id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060321.4 Rolnummer: P.05.1517.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2006-12-18 Raadplegingen: 636 - laatst gezien 2026-07-03 22:39 Versie(s): Vertaling FR Fiche Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS Tekst van de beslissing Nr. P.05.1517.N B A R J, beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, bevoegd voor de provincie West-Vlaanderen,met kantoor te 8000 Brugge, Werkhuisstraat 9, eiser tot herstel, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 21 december 2001 en 14 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- De eiser voerde het in het onderdeel aangehaalde verweer alleen aan ten betoge dat de redelijke termijn voor het voortzetten van de strafvervolging was overschreden. De appelrechters beantwoorden dit verweer met de overweging dat de redelijke termijn geen aanvang kon nemen voor de datum van de dagvaarding. Zij hoefden daarbij niet te antwoorden op elk argument dat, zonder een afzonderlijk middel te vormen, de eiser alleen tot staving van dit verweer hebben aangevoerd.
- Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat uit de stukken van het dossier blijkt dat de eiser reeds op 22 oktober 1995 en 5 november 1995 uitdrukkelijk en officieel op de hoogte werd gesteld van de omstandigheid dat bij hem wederrechtelijke werken werden vastgesteld, en dat de appelrechters bijgevolg niet mochten oordelen dat de eiser tot de datum van de dagvaarding op 11 juli 1998 niet onder dreiging van een strafvervolging heeft geleefd.
- Wanneer de rechter, door een beoordeling in feite, vaststelt dat de verschillende misdrijven die bij hem aanhangig zijn, de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van hetzelfde misdadig opzet, begint de redelijke termijn voor het berechten van dit geheel van misdrijven pas op de dag waarop de vervolgde persoon verplicht wordt zich te verdedigen tegen het laatste feit dat de uitvoering vormt van dat opzet.
- De appelrechters stellen te dezen vast dat de feiten van de verschillende telastleggingen de uiting zijn van eenzelfde strafbaar opzet, zodat tot en met 1 juli 1998 slechts één misdrijf werd gepleegd. Bijgevolg oordelen zij wettig dat de eiser pas op 11 juli 1998, datum van de dagvaarding, onder dreiging van een strafvervolging leefde waardoor de redelijke termijn een aanvang heeft genomen.
- Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel bekritiseert alleen het oordeel van de appelrechter dat de artikelen 6.
- EVRM en artikel 14.3.c IVBPR niet toepasselijk zijn op de herstelvordering, echter niet hun oordeel dat terzake overigens de in deze verdragsbepalingen bepaalde redelijke termijn niet is overschreden. Dit laatste volstaat om de beslissing van de appelrechters ter verantwoorden.
- Het onderdeel komt op tegen een overtollige reden, en is aldus niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- De eiser voert aan dat de appelrechters niet hebben geantwoord op zijn verweer dat de herstelvordering pas werd geformuleerd op 10 april 1998, zodoende geruime tijd na de feiten en dat zulks a fortiori het geval is voor de nieuwe herstelvordering van 2 april
- Met dit verweer voerde de eiser alleen aan dat de redelijke termijn voor de herstelvordering overschreden was. De appelrechters beantwoorden dit verweer met de overweging dat de redelijke termijn niet toepasselijk is op de herstelvordering en deze termijn hoe dan ook terzake niet is overschreden, vermits het overwegend de eiser zelf is die in hoofdorde om uitstel van de behandeling van deze vordering heeft gevraagd. Zij moeten daarbij niet antwoorden op elk argument dat, zonder een afzonderlijk middel te vormen, door de eiser alleen tot staving van dit verweer wordt aangevoerd.
- Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Anders dan het onderdeel aanvoert hebben de appelrechters uit de feiten die zij onaantastbaar hebben vastgesteld, wettig kunnen oordelen dat de redelijke termijn niet is overschreden.
- Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel
- Met de motivering waarnaar het onderdeel verwijst, leggen de appelrechters de brief van de stedenbouwkundig inspecteur van 2 april 2001 niet uit, maar zij preciseren de gevolgen voor de rechtspleging van het wijzigen van een reeds voordien ingestelde herstelvordering Aldus miskennen zij niet de bewijskracht van deze brief.
- Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat het vorderen van een nieuwe herstelvordering niet voor het eerst in hoger beroep kan zonder het beginsel van de dubbele aanleg te miskennen.
- De herstelvordering blijft, ongeacht de verschillende tijdstippen waarop zij ter kennis wordt gebracht, éénzelfde vordering die ertoe strekt de gevolgen van het stedenbouwkundig misdrijf te doen ophouden, en die samen met de strafvordering voor de rechter aanhangig wordt gemaakt. De herstelvordering bestaat zodra het bevoegde bestuur ze heeft ingesteld en ze blijft bestaan zolang de strafrechter daarover geen uitspraak heeft gedaan. Dit brengt mee dat deze vordering in de loop van het geding kan worden gewijzigd, zelfs voor het eerst in hoger beroep, zonder dat daardoor het beginsel van de dubbele aanleg, gewaarborgd door artikel 14.5 IVBPR wordt miskend.
- Het onderdeel faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 119,82 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 21 maart 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060321.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170523.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951121.1 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000517.31 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031007.8 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050222.33 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061017.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div