id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060302.8 Rolnummer: C.05.0128.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-16 Raadplegingen: 663 - laatst gezien 2026-07-03 22:45 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Om het bestaan vast te stellen van een zelfs onder het strafrecht vallende handeling die een kennelijke inbreuk is op een of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu, moet de rechter niet alleen nagaan of de inbreuk met voldoende zekerheid vaststaat, maar moet hij tevens de gevolgen van die inbreuk op het milieu in aanmerking nemen
(1).
(1)Zie de conclusie O.M. Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: MILIEURECHT Leefmilieu Vordering tot staking Kennelijke inbreuk Begrip Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Wet - 12-01-1993 - Art.1,eerstel Fiche 2 Concl. adv.-gen. DUBRULLE, Cass., 2 maart 2006, AR C.05.0128.N, A.C., 2006, nr ... Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: MILIEURECHT Leefmilieu Vordering tot staking Kennelijke inbreuk Begrip Beoordeling door de rechter Nota: C.05.0128.N Conclusie van Advocaat-generaal DUBRULLE Het arrest veroordeelt eiseres, op vordering van verweerder, o.m., om een paardenstal en een stacaravan van haar erf te verwijderen, op grond van artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht in zake bescherming van het leefmilieu. Krachtens het eerste lid van deze bepaling stelt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, op verzoek van een van de erin bepaalde eisers, het bestaan vast van een zelfs onder het strafrecht vallende handeling die een kennelijke inbreuk is of een ernstige dreiging vormt voor een inbreuk op een of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu. Het eerste onderdeel van het cassatiemiddel, dat een schending van deze bepaling aanvoert, stelt de voor het eerst tot het Hof gerichte - vraag naar de inhoud van dat begrip "kennelijke inbreuk"
(1)(in de Franse tekst: "violation manifeste"). Het bestreden arrest stelt dat een inbreuk kennelijk is wanneer er geen ernstige twijfel is over zijn bestaan en dat deze beoordeling losstaat van de beoordeling van de gevolgen van de inbreuk op het leefmilieu of van de belangrijkheid van de geschonden bepaling van de milieureglementering, daar laatst genoemde beoordeling slechts de opportuniteit van de gevraagde maatregelen betreft. Het onderdeel stelt, integendeel, dat dit begrip niet betekent kennelijke wetinbreuk maar wel dat de stakingsrechter ook oog moet hebben voor zijn gevolgen op het leefmilieu. Volgens eiseres laat de motivering van het arrest niet toe aan te nemen dat de appèlrechter die opportuniteit daadwerkelijk heeft getoetst en voor zover hij dit toch zou gedaan hebben staat die opportuniteitsbeoordeling niet gelijk met de vaststelling dat de inbreuken kennelijk zijn in de door haar bedoelde zin. Dit onderdeel komt mij gegrond voor en tot volledige cassatie te moeten leiden. Immers, uit de voorbereidende werken tot de wet van 12 januari 1993 lijkt mij te kunnen worden afgeleid dat de wetgever ondanks de gebruikelijke betekenis van het bijvoeglijk naamwoord "kennelijk", d.i., volgens van Dale
(2): onderkenbaar, onderscheidbaar, herkenbaar, goed waarneembaar, duidelijk, klaarblijkelijk, apert, evident, onmiskenbaar of, volgens het arrest, bovendien: manifest - aan het (samengesteld) begrip "kennelijke inbreuk" de door het onderdeel bedoelde inhoud te hebben gegeven. Hoewel het woord "kennelijk" niet in het aanvankelijk wetsontwerp stond
(3), onderkenden leden van de senaatscommissie voor de justitie later, wat betreft de invulling van het begrip "inbreuk", de appreciatiebevoegdheid van de voorzitter, die rechtspreekt "zoals in kort geding" (artikel 3 van de wet), namelijk "om een onderscheid te maken tussen belangrijke en minder belangrijke inbreuken". Er werd voorgesteld te vereisen "dat de inbreuk blijvend en ernstig moet zijn, wanneer het milieu inderdaad is geschaad". Nu het wetsontwerp een vorderingsrecht van milieuverenigingen wou invoeren, wou men toch tevens vermijden dat deze de rol van het openbaar ministerie zouden overnemen en ook "theoretische