← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060323.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060323.4 Rolnummer: C.03.0598.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2006-12-22 Raadplegingen: 226 - laatst gezien 2026-07-03 08:49 Versie(s): Vertaling FR Fiche Thesaurus CAS: VERVOER - ALLERLEI Vrije woorden: VERVOER . ALLERLEI Tekst van de beslissing Nr. C.03.0598.N BELGISCHE MAATSCHAPPIJ VOOR LUCHTVAART-VERZEKERINGEN en/of AVIABEL, naamloze vennootschap, met zetel te 1060 Brussel, Brugmannlaan 10, eiseres, vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen E.H. verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 22 mei 2003 in laatste aanleg gewezen door de Vrederechter te Sint-Gillis. De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1165, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 20, 9°, van de Wet van 16 december 1851 op de voorrechten en hypotheken. Aangevochten beslissingen Na te hebben vastgesteld "dat (de eiseres) opwerpt dat (de verweerder) geen eigen recht heeft tegen haar uit hoofde van de schade die beweerdelijk werd berokkend door ballonvaarder S., haar verzekerde, op 8 juli 2000" en "dat (de verweerder) artikel 20 van de verzekeringspolis van S. inroept krachtens welk (de eiseres) het proces volgt en leidt", veroordeelt het vonnis eiseres tot het betaling aan verweerder van een schadevergoeding van 1.053,55 euro. Het vonnis steunt hierbij op de motieven "dat de polis echter bepaalt dat (de eiseres) het proces volgt en leidt 'namens' de verzekerde; dat een dergelijke formulering een indeplaatsstelling inhoudt voor het volledige procesgebeuren; dat (de eiseres) overigens blijk geeft van processuele kwade trouw in zoverre zij, gelet op haar leiding, haar verzekerde geen bevel gaf vrijwillig te verschijnen; dat ze van die fout de gevolgen moet dragen". Grieven Eerste onderdeel Verweerder is een derde ten aanzien van het verzekeringscontract afgesloten tussen eiseres, als verzekeraar, en haar verzekeringsnemer. Door aan te nemen dat verweerder gerechtigd is zich te beroepen op een bepaling uit deze overeenkomst om de ontvankelijkheid van de door hem ingestelde vordering te verrechtvaardigen zonder vast te stellen dat de polis een beding ten behoeve van derden inhoudt, schendt het vonnis de regel vervat in artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek luidens hetwelk overeenkomsten alleen gevolgen teweegbrengen voor de contracterende partijen en geenszins voor derden. Tweede onderdeel Artikel 20 van de verzekeringspolis waarnaar het vonnis verwijst, stelt: "In geval van burgerlijk geding ingespannen tegen de verzekeringsnemer naar aanleiding van een gedekte ramp, volgt en leidt (de eiseres) het proces in naam van de verzekeringsnemer (...)". Door te beslissen dat deze clausule een "indeplaatsstelling inhoudt voor het volledige procesgebeuren", kent het vonnis aan deze clausule een bewering toe die het niet inhoudt en schendt zodoende de bewijskracht van bovenvermelde bepaling (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Derde onderdeel Zonder te betwisten dat, zoals aangevoerd door de eiseres, artikel 85 van de wet op de landsverzekeringsovereenkomst van 25 juni 1992 terzake niet van toepassing is, beslist het vonnis dat de vordering tot schadevergoeding ingesteld enkel en alleen tegen de verzekeraar van de burgerlijke aansprakelijkheid toelaatbaar was ondanks het feit dat de verzekerde geen partij was bij het geding. Door zo te beslissen, schendt het vonnis artikel 20, 9°, van de wet van 16 december 1851 op de voorrechten en hypotheken, dat van dwingend recht is, en waaruit blijkt dat het aan het slachtoffer toegekende voorrecht op de vergoeding verschuldigd door de verzekeraar veronderstelt dat het slachtoffer vooraf of tegelijkertijd een uitvoerbare titel tegen de verzekerde zou hebben bekomen. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1 van het Verdrag betreffende de schade door buitenlandse luchtvaartuigen aan derden op het aardoppervlak veroorzaakt, ondertekend te Rome op 7 oktober 1952 en goedgekeurd door de wet van 14 juli 1966; - de artikelen 1315, 1349 en 1351 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Na te hebben vastgesteld "dat de koe van (de verweerder) op 12 juli 2000 van een dood kalf beviel; dat er geen enkele aanwijzing is dat voornoemde koe ziek was en (de eiseres) ook geen moeite deed om de gezondheidstoestand van de koe te onderzoeken; dat (de verweerder) de normale weg volgde met zijn ongevalsaangifte; dat de veearts bepaalt dat een dood kalf normaal enkele dagen na de dood wordt afgeworpen; dat de foto van het kalf toont dat het volledig ontwikkeld was en zich op tien dagen van de normale bevallingstijd bevond", veroordeelt het vonnis de eiseres tot betaling van een schadevergoeding. Het vonnis steunt hierbij op de motieven "dat er bijgevolg, gelet op de concrete bewijsmoeilijkheid, voldoende aanwijzingen zijn dat de schade van (de verweerder) het rechtstreeks en exclusief gevolg is van de nabijheid van de ballon; dat het voldoende waarschijnlijk is dat de koe schrok omwille van hetzij de kleur, hetzij de omvang, hetzij het lawaai van de ballon". Grieven Artikel 1 van het bovenvermelde Verdrag van Rome stelt: "Elk persoon die op het aardoppervlak schade lijdt, heeft (...) recht op een vergoeding, enkel en alleen door het feit dat vaststaat dat de schade te wijten is aan een zich in de lucht bevindend luchtvaartuig of aan een daaruit vallende persoon of zaak. Er bestaat echter geen aanleiding tot vergoeding (a) indien de schade niet het rechtstreeks gevolg is van het feit dat ze veroorzaakt heeft of (b) indien zij alleen te wijten is aan het feit dat het luchtvaartuig door het luchtruim vliegt overeenkomstig de geldende bepalingen betreffende het luchtverkeer"( De letters (a) en (b) zijn door eiseres bijgevoegd.) De eiseres betwistte op vaststaande wijze de toepassing van de foutloze aansprakelijkheid vermeld in de eerste zinsnede van bovenvermeld artikel 1 door zich te beroepen op de tweede zinsnede (b) daar de gevorderde schade te wijten was aan het door de ballon regelmatig overvliegen van het eigendom van de verweerder en de hiermee gepaard gaande landing en daar diens verzekerde geen fout had begaan bij het besturen van de ballon. Het vonnis, dat de eiseres veroordeelt tot vergoeding van de gevorderde schade, laat echter na vast te stellen dat het luchtvaartuig op een foutieve manier bestuurd zou zijn (schending van bovenvermeld artikel 1 van het Verdrag van Rome d.d. 7 oktober 1952) en mocht zich niet baseren op een "waarschijnlijkheid" en dus geen vaststaand bewijs om het causaal verband tussen het overvliegen en de schade aan te nemen, zodat het hierboven geciteerde artikel 1, tweede zin, alsmede de artikelen 1315, 1349 en 1351 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek geschonden worden. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweerder van de eiseres de vergoeding vordert van de schade die hij leed ingevolge het overvliegen van een luchtballon toebehorende aan een verzekerde van de eiseres. 2. Krachtens artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek brengen overeenkomsten alleen gevolgen teweeg tussen de contracterende partijen en kunnen, in beginsel, ten voordele van een derde enkel een recht doen ontstaan indien zij een beding ten behoeve van een derde bevatten of indien een bijzondere wetsbepaling dat gevolg eraan verbindt. 3. Het vonnis stelt niet vast dat de verzekeringsovereenkomst tussen de eiseres en haar verzekerde een beding ten behoeve van een derde bevat. Uit de vaststellingen van de feitenrechter blijkt niet dat te dezen een bijzondere wettelijke bepaling een rechtstreeks recht ten voordele van een derde deed ontstaan. 4. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar de Vrederechter van het kanton Laken. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix, Albert Fettweis en Benoît Dejemeppe, en in openbare terechtzitting van 23 maart 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060323.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.