← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060309.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060309.10 Rolnummer: F.04.0052.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht Invoerdatum: 2007-03-13 Raadplegingen: 534 - laatst gezien 2026-07-04 08:15 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Inzake inkomstenbelastingen moet het verzoekschrift in cassatie van de belastingplichtige in elk geval door een advocaat worden ondertekend en neergelegd

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BELASTINGZAKEN - Vormen - Vorm van het cassatieberoep en vermeldingen Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - BELASTINGZAKEN - Vormen - Vorm van het cassatieberoep en vermeldingen Cassatieberoep vanwege de belastingplichtige Ondertekening Neerlegging Wettelijke bepalingen: Wet - 12-06-1992 - Art.378 Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Algemeen Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Algemeen Voorziening in cassatie Cassatieberoep vanwege de belastingplichtige Vormvereisten Ondertekening Neerlegging Wettelijke bepalingen: Wet - 12-06-1992 - Art.378 Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. Thijs, Cass., 9 maart 2006, AR F.04.0052.N, A.C., 2006, nr .... Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BELASTINGZAKEN - Vormen - Vorm van het cassatieberoep en vermeldingen Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - BELASTINGZAKEN - Vormen - Vorm van het cassatieberoep en vermeldingen Cassatieberoep vanwege de belastingplichtige Ondertekening Neerlegging Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Algemeen Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Algemeen Voorziening in cassatie Cassatieberoep vanwege de belastingplichtige Vormvereisten Ondertekening Neerlegging Nota: F.04.0052.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: 1. De toelaatbaarheid van het cassatieberoep. De vraag stelt zich of het cassatieberoep dat door R. en K. op 1 oktober 2004 werd ingesteld tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 2 december 2003 wel ontvankelijk is nu het verzoekschrift houdende de voorziening in cassatie niet door een advocaat is ondertekend. Het ten deze toepasselijk artikel 378 van het W.I.B.
(1992)
(1)bepaalt het volgende: "Het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie mag door een advocaat worden ondertekend en neergelegd." Deze bepaling betreft een afwijking op artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek dat voorschrijft dat het verzoekschrift door een advocaat bij het Hof van Cassatie moet worden ondertekend. Wanneer men beide bepalingen samen leest, zou men kunnen besluiten dat in fiscale zaken het cassatieberoep verplicht moet worden ondertekend door een advocaat. Art. 378 W.I.B. 1992 is evenwel op dit punt niet duidelijk nu het niet voorschrijft dat het verzoekschrift moet worden ondertekend door een advocaat, doch wel dat zulks mag. Gelet op het gebruik van het woord 'mag', stelt zich dan ook de vraag of de bijstand van een advocaat voor de belastingplichtige niet een mogelijkheid betreft, veeleer dan een verplichting. De verantwoording bij het regeringsamendement dat aan de grondslag ligt van artikel 378 W.I.B. 92
(2)luidt als volgt: "Dit amendement voorziet dat de procedure van voorziening in cassatie, zoals dat thans reeds het geval is inzake de inkomstenbelastingen, mag worden ingeleid zonder rechtstreekse tussenkomst van een advocaat bij het Hof van Cassatie" (Parl. St., Senaat, 1998-99, nr. 1-966/7, 6 en nr. 1-966/11, 170). Uit de verwijzing in de verantwoording van het amendement naar de oude procedure inzake inkomstenbelastingen, die toeliet dat een belastingplichtige of zijn advocaat cassatieberoep aantekende, kan m.i. worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever was om de oude regeling van artikel 388 W.I.B. 1992 op dit punt te behouden. Zulks blijkt overigens uit de parlementaire voorbereiding van de wet: "Ten slotte bevestigt de minister dat voortaan voorziening in cassatie kan worden ingesteld zonder dat daarvoor een advocaat bij het Hof van cassatie hoeft te worden ingeschakeld (...). Daarbij is het zaak de toegang van de belastingplichtigen tot alle niveaus van gerechtelijke aanleg te vergemakkelijken. Bovendien wordt de mogelijkheid voor de administratie der directe belastingen om zonder een beroep te doen op een advocaat voorziening in cassatie in te stellen door het ontwerp uitgebreid tot de verschillende soorten van belastingen" "De fiscale administratie kan voortaan cassatieberoep instellen zonder een beroep te moeten doen op een advocaat. Deze regel, die thans reeds in het W.I.B. 1992 voorkomt, wordt voortaan (...) ook in de overige fiscale Wetboeken (...) opgenomen." (Verslag SUYKENS en MEUREAU, ParL. ST., Kamer, 1997-98, nr. 1341/23, 19-20, en 35). Het is precies vanuit deze optiek dat in de nieuwe artikelen 378 W.I.B.
