id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060321.6 Rolnummer: P.06.0034.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2006-04-20 Raadplegingen: 834 - laatst gezien 2026-07-04 07:15 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 De verbeurdverklaring van de witgewassen vermogensvoordelen, voorwerp van het misdrijf van artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4°, Strafwetboek, is krachtens artikel 42, 1°, juncto 43 Strafwetboek verplicht; de beklaagde die weet dat hem dit misdrijf wordt telastegelegd weet vooraf dat dergelijke verbeurdverklaring in geval van schuldigverklaring verplicht moet worden uitgesproken en dient zich hierop dan ook te verdedigen. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring - Witgewassen vermogensvoordelen - Zaken die het voorwerp uitmaken van het misdrijf van artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4° Sw. - Aard Bijzondere verbeurdverklaring - Witgewassen vermogensvoordelen - Zaken die het voorwerp uitmaken van het misdrijf van artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4° Sw. - Verplichte verbeurdverklaring - Recht van verdediging Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Witwas - Bijzondere verbeurdverklaring - Witgewassen vermogensvoordelen - Zaken die het voorwerp uitmaken van het misdrijf van artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4° Sw. - Verplichte verbeurdverklaring Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Recht van verdediging - Strafzaken - Witwas - Bijzondere verbeurdverklaring - Witgewassen vermogensvoordelen - Zaken die het voorwerp uitmaken van het misdrijf van artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4° Sw. - Verplichte verbeurdverklaring Fiches 5 - 6 Artikel 43bis, Strafwetboek bepaalt niet dat de verbeurdverklaring van de in artikel 42, 1° en 2° van hetzelfde wetboek, bedoelde zaken slechts mogelijk is mits voorafgaande schriftelijke vordering van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring - Zaken die het voorwerp uitmaken van het misdrijf, gediend hebben of bestemd waren tot het plegen ervan of eruit voortkomen - Schriftelijke vordering van het O.M. Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Strafzaken - Strafvordering - Bijzondere verbeurdverklaring - Zaken die het voorwerp uitmaken van het misdrijf, gediend hebben of bestemd waren tot het plegen ervan of eruit voortkomen - Schriftelijke vordering van het O.M. - Vereiste Fiches 7 - 9 Vermits de verbeurdverklaring van de witgewassen vermogensvoordelen, voorwerp van het misdrijf van artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4°, Strafwetboek, verplicht is, motiveert de rechter zijn beslissing naar recht door vast te stellen dat de wettelijke voorwaarden vervuld zijn; de bijzondere motiveringsverplichting van artikel 195, tweede lid, Sv., is op deze verplichte verbeurdverklaring niet van toepassing
(1).
(1)Zie Cass., 24 juni 1998, AR P.97.1120.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980624.15, nr 333; 1 maart 2000, AR P.99.1604.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000301.18, nr 149. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring - Witgewassen vermogensvoordelen - Zaken die het voorwerp uitmaken van het misdrijf van artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4° Sw. - Verplichte verbeurdverklaring - Motiveringsplicht Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring - Witgewassen vermogensvoordelen - Zaken die het voorwerp uitmaken van het misdrijf van artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4° Sw. - Verplichte verbeurdverklaring Bijzondere verbeurdverklaring - Witgewassen vermogensvoordelen - Zaken die het voorwerp uitmaken van het misdrijf van artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4° Sw. - Verplichte verbeurdverklaring - Bijzondere motiveringsplicht - Artikel 195, tweede lid, Sv. - Toepasselijkheid Fiches 10 - 11 De rechter oordeelt onaantastbaar of de redelijke termijn voor de berechting van de zaak, waarop elke beklaagde recht heeft, al dan niet is overschreden; hij mag daarbij rekening houden met de houding van de beklaagde, onder meer met zijn verzoek tot uitstel
(1).
(1)Cass., 15 mei 2001, AR P.99.1478.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010515.9, nr 282. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Redelijke termijn - Overschrijding - Beoordeling door de vonnisgerechten - Draagwijdte - Houding van de beklaagde Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Redelijke termijn - Houding van de beklaagde Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 Fiche 12 De witwasmisdrijven van artikel 505, eerste lid, 2° en 3°, Strafwetboek vereisen dat de herkomst of de oorsprong van de zaken, bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek illegaal is, dit is vermogensvoordelen zijn die rechtstreeks uit een misdrijf zijn verkregen, goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld of inkomsten uit de belegde voordelen en dat de dader deze herkomst of oorsprong kende, eventueel, in het geval van artikel 505, eerste lid, 2°, dat hij deze oorsprong moest kennen; voor de schuldigverklaring en veroordeling van de dader volstaat het dat de illegale herkomst of oorsprong en de door hem vereiste kennis bewezen zijn, zonder dat vereist is dat de strafrechter het precieze misdrijf kent, op voorwaarde dat hij op grond van feitelijke gegevens elke legale herkomst of oorsprong kan uitsluiten
(1).
