id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060314.6 Rolnummer: P.05.1117.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2006-12-18 Raadplegingen: 609 - laatst gezien 2026-07-04 08:04 Versie(s): Vertaling FR Fiche Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Tekst van de beslissing a. Nr. P.05.1117.N I 1. V D V E R, b. beklaagde, V P J F, c. beklaagde, S T, d. beklaagde, D K M E A M, e. beklaagde, V.V.S. INTERNATIONAL nv, met zetel te 2060 Antwerpen, De Pret- f. straat 1, g. civielrechtelijk aansprakelijke partij, eisers, h. met als raadsman mr. Francis Marck, advocaat bij de balie te Antwerpen. II 2. H J N M, i. beklaagde, V D D W G, j. beklaagde, TRANSPORT VAN DRIESSCHE nv, met zetel te 9000 Gent, Gustaaf Callierlaan 110, k. civielrechtelijk aansprakelijke partij, l. eisers, m. met als raadsman mr. Filip Soetaert, advocaat bij de balie te Kortrijk, n. alle cassatieberoepen tegen o. FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, met kantoor te Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de Directeur der douane en accijnzen van de provincie Antwerpen, met kantoor te Antwerpen, Kattendijkdok Oostkaai 22, p. vervolgende partij, q. vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF r. De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 30 juni 2005. s. De eisers sub I voeren in een memorie vijf middelen aan. t. De eiseres sub II.1 voert in een memorie vier middelen aan. u. De eisers sub II.2 en II.3 voeren in een memorie vier middelen aan. v. Al deze memories zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. w. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. x. Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. a. BESLISSING VAN HET HOF i. Beoordeling ii. Eerste middel van de eisers sub I 1. Het artikel 10.3 van de Verordening (EEG) nr. 719/91 van de Raad van 21 maart 1991 betreffende de toepassing in de Gemeenschap van carnets TIR en carnets ATA bepaalt: "Wanneer het niet mogelijk is te bepalen op welk grondgebied de overtreding of onregelmatigheid is begaan, wordt deze geacht te zijn begaan in de Lid-Staat waar zij is vastgesteld, tenzij binnen een nader te bepalen termijn, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten, het bewijs wordt geleverd van de regelmatigheid van het vervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan". y. De appelrechters achten zich met toepassing van de vermelde bepaling territoriaal bevoegd op grond "dat te dezen niet met afdoende zekerheid kon bepaald worden op welke plaats de goederen daadwerkelijk aan het douanetoezicht werden onttrokken en het voormelde bewijs niet werd geleverd". 1. Het middel komt geheel op tegen deze beoordeling van feitelijke gegevens door de appelrechters of vraagt van het Hof zelf de beoordeling daarvan waarvoor het geen bevoegdheid heeft. 2. Het middel is niet ontvankelijk. ii. Tweede middel van de eisers sub Il 1. De appelrechters overwegen met betrekking tot hun territoriale bevoegdheid onder meer: z. "Dat een en ander (ten slotte) mede dient beschouwd in het licht en tegen de achtergrond van het feit dat de kwestieuze fraude in wezen vanuit België werd opgezet en/of georchestreerd; Dat, onder meer, de instructies tot het stellen van de handelingen ten gevolge waarvan de goederen aan het douanetoezicht konden onttrokken worden vanuit België ((vijfde eiseres sub I)) werden gegeven". aa. Deze redengeving is evenwel slechts ten overvloede gegeven. 1. Het middel dat gericht is tegen een ten overvloede gegeven redengeving, is niet ontvankelijk. ii. Derde middel van de eisers sub I 1. De twee onderdelen van het middel gaan ervan uit dat de eisers tot betaling van de ontdoken invoerrechten en accijnzen werden veroordeeld op grond dat de carnets TIR van feit 2 niet werden aangezuiverd. bb. De appelrechters veroordelen de eisers evenwel niet op grond dat de carnets TIR niet werden aangezuiverd, maar op grond dat de eisers hun noodzakelijke medewerking aan de onttrekking van de sigaretten aan het douanetoezicht hebben verleend. 