← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060316.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060316.6 Rolnummer: C.04.0267.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-12-14 Raadplegingen: 744 - laatst gezien 2026-07-04 02:31 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 De rechter moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten onderzoeken, en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp noch de oorzaak van de vordering wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van partijen eerbiedigt

(1).
(1)Cass., 21 dec. 2001, AR C.99.0239.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011221.7, nr
  1. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Door partijen aangevoerde feiten en redenen Opdracht van de rechter Ambtshalve aanvullen der redenen Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - BURGERLIJKE ZAKEN Vrije woorden: RECHT VAN VERDEDIGING - BURGERLIJKE ZAKEN Opdracht van de rechter Ambtshalve aanvullen der redenen Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Door partijen aangevoerde feiten en redenen Opdracht van de rechter Ambtshalve aanvullen der redenen Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - BURGERLIJKE ZAKEN Vrije woorden: RECHT VAN VERDEDIGING - BURGERLIJKE ZAKEN Opdracht van de rechter Ambtshalve aanvullen der redenen Tekst van de beslissing Nr. C.04.0267.N DE RONDE & DRUBBEL, naamloze vennootschap, met zetel te 2060 Antwerpen, Yzerlaan 7, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen EFAFLEX TRANSPORT- UND LAGERTECHNIK Gmbh, vennootschap naar Duits recht, met zetel te 84079 Bruckberg (Duitsland), Fliederstrasse 14, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 9 februari 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1134, 1156, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 5, 19, 807, 1068 en 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1, ,§,§1 en 2, 2 en 3 van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessie van alleenverkoop, zoals gewijzigd bij wet van 13 april 1971; - het algemeen rechtsbeginsel, genaamd beschikkingsbeginsel; - het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk het de rechter toekomt om ambtshalve de door partijen aangevoerde rechtsgronden, daaronder begrepen de kwalificatie der overeenkomst, aan te vullen of te verbeteren. Aangevochten beslissingen Bij arrest van 9 februari 2004 verklaart het Hof van Beroep te Antwerpen het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk en gegrond en het incidenteel beroep van de eiseres ontvankelijk, doch ongegrond, en hervormt het bestreden vonnis, behalve waar het eiseres' vordering ontvankelijk verklaarde. Opnieuw recht doende verklaart het hof van beroep eiseres' vordering strekkende tot het bekomen van een compensatoire opzeggingsvergoeding evenals van een billijke bijkomende vergoeding op grond van artikelen 2 en 3 van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop, zoals gewijzigd bij wet van 13 april 1971, ongegrond en veroordeelt eiseres tot de kosten, na onder meer te hebben overwogen: "Het eerste punt van betwisting tussen partijen slaat momenteel op het 'te definiëren' zijn van hun relatie als verkoopconcessie. Ter oplossing van deze kwestie moet uitgegaan worden van artikel 1, ,§2, van de bedoelde wet. Evenwel mag artikel 1, ,§1, daarbij niet uit het oog verloren worden. Er moet niet alleen sprake zijn van een verkoopconcessie, maar zo deze bestaat moet ze ook nog eens vallen onder één van de drie 'soorten' opgesomd in artikel 1, ,§1, van deze wet. 2.1 (De eiseres) spreekt in haar syntheseconclusie van een exclusieve concessieovereenkomst (zie punt 4 bij de feiten: 'Vanaf 1983 is concluante opgetreden als exclusieve concessienemer van appellante'). Een andere vorm van verkoopconcessie wordt door (eiseres) niet ter sprake gebracht in haar syntheseconclusie. Het hof heeft aldus enkel te onderzoeken of er een exclusieve concessieovereenkomst (een concessie van alleenverkoop) aanwezig is. 2.3 Het besluit uit dit alles is dat (de eiseres) niet bewijst, dat er werd overeengekomen met (de verweerster) dat zij (de eiseres) het recht genoot om als enige de producten van (de verweerster) te verkopen in België. Met andere woorden niets wijst erop dat (de verweerster) geen recht meer had om, op elk moment en naar haar goeddunken, andere firma's haar producten te laten verkopen in België. De exclusiviteit is dus niet bewezen.