(1)Zie Cass., 21 juni 2000, AR P.99.1285.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000621.30-P.00.0351.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000621.30-P.00.0856.F, nr 387; 25 sept. 2001, AR P.01.0725.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010925.7, nr
- Thesaurus CAS: HELING Vrije woorden: Witwas - Bestanddelen - Illegale oorsprong of herkomst van de vermogensvoordelen - Kennis van de oorsprong of de herkomst - Bepaling van het onderliggend misdrijf waaruit de vermogensvoordelen zijn verkregen Tekst van de beslissing Nr. P.06.0034.N I F F, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Johan Scheers, advocaat bij de balie te Brussel. II F M G, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luc Deleu, advocaat bij de balie te Brussel, ter terechtzitting bijgestaan door mr. Judith Swerts, advocaat bij de balie te Brussel, voor mr. Luc Deleu. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Brussel, correctionele kamer, van 30 november
- De eiser F F voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiser F M G voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, eveneens vier middelen aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- De beide eisers zijn vrijgesproken voor het hen ten laste gelegde feit C.
- Hun cassatieberoep tegen die beslissing is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van F F
- De appelrechters oordelen dat de eiser F F schuldig is aan inbreuken op de artikelen 505, eerste lid, 2° Strafwetboek (telastlegging A) en 505, eerste lid, 3° Strafwetboek (telastlegging B) en veroordelen hem voor deze vermengde telastleggingen tot één straf. Tevens verklaren zij verbeurd "verplicht op basis van art. 43 Sw, (...) overeenkomstig art. 42, 1° Sw jo 505 Sw, de hierna vermelde gelden die door de (eisers) werden omgewisseld zijnde de goederen die het voorwerp uitmaken van de telastleggingen sub A en B".
- Artikel 505, derde lid, Strafwetboek bepaalt dat de zaken bedoeld in 1°, 2°, 3° en 4° van artikel 505, eerste lid, Strafwetboek, het voorwerp uitmaken van de misdrijven die gedekt worden door deze bepalingen, in de zin van artikel 42, 1°, en dat zij verbeurdverklaard worden, ook indien zij geen eigendom zijn van de veroordeelde, zonder dat deze verbeurdverklaring nochtans de rechten van derden op de goederen die het voorwerp kunnen uitmaken van de verbeurdverklaring, schaadt. Die verbeurdverklaring van de witgewassen vermogensvoordelen, voorwerp van het misdrijf van artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4°, Strafwetboek, is krachtens de artikelen 42, 1°, en 43 Strafwetboek verplicht.
- Het middel, in zoverre het ervan uitgaat dat dergelijke verbeurdverklaring facultatief is, faalt naar recht. Eerste onderdeel
- Artikel 43bis Strafwetboek bepaalt dat de bijzondere verbeurdverklaring toepasselijk op de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek door de rechter in elk geval kan worden uitgesproken, maar slechts voor zover zij door de procureur des Konings schriftelijk wordt gevorderd. Artikel 43bis Strafwetboek bepaalt niet dat de verbeurdverklaring van de in artikel 42, 1° en 2°, Strafwetboek bedoelde zaken slechts mogelijk is mits voorafgaande schriftelijke vordering van het openbaar ministerie.
- Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.
- De verbeurdverklaring van de witgewassen vermogensvoordelen, voorwerp van het misdrijf van artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4°, Strafwetboek, is krachtens de artikelen 42, 1°, en 43 Strafwetboek verplicht. De beklaagde die weet dat hem een inbreuk op artikel 505, eerste lid, 2°, 3° of 4°, Strafwetboek wordt telastegelegd, weet vooraf dat dergelijke verbeurdverklaring in geval van schuldigverklaring verplicht moet worden uitgesproken. Hij dient zich hierop dan ook te verdedigen.
- In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat eisers recht van verdediging wordt geschonden daar hem niet de mogelijkheid werd geboden zijn verdediging ter zake te voeren, kan het niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- De bijzondere motiveringsverplichting van artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, verplicht de rechter nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen te vermelden waarom hij, als de wet hem vrije beoordeling over de straf of maatregel overlaat, de door hem uitgesproken straf of maatregel oplegt en de strafmaat te rechtvaardigen voor elke uitgesproken straf. Vermits de verbeurdverklaring van de witgewassen vermogensvoordelen, voorwerp van het misdrijf van artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4°, Strafwetboek, verplicht is, motiveert de rechter zijn beslissing ter zake naar recht door vast te stellen dat de wettelijke voorwaarden vervuld zijn.
- In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de bijzondere motiveringsverplichting van artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering van toepassing is op deze verplichte verbeurdverklaring, faalt het naar recht.
