← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060302.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060302.9 Rolnummer: C.04.0567.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-16 Raadplegingen: 273 - laatst gezien 2026-07-03 09:08 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Hoewel hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf aanhangig maakt bij de rechter in hoger beroep, staat het aan de partijen door het hoofdberoep of door het incidenteel beroep de perken te bepalen waarbinnen de appèlrechter over de aan de eerste rechter voorgelegde betwistingen uitspraak moet doen. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Voorwaarden hoger beroep - Algemeen Vrije woorden: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Algemeen Perken Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.1068,eerst Fiche 2 Wanneer een beperkt hoger beroep wordt ingesteld tegen een vonnis, kan er door de appellant een nakomend hoger beroep worden ingesteld bij conclusie tegen de overige beslissingen waartegen hij geen hoger beroep had ingesteld, op voorwaarde dat de termijn van hoger beroep niet verstreken is en in zoverre hij niet heeft berust in die beslissingen. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Algemeen Vrije woorden: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Algemeen Beperkt hoger beroep Nakomend hoger beroep Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.1056,4° Fiches 3 - 4 De rechter kan niet weigeren op grond van een vertrouwensbeginsel de regeling van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het hoger beroep toe te passen op de voorziening gericht tegen de beslissing van de provinciegouverneur gewezen op grond van de bepalingen van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Allerlei Vrije woorden: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Allerlei Natuurramp Beslissing van de gouverneur Voorziening Toepasselijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 12-07-1976 - Artt.1,§1,3, Thesaurus CAS: NATUURRAMP Vrije woorden: NATUURRAMP Beslissing van de gouverneur Voorziening Hoger beroep Toepasselijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 12-07-1976 - Artt.1,§1,3, Annotaties Publicaties: P&B/R.D.J.P. - Stefaan VOET; De begrenzing van de devolutieve werking... - 2007,25-32 Tekst van de beslissing Nr. C.04.0567.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 2, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen

  1. C.E.,
  2. V.Y., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 14 oktober 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1, ,§1, 3, 24 en 27 van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen; - de artikelen 6, 1354 en 1356 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 1044, 1045 en 1056, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel luidens hetwelk een afstand van recht strikt moet worden geïnterpreteerd, niet wordt vermoed en enkel kan worden afgeleid uit feiten en gedragingen die niet voor een andere uitlegging vatbaar zijn, waarvan o.a. artikel 1045 van het Gerechtelijk Wetboek een toepassing vormt; - het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, waaronder het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel; - artikel 159 van de Grondwet en het daaruit afgeleide legaliteits- of wettelijkheidsbeginsel. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest zegt voor recht dat aan de verweerders een herstelvergoeding van 29.079,40 euro wordt toegekend en dat het maximumbedrag van het herstelkrediet aan verlaagde rentevoet wordt vastgesteld op 5.256,33 euro (212.040 BEF), op grond dat: "Wanneer een partij hoger beroep heeft ingesteld over bepaalde punten, kan zij dit hoger beroep uitbreiden tot andere punten bij conclusie voor zover zij niet heeft berust in deze punten, waarvoor zij aanvankelijk geen beroep heeft ingesteld. Eiser in voorziening betwist ten stelligste dat hij heeft berust in de toekenning van een provisionele vergoeding van 1.173.060 BEF en stelt dat hij zijn eis kan wijzigen in de loop van de procedure conform artikel. 