id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060309.8 Rolnummer: C.04.0284.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2006-07-14 Raadplegingen: 732 - laatst gezien 2026-07-04 08:20 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Inzake de belasting over de toegevoegde waarde is het dwangbevel enerzijds een taxatietitel waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt bij gebrek aan spontane en onvoorwaardelijke betaling van de verschuldigde belasting, en anderzijds een akte die geldt als uitvoerbare titel met het oog op de invordering van die belastingschuld
(1)Het Hof formuleerde dezelfde rechtsregel in Cass., 9 maart 2006, AR nr C.04.0313.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060309.7, www.cass.be. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Dwangbevel Fiche 2 In de gevallen waarin de belastingplichtige de BTW-schuld, vastgesteld in een door de taxatieambtenaar opgesteld proces-verbaal, gedurende de administratieve fase van het geschil blijft betwisten, is het bestuur verplicht een dwangbevel uit te vaardigen tot invordering van deze schuld; dit stelt de belastingplichtige in de gelegenheid deze betwisting door de rechter te laten beslechten door verzet aan te tekenen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Proces-verbaal B.T.W.-schuld Betwisting Dwangbevel Verplichting Tekst van de beslissing Nr. C.04.0284.N BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur van de BTW, registratie en domeinen te Brugge, met kantoren te 8000 Brugge, Sint-Katelijnenstraat 7, eiser, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen SPANO, naamloze vennootschap, met zetel te 8780 Oostrozebeke, Ingelmunstersteenweg 229, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 16 september 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 83, tweede lid, en 85, ,§1 en ,§2, 1°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna Wb. BTW), zoals van toepassing na de wijziging bij artikel 66, 2°, en 67 van de wet van 8 augustus 1980; - artikel 89 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing na de wijziging bij artikel 71 van de wet van 8 augustus 1980; - artikel 8/1, ,§3, van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969, zoals het bestond vóór de wijziging bij K.B. van 14 april 1993; - artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 1234, 1235, lid 1, 1315, lid 2, en 1376 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het aangevochten arrest "verklaart het hoger beroep toelaatbaar en gegrond, doet de bestreden vonnissen teniet, en opnieuw wezende, zegt voor recht dat het op 28 januari 1982 uitgevaardigd dwangbevel, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 10 februari 1982 en ter kennis gebracht op 11 februari 1982 nietig is en dat er geen gevolg mag worden aan gegeven. Beveelt de terugbetaling van de op grond van dit dwangbevel eventueel betaalde bedragen, te vermeerderen met de moratoire intrest overeenkomstig art. 93, ,§5, 1, Wb. BTW; Veroordeelt (eiser) tot de kosten". In limine van zijn motivering stelt de bodemrechter de vraag: "Was er een belastingschuld op het ogenblik van het uitvaardigen van het dwangbevel ?" Na samenvatting van de stellingen van de partijen overwegen de appelrechters: "Derhalve moet worden uitgemaakt of het dwangbevel een middel tot tenuitvoerlegging is dat voor zijn geldigheid een uitvoerbare titel veronderstelt en zo ja of dit dwangbevel kan gelden als verjaringstuitend bevel tot betaling. De geldigheid van het dwangbevel dient te worden beoordeeld vanuit de situatie zoals die bestond op het ogenblik dat ze (?) tot stand kwam. Uit de feitelijke voorgaanden is tevens komen vast te staan dat het dwangbevel slechts werd uitgevaardigd op een ogenblik dat de beweerde schuld van de (verweerster) aan de administratie door inhouding op de rekening-courant volledig was voldaan. Terecht voert (verweerster) aan dat art. 8/1 van het K.B. nr. 4 zoals het toen toepasselijk was als een gewone ontvangst tot delging van een openstaande schuld moet worden beschouwd en niet als een bewarend beslag onder derden, hetgeen sedert het gewijzigde art. 8/1 van het K.B. van 29 december 1992 wel het geval is. Een dwangbevel is een middel tot tenuitvoerlegging dat voor zijn geldigheid een uitvoerbare titel veronderstelt (...). Er kan geen