(1992), 93 W.B.T.W., 225ter W. Reg., 142-4 W. Succ., 75bis W.Zeg. en 210bis W. Taksen, telkens de zin "Het verzoekschrift mag voor de eiser door een advocaat ondertekend en neergelegd worden" ingevoegd werd. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 378 W.I.B.
(1992)blijkt zodoende dat het woord "mag" in artikel 378 W.I.B. 1992 strikt dient te geïnterpreteerd zodat de eiser in cassatie over de mogelijkheid beschikt beroep te doen op een advocaat zonder daartoe verplicht te zijn. Deze opvatting, die aansluit bij de wetsgeschiedenis en stoelt op een strikte interpretatie van de van het gemeen recht afwijkende bepaling, vindt ook steunt in de rechtsleer. Zo stelt auteur MAGREMANNE: "Si le texte légal prévoit désormais que la requête peut être signée et déposée par un avocat, il ne dit pas qu'elle doit l'être par un avocat, ce qui laisse à penser qu'elle peut être signée par la partie en personne, conformément aux règles habituelles de comparution et de représentation des parties en justice " (J.-P. MAGREMANNE e.a., Le contentieux de l'impôt sur les revenus, Brussel, Kluwer, 2000, 709, nr. 662). Ook de auteurs F. VANISTENDAEL, P. VAN ORSHOVEN en V. DAUGINET en K. SPAGNOLI zijn de mening toegedaan dat de belastingplichtige zich, ook na de hervorming bij de procedurewetten van 15 en 23 maart 1999, in cassatie kan voorzien zonder de bijstand van een advocaat (F. VANISTENDAEL en P. VAN ORSHOVEN, De nieuwe fiscale procedure, Ced.Samsom, Diegem, 1999, nr. 63, p. 171 e.v.; V. DAUGINET en K. SPAGNOLI, De nieuwe fiscale procedure Commentaar bij de wetten van 15 en 23 maart 1999, Biblo, Kalmthout, 1999, 134, nr. 615). Voormelde auteurs wijzen in dit verband tevens op het belang van artikel 478 van het Gerechtelijk Wetboek krachtens welke bepaling "voor het Hof van Cassatie in burgerlijke zaken alleen advocaten (kunnen) optreden en conclusies nemen, die de titel van advocaat bij het Hof van Cassatie voeren". Alhoewel de notie "burgerlijke zaken" in die bepaling prima facie staat tegenover "strafzaken", en dus de fiscale geschillen omvat, wordt zij van oudsher een stuk enger geïnterpreteerd, als "burgerlijke, handelsen sociale zaken", dus met uitsluiting van straf- en fiscale zaken, zodat de tussenkomst van een advocaat bij het Hof van Cassatie niet vereist is in fiscalibus. Ook de parlementaire voorbereiding van artikel 478 Ger. W. verduidelijkt dat het monopolie van de advocaten bij het Hof van Cassatie voor "burgerlijke" zaken enkel "burgerlijke, handels- en sociale " zaken betreft (R.v.St., advies bij het ontwerp van gerechtelijk wetboek (artikel 478 partim), Parl. St., Senaat, 1963-64, nr. 60, 844; M. MAHIEU en J. BAUDREZ, De Belgische advocatuur, 1980, 138; R. B)TZLER en R. VANCRAENBROECK, "Advocaten bij het Hof van Cassatie. Art. 478", in Com. Ger.,
(1984), 5). Fiscale zaken vallen derhalve per definitie binnen de bevoegdheid van alle advocaten, ongeacht of zij de titel van advocaat bij het Hof van cassatie voeren (V. DAUGINET en K. SPAGNOLI, o.c., nr. 615, in fine). De ratio legis van artikel 378 W.I.B.