1. Het middel mist feitelijke grondslag. ii. Vierde middel van de eisers sub I 1. De appelrechters achten zich niet territoriaal bevoegd op grond van de niet-zuivering van de carnets TIR, maar op grond van de onttrekking van de sigaretten aan de doorvoer die in België vastgesteld werd naar aanleiding van de valse zuivering van die carnets. 2. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. iii. Vijfde middel van de eisers sub I 1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser sub I.4 bij de appelrechters heeft aangevoerd dat hij bij toepassing van het artikel 18, eerste lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten niet kan worden veroordeeld tot betaling van de ontdoken invoerrechten en accijnzen. 2. Het middel is nieuw en derhalve niet ontvankelijk. iv. Eerste middel van de eiseres sub II.1 v. Eerste, tweede en derde onderdeel 1. Het artikel 257, ,§ 1, AWDA houdt de strafrechtelijk gesanctioneerde verplichting in tot aanzuivering of wederoverlegging van enigerlei douane- of accijnsdocument waarvan de aanzuivering of de wederoverlegging ten kantore van uitreiking is voorgeschreven. cc. Het artikel 28 van de douaneovereenkomst inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR, zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten (hierna-genoemd: TIR-Overeenkomst) bepaalt: "Het carnet TIR wordt onmiddellijk gezuiverd bij aankomst van de lading op het douanekantoor van bestemming, mits de goederen dan onder een andere douaneregeling worden geplaatst of ten invoer tot verbruik worden aangegeven". dd. De onderdelen gaan volledig ervan uit dat, enerzijds, artikel 257, ,§ 1, AWDA enkel betrekking heeft op de verplichting tot aanzuivering of wederoverlegging op het kantoor van uitreiking, anderzijds, dat inzake een TIR-vervoer niemand gehouden is het carnet TIR aan te zuiveren of weder over te leggen op het kantoor van uitreiking. ee. De verplichting tot aanzuivering mag evenwel niet verward worden met de verplichting tot wederoverlegging op het kantoor van uitreiking. Het artikel 257, ,§ 1, AWDA heeft betrekking op elke verplichting tot aanzuivering waar die ook is voorgeschreven. 1. De onderdelen falen naar recht. ii. Vierde onderdeel 1. Het vierde onderdeel voert geen afzonderlijke grief aan. Het is niet ontvankelijk. iii. Vijfde onderdeel 1. Het artikel 4.1 en 4.2 van de Verordening (EEG) Nr. 1031/88 van de Raad van 18 april 1988 betreffende de vaststelling van de personen die gehouden zijn tot betaling van een douaneschuld, bepaalt: "1. Wanneer een douaneschuld is ontstaan krachtens artikel 2, lid 1, onder c), van Verordening (EEG) nr. 2144/87, geldt als persoon die gehouden is tot betaling van deze schuld, degene die de goederen aan het douanetoezicht heeft onttrokken. ff. Eveneens zijn, overeenkomstig de in de Lid-Staten geldende bepalingen, hoofdelijk tot betaling van deze schuld gehouden: gg.
- a)personen die aan de onttrekking hebben deelgenomen, alsmede de personen die het betrokken goed hebben verworven of in bezit hebben gehouden; hh.
- b)alle andere personen die aansprakelijk kunnen worden gesteld voor het feit dat het goed aan het douanetoezicht is ontrokken." ii. 2. Eveneens is hoofdelijk tot betaling van deze schuld gehouden de persoon die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van de verplichtingen welke voor aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de voorlopige opslag of de gebruikmaking van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst". jj. De aangehaalde verordeningsbepalingen laten toe zowel de natuurlijke persoon, orgaan of aangestelde, door wiens toedoen de rechtspersoon handelde, die krachtens artikel 257, ,§ 1, AWDA strafrechtelijk verantwoordelijk werd gesteld voor de niet-aanzuivering, hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van de douaneschuld. 1. Het onderdeel faalt naar recht. ii. Vijfde onderdeel bis 1. De appelrechters beslissen niet dat de aangevoerde internationaalrechtelijke normen wetsbepalingen zijn waarvan de enkele overtreding een misdrijf oplevert, maar verklaren de eiseres krachtens het artikel 257, ,§ 1, AWDA schuldig aan de haar ten laste gelegde feiten. 2. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. iii. Tweede middel van de eiseres sub II.1 iv. Eerste onderdeel 1. Het artikel 4.2 van de Verordening (EEG) nr. 1031/88 bepaalt: "Eveneens is hoofdelijk gehouden tot betaling van deze schuld de persoon die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van de verplichtingen welke voor aan de rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de voorlopige opslag of de gebruikmaking van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst." Artikel 39 van de TIR-Overeenkomst bepaalt: kk. ll. "Wanneer het TIR-vervoer anderszins als regelmatig wordt beschouwd, mm. 1. vermelden de Overeenkomstsluitende Partijen geen geringe afwijkingen van de vastgestelde termijn of de voorgeschreven route. nn. 2. worden ook de verschillen tussen de gegevens op het goederenmanifest van het carnet TIR en de inhoud van het wegvoertuig, van een vervoerscombinatie of van de container niet beschouwd als inbreuken, in de zin van deze Overeenkomst, door de houder van het carnet TIR, wanneer ten genoegen van de bevoegde autoriteiten wordt aangetoond dat deze verschillen niet zijn te wijten aan bewust of uit nalatigheid gemaakte fouten bij het laden of het verzenden van de goederen of bij het opmaken van het manifest." oo. Artikel 40 van de TIR-Overeenkomst bepaalt: pp. "De douaneautoriteiten van de landen van vertrek en van bestemming stellen de houder van het carnet TIR niet verantwoordelijk voor de verschillen die mochten worden vastgesteld in die landen, wanneer die verschillen in feite betrekking hebben op de douaneregelingen van vóór of na het TIR-vervoer en waarbij de houder van dat carnet niet was betrokken." qq. Het artikel 2.1, c, van de Verordening (EEG) nr. 2144/87 van de Raad van 13 juli 1987 inzake de douaneschuld bepaalt: "Er ontstaat een douaneschuld bij invoer: wanneer aan de rechten bij invoer onderworpen goederen onttrokken worden aan het douanetoezicht dat de voorlopige opslag van deze goederen of het plaatsen ervan onder een douaneregeling met douanetoezicht met zich brengt". rr. Uit het artikel 4.2 van de Verordening (EEG) nr. 1031/88 en de artikelen 39 en 40 van de TIR-Overeenkomst volgt dat de houder van het carnet TIR, als persoon die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van de verplichtingen welke voor aan de rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de voorlopige opslag of de gebruikmaking van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst, één van de personen is die gehouden is tot betaling van de douaneschuld bij invoer, indien aan rechten bij de invoer onderworpen goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken, zoals bedoeld in art. 2.1, c, Verordening (EEG) nr. 2144/87. 1. Het onderdeel faalt naar recht. ii. Tweede onderdeel 1. Het artikel 8 van de TIR-Overeenkomst regelt de verbintenissen en de aansprakelijkheid van de organisatie die zich met betrekking tot een TIR-vervoer garant heeft gesteld. Het artikel 8, zevende lid, bepaalt: "Wanneer de bedragen bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel opeisbaar worden, moeten de bevoegde autoriteiten voor zover mogelijk de betaling hiervan eisen van de persoon of personen die rechtstreeks deze bedragen verschuldigd is of zijn, alvorens een vordering tot betaling in te dienen bij de organisatie die zich garant heeft gesteld." ss. Het artikel 8 van de TIR-Overeenkomst doet geen afbreuk aan de verplichting tot betaling die rust op de personen die rechtstreeks deze bedragen verschuldigd zijn, zoals overigens het artikel 8, zevende lid, uitdrukkelijk bevestigt. 