uitvoerbare titel zijn wanneer er geen zekere en vaststaande schuld is hetgeen het geval is wanneer de belastingschuld is betaald, ook al gebeurde de inhouding op een manier die achteraf onwettelijk bleek te zijn. Gelet op de voldoening van de belastingschuld is de kennisgeving van het dwangbevel nietig als akte van tenuitvoerlegging. De vraag rijst evenwel of dit dwangbevel een geldige verjaring stuitende akte kan uitmaken. In de kennisgeving van het dwangbevel van 11 februari 1982 wordt (verweerster) aangemaand de verschuldigde bedragen te storten binnen de acht dagen te rekenen vanaf heden. Twijfel zou kunnen rijzen of dit een loutere ingebrekestelling betreft, die op zichzelf geen stuitend effect heeft, dan wel of deze kennisgeving van het dwangbevel als een bijzonder verjaringstuitend betalingsbevel moet worden beschouwd. Gelet op de geschrapte zinsnede in de kennisgeving van het dwangbevel met name dat In geval van niet betaling binnen de gestelde termijn zal ik mij verplicht zien tot de tenuitvoerlegging van het dwangbevel over te gaan" zou kunnen worden aangenomen dat dit dwangbevel de tenuitvoerlegging niet inleidt. Een bevel tot betaling in de zin van artikel 2244 B.W. vereist dat de schuldenaar verontrust wordt door de kennisgeving ervan en vereist tevens dat de schuldeiser over een titel beschikt die hij gedwongen kan uitvoeren tegen zijn schuldenaar. Het niet kunnen uitvoeren van een dreigement omdat ingevolge de betaling door inhouding van de rekening-courant de uitvoerbare titel onbestaande is heeft voor gevolg dat dergelijk betalingsbevel een louter ingebrekestelling is. Bovendien werd door het Hof van Cassatie geoordeeld dat een betalingsbevel betekend voor een betwiste belastingschuld niet geldig kan zijn en geen stuitende werking heeft (...) Grieven Eerste onderdeel
- De fiscale schuld ontstaat uit kracht van de wet, en gaat teniet op de wijze in de wet omschreven. Dit kan zijn, ofwel door betaling, ofwel door verjaring. Van verjaring is er in casu geen sprake. In de onderhavige zaak wordt in het proces-verbaal van 3 september 1980 een fiscale schuld vastgesteld. Daarvan werd aan verweerster kennisgegeven. De belastingplichtige heeft het recht, deze schuld te betwisten. Het is tevens de plicht van de administratie, de nodige maatregelen voor de invordering van deze schuld te treffen, zolang geen rechterlijke beslissing het niet-bestaan van deze schuld heeft vastgesteld. Dit gebeurt, overeenkomstig art. 85 Wb. BTW, door het uitvaardigen van een dwangbevel.
- Op 11 februari 1982 was de fiscale schuld van verweerster niet door betaling uitgedoofd. Een schuld is uitgedoofd wanneer zij door de schuldenaar werd betaald. De betaling is een wijze waarop een verbintenis tenietgaat door het voldoen van de prestatie waartoe men gehouden is krachtens de verbintenis. De vorm van de betaling (in geld, in natura, in compensatie, inschrijving in rekening, ...) speelt hierbij geen rol voor zover de overdracht gebeurt "ten titel van betaling". Vereist is dus wel dat op het ogenblik van en door de betaling, de schuld uitgedoofd is. Daarbij komt dat de betaling in principe slechts kan plaatsvinden met het akkoord van de schuldenaar, of krachtens een gerechtelijke beslissing. Het louter bemachtigen van een geldsom die aan de schuldenaar toebehoort, kan in principe geen betaling in de wettelijke zin uitmaken. De inhouding, verricht onder de toepassing van artikel 8-1, ,§3, K.B. nr. 4 van 29.12.1969, tekst vóór de wijziging bij K.B. 14 april 1993, respectievelijk op 21 december 1980 en 26 maart 1981, zijn burgerrechtelijk (de artikel 1234, 1235 en 1376 Burgerlijk Wetboek) noch fiscaalrechtelijk (artikel 85, ,§1, Wb. BTW), "betalingen", aangezien op dat ogenblik geen eisbare schuld tot betaling bestond in hoofde van verweerder. De inhoudingen kunnen niet tot gevolg hebben dat de ingehouden bedragen definitief aan de schatkist toegeëigend zijn. Het kan dus slechts gaan om het onder zich houden van een pand tot dekking van een schuld waarvoor nog geen invorderingstitel bestond. De besproken inhoudingen werden nadien door een rechterlijke beslissing als onwettig aangemerkt. Een onwettige ontvangst kan aanleiding geven tot een veroordeling tot terugbetaling. Zij kan het bestaan van een op andere gronden bestaande schuld niet aantasten. De schuld blijft bestaan.