24 van de Rampenschadewet, nadat hij in het bezit kwam van nieuwe documenten. De Rampenschadewet beoogt niet de integrale schade, die de geteisterde heeft geleden te vergoeden, doch zij verleent enkel een financiële tegemoetkoming voor de materiële schade die het rechtstreeks gevolg is van de hevige regens van 13, 14 en 15 september 1998 erkend als natuurramp. Het Hof van Cassatie erkende in zijn arrest van 27 maart 1992 (Arr. Cass. 1991-1992, 727) het recht op rechtszekerheid als een beginsel van behoorlijk bestuur. De bestuurde moet kunnen rekenen op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid; de burger moet er ook op kunnen rekenen dat het bestuur regels in acht neemt. Uit de bewoordingen van de beslissing van de Provinciegouverneur konden de verweerders afleiden dat wel degelijk enkel rekening werd gehouden met de rechtstreekse schade. De Rampenschadewet is een uitzonderingswetgeving die strikt dient geïnterpreteerd te worden. De in de aanvraag aangegeven schade heeft betrekking op goederen die tot een land- of tuinbouwuitbating behoren, gelegen te Berlaar, Heist-op-den-Berg, Lier en Edegem, op de door de geteisterde in de aanvraag aangeduide percelen. In het verzoekschrift in hoger beroep weerhoudt eiser in voorziening dat de schade aan de maïs op de percelen in Lier voor 50 pct. vergoedbaar is, aangezien deze schade het rechtstreeks gevolg is van de hevige regens, die als natuurramp werden erkend. Indien eiser in voorziening in conclusies, neergelegd ter griffie op 10 oktober 2000 vordert dat de verweerders zouden veroordeeld worden tot terugbetaling van het provisioneel uitgekeerde bedrag, houdt dit een schending in van het vertrouwensbeginsel. De Raad van State omschreef het vertrouwensbeginsel als één der beginselen van behoorlijk bestuur, volgens hetwelk de burger moet kunnen betrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid, of op toezeggingen of beloften die de overheid in het concrete geval heeft gedaan. Dat er in casu duidelijk een schending is van het vertrouwensbeginsel, aangezien eiser in voorziening in zijn verzoekschrift duidelijk een deel van de schade erkent en een gedeelte van de vergoeding, die door de gouverneur was toegekend erkent en uitbetaalt, weliswaar ten provisionele titel in afwachting van een eindarrest, waarbij de bedragen definitief worden bepaald" (p. 3 - 4, eerste alinea). Grieven Eerste onderdeel
  3. Het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur omvat het recht op rechtszekerheid waarvan het vertrouwensbeginsel een aspect vormt. Het recht op rechtszekerheid houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat volgens hem niet anders dan een vaste gedragsregel en een regel van bestuur kan zijn en krachtens hetwelk de openbare diensten dienen te voldoen aan de bij hem gewekte gewettigde verwachtingen. Het recht op rechtszekerheid kan door de burger slechts worden ingeroepen voor zover hij er in alle redelijkheid kan van uitgaan dat de gewekte verwachtingen kunnen en zullen worden ingelost door het bestuur, met andere woorden wanneer de gewekte verwachtingen "rechtmatig", "gewettigd" of "gerechtvaardigd" zijn. Wanneer de burger kon voorzien dat de gewekte verwachtingen mogelijks niet door het bestuur kunnen of mogen worden beantwoord, dan kan bijgevolg geen schending van het recht op rechtszekerheid, noch van het vertrouwensbeginsel worden vastgesteld.
  4. Een schending van het vertrouwensbeginsel kon in casu bijgevolg niet worden afgeleid uit het feit dat de verweerders "uit de bewoordingen van de beslissing van de Provinciegouverneur konden (...) afleiden dat wel degelijk enkel rekening was gehouden met de rechtstreekse schade" nu deze beslissing niet toeliet om gewettigde verwachtingen te koesteren met betrekking tot de vergoedbaarheid van hun schade. Immers, artikel 24 van de wet van 12 juli 1976 biedt aan eiser steeds de mogelijkheid om alle punten van de bestreden beslissing van de Provinciegouverneur opnieuw ter sprake te brengen voor het hof van beroep. De wet van 12 juli 1976 voorziet bovendien in een herzieningsprocedure waardoor op verzoek van eiser zelfs een definitief geworden vergoedingsbeslissing kan worden vernietigd door de gouverneur die ze heeft gewezen, bijvoorbeeld, wanneer blijkt dat de beslissing werd gewezen op stukken of verklaringen die later vals of klaarblijkelijk onjuist bevonden werden (artikel 27, ,§1, 3°, van de wet van 12 juli 1976).
