← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060316.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060316.9 Rolnummer: C.05.0442.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-06-26 Raadplegingen: 559 - laatst gezien 2026-07-04 04:59 Versie(s): Vertaling FR Fiche Artikel 747, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek heeft niet de strekking dat een partij die nalaat binnen de door de rechter bepaalde termijn een conclusie te nemen, hierdoor het recht verbeurt om binnen de voor haar bepaalde daaropvolgende termijn een conclusie te nemen

(1).
(1)Cass., 27 nov. 2003, AR C.01.0438.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031127.9, nr
  1. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Conclusietermijnen - Artikel 747, § 2, Gerechtelijk Wetboek - Strekking Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 747, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0442.N A.H., eiser, vertegenwoordigd door mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  2. PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE ANTWERPEN, wiens burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Waalse Kaai, verweerder,
  3. H.C. verweerster, in alle geval in gemeen- en tegenstelbaarverklaring van het arrest opgeroepen partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 1 juni 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 747, ,§2, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek (art. 747, ,§2, gewijzigd bij de wetten van 23 maart 1995 en 3 augustus 1993). Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest zegt dat het huwelijk aangegaan door de eiser en de tweede verweerster, op 30 september 1995, te Schoten, zoals blijkt uit de huwelijksakte nummer 147, jaar 1995, van het register der huwelijken van de burgerlijke stand van Schoten, volstrekt nietig is als strijdig met de openbare orde en het spreekt de nietigverklaring van dit huwelijk uit op de volgende gronden: De eiser vordert dat de aanvullende conclusie van de tweede verweerster, die werd neergelegd op 26 juli 2004 en hem werd medegedeeld op 27 juli 2004 en de bijkomende stukken waarnaar in die conclusie wordt verwezen, uit de debatten worden geweerd. De tweede verweerster betoogt daartegen terecht dat zij over een conclusietermijn beschikte tot 25 oktober 2004 en dat de eiser op haar conclusie geantwoord heeft en ook omtrent de bijkomende stukken heeft geconcludeerd. Ter terechtzitting van 16 maart 2004 werd het akkoord van de partijen geacteerd om te concluderen als volgt: - de verweerders uiterlijk op 25 maart 2004, - de eiser uiterlijk op 25 mei 2004, - de verweerders uiterlijk op 25 juli 2004, - de eiser uiterlijk op 25 september 2004, - de verweerders uiterlijk op 25 oktober
  4. De eerste conclusies waren neergelegd door de eerste verweerder op 9 maart 2004 en door de tweede verweerster op 16 maart 2004, dus tijdig. De eiser legde zijn eerste conclusies neer op 25 mei 2004, dus eveneens tijdig. De aanvullende conclusies voor de tweede verweerster werden neergelegd op 26 juli 2004, dus na het verstrijken van haar tweede termijn, doch vóór het verstrijken van haar derde termijn, en de eiser heeft zijn laatste conclusie nog kunnen neerleggen op 24 september 2004, wat ook nog binnen zijn laatste termijn gebeurde. Wat de stukken betreft, moet vooreerst worden opgemerkt dat de tweede verweerster zelf geen stukken neerlegt en derhalve ook niet gehouden was enige inventaris op te stellen. De "bijkomende" stukken waarover de tweede verweerster aanvullend besloot betreffen de processen-verbaal opgesteld door de politie te Turnhout op 6 februari 2004, die door het Parket aan het dossier van de rechtspleging reeds zijn toegevoegd op 11 maart 2004, en waarvan beide raadslieden in kennis zijn gesteld bij brief van 12 maart 2004, zodat de partijen ruim tijd hadden om daarop te antwoorden. Er is aldus geen wettelijk reden voorhanden om enige conclusie en/of stuk in deze zaak te weren uit het beraad. Grieven Wanneer de rechter krachtens artikel 747, ,§2, van het Gerechtelijk Wetboek termijnen bepaalt om conclusies te nemen, dan dienen de conclusies die zijn overlegd na het verstrijken van deze termijnen ambtshalve uit het debat te worden geweerd. Deze termijnen zijn dwingend. Wanneer een partij aan de rechter vraagt een laattijdige conclusie uit