- Gelet op het voortbestaan van de fiscale schuld bleef het de plicht van de administratie om de invordering ervan te benaarstigen. Luidens artikel 85, ,§1 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing na de wijziging bij artikel 67 van de wet van 8 augustus 1980, wordt door de met de invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd bij gebreke aan voldoening van de belasting, interesten en administratieve geldboeten en toebehoren. Het dwangbevel (of dwangschrift, Fr. contrainte) is het wettelijk instrument voor de invordering van de zogenaamde indirecte belasting (registratierechten, successierechten, zegel, met het zegel gelijkgestelde taxes, BTW). Het concretiseert voor deze belastingen het recht van de administratie om voor zichzelf een uitvoerbare titel tot stand te brengen, zoals het uitvoerbaar kohier dit is voor de directe belastingen (privilège du préalable). Daarbij moet gepreciseerd worden dat het dwangbevel, in de besproken groep van belastingen, volledig verschilt van de akte, ook dwangbevel genoemd (Fr. commandement), die door de ontvanger der directe belastingen moet betekend worden met het oog op de invordering van directe belastingen (K.B./WIB art. 148). Voor het uitvaardigen van een dwangbevel als bedoeld in art. 85, ,§1, Wb. BTW, kan bijgevolg geen voorafgaande uitvoerbare titel vereist zijn. Het is een uitvoerbare titel, waarvan de uitvoerbaarheid slechts geschorst wordt middels verzet met dagvaarding overeenkomstig artikel 89 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
- Het dwangbevel werd gemotiveerd met de overweging dat "uit een ... opgemaakt proces-verbaal, dat samen met dit dwangbevel zal worden betekend, blijkt" dat verweerster, uit hoofde van de daarin aangeduide belastbare feiten, de vermelde bedragen verschuldigd is. Het werd uitgevaardigd om de belangen van de schatkist te vrijwaren met betrekking tot de in het proces-verbaal vastgestelde schuld. Om de geldigheid van het dwangbevel te beoordelen moest de bodemrechter het al of niet bestaan van deze fiscale schuld onderzoeken. Een discussie over de eigen kenmerken van de inhoudingen, onder de toepassing van de toenmalige tekst van artikel 811 K.B. nr. 4, is met betrekking tot het bestaan van deze schuld niet relevant.