criminaliteit" zouden vaststellen. De Staatssecretaris was het ermee eens dat de rechter moet kunnen oordelen of het om een inbreuk gaat die een zeker ernstig karakter vertoont. Een lid van de commissie stelde dan voor "dat in de tekst het begrip 'kennelijke inbreuk' zou worden opgenomen, hetgeen toelaat duidelijker te maken dat de marginale en weinig belangrijke feiten niet in aanmerking komen". Het verslag vermeldt verder: "er wordt een onbetwistbare inbreuk bedoeld (...) het gaat om kennelijke inbreuken voor zover zij een schending betekenen van het leefmilieu". "Bij wijze van besluit stelt de Staatssecretaris vast dat de discussie erop wijst dat de leden willen vermijden dat de rechter gedwongen wordt op te treden bij minieme overtredingen, die wel een inbreuk op de wet zijn doch geen inbreuk op het milieu uitmaken". (...) "Iedereen is erover akkoord dat het begrip 'kennelijk' moet gezien worden in de betekenis van het adagium 'de minimis non curat praetor'. Een kleine overtreding kan geen aanleiding geven tot een beslissing van staking." De Staatssecretaris bevestigt deze opvatting en zegt dat "kennelijk" hier betekent "significatif", "belangrijk". De discussie wordt als volgt besloten: "Na een ruime gedachtewisseling zijn meerdere leden van oordeel dat de inbreuk een zeker belang moet hebben, waarover de rechter soeverein oordeelt"
(4). Het in de Kamer ingediend amendement
(5)om het woord "kennelijke" weg te laten - verantwoord doordat het Hof, in zijn arrest van 12 maart 1956, voormeld adagium niet heeft aanvaard
(6)- werd, gelet op het verzet van de Senaat, verworpen. De Minister wenste het woord te behouden "om te voorkomen dat de gerechten door een boel pietluttigheden vertraging oplopen"
(7). Ook volgens een meerderheidsopvatting, zowel in de rechtspraak als in de doctrine, is het begrip te interpreteren als (belangrijke) impact op het milieu
(8). De uitdrukking in de Franse wettekst ("violation manifeste" en niet "infraction manifeste") verwijst ook eerder naar een "aantasting". Dat "kennelijk" enkel zou betrekking hebben op het bestaan van de inbreuk is dan ook niet overtuigend. De inbreuk bestaat of niet. Het "kennelijk" kan de onwettigheid niet vermeerderen. Alleen de overtuiging van de rechter dat de inbreuk bestaat kan verhoogd zijn. Maar dit is vanzelfsprekend niet de bedoeling van de toevoeging en zulks blijkt dan ook nergens uit het parlementair debat. De rechter zal uiteraard aan een inbreuk slechts de passende gevolgen (maatregelen) verbinden als hij voldoende overtuigd is van zijn bestaan. Niettemin moet erkend worden dat uit dat senaatsdebat geen consensus omtrent de precieze draagwijdte van het toegevoegde adjectief is tot stand gekomen, zodat het standpunt van de voorstanders van zijn spraakgebruikelijke betekenis waarbij de appèlrechter zich klaarblijkelijk aansluit - die het begrip daarom aldus interpreteren, zonder rekening te houden met de "parlementaire kakofonie"
(9), aandacht verdient, evenals een derde standpunt, dat het begrip "kennelijk" dient te worden opgevat als een richtlijn voor het sanctiebeleid van de stakingsrechter
(10). De vraag kan inderdaad gesteld worden of de rechter in het stadium van de vaststelling van de inbreuk dus reeds tot een belangenafweging mag overgaan - hoewel hij dat slechts m.b.t. de gevraagde maatregelen (tweede en derde lid van artikel 1 van de wet van 12 januari 1993) kan doen - en zo ja, of dit geen rechtsonzekerheid impliceert
(11). Bij gebrek aan formele consensus omtrent het inzicht van de wetgever kan men toch zoeken naar de gemene deler van de opvattingen die tijdens de voorbereiding van de wet tot uiting kwamen en al dan niet hun weerslag vonden in de rechtsleer en de rechtspraak. Hierbij dient de "algemene" aan die bijzondere wet ten grondslag liggende ratio legis als leidraad te dienen en niet enkel de wat te beperkte discussie over de inhoud van een bepaald begrip dat slechts gaandeweg in de tekst werd opgenomen. Welnu, deze gemene deler, in deze wet, die een nieuw vorderingsrecht in het milieuhandhavingsrecht introduceert, is ongetwijfeld de appreciatiebevoegdheid van de stakingsrechter. Maar er wordt dan