- De appelrechters verklaren verbeurd "de hierna vermelde gelden die door de (eisers) werden omgewisseld zijnde de goederen die het voorwerp uitmaken van de telastleggingen sub A en B". Aldus verantwoorden zij hun beslissing naar recht.
- In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel van F F
- De rechter oordeelt onaantastbaar of de redelijke termijn voor de berechting van de zaak, waarop elke beklaagde recht heeft, al dan niet is overschreden. Hij mag daarbij rekening houden met de houding van de beklaagde, onder meer met zijn verzoek tot uitstel.
- De appelrechters hebben met de redenen die betrekking hebben op de redelijke termijn, zonder miskenning van het recht van verdediging wettig kunnen oordelen dat die redelijke termijn niet is overschreden. Zij oordelen met die redengeving niet dat "naast de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden bovendien zou moeten worden aangetoond dat hierdoor de rechten van verdediging zouden zijn gekrenkt".
- Het middel kan niet kan worden aangenomen. Derde middel van F F
- De eiser heeft uitsluitend naar het in het middel bedoelde stuk verwezen in het kader van zijn verweer dat hij niet betrokken is geweest bij een onderzoek naar drugshandel.
- De appelrechters oordelen niet dat de eiser betrokken is geweest bij een onderzoek naar drugshandel. Het weren uit het debat van voormeld stuk kan de eiser dan ook niet schaden.
- Het middel is niet ontvankelijk. Vierde middel van F F
- Het middel voert aan dat de appelrechters het hoger beroep van het openbaar ministerie waarvan het bestreden arrest stelt dat het werd ingesteld op 30 december 2003, wegens laattijdigheid onontvankelijk hadden dienen te verklaren en bijgevolg de toestand van de eiser niet mocht worden verzwaard.
- Uit de stukken van de rechtspleging kan worden afgeleid dat het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld op 30 september 2003 zodat de vermelding in het bestreden arrest dat het werd ingesteld op 30 december 2003, kennelijk berust op een verschrijving die het Hof vermag te verbeteren.
- Het middel kan niet worden aangenomen. Eerste middel van F M G
- Het middel is gelijkluidend aan het eerste middel, aangevoerd door F F.
- Het Hof verwijst hiervoor naar de redengeving die vermeld is in het antwoord op het eerste middel van F F. Tweede middel van F M G
- De witwasmisdrijven van artikel 505, eerste lid, 2° en 3°, Strafwetboek vereisen dat de herkomst of de oorsprong van de zaken, bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek illegaal is. Illegaal zijn de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit een misdrijf zijn verkregen, goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld of inkomsten uit de belegde voordelen. Bovendien vereisen zij dat de dader deze herkomst of oorsprong kende, eventueel in het geval van artikel 505, eerste lid, 2°, Strafwetboek dat hij deze oorsprong moest kennen. Voor de schuldigverklaring en veroordeling van de dader volstaat het dat de illegale herkomst of oorsprong en de door hem vereiste kennis bewezen zijn, zonder dat vereist is dat de strafrechter het precieze misdrijf kent, op voorwaarde dat hij op grond van feitelijke gegevens elke legale herkomst of oorsprong kan uitsluiten. Wanneer zoals hier wat betreft de illegale herkomst of oorsprong van zaken zoals bedoeld in artikel 505, eerste lid, 2° en 3°, Strafwetboek, de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren.
- In zoverre het middel opkomt tegen het oordeel van de appelrechters over de feitelijke gegevens waaruit zij de illegale herkomst of oorsprong van de gelden afleiden, is het niet ontvankelijk.
- Voor het overige overweegt het arrest: "dat (eiser) bewijsloos voorhoudt dat de door hem uitgevoerde omwisseling van vreemde valuta naar Nederlandse gulden verklaarbaar is vanuit de diamantpraktijk".
- Hiermede leggen de appelrechters de eiser geen bewijslast op, noch miskennen zij het vermoeden van onschuld, maar oordelen zij alleen dat eisers verweer elke grond van geloofwaardigheid mist.
- Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen. Derde middel van F M G
- Het middel is gelijkluidend aan het tweede middel, aangevoerd door F F.
- Het Hof verwijst hiervoor naar de redengeving die vermeld is in het antwoord op het tweede middel van F F. Vierde middel van F M G
- Het middel is gelijkluidend aan het vierde middel, aangevoerd door F F.
- Het Hof verwijst hiervoor naar de redengeving die vermeld is in het antwoord op het vierde middel van F F. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering
- De beslissingen op de strafvordering zijn gewezen met inachtneming van de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen en overeenkomstig de wet. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Begroot de kosten in het geheel op 112,06 euro waarvan elke eiser 56,03 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 21 maart 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060321.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091216.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980624.15 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000301.18 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000621.30 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010515.9 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010925.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111018.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150616.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171108.3 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171108.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210505.2F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div