1. Het onderdeel faalt naar recht. ii. Derde middel van de eiseres sub II.1 iii. Eerste onderdeel 1. De eiseres verzoekt het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag te stellen: tt. "Moeten de TIR-Overeenkomst, de Verordening (EEG) nr. 719/91 en de Verordening (EEG) nr. 1593/91, met name de artikelen 36 en 37 van de TIR-Overeenkomst, artikel 10, lid 2 en 3, van de Verordening (EEG) nr. 719/91 en artikel 2, lid 1 en 2, van de Verordening (EEG) nr. 1593/91, aldus worden uitgelegd dat de lidstaat van het land waar een overtreding of een onregelmatigheid werd vastgesteld in zake het vervoer van goederen onder geleide van een carnet TIR, slechts rechtmatig tot invordering en vervolging kan overgaan wanneer deze lidstaat voorafgaandelijk de titularis/houder van het desbetreffende carnet TIR schriftelijk in kennis heeft gesteld van deze onregelmatigheid of overtreding waarin hem/haar uitdrukkelijk de mogelijkheid wordt gegeven om binnen de bij artikel 11, lid 2, van de TIR-Overeenkomst gestelde termijn het bewijs te leveren van de regelmatigheid van het vervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan? Is het voldoende dat de titularis/houder van het carnet TIR schriftelijk in kennis wordt gesteld van de niet aanzuivering van het carnet TIR of van het feit dat de goederen niet de vereiste bestemming hebben gekregen, of moet de kennisgeving in die zin worden opgevat dat niet alleen de titularis/houder van het carnet TIR schriftelijk erop moet worden gewezen dat hij beschikt over de mogelijkheid tot bewijs maar dat hem of haar ook schriftelijk een termijn moet worden gegeven waarbinnen dit bewijs kan worden geleverd, zodat pas wanneer die termijn verstreken is, en binnen die termijn geen bewijs is geleverd, de lidstaat bevoegd is tot het innen van de invoerrechten en accijnzen?" 1. Uit het artikel 10.2 en 10.3 van de Verordening (EEG) nr. 719/91 volgt niet dat een lidstaat een actie tot invordering van de eventueel opeisbare rechten en andere heffingen door deze lidstaat ingesteld volgens de communautaire of nationale bepalingen, alleen op ontvankelijke wijze kan instellen na een schriftelijke kennisgeving. uu. Het artikel 2 van de Verordening (EEG) nr. 1593/91 vereist alleen dat, wanneer wordt vastgesteld dat in de loop van, of in verband met een vervoer onder geleide van een carnet TIR, een inbreuk is gepleegd of een onregelmatigheid is begaan, de bevoegde autoriteiten daarvan de houder van het carnet TIR evenals aan de organisatie die zich garant heeft gesteld, kennis geven binnen de bij artikel 11.1 TIR-Overeenkomst gestelde termijn. Het artikel 11.1 TIR-Overeenkomst bepaalt een termijn van twee jaar indien het certificaat van zuivering ten onrechte of op frauduleuze wijze werd verkregen. vv. De juiste toepassing van het gemeenschapsrecht is op dit punt zo evident dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan. 1. Het artikel 234 (ex 177) Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap verplicht het Hof niet aan het Hof van de Europese Gemeenschappen een prejudiciële vraag te stellen wanneer de uitlegging van de geviseerde akte duidelijk is. 2. Het onderdeel faalt in zoverre naar recht en het Hof is niet gehouden de opgeworpen prejudiciële vraag te stellen. 3. Het arrest stelt onaantastbaar vast dat de eiseres op 25 maart 1994 in kennis werd gesteld van de overtreding of onregelmatigheid met betrekking tot tien carnets TIR die werden geldig gemaakt tussen 17 september 1992 en 24 november 1992. 4. Het onderdeel dat hiertegen opkomt, is niet ontvankelijk. ii. Eerste onderdeel bis 1. De appelrechters beslissen niet dat uit het proces-verbaal van 2 februari 1995 blijkt dat aan de eiseres de gelegenheid werd geboden om het bewijs te leveren van de regelmatigheid van het vervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan. 2. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. iii. Tweede onderdeel 1. Het artikel 37 TIR-Overeenkomst bepaalt: "Wanneer het niet mogelijk is vast te stellen op welk grondgebied een onregelmatigheid is begaan, dan wordt deze geacht te zijn begaan op het grondgebied van de Overeenkomstsluitende partij waar ze is vastgesteld." ww. Uit het antwoord op het eerste, tweede en derde onderdeel van het eerste middel volgt dat de vaststelling, door het kantoor van vertrek, dat de goederen niet aan het kantoor van doorgang werden aangeboden of de douaneregeling waaronder de onder geleide van een carnet TIR vervoerde documenten werden geplaatst, niet werd gezuiverd, een vaststelling van overtreding of onregelmatigheid inhoudt in de zin van artikel 37 TIR-Overeenkomst en artikel 10.3 van de Verordening (EEG) nr. 719/91. 