ook en niet in het minst omdat hij "ten gronde" moet oordelen en ingrijpende maatregelen kan bevelen - van hem verwacht dat hij, om een verder onderzoek naar de opportuniteit van de gevraagde maatregel te verantwoorden, zou nagaan of de inbreuk, waarop het verzoek is gesteund al dan niet (aanzienlijke) gevolgen heeft voor het milieu, hij weze groot (bv. de oprichting van een niet vergund hinderlijk bedrijf) of klein (bv. de oprichting van een niet vergund tuinhuisje). Indien de handeling waarvan de staking gevraagd wordt het milieu niet kan aantasten zal de wetgever ze niet als een milieu-inbreuk gekwalificeerd hebben. De stakingsrechter dient dus na te gaan of de handeling "kennelijk", d.i. onderkenbaar, onderscheidbaar, herkenbaar, goed waarneembaar, duidelijk, klaarblijkelijk, apert, evident, onmiskenbaar of manifest, het milieu, in de zin van de milieuwetgeving, aantast. Het begrip (zoals zijn vermelde synoniemen) impliceert dus de concrete toetsing aan het milieu, niet enkel aan de abstracte wet die de bescherming van dat milieu beoogt. In die zin kan dan wel, bij de appreciatie, een onderscheid gemaakt worden tussen een geringe of een belangrijke aantasting van het milieu, wat zijn weerslag zal hebben op de volgende taak van de rechter: na te gaan of het dan (nog) wel opportuun is een maatregel te bevelen (tweede lid van artikel 1). In het eerste geval kan hij bv. oordelen dat zulks niet vereist is, in het tweede kan hij een ingrijpende maatregel verantwoord achten. De appèlrechter heeft dit eerste onderzoek niet gedaan. Hij beperkt zich tot die zuivere wettoetsing, zonder na te gaan of de inbreuk een concreet effect op het milieu heeft. Conclusie: vernietiging. ___________________________
(1)Het arrest van 8 november 1996 (A.R. C.95.0206.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961108.10, nr. 426) beantwoordt de vraag of het begrip leefmilieu ook de bescherming van de ruimtelijke ordening omvat bevestigend. Het arrest van 14 februari 2002 (A.R. C.99.0459.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020214.10, nr. 106) beantwoordt het cassatiemiddel, afgeleid uit de schending van het tweede lid van dat artikel 1, met de regel dat de enkele vaststelling van de inbreuk niet volstaat om een bevel tot afbraak te gronden.
(2)Uitgave 1995.
(3)Doc., Senaat, , 1232-1 (1990-1991), 7.
(4)Verslag Van Rompaey, Doc., Senaat, 1232-2 (1990-1991), 32-38.
(5)Doc., Kamer, 556/2-91/92 (B.Z.), 1-2.
(6)Bull., 1956, 739. Het Hof toetst het adagium evenwel niet als algemeen rechtsbeginsel, zoals werd beweerd, doch stelt enkel dat het niet kan gelden als een rechtvaardigingsgrond of een strafuitsluitende verschoningsgrond voor een strafbaar feit, daar de wet deze grond niet voorziet.
(7)Doc., Kamer, 556/6-91/92 (B.Z.), 14-16.
(8)J. VAN DEN BERGHE, De wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, T.M.R., 1993, 137; B. DELTOUR, Milieurecht als bron van overheidsaansprakelijkheid, in: Recente ontwikkelingen inzake de aansprakelijkheid voor milieuschade, M. DEKETELAERE (ed.), B. DELTOUR, B. GILLE & K. DEKETELAERE, die Keure, Brugge, 1993, 6-7, nrs. 11-12; J. VERLINDEN, Het vorderingsrecht van milieuverenigingen na de wet van 12 januari 1996, T.R.V., 1993, 292-293; I. DE MUYNCK, Rechtshandhaving door de stakingsrechter in milieuaangelegenheden, R.W., 2001-2002, 1486; P. BOGAERTS, Tien jaar stakingsvordering inzake leefmilieu. Kritisch aperçu van rechtspraak en rechtsleer (1993-2003), T.M.R., 2003, 91-92; J. JOOS, De Wet vorderingsrecht leefmilieu: overzicht van rechtspraak, P. & B./R.D.J.P., 2003, 122-124
(9)I. LARMUSEAU & P. DE SMEDT, De 'kennelijke' inbreuk en de 'ernstige' dreiging voor een inbreuk op de milieuwetgeving: het Trojaanse paard in het milieustakingsgeding, P. & B./R.D.J.P., 2003, 165-176, inz. 166, nrs. 4-7; zie ook.D. VAN GERVEN, Le droit d'action en matière de protection de l'environnement, J.T., 1993, 616; D. VAN GERVEN, De milieuvordering op grond van de wet van 12 januari 1993, noot onder Cass., 8 november 1996 (inzake A.R. C.95.0206.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961108.10, N.V. Eurantex), Rec. Cass., 1997, 201, inz. 205, nr. 7.
