id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060320.3 Rolnummer: C.04.0441.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2006-08-25 Raadplegingen: 852 - laatst gezien 2026-07-04 08:44 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De onzekerheid of de twijfel die blijven bestaan na de bewijsvoering moeten in aanmerking worden genomen tegen degene die de bewijslast draagt; de rechter die vaststelt dat op de wetsverzekeraar de wettelijke verbintenis rustte om binnen de twee weken na de homologatie of het in kracht van gewijsde treden van de beslissing, aan het Fonds voor Arbeidsongevallen een afschrift over te maken van de gehomologeerde overeenkomst betreffende de voor het arbeidsongeval verschuldigde vergoedingen of van de in kracht van gewijsde getreden beslissing tot genezenverklaring zonder blijvende arbeidsongeschiktheid, kan de bewijslast dat die verbintenis niet werd nagekomen niet bij de rechthebbende leggen en op grond van de twijfel en onzekerheid omtrent de uitvoering van deze verplichting diens vordering niet afwijzen. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Twijfel Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.870 Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - VERGOEDING - Algemeen Vrije woorden: ARBEIDSONGEVAL - VERGOEDING - Algemeen Overmaking van de gehomologeerde overeenkomst Bewijslast Beoordelingsvrijheid Twijfel Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.870 Tekst van de beslissing Nr. C.04.0441.N D. R. L., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- FORTIS A.G., naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 53, verweerster,
- FONDS VOOR ARBEIDSONGEVALLEN, met zetel te 1050 Elsene, Troonstraat 100, verweerder, partij opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 29 juni 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. De zaak is bij beschikking van de voorzitter van 9 februari 2006 verwezen naar de derde kamer. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1315, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 870, van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 6ter, van het koninklijk besluit van 21 december 1971 betreffende de bijslagen en de sociale bijstand verleend door het Fonds voor Arbeidsongevallen, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 2 februari
- Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verklaart de vordering van eiseres om eerste verweerster te veroordelen tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding ten belope van 45.646,43 euro ongegrond op de volgende gronden: "Overeenkomstig artikel 6ter van het koninklijk besluit van 21 december 1971 betreffende de bijslagen en sociale bijstand verleend door het Fonds voor Arbeidsongevallen had eerste verweerster de wettelijke verplichting om binnen de 2 weken na de homologatie van een overeenkomst betreffende de voor een arbeidsongeval verschuldigde vergoedingen aan het Fonds voor Arbeidsongevallen een afschrift over te maken van de gehomologeerde overeenkomst bedoeld bij artikel 65 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april
- Het door eiseres aan eerste verweerster gemaakte verwijt is dit niet te hebben gedaan met betrekking tot de op 15 mei 1973 door de Arbeidsrechtbank te Turnhout gehomologeerde overeenkomst betreffende de gevolgen van het dodelijk arbeidsongeval overkomen op 16 september 1972 aan M.G., wiens weduwe eiseres is. Eerste verweerster voert aan dat eiseres niet bewijst dat zij de aan haar verweten fout heeft begaan. De eerste rechter oordeelde dat deze fout bewezen was en veroordeelde eerste verweerster tot de gevorderde schadevergoeding. Met betrekking tot de bewijslast van de aan eerste verweerster verweten fout overwoog de eerste rechter wat volgt: 'Daar het hier om een wettelijke verplichting gaat komt het eerste verwerende partij toe aan te tonen dat zij de aangifte bedoeld in artikel 6ter van voormeld koninklijk besluit van 10 april 1971 tijdig heeft gedaan. Dit bewijs wordt door eerste verwerende partij niet geleverd'. Eerste verweerster is door deze overweging gegriefd. Eerste verweerster verwijt de eerste rechter artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek inzake de bewijslast te hebben miskend. Conform artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek moet iedere partij in rechte aantonen, het bewijs leveren van de feiten die hij aanvoert. Derhalve, waar eiseres en het Fonds voor Arbeidsongevallen voorhouden dat eerste verweerster en/of haar rechtsvoorganger een fout hebben begaan in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek., namelijk de aangifte bedoeld in artikel 6ter van het koninklijk besluit van 10 april 1971 niet tijdig zouden hebben gedaan, dan moeten zij hiervan het bewijs leveren. De loutere negatie of bewering door het Fonds voor Arbeidsongevallen vormt geen bewijs. Uit het enkele feit dat het Fonds voor Arbeidsongevallen als schuldenares van de bijslagen