(1992)bestaat er dan ook in deze context in te preciseren dat voor de eiser in cassatie in fiscale zaken de tussenkomst van een gewone advocaat, die door artikel 478 Ger. W. mogelijk wordt gemaakt, niet verplicht is, doch slechts facultatief. Waar artikel 378 W.I.B. 1992 bepaalt dat het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie door een advocaat mag worden ondertekend en neergelegd, maakt het geen onderscheid naar gelang het cassatieberoep uitgaat van de fiscale administratie, dan wel van de belastingplichtige. Uit de rechtspraak van Uw Hof blijkt impliciet dat cassatieberoepen in fiscale zaken ingesteld door de fiscale administratie zelf, zonder de bijstand van een advocaat, ontvankelijk worden geacht. Die rechtspraak moet m.i. voor gevolg hebben dat ook de belastingplichtige over de mogelijkheid moet beschikken in fiscale zaken cassatieberoep in te stellen zonder de bijstand van een advocaat. Gelet op het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel lijkt het mij onmogelijk dezelfde wettekst een verschillende interpretatie te geven naargelang het cassatieberoep uitgaat van de belastingplichtige, dan wel van een fiscale ambtenaar, te meer nu beide categorieën eisers op cassatietechnisch vlak even onbedreven kunnen zijn. Het in deze zaak door de echtgenoten ROBA-KNAEPEN ingesteld cassatieberoep komt mij dan ook ontvankelijk voor. Ten gronde. In zijn memorie van antwoord werpt verweerder terecht op dat het enig middel niet ontvankelijk is wegens onduidelijkheid nu eisers schending aanvoeren van de artikelen 1325, 1327 en 1329 van het Burgerlijk Wetboek zonder nader te preciseren hoe het bestreden arrest deze bepalingen zou hebben miskend. Besluit: VERWERPING. ARREST ___________________________
(1)Art. 378 W.I.B.
(1992), zoals vervangen bij artikel 2 Wet van 10 december 2001, alvorens het werd gewijzigd bij art. 380 Programmawet 27 december 2004.
(2)Art. 378 W.I.B.
(1992), zoals gewijzigd door de wet van 15 maart
  1. Tekst van de beslissing Nr. F.04.0052.N
  2. R.A.
  3. K.A., eisers, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der directe belastingen te Antwerpen, wiens kantoor gevestigd is te 2000 Antwerpen, Italiëilei 4, bus 2, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 2 december 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  4. Het openbaar ministerie werpt op dat het cassatieberoep niet door een advocaat is ondertekend.
  5. Artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt onder meer dat het verzoekschrift waarbij het cassatieberoep wordt ingesteld, zowel op het afschrift als op het origineel door een advocaat bij het Hof van Cassatie is ondertekend. In afwijking van deze bepaling bepaalt artikel 378 Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, zoals gewijzigd bij artikel 34 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, dat het verzoekschrift in cassatie voor de belastingplichtige door een advocaat ondertekend en neergelegd mag worden. Hieruit volgt dat inzake inkomstenbelastingen het verzoekschrift in cassatie van de belastingplichtige in elk geval door een advocaat moet worden ondertekend en neergelegd.
  6. Het cassatieberoep is niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 11,40 euro jegens de eisende partijen en op de som van 136,56 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei en Ghislain Londers, en in openbare terechtzitting van 9 maart 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060309.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121220.17 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20141010.2 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20161202.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061116.8 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071122.6 ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20071122.6 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110610.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.