(10)I. LARMUSEAU & P. DE SMEDT, l.c. 173, nrs. 23-25.
(11)I. LARMUSEAU & P. DE SMEDT, l.c., 169, nr. 11. Tekst van de beslissing Nr. C.05.0128.N S.T., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen K.P. optredend namens de gemeente Herne overeenkomstig artikel 271 van de Nieuwe Gemeentewet, wonende te verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 1 juli 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 602, eerste lid, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1, 3 en 4 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres grotendeels ongegrond, bevestigt de beroepen beschikking van 21 mei 2002 waarbij de eiseres onder meer werd veroordeeld "om binnen de twee maanden na de betekening van het vonnis (...) de paardenstal en de caravan met aanbouwsel te verwijderen en zodoende de plaats te herstellen in de oorspronkelijke toestand, dit onder verbeurte van een dwangsom van 1.239,5 euro per dag dat dit niet gebeurt en per overtreding", op volgende gronden: "De feiten Na het bestreden vonnis bekwam (de eiseres), op eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar, een regularisatievergunning op 11 juni 2002. In deze regularisatievergunning wordt de situatie van het perceel en de wettigheid van de aanvraag zeer grondig onderzocht, mede door het door (de verweerder) ingediende bezwaar. (De verweerder) heeft de regularisatievergunning van 11 juni 2002 administratiefrechtelijk niet aangevochten. De beoordelingsmarge van de stakingsrechter Naar luid van artikel 1 van de wet betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu (hierna de 'Milieuvorderingswet') stelt de rechter het bestaan vast van een handeling die een kennelijke inbreuk is (of een ernstige bedreiging vormt voor een inbreuk) op één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu en kan hij de staking bevelen van handelingen waarvan de uitvoering reeds is begonnen of maatregelen opleggen ter preventie van de uitvoering ervan of ter voorkoming van schade aan het leefmilieu. Uit de tekst zelf van de wet blijkt bijgevolg dat een onderscheid dient te worden gemaakt tussen het vaststellen van de kennelijke inbreuk en de opportuniteit van de gevraagde maatregelen. Een inbreuk is 'kennelijk' (of duidelijk, klaarblijkelijk, apert, evident, onmiskenbaar of manifest) wanneer er geen ernstige twijfel is over het bestaan van de inbreuk. Deze beoordeling staat los van de beoordeling van de gevolgen van de inbreuk op het leefmilieu of van de belangrijkheid van de geschonden bepaling van de milieureglementering. Deze laatste beoordeling is slechts aan de orde bij de beoordeling van de opportuniteit van de gevraagde maatregelen. Het is bijgevolg niet onmogelijk naar recht dat de stakingsrechter het bestaan van een inbreuk vaststelt, maar van oordeel is dat er geen grond bestaat om in het kader van de bijzondere procedure van de Milieuvorderingswet een herstelmaatregel te bevelen. De door de eerste rechter bevolen maatregelen De eerste rechter beval de verwijdering van de verharding, de paardenstal en de caravan met aanbouwsel en de herstelling in de oorspronkelijke toestand. De paardenstal - Volgens de goedgekeurde bouwplannen wordt de paardenstal geïntegreerd in het gebouw. (De verweerder) benadrukt zelf het agrarisch karakter van het perceel van (de eiseres). De paardenstal, waarvan de eerste rechter de verwijdering bevolen heeft, is echter onvergund en valt niet onder de vrijstelling van artikel 3, 11°, van het besluit van de Vlaamse Regering d.d. 14 april 2000 gelet op de grootte ervan. De herstelmaatregel werd terecht bevolen door de eerste rechter. De stacaravan - (de eiseres) schrijft thans: 'Het is evident dat deze (onhoudbare) leefsituatie zal verdwijnen eens de woning is afgewerkt. Gezien de stedenbouwkundige vergunning werd afgeleverd staat in principe niets meer hieraan in de weg'. De regularisatievergunning is van 11 juni 2002 en is, bijgevolg, ondertussen meer dan een jaar oud. Er bestaat geen enkele rechtvaardiging voor de 'voorbouw'of 'voortent' van de stacaravan, waarvan de eerste rechter de verwijdering (impliciet) beval. Wat betreft de stacaravan zelf, dient vastgesteld dat het een logge en weinig mobiele inrichting is, die niet valt onder de reglementaire vrijstelling van art. 3, 17, b, van het besluit van de Vlaamse Regering d.d. 14 april 2000, gewijzigd bij besluit van 26 april 2002, vooral gelet op het gebruik dat (eiseres) ervan maakt. Evenmin kan deze inrichting, zoals ze zich concreet voordoet en zoals ze concreet