← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060302.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060302.4 Rolnummer: C.04.0605.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-13 Raadplegingen: 174 - laatst gezien 2026-07-03 09:07 Versie(s): Vertaling FR Fiche Artikel 34, ,§ 3, tweede lid, van de wet van 13 juli 1981 tot oprichting van een Instituut voor veterinaire keuring beoogt alleen de naar deze instelling overgeplaatste ambtenaren een minimumwedde te verzekeren als waarborg van het behoud van de verworven administratieve en geldelijke anciënniteit. Het bepaalt geenszins dat deze ambtenaren, na die overplaatsing, geen weddeverhogingen zullen kunnen genieten ingevolge de toepassing van het geldelijk statuut van het personeel van het Instituut zolang de (basis)wedde bij deze instelling niet het niveau bereikt van de wedde waarop deze ambtenaren krachtens hun vorig statuut aanspraak konden maken. Thesaurus CAS: AMBTENAAR - AMBTENAAR (RIJK) Vrije woorden: AMBTENAAR - AMBTENAAR (RIJK) Instituut voor veterinaire keuring Overgeplaatste ambtenaren Geldelijke anciënniteit Behoud Wedde Oogmerk Wettelijke bepalingen: Wet - 13-07-1981 - Art.34,§3,tw Tekst van de beslissing Nr. C.04.0605.N FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, in opvolging van het Instituut voor veterinaire keuring, gevestigd te 1000 Brussel, WTC III, Simon Bolivarlaan 30 eiser, vertegenwoordigd door mr. Pierre van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 81, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1. C.M., 2. D.M., 3. E.A., 4. G.J., 5. N.A., 6. V.L., 7. S.J. 8. D.W., 9. H.K., 10. V.E., 11. R.G., verweerders, met keuze van woonplaats bij mr. Willy Van Der Gucht, advocaat, kantoor houdende te 9000 Gent, Sint Denijslaan 201. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 15 september 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 34, ,§3, van de wet van 13 juli 1981 tot oprichting van een Instituut voor veterinaire keuring; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest, dat het vonnis a quo hervormt, zegt voor recht: (

  1. i)dat er geen grond bestond en bestaat tot herziening van de wedde van de verweerders en tot terugvordering van een deel van de betaalde wedde; (
  2. ii)dat de weddeverlaging die vanaf september 1994 effectief werd doorgevoerd ten onrechte gebeurde. Het bestreden arrest veroordeelt de eiser tot het betalen aan de verweerders, behoudens de zevende verweerder, van het verschil tussen de wedde die zij sinds 1 september 1994 maandelijks ontvingen en de wedde waarop zij recht hadden en tot het regulariseren van de wedde en, wat betreft de zevende verweerder, tot het betalen van het verschil tussen de wedde en het pensioen die hem effectief werden uitbetaald en de wedde en het pensioen waarop hij gerechtigd was en is, en tot het regulariseren van het pensioen. Het veroordeelt tenslotte de eiser tot het overleggen van de wedde- en pensioenberekeningen en het heropent de debatten om de verweerders toe te laten hun vordering concreet te begroten. Dit alles wordt gesteund op volgende motieven: "Volgens (de eiser) brengt de toepassing van artikel 34, ,§3, van de wet van 13 juli 1981 mee dat (de verweerders) enkel recht hebben op hun gewaarborgd geldelijk statuut ten tijde van hun vorige werkzaamheden en - maar dit is in deze visie overbodig - niet lager mogen worden uitbetaald. (De eiser) betoogt verder dat dit artikel een uitzonderingsbepaling is (van het geldelijk statuut van het IVK-personeel) en zodoende van strikte toepassing is. Aldus - zo betoogt (de eiser) verder - dient dit artikel zo geïnterpreteerd te worden dat (de verweerders) niet kunnen genieten van de verhogingen die aan de personeelsleden van het IVK worden toegekend op basis van het geldelijk statuut dat op hen toepasselijk is zolang de wedde die hen gewaarborgd wordt op basis van artikel 34, ,§3, hoger is dan de wedde die zij kunnen verkrijgen op basis van het geldelijk statuut dat op de personeelsleden van het IVK en dus ook op hen van toepassing is. De eerste rechter trad deze visie bij en omschreef de vooropgestelde grens van artikel 34, ,§3, als een 'tijdelijke' minimumgrens 'totdat het loon van het IVK personeel, mits aanpassing van de toepasselijke programmatie daarop, groter werd dan de voorziene minimumgrens'. Een en ander valt niet te rijmen. (De eiser) stelt zelf dat (de verweerders) 'personeelsleden zijn van het IVK' en dat, bijgevolg, het geldelijk statuut van deze personeelsleden ook op hen van toepassing is. Toch houdt hij vol dat (de verweerders), als