← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060309.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060309.6 Rolnummer: C.04.0095.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2006-07-14 Raadplegingen: 383 - laatst gezien 2026-07-03 08:59 Versie(s): Vertaling FR Fiche De vrijstelling waarin art. 117, ,§ 1, eerste lid, W. Reg. voorziet in geval van inbreng van de universaliteit der goederen bij wijze van fusie, splitsing of anderszins in één of meer nieuwe of bestaande vennootschappen, is ook van toepassing op de inbreng van onroerende goederen, en is ook toepasselijk wanneer de inbreng niet gepaard gaat met uitgifte van aandelen. Thesaurus CAS: REGISTRATIE (RECHT VAN) Vrije woorden: REGISTRATIE (RECHT VAN) Vrijstellingen Inbreng van de universaliteit der goederen in vennootschappen Vrijstelling van artikel 117, ,§ 1 W. Reg. Tekst van de beslissing Nr. C.04.0095.N BELGISCHE STAAT, in de persoon van de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de ontvanger der registratie te Maaseik, met kantoor te 3680 Maaseik, Bleumerstraat 72, eiser, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen ALU-BEK, naamloze vennootschap, met zetel te 3950 Bocholt, Hoekstraat 2, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 30 oktober 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. De eiser voert in een verzoekschrift een middel aan. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 115, 115bis, 117, ,§1, en 129 van het wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (hierna W. Reg); - onterechte toepassing van artikel 676, 1°, van het Wetboek van Vennootschappen, ingevoerd bij de wet van 7 mei 1999 (hierna W. Venn.); - voor zoveel als nodig, artikel 1 van het Wetboek van Vennootschappen, ingevoerd bij de wet van 7 mei

  1. Aangevochten beslissingen Het arrest bevestigt het vonnis van de eerste rechter, behoudens waar de interesten werden toegekend vanaf 26 februari 1997, en verwijst eiser tot betaling van vier vijfden van de kosten van hoger beroep. Het vonnis van de eerste rechter "verklaart de vordering van (verweerster), zoals uitgebreid, ontvankelijk en gegrond; veroordeelt (eiser) tot betaling aan (verweerster) van de som van 30.763,59 euro, meer de moratoire interesten vanaf 26 februari 1997 en de gerechtelijke interesten; veroordeelt (eiser) tot de kosten van het geding. De uitspraak van het hof van beroep is gesteund op de volgende motieven: "Krachtens art. 676, 1°, W. Venn. wordt een rechtshandeling waarbij het gehele vermogen van één of meer vennootschappen, zowel de rechten als de verplichtingen, als gevolg van ontbinding zonder vereffening overgaat op een andere vennootschap die reeds houdster is van al hun aandelen, gelijkgesteld met een fusie door overneming. Door deze wettelijke bepaling moet geacht worden dat deze vorm van overname beantwoordt aan hetgeen in art. 671 W. Venn. is bepaald en dat er dus een daadwerkelijke inbreng is gebeurd. Ingevolge de gelijkstelling met de fusie heeft de wetgever bedoeld dat aan de overname zoals beschreven in art. 676 W. Venn. dezelfde rechtsgevolgen worden gehecht als aan de fusie "tenzij anders bij wet bepaald". (Eiser) toont niet aan dat inzake registratierechten een verschillende behandeling is voorzien tussen de fusie in eigenlijke zin en de overname zoals in art. 676 W. Venn. omschreven. Het is dan ook onterecht dat (eiser) verwijst naar hetgeen zich in feite voordoet: niet ingevolge de feiten heeft de geruisloze fusie een inbreng tot gevolg maar ingevolge de wil van de wetgever die de overname, beschreven in art. 676 W. Venn., als een fusie heeft willen doen behandelen. De interpretatie die (eiser) voorstaat doet dan ook afbreuk aan de door de wet bedoelde gelijkschakeling van art. 676 W. Venn. De "verwerving" van het onroerend goed in kwestie is ingevolge genoemde wetsbepaling (die in feite een fictie inhoudt) te beschouwen