gebruikt wordt (of werd), beschouwd worden als een werfkeet in de zin van artikel 3, 1°, van datzelfde besluit. De herstelmaatregel werd terecht bevolen door de eerste rechter". De eerste rechter beval de door het bestreden arrest grotendeels bevestigde maatregelen op volgende gronden: "Ingevolge het tussenvonnis werd een plaatsopname uitgevoerd op 25 maart 2002 in aanwezigheid van beide partijen. Er werd vastgesteld dat geen verzoening mogelijk was, dat het erf gedeeltelijk verhard was, dat er zich twee wagens bevonden op het erf, alsook een caravan waarin (de eiseres) samen met haar kind en partner woont en een paardenstal, en dat de muur langs straatzijde van het in opbouw zijnde huis was ingestort. (De eiseres) stelt dat enkel de kennelijke inbreuken op de milieuwetgeving dienen te worden gesanctioneerd. In casu zou geen enkel van de ingeroepen inbreuken beantwoorden aan de term kennelijk. Het criterium om de term kennelijk in te vullen, is niet de ernst van de inbreuk, doch wel het al dan niet manifest zijn van de inbreuk. Er is geen objectieve reden om een manifeste inbreuk op de milieuwetgeving, die het milieu op al dan niet ernstige wijze aantast, niet te sanctioneren, hetgeen de rechter evenwel niet belet om de inbreuken te toetsen aan de gevorderde sanctie. 2. De verharding, de stacaravan en de paardenstal (De verweerder) vordert de veroordeling van (de eiseres) om binnen de tien dagen na de betekening van het vonnis de verharding, de paardenstal en de caravan met aanbouwsel te verwijderen en zodoende de plaats te herstellen in de oorspronkelijke toestand, dit onder een verbeurte van een dwangsom van 1.239,50 euro per dag dat dit niet gebeurt en per overtreding 2.2. De stacaravan Artikel 99, ,§1, 5°, c, DRO bepaalt dat niemand zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning een bouwgrond gewoonlijk mag gebruiken voor het plaatsen van één of meer verplaatsbare inrichtingen die voor bewoning kunnen worden gebruikt, zoals woonwagens, kampeerwagens, afgedankte voertuigen, tenten. (Eiseres) beroept zich op de vrijstelling vervat in artikel 3, 17°,
- b)besluit van de Vlaamse Regering van 14 april 2000 (gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 2002), volgens dewelke een grond gewoonlijk mag worden gebruikt voor het in de onmiddellijke omgeving van een vergund woongebouw plaatsen van één verplaatsbare inrichting die voor bewoning kan worden gebruikt, zoals één woonwagen, kampeerwagen of tent. Zolang de regularisatieaanvraag niet wordt ingewilligd, kan de woning van (eiseres) niet beschouwd worden als een vergund woongebouw, zodat zij in de huidige stand geen aanspraak kan maken op voornoemde vrijstelling. Het perceel van (eiseres) wordt in casu wel degelijk gewoonlijk gebruikt voor het plaatsen van haar caravan, die daar al meerdere jaren staat, en er nog zal staan zolang de bouwwerken, na eventuele regularisatie, niet voltooid zijn, althans zolang de hoeve niet bewoonbaar zal zijn. Het feit dat (eiseres) stelt dat dit tijdelijk is, doet hieraan geen afbreuk. De term gewoonlijk betekent niet definitief, maar wijst op een zekere bestendigheid van de toestand. Er is aanleiding om de stacaravan met het aanhorend bijgebouwtje te verwijderen, zoals hierna bepaald. 2.3. De paardenstal Ook voor de paardenstal heeft (eiseres) geen bouwvergunning, hetgeen een inbreuk uitmaakt op artikel 99, ,§1, 1° DRO. Om dezelfde reden als voor de caravan, kan verweerster zich niet beroepen op de vrijstelling vervat in artikel 3, 11°,
- a)besluit van de Vlaamse Regering van 14 april 2000 (gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 2002). Bovendien mag de oppervlakte van de houten hok maximaal 10 vierkante meter bedragen, hetgeen in casu niet het geval is. Ook de paardenstal dient verwijderd te worden, zoals hierna bepaald" (beschikking a quo dd. 21 mei 2002, pp. 3-5). Grieven De eiseres voerde in haar appelverzoekschrift (pp. 6-8) en haar beroepsbesluiten (neergelegd 9 augustus 2002, pp. 9-11) in hoofdorde aan: - dat het begrip "kennelijke inbreuk" op één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu, in de zin van artikel 1, eerste lid, van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, niet de draagwijdte heeft die de eerste rechter hieraan toekende, met name dat de inbreuk "manifest" dient te zijn, ongeacht de al dan niet ernstige aantasting van het leefmilieu, maar wel betekent dat het "kennelijk" karakter moet beoordeeld worden in het licht van de ernstige schadelijke gevolgen die de inbreuk oplevert voor het leefmilieu; - dat de eerste rechter heeft nagelaten de gelaakte feiten te toetsen aan de grondvoorwaarde dat de inbreuk slechts "kennelijk" is wanneer hij een ernstige aantasting van het milieu met zich brengt; - dat de verweerder, die de bewijslast draagt, geenszins aantoont dat de gelaakte feiten in concreto ernstige milieuschade (dreigen