  2. De vordering van (de eiseres) kan dan ook niet steunen op rechtsgronden uit de Wet van 27.07.
  3. Beoordeling naar het voorwerp van de vordering
  4. Het gevorderde op grond van de Wet van 27.07.1961 moet niet meer onderzocht worden". Grieven Eerste onderdeel De rechter, aan wie een vordering, gestoeld op een overeenkomst, wordt voorgelegd, heeft tot taak de juridische aard van die overeenkomst te bepalen op grond van de hem regelmatig overgelegde gegevens binnen en buiten die overeenkomst, mits hij de bewijskracht van de akte niet miskent en geen bewijs aanneemt buiten en boven de inhoud van de akte in de gevallen waarin de wet zulks niet toelaat, en is zodoende niet gebonden door de kwalificatie die partijen aan de overeenkomst hebben gegeven. Aan deze bevoegdheid van de rechter wordt slechts afbreuk gedaan indien zou blijken dat partijen aan hun overeenkomst een bepaalde benaming hebben gegeven die op grond van de aan zijn beoordeling onderworpen gegevens niet kan worden uitgesloten. Meer in het algemeen komt het aan de rechter toe om, desnoods ambtshalve, de door partijen aangevoerde rechtsgronden aan te vullen. Het beschikkingsbeginsel, dat het procesrecht beheerst, stelt de rechter zodoende geenszins vrij van de hoger vermelde verplichting om aan de overeenkomst haar juiste kwalificatie te geven. Blijkens het bestreden arrest, dat terzake onder meer verwijst naar de beslissing van de eerste rechter, strekte eiseres' vordering ertoe om op basis van artikelen 2 en 3 van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessie van alleenverkoop, zoals gewijzigd bij wet van 13 april 1971, een vergoeding te bekomen ingevolge de beëindiging van een sinds december 1983 bestaande contractuele relatie, door de eiseres in haar dagvaarding gekwalificeerd als een alleenverkoopconcessie, en in haar syntheseconclusie op pagina 8 omschreven als een wederkerige overeenkomst tussen partijen waarbij de verweerster haar het recht voorbehield om in eigen naam en voor eigen rekening producten te verkopen die verweerster als concessiegever zelf vervaardigt, op pagina 11 als een kaderovereenkomst van onbepaalde duur, met name een concessieovereenkomst die door verweerster op 23 juni 1997 werd opgezegd, en op pagina 14 als een concessieovereenkomst van onbepaalde duur, waarvan de verweerster weliswaar blijkens haar akte van hoger beroep het bestaan betwistte en ondergeschikt aanvoerde dat, zo er een overeenkomst bestond, zij diende te worden gekwalificeerd als een commissiecontract. Hieruit volgt dat er tussen partijen geen overeenstemming bestond aangaande de precieze kwalificatie die aan de tussen hen bestaande relatie moest worden gegeven, zodat het de rechter toekwam om de precieze juridische aard van de tussen partijen bestaande overeenkomst te bepalen, zonder dat hij zich vermocht te beperken tot het onderzoek naar het al dan niet bestaan van de beweerde exclusiviteit. Uit artikel 2 van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop, waarop de eiseres zich uitdrukkelijk beriep, volgt immers dat de daarbij bepaalde vergoeding verschuldigd is in geval van beëindiging van "een voor onbepaalde tijd, aan deze wet onderworpen verkoopconcessie". Artikel 3 van diezelfde wet bepaalt voorts dat ingeval de verkoopconcessie als bedoeld in artikel 2 door de concessiegever wordt beëindigd op andere gronden dan de grove tekortkoming van de concessiehouder een billijke bijkomende vergoeding verschuldigd is. Bij artikel 1, ,§1, van voornoemde wet wordt in dat verband bepaald dat aan de bepalingen van die wet zijn onderworpen: 1° de concessie van alleenverkoop; 2° de verkoopconcessies krachtens welke de concessiehouder nagenoeg alle producten waarop de overeenkomst slaat in het concessiegebied verkoopt; 3° de verkoopconcessies waarbij de concessiegever belangrijke verplichtingen oplegt, die op strikte en bijzondere wijze aan de concessie zijn verbonden en waarvan de last zo zwaar is dat de concessiehouder groot nadeel zou lijden in geval van beëindiging van de concessie, terwijl in ,§2 wordt gepreciseerd dat een verkoopconcessie, in de zin van deze wet, iedere overeenkomst is krachtens welke een concessiegever aan een of meer concessiehouders het recht voorbehoudt in eigen naam en voor eigen rekening producten te verkopen die hijzelf vervaardigt of verdeelt. Uit deze bepaling volgt dat de omstandigheid dat een overeenkomst niet kan worden gekwalificeerd als een 'concessie van alleenverkoop' wegens het ontbreken van een bedongen exclusiviteit de toepasselijkheid van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop, zoals gewijzigd bij wet van 13 april 1971, waarop de eiseres zich uitdrukkelijk beriep, niet uitsluit. De rechter, aan wie een eis, ingesteld bij toepassing van de artikelen 2 en 3 van voornoemde wet, wordt voorgelegd, zal deze eis zodoende niet op wettige wijze kunnen verwerpen op grond van de enkele vaststelling dat geen exclusiviteit is bewezen zonder de kwalificatie van de contractuele relatie, waarop de eisende partij zich beroept, als een concessieovereenkomst in de zin van artikel 1, ,§1, 2° en 3° van diezelfde wet uit te sluiten. Besluit Het hof van beroep, dat oordeelt