← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060323.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060323.5 Rolnummer: C.03.0613.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-12-22 Raadplegingen: 541 - laatst gezien 2026-07-04 04:29 Versie(s): Vertaling FR Fiche Thesaurus CAS: RECHTBANKEN Vrije woorden: RECHTBANKEN Tekst van de beslissing Nr. C.03.0613.N ANTWERP SUGAR TERMINAL, naamloze vennootschap, met zetel te 2000 Antwerpen, Ouden Leeuwenrui 48, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 31 oktober 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - het algemeen rechtsbeginsel houdende de onpartijdigheid, inzonderheid van de deskundige, zoals o.m. neergelegd in artikel 966 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest: "Verklaart het hoger beroep gegrond als volgt: Wijzigt het bestreden vonnis en verklaart de door (de eiseres) ingestelde vordering tot nietigverklaring van het verslag van controleschatting d.d. 21 mei 1996 ongegrond; Zegt voor recht dat de door partijen in onderling overleg met deze gelaste deskundigen in het verslag d.d. 21 mei 1996 de normale verkoopwaarde op 1 juli 1993 van de litigieuze onroerende goederen correct begroot hebben op 55.000.000 BEF of 1.363.414,39 euro; Veroordeelt (de eiseres) tot betaling van de kosten van beide aanleggen, deze begroot op heden in hoofde van (de verweerder) op (...)", op grond van de motieven op p. 10: "Het enkele feit dat de deskundigen ter verantwoording van hun ereloon enkel '2 per duizend op de geschatte waarde' aangeven, heeft niet tot gevolg - zoals de eerste rechter nochtans ten onrechte besloot - dat 'de deskundigen zichzelf partij hebben gemaakt en hun eigen belangen op een onverbrekelijke en ontoelaatbare wijze hebben verbonden aan dat van (de verweerder) door hun ereloon op uitsluitende wijze te laten afhangen van het door henzelf vast te stellen resultaat van de schatting', nu deze redenering de niet bewezen vooronderstelling inhoudt dat deze deskundigen van meet af aan enkel oog zouden gehad hebben voor hun eigen ereloon en hun opdracht (met name het op gemotiveerde wijze schatten van de verkoopprijs van de gebouwen) ondergeschikt zouden gemaakt hebben (zouden misbruikt hebben) aan het bekomen van een zo hoog mogelijk ereloon. Dergelijke houding van de deskundigen is niet bewezen en integendeel blijkt uit de hoger uiteengezette feiten dat zij hun opdracht eerlijk en correct hebben vervuld en de waardebepaling van de gebouwen enkel hebben laten afhangen van objectieve feiten waarover (de eiseres) tegenspraak heeft kunnen voeren. De door de deskundigen voor de begroting van hun ereloon gehanteerde norm bewijst op zichzelf dan ook geen partijdigheid van de deskundigen, noch wettigt zij een gerechtvaardigde vrees voor de mogelijke partijdigheid of vooringenomenheid van deze deskundigen". Grieven Het algemeen rechtsbeginsel houdende de onpartijdigheid, waarvan de deskundigen ook blijk dienen te geven, zoals artikel 966 van het Gerechtelijk Wetboek tot uiting brengt, vereist dat de rechtzoekende volledig moet kunnen betrouwen op de integriteit van diegene die door zijn aanstelling belast is om als deskundigen een advies te verstrekken aan de rechter. De deskundige moet gelet op zijn opdracht, zoals een rechter, zich terughoudend opstellen en moet zich onthouden van elke handeling of gedraging, die van aard is het vertrouwen van de rechtzoekende te beschamen, of de indruk te wekken dat hij niet onpartijdig is en m.a.w. een belang dient, hetzij het zijne of van een partij. Voor de schending van voornoemd beginsel volstaat een schijn van partijdigheid, zonder dat het vereist is dat het bewijs ervan geleverd wordt. Voornoemd beginsel naar de schijn met name is geschonden wanneer de rechtzoekende op objectieve gronden vermag te vrezen dat de deskundige niet de waarborg van onpartijdigheid biedt waarop hij als rechtzoekende recht heeft. Dergelijke objectieve gronden zijn voorhanden wanneer de deskundige de hoogte van zijn ereloon uitsluitend bepaalt in functie van de waarde van het door hem te schatten gebouw, dat precies het voorwerp uitmaakt van zijn opdracht. Dergelijk criterium, dat het ereloon van de deskundige volledig afhankelijk maakt van het resultaat van zijn schatting, doet ongetwijfeld de vrees rijzen dat de deskundige persoonlijk belang heeft bij zijn zo hoog mogelijke schatting. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, ondanks de vaststelling dat het ereloon van de deskundigen exclusief bepaald wordt in functie van de door hen geschatte waarde, die de door verweerder vooropgestelde waarde zelfs overschrijdt met 2.000.000 BEF, onwettig de normale verkoopwaarde vastlegt op 55.000.000 BEF zoals bepaald door de deskundigen, door te beslissen dat die door de deskundigen gehanteerde norm geen gerechtvaardigde vrees voor hun mogelijke partijdigheid of vooringenomenheid wettigt, dan wanneer die gehanteerde norm niet anders kan dan bij elke rechtzoekende, en ook bij eiseres, schijnbaar de indruk te wekken dat de deskundigen zich mede hebben laten leiden door belangen die vreemd behoren te zijn aan de waarde van het te schatten gebouw, meer bepaald een zo hoog mogelijke eigen ereloon en hoger verschuldigde registratierechten in het voordeel van de verweerder (schending van het aangehaald algemeen rechtsbeginsel houdende de onpartijdigheid, inzonderheid van de deskundige, zoals o.m. neergelegd in artikel 966 van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Het vereiste van de onpartijdigheid van een deskundige kan niet worden gelijkgesteld met het vereiste van een onpartijdige en onafhankelijke rechter, nu deze laatste na het debat over de zaak beslist, terwijl de deskundige voor het debat alleen maar een advies verstrekt, dat voor de rechter kan worden betwist. 2. De rechter kan steunen op een verslag van een deskundige, waarvan hij op regelmatige wijze oordeelt dat het naar redelijkheid geen twijfel kan doen rijzen over de onpartijdigheid van de deskundige en nadat de partijen de kans hebben gehad over de beweerde partijdigheid tegenspraak te voeren. 3. Uit de stukken waarop het hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres heeft gedagvaard in nietigverklaring van het deskundigenverslag daarbij aanvoerend dat het college van deskundigen zijn ereloon heeft berekend procentueel op de door hem geschatte waarde, wat schending uitmaakt van essentiële en dwingende rechtsbeginselen. 4. De appelrechters oordelen dat "uit de hoger uiteengezette feiten (blijkt) dat (de deskundigen) (...) de waardebepaling van de gebouwen enkel hebben laten afhangen van objectieve feiten waarover (de eiseres) tegenspraak heeft kunnen voeren". Op voorgaande gronden verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing dat "de door de deskundigen voor de begroting van hun ereloon gehanteerde norm op zichzelf dan ook geen partijdigheid van de deskundigen (bewijst), noch een gerechtvaardigde vrees voor de mogelijke partijdigheid of vooringenomenheid van deze deskundigen (wettigt)". 5. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 210,17 euro jegens de eisende partij en op de som van 129,32 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix, Albert Fettweis en Benoît Dejemeppe, en in openbare terechtzitting van 23 maart 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060323.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260213.1F.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.