- te)veroorzaken; - dat de weerhouden inbreuken overtredingen betreffen van geringe aard, die zowel naar duur als naar omvang beperkt zijn, en geen ernstige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de biotische of abiotische milieubestanddelen of voor het landschapsschoon; - dat inzonderheid de kampeerwagen met beschermende voorbouw van tijdelijke aard is, dat hij door de eiseres met haar zoon werd betrokken ingevolge de vertragingen wegens stillegging van de werken, dat zij de caravan bewoont in afwachting van de afwerking van de hoeve, dat de regularisatievergunning werd bekomen zodat niets de afwerking van de woning nog in de weg staat, en dat ook de constructie van de voortent met houten geraamte geenszins wijst op een intentie van duurzame instandhouding; - dat inzonderheid de houten paardenstal een tijdelijke maatregel is in afwachting van de voortzetting van de bouwwerken waarin een stal voorzien is, dat de stalboxen uitneembaar zijn en zonder cement gebouwd, en dat de foto's aantonen dat het om een voorlopige constructie gaat gelet op de bouwtechnische kenmerken ervan. De eiseres voerde in haar appelverzoekschrift (p. 9) en haar beroepsbesluiten (neergelegd 9 augustus 2002, pp. 11-12) in ondergeschikte orde aan alleszins op grond van het Besluit van de Vlaamse Regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en van de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is, gerechtigd te zijn de caravan en de paardenstal te behouden. Eerste onderdeel Krachtens artikel 1, eerste lid, van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, stelt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, op verzoek van de procureur des Konings, van een administratieve overheid of van een rechtspersoon zoals omschreven in artikel twee van die wet, het bestaan vast van een zelfs onder het strafrecht vallende handeling die een kennelijke inbreuk is of een ernstige dreiging vormt voor een inbreuk op één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu. Overeenkomstig het tweede lid van die wetsbepaling kan de voorzitter de staking bevelen van handelingen waarvan de uitvoering reeds is begonnen of maatregelen opleggen ter preventie van de uitvoering ervan of ter voorkoming van schade aan het leefmilieu. De voorzitter dient aldus, overeenkomstig het eerste lid van genoemde wetsbepaling, eerst het bestaan vast te stellen van een "kennelijke inbreuk" op de wetgeving betreffende de bescherming van het leefmilieu. Slechts wanneer hij tot de vaststelling van dergelijke inbreuk komt, kan hij, overeenkomstig het tweede lid van genoemde wetsbepaling, de opportuniteit van de gevorderde maatregelen beoordelen. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 12 januari 1993 en de doelstellingen van de wet, waarbij ondermeer aan verenigingen zonder winstoogmerk die de bescherming van het leefmilieu tot hun doel hebben, de mogelijkheid werd geboden om op te komen tegen inbreuken op de milieuwetgeving, vloeit voort dat "een kennelijke inbreuk (...) op één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu", niet betekent dat "de inbreuk op de wet" "kennelijk" moet zijn, in die zin dat de wetsovertreding duidelijk, klaarblijkelijk of onmiskenbaar zou moeten zijn, maar wel dat "de inbreuk" op het leefmilieu "kennelijk" moet zijn, in die zin dat "de aantasting" van het leefmilieu door de aangevoerde wetsovertreding "belangrijk" moet zijn. De gevolgen van de inbreuk op het leefmilieu zijn derhalve beslissend om uit te maken of een inbreuk al dan niet als "kennelijk" moet aangezien worden. De voorzitter oordeelt, krachtens artikel 3 van de wet van 12 januari 1993, "zoals in kort geding", en doet derhalve over de grond van de zaak uitspraak. Hetzelfde geldt voor het hof van beroep, dat krachtens artikel 602, eerste lid, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, bevoegd is om kennis te nemen van het door artikel 4, tweede lid, van de wet van 12 januari 1993 toegelaten hoger beroep tegen het vonnis over de vordering tot staking. Indien artikel 1, eerste lid, van de wet van 12 januari 1993 aldus zou uitgelegd worden dat slechts "kennelijke wetsinbreuken" kunnen vastgesteld