- Ten opzichte van het al of niet bestaan van een fiscale schuld is het arrest behept met een onduidelijkheid en een inwendige tegenstrijdigheid. In het arrest wordt gesteld dat op het ogenblik van het uitvaardigen van het dwangbevel de "beweerde" schuld was voldaan, en wordt nochtans de terugbetaling bevolen van de op grond van het dwangbevel eventueel betaalde bedragen. Het is echter tegenstrijdig, in dezelfde beschikking, enerzijds te zeggen dat een schuld is voldaan, anderzijds de vraag in het midden te laten of deze schuld al dan niet heeft bestaan. De rechtsgevolgen van de betaling, met name het uitdoven van de schuld, kunnen voor een niet bestaande schuld niet gerealiseerd worden. Minstens is het arrest op dit punt onduidelijk, waar het arrest zonder nadere verantwoording de fiscale schuld, zoals vastgesteld in het proces-verbaal en het dwangbevel, met de voordien gedane inhoudingen schijnt te vereenzelvigen, zonder over de vastgestelde schuld uitspraak te doen. Het arrest laat aldus niet toe, uit te maken of de bevolen terugbetaling gemotiveerd is door het niet-bestaan van de fiscale schuld, dan wel door de onregelmatigheid van de voorafgaande inhoudingen, in welk geval deze inhoudingen de schuld niet kunnen uitdoven. Hieruit volgt dat het arrest op grond van de boven omschreven onduidelijkheid en inwendige tegenstrijdigheid in de uitspraak niet naar grondwettelijk voorschrift gemotiveerd is (schending van artikel 149 van de gecoördineerde grondwet). Hieruit volgt dat het aangevochten arrest stelt dat een dwangbevel, voor zijn geldigheid, een uitvoerbare titel veronderstelt, het de artikelen 85, ,§1 en ,§2, 1°, en 89 Wb. BTW zoals van toepassing na de wijziging bij artikel 66, 2°, en 67 van de wet van 8 augustus 1980 schendt. Waar het arrest stelt dat de inhoudingen, respectievelijk verricht op 21 december 1980 en 26 maart 1981, gelden als betalingen van de fiscale schuld die daardoor voldaan was, en die daarna het voorwerp heeft uitgemaakt van het dwangbevel, het de wetsbepalingen die de betaling van een schuld regelen miskent (schending van de artikelen 1234, 1235, lid 1, 1315, lid 2, en 1376 van het Burgerlijk Wetboek, alsook artikel 8/1, ,§3, van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969, tekst vóór de wijziging bij K.B. van 14 april 1993). Tweede onderdeel Luidens artikel 85, ,§1, lid 2, en ,§2, 1°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing na de wijziging bij artikel 67 van de wet van 8 augustus 1980 gebeurt de kennisgeving van het dwangbevel bij een ter post aangetekende brief en stuit die kennisgeving de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting en van het toebehoren. Artikel 83 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing na de wijziging bij artikel 66 van de wet van 8 augustus 1980, stelt dat zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, de verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het burgerlijk wetboek. Luidens artikel 83, lid 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing na de wijziging bij artikel 66 van de wet van 8 augustus 1980, wordt de kennisgeving van het dwangbevel zoals bedoeld in artikel 85, ,§1, ten aanzien van hun gevolgen gelijkgesteld met de in het vorige lid bedoelde stuiting. Luidens artikel 2244 vormen een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen burgerlijke stuiting. Het begrip "bevel tot betaling" zoals vermeld in artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek is een deurwaardersexploot waarbij een uitgifte van een gerechtelijke uitspraak of een notariële akte, beide uitvoerbare titels, worden betekend aan de schuldenaar, waarbij hem bevel wordt gegeven de verbintenis uit te voeren waartoe hij krachtens de titel gehouden is, en hem wordt meegedeeld dat bij weigering de openbare macht tegen hem zal worden gebruikt. Zoals blijkt uit de voorbereidende werken van de wet van 8 augustus 1980 wordt, naast de procedure van betekening van het dwangbevel bij deurwaardersexploot met bevel tot betaling, de kennisgeving van het dwangbevel bij ter post aangetekend schrijven ingevoerd. Nergens in de voorbereidende werken wordt vermeld dat de kennisgeving bij ter post aangetekend schrijven ten aanzien van zijn inhoud een bevel tot betaling en een dreiging met een gedwongen tenuitvoerlegging moet bevatten zoals bedoeld in artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek. Krachtens artikel 83 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing na de wijziging bij artikel 66 van de wet van 8 augustus 1980, wordt de kennisgeving van het dwangbevel op de wijze als bedoeld in artikel 85, ,§1, gelijkgesteld ten aanzien van hun gevolgen met de in het vorige lid bedoelde stuiting. Zelfs indien de kennisgeving zoals bedoeld in artikel 83 en 85 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing na de wijziging bij artikel 66 en 67 van de wet van 8 augustus 1980, een bevel tot betaling in de zin van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek moet bevatten, moet het verjaringsstuitend karakter van de kennisgeving afzonderlijk worden beschouwd van de gedwongen