id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060309.7 Rolnummer: C.04.0313.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2006-07-14 Raadplegingen: 655 - laatst gezien 2026-07-04 04:17 Versie(s): Vertaling FR Fiche De met de invordering van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaar is ertoe gehouden een dwangbevel uit te vaardigen indien de belastingpschuldige de verschuldigde belasting niet spontaan en onvoorwaardelijk voldoet; een inhouding door het bestuur van BTW-tegoeden die met succes door de belastingschuldige wordt aangevochten, geldt niet als een voldoening van de belastingschuld
(1)In dit arrest formuleerde het Hof tevens dezelfde rechtsregel als deze die het voorwerp uitmaakt van de samenvatting sub 1° van Cass., 9 maart 2006, AR nr C.04.0284.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060309.8, www.cass.be. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Dwangbevel Verplichting Voldoening van de belasting Tekst van de beslissing Nr. C.04.0313.N BELGISCHE STAAT, in de persoon van de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de gewestelijke dienst van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, Sint-Katelijnestraat 7, eiser, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Frederiqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen D.A., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 10 februari 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 83, tweede lid, en 85, ,§1 en ,§2, 1°, van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna Wb. B.T.W.) zoals van toepassing na de wijziging bij artikel 66, 2°, en 67 van de wet van 8 augustus 1980 (B.S., 15.08.1980); - artikel 89 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing na de wijziging bij artikel 71 van de wet van 8 augustus 1980; - artikel 8/1, ,§3, van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969, zoals het bestond vóór de wijziging bij K.B. van 14 april 1993; - artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 1234, 1235, lid 1, 1315, lid 2, 1376 en 2244 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen In het arrest wordt, onder de hoofding "Beoordeling", eerst beslist dat de B.T.W.-schuld in hoofdorde verschuldigd was. Er wordt gesteld dat "gelet op de onregelmatigheid van de facturen (verweerder) zijn recht op aftrek op onrechtmatige wijze heeft uitgeoefend". Vervolgens wordt gesteld dat de administratie gebonden is door de vermindering van de boete, die in de gevoerde briefwisseling tot 10 pct. van de verschuldigde belasting (37.000 BEF) was herleid geworden. Deze beschikking wordt niet aangevochten. Daarna wordt in het arrest overwogen: "
- Het wordt niet betwist dat er in de jaren 1979 en 1980 een tegoed op rekening-courant ontstond ten voordele van de (verweerder) en dat op 31.01.1980, 31.07.1980 en 31.01.1981 respectievelijk 227.905 BEF (thans 5.649, 62 euro), 131.404 BEF (thans 3.257,42 euro) en 73.029 BEF (thans 1.810,34 euro) door de administratie werd ingehouden en aangezuiverd op de nog betwiste openstaande schuld die de (verweerder) had bij de BTW ingevolge de onrechtmatige BTW-aftrek (facturen B.). Rekening houdend met de deelbetalingen dient aangenomen dat op het einde van maart 1981 de volledige BTW-schuld was vereffend. Het is evenmin betwist dat deze sommen werden ingehouden vóór 9 april 1981 hetzij vóór dat enig dwangbevel werd opgemaakt. Desbetreffend werd steeds door de (verweerder) voorgehouden dat deze inhoudingen op een onwettelijke manier gebeurden daar de administratie op het ogenblik dat de inhouding gebeurde niet over een uitvoerbare titel beschikte. De (verweerder) kan daarin worden bijgetreden. Uit het toen toepasselijke artikel 76, alinea 1, eerste lid, van het BTW-Wetboek volgt dat, wanneer het bedrag van de belasting die ingevolge de artikelen 45 tot 48 van hetzelfde wetboek voor aftrek in aanmerking komt aan het einde van het kalenderjaar meer bedraagt dan de door de belastingplichtige verschuldigde belasting, het verschil in de regel aan de belastingplichtige wordt teruggegeven. De op grond van art. 76, al. 1, eerste lid, BTW-Wetboek verschuldigde belasting wordt vastgesteld op grond van de werkelijk verrichte leveringen en diensten binnen het tijdvak waarop de afrekening betrekking heeft. De belastingen die op andere gronden verschuldigd zijn of die geen betrekking hebben op de aangifteperiode komen niet in aanmerking om het verschil dat aan de belastingplichtige wordt teruggegeven te berekenen, tenzij de administratie voor die navorderingen over een uitvoerbare titel beschikt (vergelijk Cass., 12 maart 1993, R. W, 1993-94, blz. 270-271). Nu de administratie te dezen niet beschikte over een uitvoerbare titel om de BTW-schuld ingevolge de onrechtmatige aftrek van de BTW-facturen in te vorderen kon de administratie geen inhoudingen doen zonder schending van art. 76 W. BTW. De door de administratie ingehouden bedragen t.b.v. 432.338 BEF (thans 10.717,38 euro) werden derhalve onwettig ingehouden en moeten worden terugbetaald. Het meergevorderde komt niet bewezen voor.
