← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060321.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060321.7 Rolnummer: P.06.0211.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-04-20 Raadplegingen: 676 - laatst gezien 2026-07-04 00:36 Versie(s): Vertaling FR Fiche Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP Vrije woorden: CASSATIEBEROEP Tekst van de beslissing Nr. P.06.0211.N I. V O J J P, beschuldigde, eiser. II. V O J J P, reeds vermeld, beschuldigde, eiser. III. M D F J, beschuldigde, eiser. IV. M D F J, reeds vermeld, beschuldigde, eiser. V. M D F A, beschuldigde, eiser. VI. M D F J, reeds vermeld, beschuldigde, eiser. VII. M D F J, reeds vermeld, beschuldigde, eiser. VIII. M D F J, reeds vermeld, beschuldigde, eiser. IX. V O J J P, reeds vermeld, beschuldigde, eiser. X. M D F A, reeds vermeld, beschuldigde, eiser. XI. M D F A, reeds vermeld, beschuldigde, eiser. XII. V O J J P, reeds vermeld, beschuldigde, eiser. XIII. M D F A, reeds vermeld, beschuldigde, eiser. XIV. M D, reeds vermeld, beschuldigde, eiser. XV. V O J J P, reeds vermeld, beschuldigde, eiser. XVI. M D, reeds vermeld, beschuldigde, eiser. XVII. M D F A, reeds vermeld, beschuldigde, eiser. XVIII. M D F J, reeds vermeld, inverdenkinggestelde, eiser. XIX. M D F J, reeds vermeld, inverdenkinggestelde, eiser. XX. V O J J P, reeds vermeld, inverdenkinggestelde, eiser. XXI. M D F A, reeds vermeld, minderjarige, eiser. XXII. M D F A, reeds vermeld, minderjarige, eiser. XXIII. M D F A, reeds vermeld, minderjarige, eiser. XXIV. M D F J, reeds vermeld, inverdenkinggestelde, eiser. Allen vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie de cassatieberoepen II, III, IV, V, VIII, IX, X, XI, XII, XIII, XIV, XV en XVI tegen

  1. O T, burgerlijke partij,
  2. O K, burgerlijke partij, verweerders. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I (aktenummer B2899), sub IV (aktenummer B3), XI (aktenummer B10), XII (aktenummer B11) en XVI (aktenummer B28) zijn gericht tegen het arrest nr. 23 op 19 december 2005 gewezen door het Hof van Assisen van de Provincie Antwerpen. De cassatieberoepen II (aktenummer B2900), sub III (aktenummer B2) en X (aktenummer B9) zijn gericht tegen het arrest nr. 24, op 19 december 2005 gewezen door het Hof van Assisen van de Provincie Antwerpen. De cassatieberoepen V (aktenummer B4), VIII (aktenummer B7) en IX (aktenummer B8) zijn gericht tegen het tussenarrest, op 16 december 2005 gewezen door het Hof van Assisen van de Provincie Antwerpen. Het cassatieberoep VI (aktenummer B5) is gericht tegen de beschikking van de raadkamer van 27 december 2004 waarbij de overdracht der stukken van de rechtspleging naar de kamer van inbeschuldigingstelling wordt bevolen. Het cassatieberoep VII (aktenummer B6) is gericht tegen de beschikking van de raadkamer van 27 december 2004 waarbij de gevangenneming van de eiser wordt bevolen. De cassatieberoepen sub XIII (aktenummer B14), XIV (aktenummer B15) en XV (aktenummer B16) zijn gericht tegen de processen-verbaal van de terechtzitting van de 14de zitting van het jaar 2005 van het Hof van Assisen van de Provincie Antwerpen. Het cassatieberoep XVII (aktenummer B32) is gericht tegen het arrest nr. 2004/194 op 20 januari 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling. De cassatieberoepen XVIII (aktenummer 2006/1), XX (aktenummer 2006/3) en XXI (aktenummer 2006/4) zijn gericht tegen het verwijzingsarrest nr. 2005/660, op 3 maart 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling. Het cassatieberoep XIX (aktenummer 2006/2) is gericht tegen het arrest nr. 2004/3793, op 7 december 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling. Het cassatieberoep XXII (aktenummer 2006/5) is gericht tegen het arrest nr. J.2004/6, op 22 januari 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, jeugdkamer. Het cassatieberoep XXIII (aktenummer 2006/6) is gericht tegen het arrest nr. J.2004/26, op 4 maart 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, jeugdkamer. Het cassatieberoep sub XXIV (aktenummer 2006/8) is gericht tegen het arrest nr. J.2004/41, op 1 april 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, jeugdkamer. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht vier middelen aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen Het cassatieberoep van de veroordeelden tegen het arrest van verwijzing naar het hof van assisen, ingesteld gelijktijdig met het cassatieberoep tegen het arrest van veroordeling, binnen vijftien vrije dagen na de uitspraak van dit arrest, legt aan het Hof noch de schending van de wetten betreffende de bevoegdheid van de kamer van inbeschuldigingstelling en van het hof van assisen, noch het onderzoek van de in de artikelen 292bis en 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde nietigheden voor. Artikel 292 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de procureur-generaal en de andere partijen het recht hebben een cassatieberoep in te stellen tegen het arrest van verwijzing naar het hof van assisen en dat dit cassatieberoep in elk geval binnen vijftien dagen na de in artikel 291 