niet eerder dan vanaf 1 juni 1998 heeft betaald kan bij gebreke aan voldoende verband niet worden afgeleid dat eerste verweerster de aan haar verweten fout heeft begaan. De inhoud van de brief van 15 juli 2002 van het Fonds voor Arbeidsongevallen aan de advocaat van eiseres gericht brengt geen rechterlijke zekerheid over de aan eerste verweerster verweten fout. Deze brief affirmeert de aan eerste verweerster verweten fout niet formeel. Het Fonds voor Arbeidsongevallen affirmeert enkel dat zij de eerste stukken ontving ingevolge het onderzoek uitgevoerd door de dienst inspectie bij Fortis AG. In deze brief wordt geaffirmeerd dat het Fonds voor Arbeidsongevallen de overeenkomst-vergoeding ontving zonder precisering wanneer het Fonds voor Arbeidsongevallen deze ontving. Er blijft twijfel en onzekerheid over de mogelijke nalatigheid van eerste verweerster om de wettelijke verplichting uit artikel 6ter van het koninklijk besluit van 21 december 1971 betreffende de bijslagen en sociale bijstand verleend door het Fonds voor Arbeidsongevallen na te komen, nu in de brief van 15 juli 2002 de aan eerste verweerster verweten fout niet formeel wordt geaffirmeerd en nu ten overvloede met betrekking tot de aan eerste verweerster verweten fout geen bewijswaarde kan worden gehecht aan die brief, nu die brief uitgaat van een betrokken en belanghebbende partij, te weten het Fonds voor Arbeidsongevallen. Het Fonds voor Arbeidsongevallen was immers de schuldenaar van eerste verweerster voor de aanpassingsbijslagen, die verjaard zijn. De aangevoerde schade bestaat te dezen precies in het verlies van de aanpassingsbijslagen, die verjaard zijn. De brief van 25 maart 2002 door eerste verweerster gericht aan de advocaat van eiseres houdt geen erkenning door eerste verweerster in van de door eiseres aan eerste verweerster verweten fout. In deze brief erkent eerste verweerster niet dat zij de aan haar verweten fout heeft begaan. Eerste verweerster stelt in de brief van 25 maart 2002 enkel dat zij niet meer over het dossier beschikt. Het in deze brief gedane voorstel om als schadevergoeding interest op de verschuldigde bijslagen te betalen is een voorstel tot dading, welk voorstel niet is aanvaard geworden zodat het zonder rechtsgevolgen blijft. Er blijft dus twijfel en onzekerheid over het door eiseres te leveren bewijs dat eerste verweerster haar wettelijke verplichting tot aangifte van de homologatie van de overeenkomst-vergoeding als bedoeld in artikel 6ter van het koninklijk besluit van 21 december 1971 betreffende de bijslagen en de sociale bijstand verleend door het Fonds voor Arbeidsongevallen heeft miskend. Bij gebreke van bewijs door eiseres van de aan eerste verweerster verweten afwijking van de wettelijke verplichting tot aangifte is de vordering ongegrond". Grieven Ingevolge het artikel 6ter van het koninklijk besluit van 21 december 1971 betreffende de bijslagen en de sociale bijstand verleend door het Fonds voor Arbeidsongevallen had eerste verweerster, als verzekeraar, de wettelijke verplichting om binnen de twee weken na de homologatie van een overeenkomst betreffende de voor een arbeidsongeval verschuldigde vergoedingen aan het Fonds voor Arbeidsongevallen een afschrift over te maken van de gehomologeerde overeenkomst bedoeld bij artikel 65 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april
- Het bestreden arrest stelt vast dat eiseres aan eerste verweerster verwijt deze wettelijke verplichting niet te zijn nagekomen met betrekking tot de op 15 mei 1973 door de Arbeidsrechtbank te Turnhout gehomologeerde overeenkomst betreffende de gevolgen van het dodelijk arbeidsongeval overkomen op 16 september 1972 aan M.G., echtgenoot van eiseres. Hij die de uitvoering van een wettelijke verplichting vordert of schadevergoeding wegens de niet-uitvoering van die wettelijke verplichting, moet het bestaan van die wettelijke verplichting bewijzen. Hij die beweert bevrijd te zijn van die wettelijke verplichting of aan die wettelijke verplichting te hebben voldaan, moet het bewijs leveren van het feit dat het tenietgaan van die verplichting heeft teweeggebracht. Eiseres diende derhalve enkel het bewijs te leveren van het bestaan van de wettelijke verplichting in hoofde van eerste verweerster om overeenkomstig het artikel 6ter van het koninklijk besluit van 21 december 1971 binnen de twee weken na de homologatie aan het Fonds voor Arbeidsongevallen een afschrift over te maken van de op 15 mei 1973 gehomologeerde overeenkomst. Eiseres diende daarenboven niet het bewijs te leveren dat eerste verweerster en/of haar rechtsvoorganger deze wettelijke verplichting niet had uitgevoerd. Het was integendeel eerste verweerster die beweerde bevrijd te zijn van deze wettelijke verplichting, die het bewijs diende te leveren van het feit dat zij en/of haar rechtsvoorganger deze wettelijke verplichting wel had uitgevoerd. Het bestreden arrest heeft dan ook ten onrechte beslist dat eiseres het bewijs moest