als een inbreng bij fusie waarop de vrijstelling van art. 117 W. Reg. toepasselijk is. De eerste rechter heeft dan ook terecht besloten dat geen registratierechten verschuldigd waren Grieven In toepassing van artikel 129, W. Reg., wordt de verkrijging, met uitzondering van de inbreng door de vennoot van (onder meer) een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, van in België gelegen onroerende goederen van deze vennootschap, onderworpen aan het proportioneel recht vastgesteld voor verkoop. De verder in dit artikel omschreven uitzondering is terzake niet relevant. In het arrest wordt vastgesteld dat verweerster deelgenoot was in de opgeslorpte vennootschap, en wel 100 pct. van de aandelen ervan bezat. Deze heffing is onafhankelijk van de toepassing van artikel 115 en 115bis, W. Reg. De bepaling van artikel 117, ,§1, W. Reg., verleent een vrijstelling van het recht omschreven in artikel 115, W. Reg., maar kan niet toegepast worden op de heffing voorgeschreven in artikel 129 W. Reg. Artikel 117, ,§1, W. Reg. houdt een vrijstelling van het evenredig inbrengrecht in, op de inbreng van de universaliteit der goederen van een vennootschap, in de aangeduide context, terwijl de akte waarop de bestreden heffing werd toegepast (door de bodemrechter aangeduid als "geruisloze fusie") geen inbreng vaststelt. De in artikel 129 opgelegde heffing is integendeel verschuldigd op de verkrijging van onroerende goederen anders dan door inbreng. Er kan slechts sprake zijn van inbreng wanneer de verrichting onder meer leidt tot een vermeerdering van het vennootschappelijk kapitaal bij de overnemende vennootschap tegen toekenning van effecten die rechten in het vennootschappelijk kapitaal vertegenwoordigen. De verrichting moet het economisch potentieel van de begunstigde vennootschap versterken. Een fusie door overneming van een vennootschap door een andere die reeds 100 pct. van het kapitaal van eerstgenoemde vennootschap bezit, leidt tot geen enkele vermeerdering van het vennootschappelijk kapitaal van laatstgenoemde vennootschap. Er wordt enkel een element dat voorkomt op het actief van de overnemende vennootschap (de aandelen in de overgenomen vennootschap) vervangen door een ander element (het volledig patrimonium van de overgenomen vennootschap). Bovendien ontbreekt de toekenning van representatieve maatschappelijke rechten. Bij een met een fusie door overneming gelijkgestelde verrichting vindt er bij gevolg geen inbreng plaats. De bemerking van de appelrechters, dat artikel 676 W. Venn. "in feite een fictie inhoudt", moet genuanceerd worden. Dit artikel beoogt de in de daaropvolgende bepalingen opgenomen reglementatie toepasselijk te maken op een aantal verrichtingen die in de enge strikte betekenis van het woord geen fusies zouden zijn. In die reglementatie wordt de toepassing van deze regeling behandeld in geval van faillissement, alsook de gevolgen ervan met betrekking tot het tenietgaan van de rechtspersoonlijkheid, de tegenstelbaarheid tegenover derden en de problemen van aansprakelijkheid. De toepassing van het geheel van die regelingen wordt bevestigd voor de zogenaamde "geruisloze fusie" zoals in de akte die tot het onderhavig geschil aanleiding geeft. Dit alles blijft in de logica van het stelsel: deze akten resulteren wel in een "samensmelting" van twee rechtspersonen. De krachtens artikel 115 en volgende opgelegde registratierechten worden niet geheven op grond van een wijziging in de structuur van de betrokken rechtspersonen, maar op grond van een inbreng. Hier komt de regeling waarvan het toepassingsgebied door artikel 676 W. Venn. wordt uitgebreid niet meer in aanmerking. Regelingen met betrekking tot tegenstelbaarheid en aansprakelijkheid hebben met het al dan niet bestaan van een inbreng geen uitstaans. De bemerking, dat ten deze artikel 676 "in feite een fictie inhoudt", lijkt niet aannemelijk. Een fictie