uitvoering van het bevel des te meer daar de wet (m.n. artikel 83, lid 2, en artikel 85, ,§2, 1°, Wb. BTW), aan de kennisgeving bij ter post aangetekend schrijven verjaringsstuitende werking toekent. Besluit Ten dezen stelt het bestreden arrest dat een bevel tot betaling in de zin van artikel 2244 B.W. veronderstelt dat de schuldenaar verontrust wordt door de kennisgeving ervan en vereist tevens dat de schuldeiser over een titel beschikt die hij gedwongen kan uitvoeren tegen zijn schuldenaar. Het bestreden arrest beslist dat het niet kunnen uitvoeren van een dreigement omdat ingevolge de betaling door inhouding van de rekening-courant de uitvoerbare titel onbestaande is voor gevolg heeft dat dergelijk betalingsbevel een loutere ingebrekestelling is. Hieruit volgt dat het hof van beroep niet alleen ten onrechte voorhoudt dat op het ogenblik van de kennisgeving van het dwangbevel reeds betaling is geschied (schending van de in het eerste onderdeel aangeduide wetsbepalingen), doch bovendien de wet miskent die aan de kennisgeving van het dwangbevel stuitende kracht verleent (schending van artikel 83, lid 2, en artikel 85, ,§2, 1°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing na de wijziging bij artikel 66 en 67 van de wet van 8 augustus 1980). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 85, ,§1, eerste lid, van het BTW-Wetboek, zoals vervangen door artikel 67 van de wet van 8 augustus 1980, wordt bij gebreke van voldoening van de belasting, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren, door de met de invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd. Dit dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen of door de door hem aangewezen ambtenaar. Krachtens het toepasselijk artikel 85, ,§1, tweede lid, van het BTW-Wetboek, gebeurt de kennisgeving van het dwangbevel bij een ter post aangetekende brief. De afgifte van het stuk per post geldt als kennisgeving vanaf de daaropvolgende dag. Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 85, ,§2, 1°, van het BTW-Wetboek, stuit de kennisgeving de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten, van de administratieve geldboeten en van het toebehoren. Krachtens het sub 3 van deze wetsbepaling, stelt die kennisgeving de belastingplichtige eveneens in staat verzet aan te tekenen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel op de wijze als bepaald in artikel 89 van het BTW-Wetboek.
- Uit het voorgaande volgt dat, in het raam van de belasting over de toegevoegde waarde, het dwangbevel enerzijds een taxatietitel is waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt bij gebrek aan spontane en onvoorwaardelijke betaling van de verschuldigde belasting en anderzijds een akte is die geldt als uitvoerbare titel met het oog op de invordering van die belastingschuld. Hieruit volgt eveneens dat in de gevallen waarin de belastingplichtige de BTW-schuld vastgesteld, in een door de taxatieambtenaar opgesteld proces-verbaal, gedurende de administratieve fase van het geschil blijft betwisten, het bestuur verplicht is een dwangbevel uit te vaardigen tot invordering van deze schuld. Dit stelt de belastingplichtige in de gelegenheid deze betwisting door de rechter te laten beslechten door verzet aan te tekenen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel.
- De appelrechters gaan ervan uit dat het dwangbevel een middel tot tenuitvoerlegging is dat voor zijn geldigheid een uitvoerbare titel veronderstelt, en stellen vast dat er in casu geen uitvoerbare titel voorhanden was daar er geen zekere en vaststaande schuld was op het ogenblik dat het dwangbevel op 28 januari 1982 werd uitgevaardigd. Zij oordelen verder dat een betalingsbevel betekend voor een betwiste belastingschuld inzake BTW niet geldig kan zijn en geen stuitende werking heeft.
- Door op die grond te beslissen dat het litigieuze dwangbevel nietig is en dat er geen gevolg mag worden aan gegeven, schenden de appelrechters de artikelen 85, ,§1 en ,§2, 1°, en 89 van het BTW-Wetboek.
- Het onderdeel is inzoverre gegrond. Grieven
- De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Eric Dirix en Paul Maffei, en in openbare terechtzitting van 9 maart 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060309.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2016:ARR.20160323.6 ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081016.2 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110303.3 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120413.1 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120921.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131220.2 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130110.3 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131212.2 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131220.2 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140522.9 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20141009.12 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041223.12 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060309.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div