worden, quod non, zou het zinledig zijn, nu een inbreuk ofwel bewezen is, ofwel niet bewezen. De wetgever beoogde geenszins een preventieve bescherming in te voeren tegen kennelijke, duidelijke, manifeste, onmiskenbare, evidente, onbetwistbare inbreuken op de wetgeving betreffende de bescherming van het leefmilieu, maar wel tegen belangrijke aantastingen van het leefmilieu ingevolge wetsinbreuken op de wetgeving betreffende de bescherming van het leefmilieu. Het bestreden arrest stelt in rechte terecht vast dat voor de toepassing van artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 een onderscheid moet gemaakt worden tussen het vaststellen van de kennelijke inbreuk en de opportuniteit van de gevraagde maatregel. Het oordeelt evenwel, ter verwerping van de grieven van de eiseres weergegeven in de aanhef van het middel, dat voor de vaststelling van een kennelijke inbreuk op de wetgeving betreffende de bescherming van het leefmilieu, in de zin van artikel 1, eerste lid, van de wet van 12 januari 1993, "kennelijk" synoniem is van "duidelijk, klaarblijkelijk, apert, evident, onmiskenbaar of manifest", en dus betekent "(dat) er geen ernstige twijfel is over het bestaan van de inbreuk". Het sluit uitdrukkelijk uit dat "de beoordeling van de gevolgen van de inbreuk op het leefmilieu" een rol zou spelen bij de vaststelling van de "kennelijke inbreuk", en oordeelt dat de gevolgen van de inbreuk op het leefmilieu alleen aan de orde zijn bij de beoordeling van de opportuniteit van de gevraagde maatregelen. Uit de verdere beoordeling van het bestreden arrest blijkt dat het, zoals de beroepen beschikking, waarvan het de redengeving overneemt, zowel wat betreft de litigieuze paardenstal als de litigieuze caravan, een inbreuk weerhoudt op artikel 95, ,§1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, omdat beide onvergund zijn en niet vallen onder de voorwaarden van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en van de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is. De context van de beslissing laat ook toe aan te nemen dat het bestreden arrest de weerhouden inbreuken beschouwt als "kennelijke" inbreuken op de wetgeving betreffende de bescherming van het leefmilieu, in de uitlegging die het voorhoudt, met name als inbreuken "waarover geen ernstige twijfel bestaat". Noch uit de redengeving van het bestreden arrest, noch uit de overgenomen redengeving van het vonnis a quo, blijkt dat de appelrechters de weerhouden inbreuken, wat betreft de paardenstal en de caravan, hebben gekwalificeerd als "kennelijke inbreuken op de wetgeving inzake de bescherming van het leefmilieu", in de draagwijdte die aan artikel 1, eerste lid, van de wet van 12 januari 1993 moet toegekend worden, met name als inbreuken die, in de gegeven omstandigheden van de zaak, een belangrijke aantasting van het leefmilieu betekenen. De enkele omstandigheid dat het bestreden arrest in algemene termen overweegt dat "de beoordeling van de gevolgen van de inbreuk op het leefmilieu (...) slechts aan de orde (
- is)bij de beoordeling van de opportuniteit van de gevraagde maatregelen", laat niet toe aan te nemen dat de appelrechters te dezen ook daadwerkelijk en in feite de opportuniteit van de gevraagde maatregelen aan de gevolgen voor het leefmilieu hebben getoetst. Zelfs voor zover er zou dienen te worden aangenomen, quod non, dat de redengeving van het bestreden arrest toelaat aan te nemen dat het de gevolgen van de vastgestelde inbreuken op het leefmilieu in aanmerking heeft genomen bij de beoordeling van de opportuniteit van de gevorderde maatregelen, dan nog staat deze opportuniteitsbeoordeling niet gelijk met de vaststelling dat de inbreuken "kennelijk" zijn in de draagwijdte die aan artikel 1, eerste lid, van de wet van 12 januari 1993 moet toegekend worden, met name inbreuken die, in de gegeven omstandigheden van de zaak, een belangrijke aantasting van het leefmilieu betekenen. Door aan het begrip "kennelijke inbreuk op de wetgeving betreffende de bescherming van het leefmilieu", zoals voorzien in artikel 1, eerste lid, van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, de draagwijdte toe te kennen van "inbreuk waarover geen ernstige twijfel bestaat", in plaats van "het kennelijk karakter" van de inbreuken te beoordelen op basis van de gevolgen ervan op het leefmilieu, miskent het bestreden arrest derhalve artikel 1, eerste lid, van de wet van 12 januari 1993, en kon het dienvolgens, zonder vooreerst wettig het bestaan te hebben vastgesteld van een "kennelijke