id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060323.6 Rolnummer: C.03.0626.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2006-12-22 Raadplegingen: 398 - laatst gezien 2026-07-03 18:29 Versie(s): Vertaling FR Fiche Thesaurus CAS: VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN Vrije woorden: VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN Tekst van de beslissing Nr. C.03.0626.N FORTIS BANK, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Warandeberg 3, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Pierre van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 81, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- D.P.,
- S.K., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 4 september 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1134, eerste en derde lid, en 1135 van het Burgerlijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel dat een recht niet mag misbruikt worden, dat door artikel 1134, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek wordt toegepast; - de artikelen 1984, 1988, 1991, 1992, 1993, 1998, 1999 en 2000 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest wijst het hoger beroep van de eiseres af en bevestigt dienvolgens het eerste vonnis, in zoverre het de vordering ontvangt en deels gegrond verklaart, op de volgende gronden: "
- De uitvoering van de hypothecaire volmacht gebeurde zonder dat (de verweerders) als lastgevers hierover werden ingelicht. Ook al wordt in de twee notariële akten waarbij de volmacht wordt gegeven niets gestipuleerd nopens de verbintenissen van de volmachthouder, hieruit volgt niet dat hij bij de uitvoering van het mandaat willekeurig naar eigen goedvinden kan handelen. Immers, met de figuur van het hypothecair mandaat zelf wordt gekozen voor een formule van lastgeving in 'gemeenschappelijk belang' (cfr. E. Dirix & R. De Corte, Zekerheidsrechten, reeks Beginselen Belgisch Privaatrecht, XII, nr. 649, Kluwer, 1999). De lastgeving wordt gekenmerkt door aspecten die ook de lasthebber zelf tot voordeel strekken. Dit impliceert dat bij de uitvoering ervan de lasthebber zijn belangen zorgvuldig en evenwichtig dient af te wegen tegen deze van de lastgever. De mindere zekerheid welke het hypothecair mandaat vormt, gaat gepaard met de verbintenis van de kredietnemers om het onroerend goed waarop de volmacht slaat en zelfs een later verkregen onroerend goed niet te vervreemden, te bezwaren of te verhuren voor meer dan negen jaar of tegen een abnormale huurprijs, zonder voorafgaande toestemming van de bank. Voor de (verweerders) vormde de hieraan verbonden geringere fiscale registratiekost ongetwijfeld een belangrijk voordeel. Wanneer de bank dan op een gegeven ogenblik oordeelt dat er aanleiding bestaat om het mandaat uit te voeren, de hypotheek daadwerkelijk te vestigen en de inschrijving te nemen, blijft zij onderworpen aan het beginsel dat de kredietovereenkomst te goeder trouw behoort te worden uitgevoerd. Dit vereist dat de kredietnemer niet enkel voorafgaandelijk wordt ingelicht nopens de geplande omzetting, maar tevens dat tegelijk de motieven worden meegedeeld die verantwoorden dat niet langer met de volmacht alleen vrede kan worden genomen.
- In het voorliggend geval heeft (de eiseres) haar contractpartners niet geïnformeerd nopens de geplande omzetting, laat staan dat ze er enige motivering zou hebben voor verstrekt. Immers: kredietoverschrijdingen werden voordien gedoogd zonder dat het op 21 mei 1992 verleende hypothecaire mandaat werd omgezet, en bij de formele verhoging van de limiet van het kaskrediet stond reeds vast dat deze limiet feitelijk reeds was bereikt (cfr. beslissing kredietencomité van 8 januari 1993). Op het ogenblik dat het mandaat werd verleend (17 februari 1993), was de wanbetaling voor de twee leningen op afbetaling - overigens beperkte sommen (ongeveer 450 euro samen) in het geheel van de maandelijkse leningslast van (de verweerders) - reeds een feit, zonder dat hiervan gewag werd gemaakt en navolgend wachtte (de eiseres) ruim zeven weken om tot omzetting (9 april 1993) over te gaan, zonder dat enig nieuw relevant feit zich had voorgedaan.