volwaardige IVK personeelsleden, niet kunnen genieten van de verhogingen die (nochtans) aan de personeelsleden van het IVK (zonder onderscheid) worden toegekend. Het argument dat (de eiser) ter ondersteuning van (zijn) stelling aanhaalt puurt (de eiser) niet, als dusdanig, uit de wet, maar uit een 'gelijkheidsoverweging': 'indien (de verweerders) naast de waarborg van artikel 34, ,§3, ook het recht zou worden toegekend op de weddeverhogingen die aan de personeelsleden van het IVK worden toegekend, zou hun wedde tijdens hun volledige loopbaan hoger blijven dan die waarop hun collega's met eenzelfde graad aanspraak zouden kunnen maken'. Deze 'ongelijkheid' vloeit evenwel voort uit de door de wet erkende verworven rechten van (de verweerders) en is redelijk verantwoordbaar. De stelling van (de eiser) komt er op neer dat in artikel 34, ,§3, van de wet van 13 juli 1981 niet een minimumgrens voor de wedde bepaald werd, maar de criteria voor de bepaling van de wedde zelf. Deze interpretatie is niet te rijmen met de tekst van het artikel en kan niet worden gevolgd. Zonder enige twijfel legt artikel 34, ,§3, in hoofde van (de verweerders) een minimumwaarborg vast die gedurende de ganse loopbaan van (de verweerders) bij het IVK geldt. Het stelt op geen enkele wijze dat (de verweerders), na hun overplaatsing naar het IVK, geen recht zouden hebben op de toekomstige weddeverhogingen die aan het personeel van het IVK zouden worden toegekend. De door (de eiser) aangehaalde zinsnede uit de voorbereidende werken ('de overgeplaatsten zullen niet het voordeel genieten van eventuele verbeteringen die na de overheveling in het gemeentelijk statuut zouden worden aangebracht') bevestigt alleen dat (de verweerders), na hun overplaatsing, volwaardig deel uitmaken van het IVK-personeel en ondersteunt de stelling van (de eiser) niet. In wezen herleidt de discussie zich tot de vraag waarom (de verweerders) niet zouden kunnen genieten van de verhogingen die aan de personeelsleden van het IVK, zonder onderscheid, worden toegekend. Uit artikel 34, ,§3, van de wet van 13 juli 1981 blijkt niet dat (de verweerders) hierop geen recht zouden hebben". Grieven Eerste onderdeel Artikel 34, ,§3, van de wet van 13 juli 1981 tot oprichting van een Instituut voor veterinaire keuring, dat een overgangsbepaling is, bepaalt het volgende: "De personen bedoeld in de artikelen 33 en 34 behouden het voordeel van hun administratieve en geldelijke anciënniteit die ze verworven hadden in hun vroeger bestuur. Hun wedde mag op geen enkel ogenblik lager zijn dat die welke zij zouden bekomen hebben bij toepassing van de bepalingen van het geldelijk statuut die voor hen golden op het ogenblik van hun overplaatsing". Dit artikel is, zoals gesteld door de eiser in zijn conclusie in hoger beroep, een uitzonderingsbepaling, waarbij wordt afgeweken van het geldelijk statuut van het personeel van het Instituut voor veterinaire keuring, toepasselijk op de verweerders. Dat, met andere woorden, zoals blijkt uit het bestreden arrest, eiser van mening is dat de verweerders weliswaar onder het geldelijk statuut van het personeel van het Instituut voor veterinaire keuring vallen maar rekening houdend met vermelde uitzonderingsbepaling, die op hen van toepassing is en waarop de eiser haar stelling in onderhavige zaak steunt. Dit artikel heeft tot gevolg dat de daarin bedoelde personen, zolang hun bij dit artikel gewaarborgde wedde hoger is dan de wedde die zij zouden bekomen in toepassing van het geldelijk statuut van het Instituut voor veterinaire keuring, onder een afwijkende regeling vallen, zijnde het geldelijke statuut die voor hen gold op het ogenblik van hun overplaatsing. Dit brengt mee dat weddeverhogingen ingevolge toepassing van het geldelijk statuut van het personeel van het Instituut voor veterinaire keuring pas, ingevolge dit artikel, aan de in dit artikel bedoelde personen kunnen worden toegekend op het ogenblik dat hun bij dit artikel gewaarborgde wedde lager wordt dan de wedde die zij zouden hebben bekomen in toepassing van het geldelijk statuut van het Instituut voor veterinaire keuring. Pas op dat ogenblik geldt de overgangsmaatregel niet meer en vallen zij volledig onder het geldelijk statuut van het personeel van het Instituut voor veterinaire keuring. Het bestreden arrest, door anders te beslissen, schendt artikel 34, ,§3, van de wet van 13 juli 1981 tot oprichting van een Instituut voor veterinaire keuring. Tweede onderdeel De eiser heeft in zijn conclusie in hoger beroep gesteld dat de verweerders (in 1986) zijn "overgegaan naar het geldelijk statuut van de personeelsleden van het Instituut voor veterinaire keuring, het geldend statuut daarbij inbegrepen" maar tezelfdertijd dat artikel 34, ,§3, van de wet van 13 juli 1981 tot oprichting van een Instituut voor veterinaire keuring, waaronder de verweerders vallen, "een uitzonderingsbepaling (