- Alhoewel de inhouding van de BTW-tegoeden niet geschraagd is op een wettelijke basis mede gelet op artikel 8, ,§3, van het KB nr. 4 moeten de betalingen tot vereffening van een openstaande schuld als een gewone ontvangst worden beschouwd en niet als een bewarend beslag onder derden. De omstandigheid dat de (verweerder) in briefwisseling de gedane inhoudingen als een betaling onder voorbehoud aanzag doet daaraan geen afbreuk. Hoe dan ook was er op het ogenblik van het uitvaardigen van het dwangbevel geen procedure tot terugvordering ingesteld. Dit brengt de (verweerder) tot de stelling dat het dwangbevel nietig is omdat op het ogenblik van het uitvaardigen van het dwangbevel de schuld van de (verweerder) volledig was voldaan door inhouding op diens rekening-courant. Een dwangbevel is een middel tot tenuitvoerlegging dat voor zijn geldigheid een uitvoerbare titel veronderstelt (vergelijk Cass., 21 februari 2003, www. cass.be). Er kan geen uitvoerbare titel zijn wanneer er geen zekere en vaststaande schuld is hetgeen het geval is wanneer de belastingschuld is betaald, ook al gebeurde de betaling door inhouding op rekening-courant, die achteraf onwettelijk bleek te zijn. Bovendien is de uitvaardiging van het dwangbevel in strijd met art. 85 W. BTW waarbij bepaald wordt dat door de met de invordering belaste ambtenaar een dwangbevel wordt uitgevaardigd bij gebreke aan voldoening van de belasting, intresten, administratieve geldboeten en toebehoren. Uit stuk 14 moet blijken dat het dwangbevel werd uitgevaardigd niet omwille van het feit dat geen gevolg werd gegeven aan de aanmaning tot betalen dan wel omdat de appellant de gegrondheid van de invordering heeft betwist. Het betwisten van de invordering maakt van het dwangbevel geen uitvoerbare titel.
- De (verweerder) houdt voorts staande dat vermits het dwangbevel nietig is het ter kennis gegeven dwangbevel evenmin de verjaring kan stuiten. Uit de conclusies van de geïntimeerde van 2 februari 1999 moet blijken dat precies tot kennisgeving van het dwangbevel werd overgegaan teneinde de verjaring te stuiten en de rechten van de Schatkist te vrijwaren. Het toen toepasselijke art. 83 W. BTW bepaald: "Zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de intresten en de administratieve geldboeten wordt de verjaring gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe verjaring die op dezelfde wijze kan worden gestuit wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is". Art. 2244 BW bepaalt: "Een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, vormen een burgerlijke stuiting". Een bevel tot betaling in de zin van art. 1244 BW. vereist dat de schuldenaar verontrust wordt door de kennisgeving ervan en vereist tevens dat de schuldeiser over een titel beschikt die hij gedwongen kan uitvoeren tegen zijn schuldenaar. Het niet kunnen uitvoeren van een dreigement omdat ingevolge de betaling door inhouding van de rekening-courant de uitvoerbare titel onbestaande is heeft voor gevolg dat dergelijk betalingsbevel een loutere ingebrekestelling is. Bovendien werd door het Hof van Cassatie geoordeeld dat een betalingsbevel betekend voor een betwiste belastingschuld niet geldig kan zijn en geen stuitende werking heeft (Cass., 10 oktober 2002, R. G. C. F., 2003, blz. 26, noot G. de Leval, J.M.L.B., 2002, 1967; Cass., 21 februari 2003, www. cass.be). Op grond van voorgaande overwegingen is het dwangbevel nietig en kan het evenmin als verjaringstuitend betalingsbevel worden beschouwd. in de gegeven omstandigheden is het overbodig de andere grieven nog nader te onderzoeken.