leveren van het feit dat eerste verweerster de aangifte bedoeld in artikel 6ter van het koninklijk besluit niet tijdig gedaan had. Het bestreden arrest stelt immers vast dat eerste verweerster overeenkomstig artikel 6ter van het koninklijk besluit van 21 december 1971 de wettelijke verplichting had om binnen de twee weken na de homologatie een afschrift van de gehomologeerde overeenkomst aan het Fonds voor Arbeidsongevallen over te maken zodat eerste verweerster, die beweerde bevrijd te zijn van deze wettelijke verplichting diende te bewijzen dat zij deze verplichting wel had uitgevoerd (schending van de artikelen 1315, van het Burgerlijk Wetboek, 870, van het Gerechtelijk Wetboek, en 6ter van het koninklijk besluit van 21 december 1971). Het bestreden arrest stelt vast dat er twijfel en onzekerheid blijven over de mogelijke nalatigheid van eerste verweerster om de wettelijke verplichting uit artikel 6ter van het koninklijk besluit van 21 december 1971 na te komen. Op die gronden kon het bestreden arrest de vordering van eiseres tegen eerste verweerster tot betaling van schadever-goeding wegens het niet nakomen van die wettelijke verplichting niet wettelijk ongegrond verklaren vermits de twijfel en de onzekerheid dienen weerhouden ten laste van verweerster daar deze de bewijslast en dus ook het bewijsrisico draagt (schending van de artikelen 1315, van het Burgerlijk Wetboek, 870, van het Gerechtelijk Wetboek, 6ter van het koninklijk besluit van 21 december 1971 en van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). IV. Beslissing van het Hof Beoordeling
- Krachtens artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek, moet hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan bewijzen, en omgekeerd, moet hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht. Krachtens artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek, moet iedere partij het bewijs leveren van de feiten die ze aanvoert. De onzekerheid of de twijfel die blijven bestaan na de bewijsvoering moeten in aanmerking worden genomen tegen degene die de bewijslast draagt.
- Krachtens artikel 6ter van het koninklijk besluit van 21 december 1971 betreffende de bijslagen en sociale bijstand verleend door het Fonds voor Arbeidsongevallen, maakt de wetsverzekeraar, binnen de twee weken na de homologatie of het in kracht van gewijsde treden van de beslissing, aan het Fonds voor Arbeidsongevallen een afschrift over van de gehomologeerde overeenkomst, bedoeld bij artikel 65 van de Arbeidsongevallenwet of van de in kracht van gewijsde getreden beslissing, bedoeld bij artikel 24, eerste lid, van deze wet. Deze overmaking heeft tot doel het Fonds voor Arbeidsongevallen te verwittigen en in de mogelijkheid te stellen de in artikel 6 bedoelde aanpassingsbijslagen aan de gerechtigden uit te betalen.
- Het arrest stelt vast dat de vordering van de eiseres steunt op de beweerde foutieve handelwijze van de verweerster, erin bestaande nagelaten te hebben binnen de gestelde termijn het afschrift aan de verweerder te hebben overgemaakt van de gehomologeerde overeenkomst betreffende de gevolgen van het dodelijk arbeidsongeval, overkomen op 16 september 1972 aan M.G., waardoor diens weduwe, de eiseres, de aanpassingsbijslagen waarop ze gerechtigd was, niet heeft ontvangen.
- Het arrest oordeelt dat de eiseres het bewijs moet leveren dat de verweerster haar wettelijke verplichting tot aangifte aan de verweerder binnen de gestelde termijn van de voormelde homologatie niet is nagekomen en wijst, gelet op de twijfel en onzekerheid omtrent die aangifte, de vordering tot schadevergoeding van de eiseres bij gebreke van bewijs af.
- Na te hebben vastgesteld dat op de verweerster een wettelijke verbintenis rustte, legt het arrest ten onrechte de bewijslast dat die verbintenis door de verweerster niet is nagekomen bij de eiseres, daar waar de verweerster het bewijs diende te leveren van het tenietgaan van die verbintenis door de uitvoering ervan.
- Door met miskenning van de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek de bewijslast bij de eiseres te leggen en op grond van de twijfel en onzekerheid omtrent de uitvoering van de verplichting tot aangifte de vordering van de eiseres af te wijzen, schendt het arrest de voormelde als geschonden aangewezen wetsbepalingen.
- Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois en Ghislain Londers, en in openbare terechtzitting van twintig maart tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060320.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090416.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160415.4 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190111.2 ECLI:BE:CTBRL:2022:ARR.20220203.2 ECLI:BE:CTBRL:2022:ARR.20220414.1 ECLI:BE:CTLIE:2022:ARR.20220928.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181018.10 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200918.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div