dat de vaststelling dat er geen bedongen exclusiviteit werd aangetoond volstaat ter verwerping van de eis, zonder dat nog verder diende te worden onderzocht of de kwestieuze overeenkomst als een concessieovereenkomst kon worden gekwalificeerd, zulks op grond van de overweging dat de eiseres zelf in haar syntheseconclusie sprak van een exclusieve concessieovereenkomst en geen andere vorm van concessie ter sprake bracht en het hof van beroep zodoende enkel had te onderzoeken of er een exclusieve concessieovereenkomst (concessie van alleenverkoop) aanwezig was, doet aldus uitspraak in miskenning van de op de rechter rustende taak om aan de door een partij ter staving van haar vordering ingeroepen overeenkomst de juiste juridische kwalificatie te geven (schending van de artikelen 1134 en 1156 van het Burgerlijk Wetboek, 5 en 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, evenals van het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk het de rechter toekomt om ambtshalve de door partijen aangevoerde rechtsgronden, daaronder begrepen de kwalificatie der overeenkomst, aan te vullen of te verbeteren). Bovendien miskent het hof van beroep het beschikkingsbeginsel in zoverre het oordeelt dat het, gelet op de door de eiseres aan de overeenkomst gegeven kwalificatie, niet gehouden was om nog na te gaan of er een andere vorm van concessie voorhanden was (schending van het algemeen rechtsbeginsel, genaamd beschikkingsbeginsel, evenals artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek). Ten slotte miskent het de bewijskracht van eiseres' syntheseconclusie door te stellen dat de eiseres zelf geen andere vorm van concessie ter sprake bracht, daar waar zij elders in deze besluiten, meer bepaald op pagina 14, de overeenkomst kwalificeerde als een "concessieovereenkomst van onbepaalde duur", aldus aan die conclusie een met haar bewoordingen onverenigbare uitlegging gevende (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Het hof van beroep heeft dan ook niet wettig kunnen beslissen dat er geen aanleiding was tot toepassing van de wet van 27 juli 1961 (schending van de artikelen 1, ,§,§1 en 2, 2 en 3 van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop, zoals gewijzigd bij wet van 13 april 1971). Tweede onderdeel Blijkens artikel 1, ,§2, van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop, zoals gewijzigd bij wet van 13 april 1971, is de concessieovereenkomst, in de zin van deze wet, iedere overeenkomst krachtens welke een concessiegever aan een of meer concessiehouders het recht voorbehoudt in eigen naam en voor eigen rekening producten te verkopen die hijzelf vervaardigt of verdeelt. In artikel 1, ,§1, van voornoemde wet wordt voorts gepreciseerd dat er drie soorten van concessie bestaan, te weten: 1° de concessie van alleenverkoop; 2° de verkoopconcessies krachtens welke de concessiehouder nagenoeg alle producten waarop de overeenkomst slaat in het concessiegebied verkoopt; 3° de verkoopconcessies waarbij de concessiegever belangrijke verplichtingen oplegt, die op strikte en bijzondere wijze aan de concessie zijn verbonden en waarvan de last zo zwaar is dat de concessiehouder groot nadeel zou lijden in geval van beëindiging van de concessie. Deze drie soorten van concessie worden alle gekenmerkt door het bestaan van een organische en gestructureerde relatie tussen concessiegever en concessiehouder, waarbij de concessiehouder de verplichting op zich neemt om in eigen naam en voor eigen rekening de producten van de concessiegever weder te verkopen, met dien verstande dat hij in het kader van die concessie over bijzondere rechten beschikt en een voorkeursbehandeling geniet die de concessiegever niet zou verlenen indien het om een gewone wederverkoper zou gaan, zonder dat de exclusiviteit is te aanzien als een essentieel kenmerk van voornoemde overeenkomst. De omstandigheid dat een overeenkomst niet voldoet aan de kwalificatie van een concessie van alleenverkoop wegens het ontbreken van een bedongen exclusiviteit betekent zodoende nog niet dat deze overeenkomst niet onder de toepassing van voornoemde wet zou vallen. Besluit In zoverre het hof van beroep oordeelt dat het volstaat vast te stellen dat er geen excluviteit voorhanden is om te kunnen besluiten tot de verwerping van de eis gestoeld op de artikelen 2 en 3 van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop, zoals gewijzigd bij wet van 13 april 1971, daar waar de exclusiviteit geen essentieel bestanddeel van de verkoopconcessie in de zin van artikel 1, ,§2, van voornoemde wet is, verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht (schending van artikel 1, ,§,§1 en 2, van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop, zoals gewijzigd bij wet van 13 april 1971). Derde onderdeel Overeenkomstig artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek bestaat de oorzaak van de vordering in het geheel van rechtsfeiten die door de eiser worden ingeroepen ter staving van zijn eis, te weten het geheel van materiële feiten waaraan rechtsgevolgen zijn verbonden, en dit ongeacht de juridische kwalificatie die hieraan door de eiser wordt gegeven. De wijziging van de kwalificatie, door