1. Het onderdeel faalt naar recht. ii. Vierde middel van de eiseres sub II.1 iii. Eerste onderdeel 1. Het onderdeel komt op tegen de beoordeling van feitelijke gegevens door de appelrechters of vraagt van het Hof zelf de beoordeling daarvan waarvoor het evenwel geen bevoegdheid heeft. 2. Het onderdeel is niet ontvankelijk. iv. Tweede onderdeel 1. In zoverre het onderdeel alleen de schending aanvoert van de motiveringsplicht van het artikel 149 Grondwet, ontwikkelt het alleen een wettigheidsgrief. 2. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk. 3. Er valt bovendien geen tegenstrijdigheid te ontwaren in de redengeving van de appelrechters. 4. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag. v. Derde onderdeel 1. Het onderdeel is, zoals blijkt uit het antwoord op het tweede middel van de eisers sub I, gericht tegen een ten overvloede gegeven reden. 2. Het onderdeel is niet ontvankelijk. vi. Vierde onderdeel 1. Zoals blijkt uit het antwoord op het tweede onderdeel van het derde middel, faalt het onderdeel naar recht. vii. Eerste middel van de eisers sub II.2 en II.3 1. Buiten het feit dat geen vijfde onderdeel bis wordt aangevoerd, is het middel gelijkluidend aan het eerste middel van de eiseres sub II.1. xx. 43. Zoals blijkt uit het antwoord op dat middel kan het niet worden aangenomen. i. Tweede middel van de eisers sub II.2 en II.3 ii. Eerste en derde onderdeel 44. De onderdelen zijn gelijkluidend aan het eerste en het tweede onderdeel van het tweede middel van de eiseres sub II.1. 1. De onderdelen kunnen op overeenkomstige gronden niet worden aangenomen. iii. Tweede onderdeel 1. De eiseres sub II.3 voert in dit onderdeel de grief van het eerste onderdeel aan betreffende de veroordeling van de civielrechtelijk aansprakelijke partij tot betaling van invoerrechten, accijnzen, nalatigheidsinterest en kosten op grond van haar civielrechtelijke aansprakelijkheid voor een andere beklaagde, chauffeur. yy. De eiseres sub II.3 heeft geen belang bij dit onderdeel omdat deze veroordeling tot betaling ook zijn grondslag vindt in de tevergeefs bekritiseerde veroordeling van de civielrechtelijk aansprakelijke partij op grond van haar civielrechtelijke aansprakelijkheid voor de eiser sub II.2. 1. Het onderdeel is niet ontvankelijk. ii. Vierde onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van het artikel 265, ,§ 3, AWDA op grond dat deze paragraaf slechts aan het artikel 265 werd toegevoegd door de wet van 27 december 1993 die dateert van na de begane overtredingen. zz. De in geding zijnde veroordeling werd echter niet uitgesproken met toepassing van artikel 265, ,§ 3, AWDA. 1. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. ii. Vijfde onderdeel 1. De eiseres sub II.3 voert schending aan van artikel 265, ,§ 1 en ,§ 2, AWDA, zonder te preciseren hoe en waardoor het arrest die bepalingen schendt. 2. Het onderdeel is niet ontvankelijk. iii. Derde en vierde middel van de eisers sub II.2 en II.3 1. De middelen zijn in al hun onderdelen gelijkluidend aan het derde en vierde middel van de eiseres sub II.1. 2. De middelen kunnen op overeenkomstige gronden niet worden aangenomen. iv. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering 1. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. v. Dictum aaa. Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen; Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoepen. Begroot de kosten in het geheel op 806,88 euro waarvan de eisers sub I 134,41 euro verschuldigd zijn en 417 euro betaald hebben en de eisers sub II 131,27 euro verschuldigd zijn en 124,20 euro betaald hebben. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 14 maart 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060314.6 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150311.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040622.19 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221130.2F.14 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230927.2F.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div