- Uit wat voorafgaat volgt dat vermits de BTW-schuld verjaard is de geïntimeerde gehouden is de onwettig ingehouden bedragen terug te betalen". Op die gronden, het arrest: "Verklaart de voorziening toelaatbaar en gegrond. Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzende. Zegt voor recht dat het op 9 april 1981 uitgevaardigde dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 29 april 1981 en ter kennis gebracht op 5 mei 1981 nietig is en dat er geen gevolg mag worden aan gegeven. Beveelt de terugbetaling van de onwettelijk geïnde bedragen, hetzij 227.905 BEF (thans 5.649,62 euro), 131.404 BEF (thans 3.257,42 euro) en 72.349 BEF (thans 1.793,48 euro) te vermeerderen met de moratoire intrest overeenkomstig art. 91, ,§3, W. B.T.W., op 227.905 BEF (thans 5.649,62 euro) vanaf 1 april 1980, op 131.404 BEF (thans 3.257,42 euro) vanaf 1 augustus 1980, en op 72.349 BEF (thans 1.793,48 euro) vanaf 1 april 1981, en veroordeelt (eiser) in de kosten van beide aanleggen". Grieven Eerste onderdeel
- De fiscale schuld ontstaat uit kracht van de wet, en gaat teniet op de wijze in de wet omschreven. Dit kan zijn, ofwel door betaling, ofwel door verjaring. Van verjaring is er in casu geen sprake. In de onderhavige zaak wordt in het proces-verbaal van 5 november 1979 een fiscale schuld vastgesteld. Daarvan werd op 21 december 1979 aan verweerster kennis gegeven. De belastingplichtige heeft het recht, deze schuld te betwisten. Het is tevens de plicht van de administratie, de nodige maatregelen voor de invordering van deze schuld te treffen, zolang geen rechterlijke beslissing het niet-bestaan van deze schuld heeft vastgesteld. Dit gebeurt, overeenkomstig art. 85 Wb. B.T.W., door het uitvaardigen van een dwangbevel. In toepassing daarvan werd op 5 mei 1981 het terzake besproken dwangbevel ter kennis van verweerder gebracht. Het bestaan van deze schuld wordt in casu uitdrukkelijk door het arrest bevestigd.
- Op 5 mei 1981 was de fiscale schuld van verweerder niet door betaling uitgedoofd. Een schuld is uitgedoofd wanneer zij door de schuldenaar is betaald. De betaling is een wijze waarop een verbintenis teniet gaat door het voldoen van de prestatie waartoe de schuldenaar gehouden is. De vorm van de betaling (in geld, in natura, in compensatie, inschrijving in rekening, ...) speelt hierbij geen rol voor zover de overdracht gebeurt "ten titel van betaling". Vereist is dus wel dat op het ogenblik van en door de betaling, de schuld uitgedoofd is. Daarbij komt dat de betaling in principe slechts kan plaats vinden met het akkoord van de schuldenaar, of krachtens een gerechtelijke beslissing. Het louter bemachtigen van een geldsom die aan de schuldenaar toebehoort, kan in principe geen betaling in de wettelijke zin uitmaken. De verrichting waarbij de administratie een tegoed op de rekening van een belastingplichtige inhoudt, is onder de vóór 9 april 1981 geldende wetgeving niet een betaling. Zulke inhouding vertoont geen enkele van de kenmerken van een betaling. Zij wordt niet vrijwillig door de solvens betaald ter kwijting van een erkende schuld, en blijft in principe vatbaar voor terugvordering. Zij kan dus niet aangemerkt worden als een betaling in de zin van de artikelen 1324, 1325 en 1376 B.W. De inhoudingen kunnen niet tot gevolg hebben dat de ingehouden bedragen definitief aan de schatkist toegeëigend zijn. Het kan dus slechts gaan om het onder zich houden van het tegoed, als bewarende maatregel tot dekking van een bestaande schuld. Zelfs indien de verrichting onregelmatig gebeurde, kan deze omstandigheid het bestaan van de schuld niet aantasten. Een onwettige ontvangst is geen betaling in de zin van de artikelen 1234 en 1235 B.W. De schuld blijft bestaan. De plicht van de administratie tot uitvoering van de wet, en dus tot invordering van de verschuldigde belasting, blijft eveneens bestaan.