de eiser aan de overeenkomst gegeven, laat de oorzaak van de vordering zodoende ongewijzigd. Te dezen blijkt uit eiseres' syntheseconclusie dat haar vordering, strekkende tot het bekomen van een vergoeding, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 27 juli 1961 betreffende de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop, evenals tot een billijke bijkomende vergoeding op grond van artikel 3 van diezelfde wet, was gestoeld op de sinds december 1983 tussen partijen bestaande relatie, door de eiseres in het feitenrelaas van haar syntheseconclusie als een alleenverkoopconcessie gekwalificeerd, welke de verdeling, in eigen naam en voor eigen rekening, in België van de producten, door de verweerster gefabriceerd en verkocht, tot voorwerp had en in uitvoering waarvan de eiseres onder meer instond voor de prospectie, bestelling, levering, plaatsing en de service na verkoop, nadat zij deze producten eerst had aangekocht. Elders in haar syntheseconclusie omschreef de eiseres deze relatie als een kaderovereenkomst van onbepaalde duur, met name een "concessieovereenkomst". De eiseres beriep zich zodoende ter staving van haar eis op het bestaan van een contractuele relatie, waaraan de rechter, zoals aangevoerd in het eerste onderdeel, de juiste kwalificatie diende te geven. Besluit Het hof van beroep, dat oordeelt dat de vaststelling dat er geen bedongen exclusiviteit werd aangetoond volstaat ter verwerping van de eis, zonder dat nog verder diende te worden onderzocht of de kwestieuze overeenkomst als een concessieovereenkomst kon worden gekwalificeerd, zulks op grond van de overweging dat de eiseres zelf in haar syntheseconclusie sprak van een exclusieve concessieovereenkomst en geen andere vorm van concessie ter sprake bracht en het hof van beroep zodoende enkel had te onderzoeken of er een exclusieve concessieovereenkomst (concessie van alleenverkoop) aanwezig was, doet aldus uitspraak in miskenning van de oorzaak van eiseres' vordering, die blijkens haar syntheseconclusie was gestoeld op een tussen partijen sinds december 1983 bestaande contractuele relatie, in uitvoering waarvan de eiseres de producten, door de verweerster gefabriceerd en verkocht, in België verdeelde (schending van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek) en beslist zodoende op onwettige wijze geen rechtsmacht meer te hebben (schending van de artikelen 19 en 1068 van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  5. De rechter moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten onderzoeken, en, mag ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp noch de oorzaak van de vordering wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen eerbiedigt.
  6. De vordering van de eiseres strekte er toe de verweerster te veroordelen tot betaling van een compensatoire opzeggingsvergoeding evenals van een billijke bijkomende vergoeding op grond van respectievelijk de artikelen 2 en 3 van de Wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop.
  7. De appelrechters stellen vast dat: - er betwisting bestaat tussen de partijen omtrent het definiëren van hun contractuele relatie als verkoopconcessie; - de eiseres in haar syntheseconclusie spreekt van een exclusieve concessieovereenkomst en geen andere vorm van concessieovereenkomst ter sprake brengt. Op grond hiervan oordelen de appelrechters dat zij "enkel te onderzoeken (hebben) of er een exclusieve concessieovereenkomst (een concessie van alleenverkoop) aanwezig is" en wijzen zij vervolgens de vordering van de eiseres af op grond dat "(de eiseres) niet bewijst dat er werd overeengekomen met (de verweerster) dat zij het recht genoot om als enige de producten van (de verweerster) te verkopen in België" en dat "de exclusiviteit dus niet (is) bewezen".
  8. Na het bestaan van een concessie van alleenverkoop te hebben uitgesloten, wijzen de appelrechters aldus een onderzoek naar het bestaan van een andere verkoopconcessie in de zin van artikel 1, 2° en 3° van de Wet van 27 juli 1961 op grond van de door de eiseres aangevoerde feiten af, hoewel zij aannemen dat die feiten "(eerder) slaan op het bewijs in verband met de concessieovereenkomst op zich".
  9. Door aldus te oordelen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.
  10. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  11. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre het hoger beroep ontvankelijk wordt verklaard. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van 16 maart 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060316.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2015:ARR.20151202.4 ECLI:BE:CALIE:2021:ARR.20210423.1 ECLI:BE:CALIE:2021:ARR.20210423.17 ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080911.2 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090528.8 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131031.3 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190320.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011221.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090515.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191030.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.