tegenvordering berust op de schending van rechtsregels die de openbare orde raken, zoals de regels inzake machtiging, wettelijke grondslag, hoogdringendheid en openbaar nut bij onteigeningen. Bovendien was de appelrechter verplicht, krachtens artikel 159 van het Gerechtelijk Wetboek, na te gaan of de onteigening met de wet overeenstemde. b. Een rechterlijke beslissing waarbij 'alvorens ten grond uitspraak te doen' deskundigen worden aangesteld, is geen eindvonnis in de zin van artikel 19, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, maar een vonnis alvorens recht te doen in de zin van het tweede lid van deze wetsbepaling dat geen gezag van gewijsde heeft in de zin van de artikelen 23 en 24 van het Gerechtelijk Wetboek. Partijen hebben vóór het tussenarrest van 23 december 1991 overigens niet gedebatteerd over de wettigheid van de onteigening. c. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat eisers in hun op 4 november 1996 neergelegde 'conclusie houdende hervatting van het geding' geen 'incidenteel beroep' instelden maar, in ondergeschikte orde als "verweer" tegen de onteigening opwierpen dat deze onwettig en onregelmatig was, bij gebrek aan: de vereiste machtiging, procesbevoegdheid, wettelijke grondslag (onder verwijzing naar de bestemming van de grond volgens het gewestplan Tongeren-Sint-Truiden), hoogdringendheid en openbaar nut (p. 6 e.v.), en de vaststelling van deze 'onregelmatigheid' vorderden met aanstelling van een deskundige. Deze tegenvordering vormde derhalve een verweer tegen de hoofdvordering van verweerster en berustte bovendien op de schending van rechtsregels van openbare orde. d. Uit dit alles volgt dat de appelrechter, in zoverre hij zijn beslissing dat eisers' tegenvordering niet toelaatbaar is, laat steunen op de redenen dat in het tussenarrest "terzake al standpunt (werd) ingenomen door het aanstellen van een nieuw college van deskundigen" en dat uit het motiverend gedeelte daarenboven blijkt dat het hof "de wettigheid van de onteigening aanvaard heeft":
(1)voormeld tussenarrest ten onrechte beschouwt als een 'eindvonnis' over de wettigheid van de onteigening (schending van artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek);
(2)de bewijskracht van dit tussenarrest schendt door er bewoordingen en beslissingen aan toe te schrijven die er niet in voorkomen (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek);
(3)voor zoveel als nodig, niet wettig gezag van gewijsde toekent aan hetzelfde tussenarrest in verband met de wettigheid van de onteigening (schending van de artikelen 23 en 24 van het Gerechtelijk Wetboek), en bijgevolg evenmin wettig op voormelde gronden eiseres' tegenvordering niet toelaatbaar verklaart (schending van de artikelen 159 van de gecoördineerde Grondwet, 807 tot 810 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek). Derde onderdeel a. Eisers voerden in hun 'conclusie ter beantwoording van bijkomende vragen', neergelegd op 27 juni 2003, nopens de intresten o.m. aan wat volgt: "In het geval Uw Hof zou oordelen dat (eisers) de onrechtmatigheid van de onteigening niet meer kunnen opwerpen of deze exceptie verwerpt, moet in elk geval rekening (...) worden gehouden met de wet van 6 april 2000 tot wijziging van artikel 18 van de wet van 17 april 1835 en van artikel 21 van de wet van 26 juli 1962; dat in deze wet bepaald wordt dat in geval van terugbetaling van teveel betaalde gelden, de intrestvoet voor de basisherfinancieringstransacties van de Europese Centrale Bank verschuldigd zijn, tenzij de gelden geconsigneerd werden waarvoor de intrestvoet van de Deposito- en Consignatiekas geldt voor de periode dat de gelden daar geconsigneerd werden; Dat voor de periode vóór 1 januari 1999 deze eerstgenoemde interest, de interestvoet voor de basisherfinancieringstransacties van de Europese Centrale Bank, vastgesteld werd op 3 pct. (...)." (p. 4-5, nr. 3). b. Artikel 3 van voormelde wet van 6 april 2000 vervangt artikel 21 Onteigeningswet, en bepaalt dat de 'burgerlijke vruchten' verschuldigd door de tot terugbetaling veroordeelde onteigende steeds gelijk zijn aan de intrestvoet van de Deposito- en Consignatiekas voor de periode dat de gelden aldaar geconsigneerd bleven en aan de intrestvoet voor de basisherfinancieringstransacties van de Europese Centrale Bank vanaf de afhaling ervan, alsmede dat voor de periode voorafgaand aan 1 januari 1999, de vruchten, voor de periode vanaf de afhaling van de Deposito- en Consignatiekas, 3 pct. bedragen. Naar luid van artikel 4 van de wet treedt ze in werking de eerste dag van de maand na die waarin ze in het Belgisch staatsblad is bekendgemaakt (1 juni 2000) en dat ze