id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060309.9 Rolnummer: C.05.0170.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht Invoerdatum: 2006-07-14 Raadplegingen: 187 - laatst gezien 2026-07-03 09:01 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De toerekening krachtens artikel 87 van het W.I.B.
(1992), van een gedeelte van het inkomen van de echtgenoot die als enige beroepsinkomsten heeft, aan de andere echtgenoot, doet geen schuldvordering ontstaan voor de andere echtgenoot maar is een fiscale techniek om de gevolgen van de progressiviteit van de belasting te milderen ten aanzien van ééninkomensgezinnen; in geval van beslag onder derden in handen van de echtgenoot met beroepsinkomsten ten laste van de andere echtgenoot, maakt het aan deze laatste aldus toegerekende inkomen geen voorwerp van het beslag uit. Thesaurus CAS: BESLAG - ALGEMEEN Vrije woorden: BESLAG - ALGEMEEN Derdenbeslag Sommen die het voorwerp zijn van het beslag Fiscale toerekening van inkomsten van de beroepsactieve echtgenoot aan de andere Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet - 12-06-1992 - Art.87 Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Berekening van de aanslag - Allerlei Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Berekening van de aanslag - Allerlei Toerekening van inkomsten van de beroepsactieve echtgenoot aan de andere Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet - 12-06-1992 - Art.87 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0170.N V.M., eiser, vertegenwoordigd door mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen T.H., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 2 december 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - artikel 1452, 1456 en 1542 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 87 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest van het Hof van Beroep te Gent (eerste kamer) d.d. 2 december 2004 verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt het betreden vonnis, op volgende gronden: "De ganse discussie betreft de vraag in hoeverre de verklaring van derde-beslagene door (verweerster) aan de gerechtsdeurwaarder R.L. overgemaakt bij aangetekend schrijven dd. 13 oktober 2001 al dan niet voldoet aan de voorwaarden gesteld door artikel 1542 Ger. W. Het betreft immers een uitvoerend beslag onder derden, doch gelet op de verwijzing in artikel 1542 Ger. W. naar artikel 1452 Ger. W. (m.b.t. het bewarend derdenbeslag), zijn dezelfde voorwaarden van toepassing. Dat de verklaring tijdig werd geformuleerd staat niet ter discussie, wel de vraag in hoeverre de verklaring 'met nauwkeurigheid' werd gedaan. (Verweerster) had immers in gezegd aangetekend schrijven aan gerechtsdeurwaarder R. L. het volgende verklaard: 'U gelieve te noteren dat ik geen schuldenaar ben van de heer J. O..' Volgens (eiser) strookt deze verklaring niet met de realiteit doch werd zij ingegeven door fraude en kwade trouw aangezien hierin géén melding wordt gemaakt van de inkomsten welke de schuldenaar J. O. ongetwijfeld ontvangt vanwege zijn echtgenote als helper in het restaurant 't Kwizientje' die zij reeds sedert 1995 zou uitbaten te Oostende, Troonstraat nr.
- (...) De debatten werden bij tussenarrest van 23 december 2003 ambtshalve heropend juist omwille van de tussen de partijen gerezen discussie nopens de mogelijke 'verzwegen' inkomsten van J. O. geregenereerd uit zijn werkzaamheden in het restaurant uitgebaat door zijn echtgenote. Uit de na het tussenarrest door (verweerster) overgelegde overtuigingsstukken blijkt dat (verweerster) nooit enige arbeid in dienstverband heeft uitgeoefend noch vanwege (verweerster) arbeidsinkomsten heeft genoten. Blijkens de fiscale aanslagbiljetten over de jaren sedert hun huwelijk tot en met 2002 blijkt wel dat een inkomen op naam van J. O. werd geboekt, doch dit vertegenwoordigde telkenmale enkel het bij wet van 07/12/1988 ingevoerde huwelijksquotiënt, ingevoerd met het oog op het opheffen van de discriminatie tussen ééninkomensgezinnen en tweeverdieners die reeds konden genieten van het decumulprincipe. Ten bewijze de vermelding in elk aanslagbiljet van code 641 dat specifiek het huwelijksquotiënt bedoelt. Deze overheveling van een deel van de beroepsinkomsten van de werkende echtgenoot naar de andere (niet-werkende) echtgenoot is een louter fiscaalrechtelijke constructie door de wet zelf ingevoerd en door de belastingsadministratie zelfs automatisch toegepast. Deze overheveling van beroepsinkomsten zijnde het huwelijksquotiënt, is trouwens eigen aan ééninkomensgezinnen, hetgeen meteen betekent dat (verweerster) de enige kostwinner in het gezin was. De toekenning van het huwelijksquotiënt heeft evenwel énkel fiscaalrechterlijke gevolgen (nl. verminderde belastingen door afzonderlijke belastbaarheid) en creëert in gene mate enig vorderingsrecht op uitbetaling van de aldus overgehevelde bedragen. Het voormelde is geenszins in strijd met de materiële vaststellingen op verzoek van appellant gedaan door gerechtsdeurwaarder O.L.te Oostende op 19 oktober 2001 in het restaurant van (verweerster). (...) Dhr. J. O. ontkende evenwel niet dat hij zijn echtgenote af en toe helpt in het restaurant doch ontkende formeel dat hij hieruit enig beroepsinkomen ontvangt, hetgeen door zijn echtgenote ook steeds werd bevestigd. Andere bewijzen die zouden kunnen wijzen op één of andere opgezette frauduleuze constructie tussen (verweerster) en haar echtgenoot teneinde zich te onttrekken aan de schuldeisers liggen niet voor. Het adagium 'fraus omnia corrumpit' is hier derhalve niet van toepassing. (Eiser) bewijst evenmin het bestaan van een gezamenlijke handelsuitbating onder welke vorm ook uit hoofde waarvan dhr. J. O. gerechtigd zou zijn op (minstens) de helft van de opbrengsten. Het loutere feit dat J. O. in een aantal akten nog vermeld staat als 'zelfstandig restauranthouder' (...), bewijst niet dat hij dit op dat ogenblik daadwerkelijk was noch dat hij dit op het ogenblik van het derdenbeslag nog steeds was.