  5. Ook door in het verzoekschrift in hoger beroep voor te houden dat de schade aan de maïs op de percelen in Lier voor 50 pct. vergoedbaar is, aangezien deze schade het rechtstreeks gevolg is van de hevige regens, die als natuurramp werden erkend, kan niet worden afgeleid dat eiser zodoende bij de verweerders gewettigde verwachtingen heeft geschapen omtrent de schadeloosstelling van hun geteisterde maïsvelden te Lier. Elke partij kan, overeenkomstig de artikelen 1056, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek en 24 van de wet van 12 juli 1976, bij conclusie zijn hoger beroep immers uitbreiden tot andere punten, voor zover zij niet heeft berust in deze punten waartegen aanvankelijk geen beroep was ingesteld. Een stilzwijgende berusting, waarbij afstand wordt gedaan van een rechtsmiddel dat een partij kan aanwenden tegen een beslissing, mag enkel worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende handelingen of feiten waaruit blijkt dat de partij het vaste en ondubbelzinnige voornemen heeft haar instemming te betuigen met die beslissing (artikelen 1044 en 1045 Ger.W.). Te dezen kan het loutere feit dat eiser in zijn beroepsakte een deel van de schade van de verweerders heeft erkend niet als een daad van stilzwijgende berusting worden opgevat. In zaken die de openbare orde raken, zoals de bepalingen van de wet van 12 juli 1976, waarin een strikt afgebakend wettelijk schadebegrip wordt gehanteerd, kan niet worden berust, noch kan desbetreffend een gerechtelijke bekentenis worden afgelegd. De bekentenis kan immers niet slaan op zaken waarover de wet niet toelaat te beschikken of waarover geen dading mag worden aangegaan (artikel 6 B.W.). Een bekentenis kan bovendien enkel betrekking hebben op feiten en niet op rechtskwesties (artikel 1354 B.W.). De vaststelling van de vergoeding waarop de verweerders recht hebben op grond van de wet van 12 juli 1976 betreft een rechtskwestie zodat aan de erkenning door eiser van de door de verweerders geleden schade niet de waarde van een gerechtelijke bekentenis kan worden toegekend die een volledig bewijs oplevert tegen hem die de bekentenis heeft afgelegd (artikel 1356, tweede lid, B.W.). Een gerechtelijke bekentenis kan tenslotte steeds worden herroepen indien bewezen wordt dat zij het gevolg is van een dwaling omtrent de feiten (artikel 1356, vierde lid, B.W.). Welnu, in zijn beroepsbesluiten had eiser aangevoerd dat hij pas na het aantekenen van het hoger beroep kennis had gekregen van nieuwe wetenschappelijke gegevens die aantoonden dat de schade aan de maïs niet rechtstreeks was veroorzaakt door de als ramp erkende regenval maar door het laattijdig oogsten, welke feitelijke dwaling eiser toeliet terug te komen op zijn eerder ingenomen standpunt (zie beroepsbesluiten neergelegd van 10 oktober 2000, p. 2, vierde tot en met zesde alinea; zie ook de beroepsbesluiten neergelegd op 11 februari 2002, p. 2, vierde en vijfde alinea; beroepsbesluiten neergelegd op 5 juli 2002, p. 5, laatste alinea).