van toepassing is op de gedingen die, op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan, nog niet zijn beslecht door een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak. c. Te dezen veroordeelde het arrest de eisers solidair tot terugbetaling aan verweerster van: - de intresten door de Deposito- en Consignatiekas op de terug te betalen som betaald vanaf de consignatie tot op de datum van afbetaling; - de compensatoire intresten tegen de wettelijke rentevoet vanaf de terugtrekking op de teveel geconsigneerde som tot op heden; - de gerechtelijke intresten vanaf de uitspraak tot de dag der algehele betaling; - op de som van 46.784,10 euro, zonder te antwoorden op voormeld bij conclusie aangevoerd verweer van eisers. Het arrest is bijgevolg niet regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de Grondwet). In zoverre het arrest eisers veroordeelt tot betaling van een hogere intrest dan de intrest bepaald bij artikel 21 Onteigeningswet, is het hoe dan ook niet naar recht verantwoord (schending van artikel 21 Onteigeningswet, zoals vervangen door artikel 3 van de wet van 6 april 2000, en van artikel 4 van deze wet). III. BESLISSING VAN HET HOF Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eerste eiseres
  1. Verweerster werpt de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eerste eiseres op: de eerste eiseres was voor het indienen van het verzoekschrift overleden.
  2. Uit het uittreksel uit het Rijksregister blijkt dat de eerste eiseres op 1 maart 1998 is overleden, dit is voor de betekening van het verzoekschrift op 30 januari
  3. Het middel van niet-ontvankelijkheid moet worden aangenomen. Ontvankelijkheid van het eerste onderdeel
  4. Verweerster werpt als grond van niet-ontvankelijkheid op van het eerste onderdeel, dat het onderdeel zonder verduidelijking schending aanvoert van de artikelen 808 tot 810 van het Gerechtelijk Wetboek en dat de artikelen 807 tot 810 in samenhang met artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek de regel niet bevatten die het arrest zou geschonden hebben.
  5. De aangevoerde schending van de genoemde artikelen van het Gerechtelijk Wetboek die voldoende gepreciseerd worden, volstaat om, indien het onderdeel gegrond zou zijn, tot vernietiging van de beslissing te leiden.
  6. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Eerste onderdeel
  7. Krachtens artikel 16, tweede lid, van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen te algemenen nutte, kan de vordering tot herziening ook gegrond zijn op de onregelmatigheid van de onteigening en wordt zij door de rechtbank behandeld overeenkomstig de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Krachtens de artikelen 807 tot 810 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen tegenvorderingen voor het eerst in hoger beroep ingesteld worden indien zij berusten op een feit of handeling in de dagvaarding aangevoerd of een verweer op de hoofdvordering uitmaken of tot compensatie strekken.
  8. Het arrest stelt vast dat de eisers na het tussenarrest in hun laatste conclusie van 4 november 1996 de onregelmatigheid van de onteigening wegens onwettigheid opwerpen. Het arrest oordeelt dat de voorgehouden onregelmatigheden wegens gemis aan machtiging, aan procesbevoegdheid en aan wettelijke grondslag waarvan thans sprake is, nooit zijn opgeworpen geweest, dat de eisers steeds de bevestiging van het bestreden vonnis gevraagd hebben en dat zij enkel oneens waren omtrent de kwalificatie van de onteigende gronden.
  9. Het arrest beslist zonder na te gaan of de tegenvordering van de eisers een verweer tegen de hoofdvordering in herziening uitmaakt, dat de tegenvordering wegens onwettigheid van de onteigening niet toelaatbaar is. Het arrest schendt aldus de aangewezen artikelen van het Gerechtelijk Wetboek.
  10. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Omvang van cassatie
  11. De vernietiging van de beslissing betreffende de niet-ontvankelijkheid van de tegenvordering strekt zich uit tot de beslissing over de vordering tot herziening die er nauw mee verbonden is. Overige grieven
  12. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Verwerpt het cassatieberoep van de eerste eiseres. Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Greta Bourgeois en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van 23 februari 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060223.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CABRL:2011:ARR.20110127.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040122.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210319.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.