van "inbreng" als er niets aan het maatschappelijk vermogen wordt toegevoegd, heeft geen concrete betekenis. Bij ontbreken van een uitdrukkelijke wettelijke bepaling kan dus niet aangenomen worden dat artikel 676 W. Venn. "door een fictie" de "geruisloze fusie" zoals ten deze gerealiseerd, met een inbreng van maatschappelijk vermogen zou gelijkstellen. Een met fusie door overneming gelijkgestelde verrichting in de zin van artikel 676, 1°, W. Venn. kan derhalve bij afwezigheid van inbreng niet onder de toepassing van de artikelen 115, 115bis en 117, ,§1, W. Reg. vallen. De appelrechter miskent het begrip inbreng en maakt, door te stellen dat inzake registratierechten een verschillende behandeling tussen de fusie in eigenlijke zin en de overname zoals in artikel 676 W. Venn. omschreven niet is voorzien, een onjuiste toepassing van artikel 117, ,§1, W.Reg. Besluit Het arrest oordeelt ten onrechte dat op de rechtshandeling, die in de besproken akte van 30 oktober 1995 geakteerd wordt, de door artikel 117 Wb. Reg. omschreven vrijstelling dient toegepast te worden, en dat daardoor de rechten zoals omschreven in de artikelen 115, 115bis en 129 Wb. Reg. niet verschuldigd zijn, en maakt daartoe ten onrechte toepassing op deze akte van artikel 676, 1°, W. Venn. (schending van al de in de aanhef van het middel aangeduide wetsbepalingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  2. Krachtens artikel 115 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (hierna te noemen: W. Reg.), wordt de inbreng van roerende goederen in burgerlijke of handelsvennootschappen aan een registratierecht onderworpen van 0,5 pct. Artikel 115bis W. Reg. bepaalt dat de inbreng van onroerende goederen in burgerlijke of handelsvennootschappen aan een registratierecht wordt onderworpen van 0,5 pct. Artikel 117, ,§1, eerste lid, van dat wetboek bepaalt dat het in artikel 115 bepaalde recht niet verschuldigd is in geval van inbreng van de universaliteit der goederen bij wijze van fusie, splitsing of anderszins in een of meer nieuwe of bestaande vennootschappen.
  3. Uit die bepalingen volgt dat niettegenstaande de voornoemde vrijstelling van artikel 117, ,§1, eerste lid, W. Reg., niet uitdrukkelijk verwijst naar artikel 115bis, die vrijstelling nochtans ook van toepassing is op de inbreng van onroerende goederen. Uit het begrip universaliteit der goederen volgt immers dat dit ook de onroerende goederen omvat.
  4. Artikel 117, ,§1, W. Reg. is, luidens de bepalingen van dit artikel, en het gebruik van het woord "anderszins" niet uitsluitend toepasselijk op een fusie door overneming waarbij een inbreng van een algemeenheid van goederen in de overnemende vennootschap gebeurt tegen uitgifte van nieuwe aandelen maar ook op de fusies die hiermede door de wetgever worden gelijkgesteld en die dezelfde rechtsgevolgen hebben. Krachtens artikel 174/24 Vennootschappenwet, wordt met fusie door overneming gelijkgesteld de rechtshandeling waarbij het gehele vermogen van een of meer vennootschappen, zowel de rechten als de verplichtingen, als gevolg van ontbinding zonder vereffening overgaat op een andere vennootschap die reeds houdster is van al hun aandelen en van de andere effecten waaraan stemrecht in de algemene vergadering is verbonden. De vrijstelling van artikel 117, ,§1, W. Reg. is aldus ook toepasselijk wanneer de inbreng niet gepaard gaat met uitgifte van aandelen.
  5. Het arrest dat oordeelt dat de vrijstelling van artikel 117 W. Reg. te dezen toepasselijk was, verantwoordt zijn beslissing naar recht.
  6. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 181,55 euro jegens de eisende partij en op de som van 227,34 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Eric Dirix en Paul Maffei, en in openbare terechtzitting van 9 maart 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060309.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.