- Gelet op het voortbestaan van de fiscale schuld, bleef het de plicht van de administratie om de invordering ervan te benaarstigen. Luidens artikel 85, ,§1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing na de wijziging bij artikel 67 van de wet van 8 augustus 1980, wordt door de met de invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd bij gebreke aan voldoening van de belasting, interesten en administratieve geldboeten en toebehoren. Het dwangbevel (of dwangschrift, Fr. contrainte) is het wettelijk instrument voor de invordering van de zogenaamde indirecte belasting (registratierechten, successierechten, zegel, met het zegel gelijkgestelde taxes, B.T.W.). Het concretiseert voor deze belastingen het recht van de administratie om voor zichzelf een uitvoerbare titel tot stand te brengen, zoals het uitvoerbaar kohier dit is voor de directe belastingen (privilège du préalable). Daarbij moet gepreciseerd worden dat het dwangbevel, in de besproken groep van belastingen, volledig verschilt van de akte, ook dwangbevel genoemd (Fr. commandement), die door de ontvanger der directe belastingen moet betekend worden met het oog op de invordering van directe belastingen (KB/WIB art. 148). Voor het uitvaardigen van een dwangbevel als bedoeld in art. 85, ,§1, Wb. B.T.W., kan bijgevolg geen voorafgaande uitvoerbare titel vereist zijn. Het dwangbevel is een uitvoerbare titel, waarvan de uitvoerbaarheid slechts geschorst wordt middels verzet met dagvaarding overeenkomstig artikel 89 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
- Het nietig verklaren van het dwangbevel op grond van de overweging dat "op het ogenblik van het uitvaardigen van het dwangbevel geen procedure tot terugvordering (was) ingesteld" miskent de wettelijke aard van het dwangbevel als instrument voor de invordering. Het uitvaardigen van een dwangbevel is niet verbonden aan enige voorafgaande procedure. Deze akte heeft integendeel tot betekenis dat daardoor de invordering wordt ingesteld en dat daardoor een procedure kan geopend worden door het verzet van de belastingplichtige. Het bleef nodig een dwangbevel uit te vaardigen, vermits verweerder het bestaan van de schuld bleef betwisten. Het is dus wel "bij gebreke aan voldoening van de belasting..." dat de administratie verplicht is geweest, het dwangbevel uit te vaardigen. Het betwisten van de invordering heeft niet van het dwangbevel een uitvoerbare titel "gemaakt"; het heeft wel de noodzaak doen ontstaan om het dwangbevel als uitvoerbare titel uit te vaardigen.