- Gelet op alle voorgaande overwegingen en vaststellingen besluit dit hof dat (verweerster) een geloofwaardige en juiste verklaring als derde-beslagene heeft afgelegd door te stellen dat zij géén schuldenaar was van haar echtgenoot. In haar hoofde kan derhalve géén verzuim of onnauwkeurigheid weerhouden worden, laat staan dat haar fraude, collusie of een onverschoonbare onzorgvuldigheid kan verweten worden (...)". Grieven Eerste onderdeel Luidens de artikelen 1452, 1456 en 1542 van het Gerechtelijk Wetboek dient de derde-beslagene binnen de 15 dagen een verklaring af te leggen omtrent de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag. Deze verklaring moet nauwkeurig alle dienstige gegevens voor de vaststelling van de rechten van partijen vermelden. Indien de verklaring onvoldoende nauwkeurig is, kan de derde-beslagene zelf schuldenaar worden verklaard van de oorzaken en kosten van het beslag. Dit systeem geldt zowel voor het bewarend als het uitvoerend derdenbeslag. In het bestreden arrest komt het hof van beroep tot de vaststelling dat uit de voorgelegde stukken (na tussenarrest) blijkt dat een deel van het beroepsinkomen van verweerster, in het kader van het huwelijksquotiënt (artikel 87 Wetboek Inkomstenbelastingen), aan dhr. O. wordt toegekend. Het hof oordeelt dat, ofschoon deze informatie niet was opgenomen in de verklaring van verweerster als derde-beslagene, laatstgenoemde verklaring toch geloofwaardig en juist moet bevonden worden. De verklaring van de derde-beslagene die aan haar echtgenoot in het kader van het huwelijksquotiënt fiscaalrechtelijk een deel van haar inkomen toekent, maar dit feit niet vermeldt, is niet "nauwkeurig" in de zin van de artikelen 1452, 1456 en 1542 van het Gerechtelijk Wetboek, en geeft aanleiding tot de in de wet voorziene sancties. Door enerzijds vast te stellen dat verweerster op fiscaal gebied aan dhr. O. een deel van haar inkomen toekent in het kader van het huwelijksquotiënt, maar anderzijds te stellen dat de verklaring door verweerster, waarin dit niet werd vermeld, toch "met nauwkeurigheid" zou gedaan zijn, heeft het hof van beroep in het bestreden arrest van 2 december 2004 de voormelde artikelen geschonden (schending van de artikelen 1452, 1456 en 1542 van het Gerechtelijk Wetboek en van artikel 87 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen). Tweede onderdeel In de hoger geciteerde overwegingen van het bestreden arrest van 2 december 2004 worden de materiële vaststellingen vermeld die gedaan werden door gerechtsdeurwaarder L. op 19 oktober 2001 in het restaurant van verweerster. Het hof van beroep stelt ook vast dat dhr. O. niet betwist dat hij regelmatig helpt in het restaurant. Doordat enerzijds in de overwegingen van het bestreden arrest de vaststelling wordt opgenomen dat dhr. O. in het restaurant van verweerster werkt, maar anderzijds te stellen - dat hij "nooit enige arbeid in dienstverband heeft uitgeoefend", - dat de fiscaalrechtelijke toekenning van een inkomen louter fictief is, en - dat evenmin "het bestaan van een gezamenlijke handelsuitbating onder welke vorm ook" bewezen wordt, is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd nu deze diverse overwegingen niet met elkaar te rijmen vallen. De feitelijke vaststelling dat er sprake is van regelmatig werk in de handelszaak van de echtgenote, dient immers onvermijdelijk te leiden tot de conclusie dat dit hetzij kadert in een dienstverband, hetzij in een gezamenlijke handelsuitbating onder één of andere vorm. Bijgevolg is de motivering van het bestreden arrest niet regelmatig en schendt het arrest de bepalingen van artikel 149 van de Grondwet. Derde onderdeel Het hof van beroep heeft noch met de hoger geciteerde overwegingen noch met andere overwegingen geantwoord op het uitdrukkelijke middel van eiser waarin hij stelde - dat uit controle van het personeelsregister blijkt dat daarin geen kok vermeld wordt, maar enkel zaalpersoneel, zodat enkel dhr. O. de kok kan zijn in het restaurant (p. 4 beroepsverzoekschrift); - dat dit, in samenhang met de gedane materiële vaststellingen, aantoont dat dhr. O. wel degelijk werkt en dus voor dit werk moet vergoed worden op eender welke wijze, eventueel als meewerkend echtgenoot, zeker wanneer er schuldeisers zijn (p. 5-6 van het beroepsverzoekschrift en p. 10 van de besluiten d.d. 21 februari 2003); - dat de stelling dat dhr. O. gratis kan en mag werken, niet opgaat nu hij door zo te handelen zijn schuldeisers op bedrieglijke