het debat te weren, dan mag de rechter het belang dienaangaande van die partij niet beoordelen. Partijen hadden ter terechtzitting van 16 maart 2004 in navolging van artikel 747, ,§2, van het Gerechtelijk Wetboek de volgende conclusietermijnen vastgesteld: Om te concluderen - voor de verweerders uiterlijk op 25 maart 2004 - voor de eiser uiterlijk op 25 mei 2004 Om aanvullend te concluderen - voor de verweerders uiterlijk op 25 juli 2004 - voor de eiser uiterlijk op 25 september 2004 Voor eventueel wederantwoord - voor de verweerders uiterlijk op 25 oktober 2004 De appelrechters stelden vast: - dat de eerste conclusies voor de tweede verweerster werden neergelegd op 16 maart 2004, dus tijdig. - dat de aanvullende conclusies voor de tweede verweerster werden neergelegd op 26 juli 2004, dus na het verstrijken van haar tweede termijn. De eiser stelde in zijn syntheseberoepsbesluiten dat de aanvullende conclusies van tweede verweerster slechts op 26 juli 2004 werden neergelegd ter griffie zodat die aanvullende conclusies ambtshalve uit de debatten dienden te worden geweerd (zie de syntheseberoepsbesluiten van de eiser, p. 1 en 2). Na te hebben vastgesteld dat de aanvullende conclusies van de tweede verweerster werden neergelegd na het verstrijken van de tweede termijn, konden de appelrechters niet wettelijk beslissen dat die aanvullende conclusies niet uit het debat dienden geweerd omdat zij werden neergelegd voor het verstrijken van de derde termijn waarover de tweede verweerster beschikte voor eventueel wederantwoord en omdat de eiser zijn laatste conclusie nog (niet) had kunnen neerleggen op 24 september
  5. Dit neemt immers niet weg dat de aanvullende conclusies van de tweede verweerster werden neergelegd na het verstrijken van de dwingende termijn vastgesteld om die aanvullende conclusies neer te leggen zodat zij ambtshalve uit de debatten dienden geweerd te worden vermits de verweerster van haar derde termijn geen gebruik gemaakt heeft om tijdig andere conclusies neer te leggen. De appelrechters hadden terzake geen beoordelingsvrijheid en dienden deze aanvullende conclusies uit de debatten te weren, zoals gevorderd door de eiser, ongeacht het feit dat de eiser tijdig laatste conclusies kon neerleggen (schending van de artikelen 747, ,§2, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  6. Wanneer de rechter krachtens artikel 747, ,§2, van het Gerechtelijk Wetboek termijnen bepaalt om conclusie te nemen, moet de conclusie die na het verstrijken van de bepaalde termijn is overgelegd ambtshalve uit het debat worden geweerd. Dit artikel heeft niet de strekking dat een partij die nalaat binnen de aldus bepaalde termijn een conclusie te nemen, hierdoor het recht verbeurt om binnen de voor haar bepaalde daaropvolgende termijn een conclusie te nemen.
  7. Het arrest stelt vast dat ter terechtzitting van 16 maart 2004 het akkoord van de partijen om te concluderen als volgt werd geacteerd: - de verweerders: uiterlijk op 25 maart 2004 - de eiser: uiterlijk op 25 mei 2004 - de verweerders: uiterlijk op 25 juli 2004 - de eiser: uiterlijk op 25 september 2004 - de verweerders: uiterlijk op 25 oktober 2004 Het arrest stelt verder dat: - de eerste conclusie neergelegd op 9 maart 2004 door de verweerder, op 16 maart 2004 door de verweerster en op 25 mei 2004 door de eiser tijdig zijn; - de aanvullende conclusie van de verweerster is neergelegd op 26 juli 2004, dus na het verstrijken van haar tweede termijn doch voor het verstrijken van haar derde termijn en de eiser zijn laatste conclusie binnen zijn laatste termijn op 24 september 2004 heeft kunnen neerleggen.
  8. Het arrest beslist dat de verweerster terecht betoogt dat zij over een conclusietermijn beschikte tot 25 oktober 2004 en de eiser op haar conclusie heeft geantwoord en dat er aldus geen wettige reden voorhanden is om enige conclusie uit het beraad te weren.
  9. Het arrest schendt zodoende artikel 747, ,§2, van het Gerechtelijk Wetboek niet.
  10. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 644,17 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van 16 maart 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060316.9 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080924.15 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031127.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.