  3. is)die een van het geldelijk statuut afwijkende wedde waarborgt". Het bestreden arrest bevat het volgend motief: "(De eiser) stelt zelf dat (de verweerders) 'personeelsleden zijn van het IVK' en dat, bijgevolg het geldelijk statuut van deze personeelsleden ook op hen van toepassing is. Toch houdt het vol dat (de verweerders), als volwaardige IVK-personeelsleden, niet kunnen genieten van de verhogingen die (nochtans) aan de personeelsleden van het IVK (zonder onderscheid) worden toegekend". Dit motief schendt de bewijskracht van de conclusie in hoger beroep van de eiser omdat de eiser in die conclusie weliswaar stelde dat de verweerders onder het geldelijk statuut van de personeelsleden van het Instituut voor veterinaire keuring vallen maar tevens onder artikel 34, ,§3, van de wet van 13 juli 1981 tot oprichting van een Instituut voor veterinaire keuring, dat als uitzonderingsbepaling een van dit geldelijk statuut afwijkende wedde waarborgt. Het is trouwens, zoals blijkt uit het geheel van de conclusie in hoger beroep van de eiser, op grond van dit artikel dat de eiser de stelling verdedigde dat de verweerders als personeelsleden van het Instituut voor veterinaire keuring en vallend onder het geldelijk statuut van de personeelsleden van dit instituut, geen recht hebben op een weddeverhoging in toepassing van dit statuut zolang hun in vermeld artikel 34, ,§3, gewaarborgde wedde hoger is dan de wedde die zij zouden hebben bekomen in toepassing van dit statuut. In de mate het bestreden arrest zijn beslissing zou steunen op hoger aangehaald motief, schendt het bijgevolg de bewijskracht toekomend aan het geheel van de conclusie in hoger beroep van de eiser (gedateerd van 3 april 2000) en in het bijzonder aan de hierboven weergegeven passages uit die conclusie (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Krachtens artikel 34, ,§3, eerste lid, van de wet van 3 juli 1981 tot oprichting van een Instituut voor veterinaire keuring, behouden de naar deze instelling overgeplaatste ambtenaren, bedoeld in artikel 34, ,§2, het voordeel van hun administratieve en geldelijke anciënniteit die ze verworven hadden in hun vroeger bestuur. Krachtens het tweede lid van deze wetsbepaling mag de wedde van die ambtenaren op geen enkel ogenblik lager zijn dan die welke zij zouden bekomen hebben bij toepassing van de bepalingen van het geldelijk statuut die voor hen golden op het ogenblik van hun overplaatsing. 2. Artikel 34, ,§3, tweede lid, van deze wet beoogt alleen een minimumwedde te verzekeren als waarborg van de in het vorige lid bepaalde behoud van de verworven administratieve en geldelijke anciënniteit. Het bepaalt geenszins dat de bedoelde ambtenaren, na hun overplaatsing naar het Instituut voor Veterinaire Keuring, geen weddeverhogingen zullen kunnen genieten ingevolge de toepassing van het geldelijk statuut van het personeel van het Instituut zolang de (basis)wedde bij deze instelling niet het niveau bereikt van de wedde waarop deze ambtenaren krachtens hun vorig statuut aanspraak konden maken. Deze laatste interpretatie is strijdig met het in artikel 34 beoogde doel dat de overplaatsing voor de betrokkenen geen geldelijk nadeel tot gevolg mag hebben. 3. Het bestreden arrest oordeelt dat "artikel 34, ,§3, (van de wet van 13 juli 1981) in hoofde van (de verweerders) een minimumwaarborg vastlegt die gedurende de ganse loopbaan van (de verweerders) bij het Instituut voor veterinaire keuring geldt" en dat "deze bepaling op geen enkele wijze stelt dat (de verweerders) na hun overplaatsing geen recht zouden hebben op de toekomstige weddeverhogingen die aan het personeel van het IVK zouden worden toegekend". 4. Door aldus te oordelen schendt het arrest de aangewezen wetsbepalingen niet. 5. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 6. Het bestreden arrest geeft aan de conclusie van de eiser een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. 7. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 897,24 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Greta Bourgeois, Etienne Goethals en Ghislain Londers, en in openbare terechtzitting van 2 maart 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060302.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.