bedoelde betekening van het arrest aan de beschuldigde moet worden ingesteld. Dit cassatieberoep kan enkel worden ingesteld in de gevallen bepaald in artikel 292bis van dat wetboek. Bij gebrek aan dit cassatieberoep, ingesteld binnen de vijftien dagen na de betekening van het verwijzingsarrest, staat de bevoegdheid van het Hof van Assisen definitief vast en kan die niet meer aangevochten worden door een cassatieberoep ingesteld samen met het arrest van veroordeling. Bij gebrek aan onmiddellijk cassatieberoep kunnen evenmin de beslissingen van het verwijzingsarrest, genomen met toepassing van de artikelen 135 en 235bis Wetboek van Strafvordering, aangevochten worden. Ingevolge de behandeling van de zaak voor het hof van assisen, kan het bestaan van bezwaren niet meer aangevochten worden. Na het eindarrest van het hof van assisen staat evenmin cassatieberoep open tegen de beslissing van het arrest van verwijzing, die betrekking heeft op de gevangenneming In zoverre zij gericht zijn tegen de beslissingen van het verwijzingsarrest over een van de hierboven vermelde punten, zijn de cassatieberoepen XVIII, XX en XXI (aktenummers 2006/1, 2006/3 en 2006/4) niet ontvankelijk. De cassatieberoepen XII en XVII (aktenummers B11 en B28) werden respectievelijk door J V O en D M ingesteld tegen het arrest nr. 23 van 19 december 2005 waarbij zij tot straf zijn veroordeeld, nadat zij tegen hetzelfde arrest reeds de cassatieberoepen I en IV (aktenummers B 2899 en B3) hadden ingesteld. De cassatieberoepen XII en XVII zijn derhalve niet ontvankelijk. De cassatieberoepen V, VIII en IX (aktenummers B4, B7 en B8) zijn ingesteld tegen het tussenarrest van 16 december
  3. In zoverre de cassatieberoepen XIII, XIV en XV (aktenummers B14, B15 en B16) ook tegen dit tussenarrest is ingesteld, zijn zij niet ontvankelijk. Voor het overige zijn de cassatieberoepen XIII, XIV en XV evenmin ontvankelijk in zoverre zij gericht zijn tegen de maatregelen en handelingen vermeld in het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van assisen, die geen uitspraak inhouden over een geschil, welke vatbaar is voor cassatieberoep. Het cassatieberoep XVII (aktenummer B32), alhoewel gericht tegen het arrest nr. 2004/194 van 20 januari 2004 van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, is door D M ingesteld ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen. Dit cassatieberoep is niet ontvankelijk. De beschikking van de raadkamer, waarbij de overdracht van de stukken naar de kamer van inbeschuldigingstelling en de gevangenneming van de eisers worden bevolen, is niet in laatste aanleg gewezen en niet vatbaar voor cassatieberoep. De kamer van inbeschuldigingstelling moet immers zelf onderzoeken of er grond is de beschuldigde naar het Hof van Assisen te verwijzen en de gevangenneming van de betrokkene te bevestigen. De cassatieberoepen VI en VII (aktenummers B5 en B6), door D M ingesteld tegen de beschikking van de raadkamer van 27 december 2004, zijn derhalve niet ontvankelijk. Het arrest nr. J.2004/6 op 22 januari 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, jeugdkamer, bevestigt de beroepen beschikking van de jeugdrechter, die de voorlopige plaatsing van D M beslist. Een cassatieberoep tegen dit arrest mist ieder voorwerp, gelet op het arrest J.2004/26 van 4 maart 2004 van het Hof van Beroep te Antwerpen, jeugdkamer, dat beslist de zaak van D M uit handen te geven. Het cassatieberoep XXII (aktenummer 2006/5) tegen dat arrest is derhalve niet ontvankelijk. Bij arrest P.04.0399.N van het Hof van 27 april 2004 werd het cassatieberoep van D M tegen het arrest J.2004/26 van 4 maart 2004 van het Hof van Beroep te Antwerpen, jeugdkamer, afgewezen. Het tweede cassatieberoep XXIII (aktenummer 2006/6) van D M tegen datzelfde arrest is niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel Het onderdeel vecht een beslissing aan die enkel D M aanbelangt. In zoverre ook de twee andere eisers dit onderdeel aanvoeren, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Het arrest stelt vast dat getuige A aangesteld werd door de verdediging van D M. Hieruit volgt dat de door deze getuige aan het hof van assisen medegedeelde gegevens over de persoonlijkheid en het milieu van deze eiser niet werden verzameld in het kader van de navorsingen die met toepassing van artikel 50 Wet Jeugdbescherming door de jeugdrechtbank bevolen werden. Artikel 55, derde lid, Wet Jeugdbescherming bepaalt dat de stukken die betrekking hebben op de persoonlijkheid van de betrokkene en op het milieu waarin hij leeft, noch aan hem noch aan de burgerlijke partij mogen medegedeeld worden. Ingevolge deze bepaling is het uitgesloten dat in geval de zaak met toepassing van artikel 38, eerste lid, Wet Jeugdbescherming uit handen gegeven wordt, die stukken, samen met het dossier in de zaak betreffende het als misdrijf omschreven feit dat de minderjarige wordt ten laste gelegd, voorgelegd worden aan het gerecht dat volgens het gemene recht bevoegd is Deze regel betreft evenwel enkel de stukken met betrekking tot de persoonlijkheid en het milieu van de minderjarige die in het kader van de procedure voor de jeugdrechtbank werden opgesteld met toepassing van artikel 50 van de voormelde wet. Het opzet van desbetreffende onderzoeken is immers de jeugdrechter zo volledig mogelijk in te lichten met het oog op een oordeelkundige toepassing van de Wet Jeugdbescherming. Dit opzet bestaat daarentegen niet voor stukken met betrekking tot de persoonlijkheid van een minderjarige, die op verzoek van de verdediging van die minderjarige werden opgesteld teneinde te dienen voor het gerecht bevoegd volgens het gemene recht. Voor dergelijke onderzoeken en getuigenissen bestaat het in artikel 55, derde lid, bedoelde verbod derhalve niet. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat ook dergelijke stukken of getuigenissen voor dat gerecht niet mogen gebruikt worden, faalt naar recht. Tweede onderdeel Het onderdeel vecht een beslissing aan die enkel D M en D M aanbelangt. In zoverre het onderdeel ook door J V O wordt aangevoerd, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Het tussenarrest van 16 december 2005 maakt geen toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering om een aantal stukken uit het dossier te verwijderen. Het oordeelt enkel dat gelet op artikel 235bis en de bevolen zuivering van het dossier, de aangebrachte bewijselementen niet aangetast zijn door nietigheid en derhalve het strafrechtelijk onderzoek en het onderzoek ter terechtzitting niet nietig zijn. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Evenmin zegt het tussenarrest van 16 december 2005 dat de jury met bepaalde elementen die onder het verbod van artikel 55, derde lid, Wet Jeugdbescherming vallen wel rekening mag houden. In zoverre mist het onderdeel eveneens feitelijke grondslag. Het mondelinge karakter van het debat voor het hof van assisen en het door artikel 55 Wet Jeugdbescherming opgelegde verbod verzetten zich niet ertegen dat dit hof voor recht zegt dat de jury met de verwijderde stukken en de ter zitting mondeling afgelegde verklaringen van getuigen met betrekking tot de persoonlijkheid en het milieu van minderjarige beschuldigden, geen rekening mag houden. Hierdoor worden noch de artikelen 6 en 8 EVRM, noch artikel 16 Verdrag voor de rechten van het kind geschonden. In zoverre faalt het onderdeel naar recht. Tweede middel Bij ontstentenis van een conclusie gericht tot het hof van assisen, oefent de voorzitter aan wie door de verdediging een verzoek wordt gericht, zijn discretionaire bevoegdheid uit. Die bevoegdheid houdt in dat de voorzitter vrij beslist al dan niet in te gaan op dat verzoek, zonder dat hij ertoe gehouden is die beslissing nader te motiveren Het middel dat uitgaat van een andere stelling, faalt naar recht. Derde middel Bij gebrek aan daartoe strekkende conclusie gericht tot het hof van assisen, dienden dit hof noch zijn voorzitter handelend krachtens zijn discretionaire bevoegdheid, nader te motiveren waarom zij niet ingingen op het verzet van de eisers de in het middel vermelde stukken ter terechtzitting te gebruiken. Hierdoor wordt hun recht van verdediging niet miskend. Het middel kan niet worden aangenomen. Vierde middel De enkele omstandigheid dat de voorzitter van het hof van assisen tijdens de terechtzitting op verzoek van het openbaar ministerie toelaat dat het verhoor van een getuige gepaard gaat met een presentatie van een samenvatting van het dossier door middel van een CD, maar niet ingaat op het verzoek van de verdediging om videobeelden van de verhoren van de beschuldigden en tapgesprekken van diezelfde beschuldigden te laten afspelen op grond dat de leden van de jury deze stukken tijdens hun beraadslaging kunnen bekijken en beluisteren, houdt geen miskenning in van de processuele gelijkheid tussen de partijen, waarvan de wapengelijkheid deel uitmaakt, noch van het recht van verdediging. Het middel kan niet aangenomen worden. Ambtshalve onderzoek van de overige beslissingen op de strafvordering Het verwijzingsarrest nr. 2005/660 gewezen op 3 maart 2005 is door geen onwettigheid aangetast die thans nog aan de beoordeling van het Hof kan worden voorgelegd. Wat het overige van de strafvorderingen betreft, zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en de beslissingen overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Begroot de kosten in het geheel op 983,38 euro waarvan D M 325,39 euro verschuldigd is, J V O 252,02 euro en D M 405,97 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 21 maart 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060321.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011024.11 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020611.4 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040421.9 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041006.10 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041215.10 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051019.14 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.6 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061107.5 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101013.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.