  6. Ook het feit dat eiser een gedeelte van de vergoeding, die door de Provinciegouverneur aan de verweerders was toegekend, ten provisionele titel heeft uitbetaald, laat niet toe om tot het bestaan van een stilzwijgende berusting in de beslissing van de Provinciegouverneur te besluiten, noch kan deze betaling als een gerechtelijke bekentenis worden opgevat. Los van het feit dat te dezen bepalingen van openbare orde in het geding zijn (zie hoger punt 3), laat artikel 26 van de wet van 12 juli 1976 aan eiser uitdrukkelijk toe om, zonder de beslissing van het hof van beroep af te wachten en zonder nadelige erkentenis inzake de rechten der partijen, over te gaan tot de provisionele uitvoering van de bestreden beslissing, in de mate dat hij er de gegrondheid niet van betwist. Eiser merkte in dat verband pertinent op dat in de beslissing van de provisionele uitvoering uitdrukkelijk werd vermeld dat "onderhavige provisionele uitvoering brengt geen enkele erkenning mede van enig recht ten voordele van de begunstigde en neemt geen stelling aangaande het bedrag van de financiële Staatstussenkomst dat hem ten definitieve titel zal worden toegekend. Elke provisionele uitbetaling die het bedrag van de definitieve vergoeding te boven gaat, geeft aanleiding tot terugvordering; anderzijds doet de onderhavige provisionele uitvoering in geen enkel opzicht afbreuk aan de rechten van wettelijk verhaal" (zie de door eiser als stuk 6 neergelegde beslissing van provisionele uitvoering nr. 404 van 11 oktober 1999, geciteerd in zijn beroepsbesluiten, ter griffie neergelegd op 10 oktober 2002, p. 3, vierde alinea). Wanneer eiser naderhand in zijn beroepsbesluiten de terugbetaling heeft gevorderd van deze provisionele betaling dan kan hem bijgevolg niet worden verweten de verweerders desbetreffend in hun gerechtvaardigde verwachtingen te hebben beschaamd.
  7. Uit wat voorafgaat volgt dat de verweerders in alle redelijkheid konden voorzien dat de hen provisioneel uitbetaalde vergoeding niet noodzakelijk definitief was verworven. Door zijn initiële houding in de gerechtelijke fase van de procedure heeft eiser m.a.w. geen rechtmatige, gewettigde of gerechtvaardigde verwachtingen kunnen wekken in hoofde van de verweerders. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig, op grond van de bewoordingen van de beslissing van de gouverneur (zie punt 2), de erkenning van de schade in het verzoekschrift tot hoger beroep (zie punt 3) en de provisionele uitbetaling van de vergoeding (zie punt 4), heeft kunnen oordelen dat het vertrouwensbeginsel door eiser werd miskend doordat hij in zijn beroepsconclusies, neergelegd ter griffie op 10 oktober 2000, heeft gevorderd dat de verweerders zouden worden veroordeeld tot terugbetaling van het provisioneel uitgekeerde bedrag (schending van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, inzonderheid het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, het algemeen rechtsbeginsel luidens hetwelk een afstand van recht strikt moet worden geïnterpreteerd, niet wordt vermoed en enkel kan worden afgeleid uit feiten en gedragingen die niet voor een andere uitlegging vatbaar zijn, waarvan onder andere artikel 1045 van het Gerechtelijk Wetboek een toepassing vormt, de artikelen 1044, 1045 en 1056, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek, 6, 1354, 1356 van het Burgerlijk Wetboek en 1, ,§l, 3, 26, 27 van de wet van 12 juli 1976). Tweede onderdeel Het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur kan niet worden ingeroepen indien dat leidt tot een beleid dat tegen wettelijke bepalingen ingaat wat betekent dat het recht op rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel geen toepassing kunnen vinden wanneer rechtskwesties aan de orde zijn omdat het wettelijkheidsbeginsel alsdan primeert (artikel 159 G.W.). In casu werd aan de appelrechter de kwestie voorgelegd aangaande het rechtstreeks dan wel onrechtstreeks karakter van de schade die aan de maïs was toegebracht door de hevige regenval die als ramp was erkend. De wet van 12 juli 1976, die de openbare orde raakt, hanteert een specifiek schadebegrip in die zin dat enkel rechtstreekse schade voor vergoeding in aanmerking komt (zie artikel 1, ,§1). Eiser dient, als