- De overweging, volgens welke "alhoewel de inhouding van de BTW-tegoeden niet geschraagd is op een wettelijke basis mede gelet op artikel 8, ,§3, van het KB nr. 4, moeten de betalingen tot vereffening van een openstaande schuld als een gewone ontvangst worden beschouwd en niet als een bewarend beslag onder derden" is onduidelijk, rekening houdend met de voordien voorkomende vaststelling dat de fiscale schuld bestond. Deze overweging laat immers niet toe, uit te maken of, volgens het arrest, de fiscale schuld waarvan het arrest het bestaan erkent door de inhoudingen uitgedoofd was, in welk geval deze beschikking tegenstrijdig is met het bevel tot terugbetaling ervan, en de verdere overwegingen van het arrest overbodig zijn. Ofwel of deze inhoudingen, zij het niet als een bewarend beslag naar wettelijke regeling, toch als een louter bewarende maatregel van de administratie moeten aangemerkt worden, in welk geval de administratie verdere maatregelen tot invordering van de vastgestelde fiscale schuld diende te treffen. De redenering van het arrest is daardoor behept met een inwendige tegenstrijdigheid. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, op grond van de boven omschreven onduidelijkheid en inwendige tegenstrijdigheid in de uitspraak niet naar grondwettelijk voorschrift gemotiveerd is (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Hieruit volgt dat, waar het aangevochten arrest stelt dat een dwangbevel, voor zijn geldigheid, een uitvoerbare titel veronderstelt, het de artikelen 85 ,§ en ,§2, 1°, en 89 Wb. B.T.W., schendt zoals van toepassing na de wijziging bij artikel 66, 2°, en 67 van de wet van 8 augustus
- Hieruit volgt dat, waar het arrest stelt dat de inhoudingen, respectievelijk verricht op 31 januari 1980, 31 juli 1980 en 31 januari 1981, gelden als betalingen van de fiscale schuld die daardoor voldaan was, en die daarna het voorwerp heeft uitgemaakt van het dwangbevel, het de wetsbepalingen die de betaling van een schuld regelen, miskent (schending van de artikelen 1234, 1235, lid 1, 1315, lid 2, en 1376 van het Burgerlijk Wetboek, alsook artikel 8/1, ,§3, van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969, tekst vóór de wijziging bij K.B. van 14 april 1993). Tweede onderdeel Luidens artikel 85, ,§1, lid 2, en ,§2, 1°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing na de wijziging bij artikel 67 van de wet van 8 augustus 1980, gebeurt de kennisgeving van het dwangbevel bij een ter post aangetekende brief en stuit die kennisgeving de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting en van het toebehoren. Artikel 83 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing na de wijziging bij artikel 66 van de wet van 8 augustus 1980, stelt dat zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, de verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Luidens artikel 83, lid 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing na de wijziging bij artikel 66 van de wet van 8 augustus 1980, wordt de kennisgeving van het dwangbevel zoals bedoeld in artikel 85, ,§1, ten aanzien van hun gevolgen gelijkgesteld met de in het vorige lid bedoelde stuiting. Luidens artikel 2244 vormen een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen burgerlijke stuiting. Het begrip "bevel tot betaling" zoals vermeld in artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek is een deurwaardersexploot waarbij een uitgifte van een gerechtelijke uitspraak of een notariële akte, beide uitvoerbare titels, worden betekend aan de schuldenaar, waarbij hem bevel wordt gegeven de verbintenis uit te voeren waartoe hij krachtens de titel gehouden is, en hem wordt meegedeeld dat bij weigering de openbare macht tegen hem zal worden gebruikt. Zoals blijkt uit de voorbereidende werken van de wet van 8 augustus 1980 wordt, naast de procedure van betekening van het dwangbevel bij deurwaardersexploot met bevel tot betaling, de kennisgeving van het dwangbevel bij ter post aangetekend schrijven ingevoerd. Nergens in de voorbereidende werken wordt vermeld dat de kennisgeving bij ter post aangetekend schrijven ten aanzien van zijn inhoud een bevel tot betaling en een dreiging met een gedwongen tenuitvoerlegging moet bevatten zoals bedoeld in artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek. Krachtens artikel 83 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing na de wijziging bij artikel 66 van de wet van 8 augustus 1980, wordt de kennisgeving van het dwangbevel op de wijze als bedoeld in artikel 85, ,§1, gelijkgesteld ten aanzien van hun gevolgen met de in het vorige lid bedoelde stuiting. Zelfs indien de kennisgeving zoals bedoeld in artikel 83 en 85 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing na de wijziging bij artikel 66 en 67 van de wet