inbreuk", ook niet wettig uitspraak doen over de gevorderde verwijdering van de caravan (met aanbouw) en de paardenstal, en de opportuniteit hiervan beoordelen (schending van artikel 1, eerste lid, van de wet van 12 januari 1993, en voor zoveel als nodig, de artikelen 1, tweede lid, 3 en 4, van voornoemde wet alsook artikel 602, eerste lid, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede onderdeel Krachtens artikel 1, tweede lid, van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, kan de rechter de staking bevelen van handelingen waarvan de uitvoering reeds is begonnen of maatregelen opleggen ter preventie van de uitvoering ervan of ter voorkoming van schade aan het leefmilieu. Deze bepaling laat de rechter ook toe te bevelen dat uitgevoerde werken ongedaan worden gemaakt als een dergelijk bevel nodig is om verdere schade aan het leefmilieu te voorkomen. De enkele vaststelling dat een gebouw zonder stedenbouwkundige vergunning, zoals voorzien in artikel 99, ,§1, 1°, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, is opgericht, of dat een grond gewoonlijk wordt gebruikt voor een verplaatsbare inrichting die voor bewoning kan worden gebruikt zonder stedenbouwkundige vergunning, zoals voorzien in artikel 99, ,§1, 5°, c, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, volstaat niet om een dergelijk bevel te gronden. Het bestreden arrest beslist op eigen gronden en door overname van de redengeving van de beschikking a quo, dat zowel de litigieuze paardenstal als de litigieuze caravan onvergund zijn, een inbreuk vormen op respectievelijk artikel 99, ,§1, 1°, en artikel 99, ,§1, 5°, c, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, en niet vallen onder de voorwaarden van artikel 3, 11°, het besluit van de Vlaamse Regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en van de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is, wat betreft de paardenstal, of onder de voorwaarden van artikel 3, 1°, of artikel 3, 17°, b, van hetzelfde besluit, wat betreft de caravan. De eiseres betwistte, zoals blijkt uit haar appelverzoekschrift en haar beroepsbesluiten, zoals weergegeven in de aanhef van het middel en hier als uitdrukkelijk hernomen aangezien, de gevolgen van de inbreuken op het leefmilieu. Het bestreden arrest beveelt, met bevestiging van de beschikking a quo, de verwijdering van de paardenstal en de caravan (met aanbouwsel) en het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand, binnen de twee maanden na de betekening van de beslissing, onder verbeurte van een dwangsom van 1.239,5 euro per dag dat dit niet gebeurt en per overtreding, op grond van de inbreuken die het vaststelt, zonder dat het evenwel ook vaststelt dat dergelijk bevel nodig is om verdere schade aan het leefmilieu te voorkomen. Het bestreden arrest miskent aldus artikel 1, tweede lid, van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Artikel 1, eerste lid, van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, bepaalt dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg het bestaan vaststelt van een zelfs onder het strafrecht vallende handeling, die een kennelijke inbreuk is of een ernstige dreiging vormt voor een inbreuk op één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu. 2. Om het bestaan vast te stellen van een kennelijke inbreuk zoals bedoeld in voormeld artikel 1, eerste lid, moet de rechter niet alleen nagaan of de inbreuk op wetsbepalingen betreffende de bescherming van het milieu met voldoende zekerheid vaststaat, maar moet hij tevens de gevolgen van die inbreuk op het milieu in aanmerking nemen. 3. De appelrechter oordeelt dat de vaststelling van een kennelijke inbreuk betekent dat er geen ernstige twijfel is over het bestaan van de inbreuk en dat de gevolgen van de inbreuk op het leefmilieu alleen aan de orde zijn bij de beoordeling van de opportuniteit van de gevraagde maatregelen. 4. Door aldus te oordelen schendt de appelrechter artikel 1, eerste lid, van de wet van 12 januari 1993. 5. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Greta Bourgeois, Etienne Goethals en Ghislain Londers, en in openbare terechtzitting van 2 maart 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060302.8 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260115.1N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961108.10 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020214.10 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161209.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div