overheid, erover te waken dat enkel een vergoeding wordt toegekend aan de geteisterden binnen het strikte kader van voormelde wet zodat hij, op grond van deze gebonden bevoegdheid, enkel rechtstreekse schade voor vergoeding in aanmerking kan nemen. De kwestie in verband met de terugvordering van een onverschuldigd betaalde vergoeding voor rampenschade betrof in casu bijgevolg een rechtskwestie zodat het vertrouwensbeginsel geen afwijking van de wet kon rechtvaardigen. Noch de bewoordingen van de beslissing van de Provinciegouverneur, noch de erkenning van de schade van de verweerders in de beroepsakte van eiser en de provisionele uitbetaling van de vergoeding toegekend door de Provinciegouverneur vermochten derhalve als een "beleid" te worden opgevat vanwege eiser dat door de verweerders niet anders dan als een vaste gedragsregel en een regel van bestuur kon worden opgevat. De door eiser bij de verweerders gewekte verwachtingen lieten bijgevolg niet toe om een herstelvergoeding en herstelkrediet toe te kennen voor onrechtstreekse schade nu dit strijdig is met de dwingende bepalingen van de wet van 12 juli 1976 en zodoende met het wettelijkheidsbeginsel. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig eisers vordering tot terugbetaling van het onverschuldigde betaalde heeft kunnen afwijzen wegens de schending van het vertrouwensbeginsel (schending van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, inzonderheid het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, het wettelijkheidsbeginsel, de artikelen 159 G.W. en 1, ,§1, en 3 van de wet van 12 juli 1976). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  8. Hoewel volgens artikel 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf aanhangig maakt bij de rechter in hoger beroep, staat het evenwel aan de partijen door het hoofdberoep of door het incidenteel beroep de perken te bepalen waarbinnen de appelrechter over de aan de eerste rechter voorgelegde betwistingen uitspraak moet doen. Wanneer een beperkt hoger beroep wordt ingesteld tegen een vonnis, kan er door de appellant een nakomend hoger beroep worden ingesteld bij conclusie overeenkomstig artikel 1056, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek tegen de overige beslissingen waartegen hij geen hoger beroep had ingesteld, op voorwaarde dat de termijn van hoger beroep niet verstreken is en in zoverre hij niet heeft berust in die beslissingen.
  9. Overeenkomstig artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek is voormelde regeling van toepassing op de voorziening gericht tegen de beslissing van de provinciegouverneur gewezen op grond van de bepalingen van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen.
  10. De rechter kan niet weigeren die regeling toe te passen op grond van een vertrouwensbeginsel.
  11. Het arrest stelt vast dat: - de eiser in het verzoekschrift tot hoger beroep weerhoudt dat de schade aan de maïs op de percelen in Lier voor 50 pct. vergoedbaar is aangezien die schade het rechtstreeks gevolg is van de hevige regens die als natuurramp werden erkend; - de eiser de vergoeding van die schade heeft uitbetaald, weliswaar ten provisionele titel in afwachting van een eindarrest; - de eiser in conclusies voor de appelrechters vordert dat de verweerders zouden veroordeeld worden tot terugbetaling van het provisioneel uitgekeerde bedrag.
  12. Vervolgens oordeelt het arrest dat de eiser door in conclusies in hoger beroep de terugbetaling te vragen van het provisioneel uitgekeerde bedrag terwijl hij duidelijk een deel van de schade heeft erkend en een gedeelte van de vergoeding heeft uitbetaald, het vertrouwensbeginsel heeft geschonden.
  13. Door aldus te oordelen, zonder vast te stellen dat de eiser bij conclusie zijn hoger beroep niet meer kon uitbreiden omdat hetzij de termijn van hoger beroep verstreken was, hetzij dat de eiser berust had, verantwoorden de appelrechters hun beslissing dat eiser het vertrouwensbeginsel heeft geschonden niet naar recht.
  14. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigd arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van 2 maart 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060302.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.