van 8 augustus 1980, een bevel tot betaling in de zin van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek moet bevatten, moet het verjaringsstuitend karakter van de kennisgeving afzonderlijk worden beschouwd van de gedwongen uitvoering van het bevel des te meer daar de wet (m.n. artikel 83, lid 2, en artikel 85, ,§2, 1°, Wb. B.T.W.), aan de kennisgeving bij ter post aangetekend schrijven verjaringsstuitende werking toekent. Ten dezen stelt het bestreden arrest dat een bevel tot betaling in de zin van artikel 2244 BW veronderstelt dat de schuldenaar verontrust wordt door de kennisgeving ervan en vereist tevens dat de schuldeiser over een titel beschikt die hij gedwongen kan uitvoeren tegen zijn schuldenaar. Het bestreden arrest beslist dat het niet kunnen uitvoeren van een dreigement omdat ingevolge de betaling door inhouding van de rekening-courant de uitvoerbare titel onbestaande is voor gevolg heeft dat dergelijk betalingsbevel een loutere ingebrekestelling is. Hieruit volgt dat het hof van beroep niet alleen ten onrechte voorhoudt dat op het ogenblik van de kennisgeving van het dwangbevel reeds betaling is geschied (schending van de in het eerste onderdeel aangeduide wetsbepalingen), doch bovendien de wet miskent die aan de kennisgeving van het dwangbevel stuitende kracht verleent (schending van artikel 83, lid 2 en artikel 85, ,§2, 1°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing na de wijziging bij artikel 66 en 67 van de wet van 8 augustus 1980). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 1234 van het Burgerlijk Wetboek gaan verbintenissen onder meer teniet door betaling.
- Krachtens het te dezen toepasselijk artikel 85, ,§1, eerste lid, van het BTW-Wetboek, zoals vervangen door artikel 67 van de wet van 8 augustus 1980, wordt bij gebreke van voldoening van de belasting, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren, door de met de invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd. Dit dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen of door de door hem aangewezen ambtenaar. Krachtens het te dezen toepasselijk artikel 85, ,§1, tweede lid, van het BTW-Wetboek, gebeurt de kennisgeving van het dwangbevel bij een ter post aangetekende brief. De afgifte van het stuk ter post geldt als kennisgeving vanaf de daaropvolgende dag. Krachtens het te dezen toepasselijk artikel 85, ,§2, 1°, van het BTW-Wetboek, stuit die kennisgeving de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten, van de administratieve geldboeten en van het toebehoren. Volgens het bepaalde in sub 3 van deze wetsbepaling, stelt die kennisgeving eveneens de belastingschuldige in staat, verzet aan te tekenen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel op de wijze als bepaald in artikel 89 van het BTW-Wetboek.
- Hieruit volgt dat inzake de belasting over de toegevoegde waarde, het dwangbevel enerzijds een taxatietitel is waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt bij gebrek aan spontane en onvoorwaardelijke betaling van de verschuldigde belasting en anderzijds een akte is die geldt als uitvoerbare titel met het oog op de invordering van die belastingschuld. Meer bepaald is de met de invordering van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaar ertoe gehouden een dwangbevel uit te vaardigen indien de belastingschuldige de verschuldigde belasting niet spontaan en onvoorwaardelijk voldoet. Een inhouding door het bestuur van BTW-tegoeden die met succes door de belastingschuldige wordt aangevochten, geldt niet als een voldoening van de belastingschuld.
- Het bestreden arrest oordeelt dat "een dwangbevel een middel tot tenuitvoerlegging is dat voor zijn geldigheid een uitvoerbare titel veronderstelt" en dat "er geen uitvoerbare titel kan zijn wanneer er geen zekere en vastbestaande schuld is hetgeen het geval is wanneer de belastingschuld is betaald, ook al gebeurde de betaling door een inhouding op rekening-courant, die achteraf onwettelijk bleek te zijn".
- Het arrest schendt derhalve de artikelen 85, ,§1, van het BTW-Wetboek en artikel 1234 van het Burgerlijk Wetboek. Het onderdeel is in zoverre gegrond.
- Het onderzoek van de overige grieven kan niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Eric Dirix en Paul Maffei, en in openbare terechtzitting van 9 maart 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060309.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081016.2 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120413.1 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120921.2 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140522.9 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231123.1N.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060309.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div