wijze benadeelt (p. 10 besluiten d.d. 21 februari 2003). Eiser had aldus een duidelijk en objectief gegeven aangevoerd waaruit een afzonderlijk middel werd afgeleid dat niet beantwoord of weerlegd werd door de andere, specifieke of algemene overwegingen van het bestreden arrest. Het hof van beroep heeft ook op dit punt zijn beslissing bijgevolg niet regelmatig gemotiveerd (schending van art. 149 van de Grondwet; zie Cass. 7 maart 1979, Arr. Cass. 1978-79, 796-799). Vierde onderdeel Eiser had in zijn beroepsverzoekschrift (p. 4 - 5) aangevoerd - dat de derde-beslagene alles dient mee te delen dat hij/zij weet en dat de beslaglegger behulpzaam kan zijn, en daarbij niets mag verzwijgen; - dat verweerster niet meedeelde dat zij aan dhr. O. gelden toekent in het kader van het huwelijk, dat hij werkt als kok in het restaurant en/of dat hij zelfstandig mede-uitbater van het restaurant is, zoals hij in verschillende gerechtelijke akten aangaf; - dat er alleen al om die redenen sprake is van een verklaring door de derde-beslagene die niet voldoende nauwkeurig en zorgvuldig is. Eiser had aldus aangevoerd dat, zelfs los van de inhoudelijke beoordeling van één en ander, de verklaring van de derde-beslagene niet voldeed aan de wettelijke vereisten van nauwkeurigheid en volledigheid, en dat er integendeel door de derde-beslagene zeer veel relevante gegevens verzwegen waren. Het hof van beroep heeft noch met de hoger geciteerde overwegingen noch met andere overwegingen geantwoord op dit uitdrukkelijke middel van eiser, zodat het hof van beroep bijgevolg ook op dit punt zijn beslissing niet regelmatig heeft gemotiveerd (schending van art. 149 van de Grondwet; zie Cass. 7 maart 1979, Arr. Cass. 1978-79, 796-799). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- De derde-beslagene is krachtens de artikelen 1452 en 1542 van het Gerechtelijk Wetboek, gehouden om binnen vijftien dagen na het derdenbeslag, een verklaring af te leggen omtrent de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag.
- Volgens artikel 87 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, wordt, wanneer de aanslag op naam van beide echtgenoten wordt gevestigd en slechts één van de echtgenoten beroepsinkomsten heeft verkregen, een deel daarvan toegerekend aan de andere echtgenoot, behalve wanneer daardoor de aanslag wordt verhoogd.
- De toerekening krachtens artikel 87 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, van een gedeelte van het inkomen van de echtgenoot die als enige beroepsinkomsten heeft, aan de andere echtgenoot, doet geen schuldvordering ontstaan voor de andere echtgenoot maar is een fiscale techniek om de gevolgen van de progressiviteit van de belasting te milderen ten aanzien van ééninkomensgezinnen.
- In geval van beslag onder derden in handen van de echtgenoot met beroepsinkomsten ten laste van de andere echtgenoot, maakt het aan deze laatste aldus toegerekende inkomen geen voorwerp van het beslag uit.
- Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, berust op een verkeerde rechtsopvatting.
- Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
- De vaststelling dat de echtgenoot van de verweerster regelmatig helpt in het restaurant van zijn echtgenote, is niet in tegenspraak met de overwegingen dat de echtgenoot van de verweerster nooit enige arbeid in dienstverband heeft uitgeoefend, dat de fiscale toekenning van een inkomen fictief is en dat het bestaan van een gezamenlijke handelsuitbating niet bewezen wordt.
- Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Het bestreden arrest verwerpt en beantwoordt het in het onderdeel bedoelde verweer met de in het middel weergegeven motivering.
- Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
- Het bestreden arrest verwerpt en beantwoordt het in het onderdeel bedoelde verweer door te oordelen dat O. geen daadwerkelijk beroepsinkomen heeft genoten vanwege de verweerster en dat de verweerster dienvolgens een geloofwaardige en juiste verklaring heeft afgelegd door te stellen dat zij geen schuldenaar was van haar echtgenoot zodat haar geen verzuim of onnauwkeurigheid kan worden verweten.
- Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 581,35 euro jegens de eisende partij en op de som van 201,33 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Eric Dirix en Paul Maffei, en in openbare terechtzitting van 9 maart 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060309.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div