- (De eiseres) is aldus terdege tekort gekomen aan haar contractuele verplichting om de kredietovereenkomst te goeder trouw uit te voeren en heeft het haar verleende hypothecair mandaat misbruikt. De navolgende debitering van de rekening van (de verweerders) gebeurde onterecht. De desbetreffend door (de verweerders) in hun brief van 27 juli 1993 verwoorde grieven zijn dan ook terecht.
- De (verweerders) hebben deze gedraging geprotesteerd en aangemaand om de kosten verbonden aan de omzetting van het hypothecair mandaat terug te crediteren op hun rekening. (De eiseres) is hier niet op ingegaan en is op haar standpunt gebleven dat haar niets kon worden verweten. Er moet worden aangenomen dat de tekortkoming van (de eiseres) de vertrouwensrelatie dermate heeft bezwaard dat naar rede van de (verweerders) niet meer kon worden verwacht dat zij hun bankrelatie nog langer in stand hielden.
- Met de vervroegde terugbetaling van de uitstaande kredieten hebben de (verweerders) gebruik gemaakt van een contractueel recht. De omstandigheden waarin zulks gebeurde zijn evenwel uitsluitend toerekenbaar aan de bank als gevolg van haar contractuele fout. Voor de bank zijn dan ook de voorwaarden niet voorhanden waarin zij gerechtigd is op de bedongen wederbeleggingsvergoeding.
- Uit het bovenstaande volgt dat de (verweerders) gerechtigd zijn op de terugbetaling van de sommen waardoor zij onterecht werden gedebiteerd en die in oorzakelijk verband staan met de door (de eiseres) begane fout. Het betreft de kosten verbonden aan de omzetting van de hypothecaire volmacht, 1.955,88 euro, deze van de doorhaling en handlichting van de inschrijving, 818,05 euro, en van de wederbeleggingsvergoeding die 3.096,81 euro bedraagt.
- De administratieve kosten en de morele kommer in verband met deze tekortkoming lopen samen met deze ondergaan in verband met de twee leningen op afbetaling. Deze vergoedbare schadepost kan eveneens worden begroot op 750 euro, te vermeerderen met de vergoedende rente". Grieven Eerste onderdeel Uit artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek volgens hetwelk de wettelijk aangegane overeenkomst partijen tot wet strekt, volgt dat de overeenkomst niet kan worden herroepen dan met de wederzijdse toestemming van partijen of op gronden door de wet erkend. Overeenkomsten moeten krachtens artikel 1134, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek te goeder trouw en zonder misbruik van recht worden uitgevoerd. Misbruik van een contractueel recht bestaat in de uitoefening van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dit recht door een normaal voorzichtige persoon, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Er kan sprake zijn van rechtsmisbruik wanneer: - een recht wordt uitgeoefend met het uitsluitend oogmerk een ander te schaden, - een recht wordt uitgeoefend zonder enig nut voor de titularis van het recht, - een recht op verschillende wijzen met gelijk nut voor de titularis kan worden uitgeoefend, maar de titularis die wijze kiest die het meest nadelig is voor de ander, - een wanverhouding bestaat tussen het voordeel dat de rechtsuitoefening van de rechtstitularis biedt en het nadeel dat daarmee aan een ander wordt berokkend. De rechter kan niet besluiten tot het misbruik van een contractueel recht zonder het aanwezig zijn van één van deze kenmerken vast te stellen. De rechter kan daarenboven enkel bij een manifest of evident onaanvaardbare rechtsuitoefening het misbruik van een contractueel recht weerhouden. In casu stelt het bestreden arrest vast dat de eiseres de verweerders niet heeft geïnformeerd nopens de geplande omzetting en hiertoe geen enkele motivering verstrekt noch zelfs post factum kan verstrekken nu kredietoverschrijdingen voordien gedoogd werden, de sommen beperkt waren in het geheel van de maandelijkse leningslast en de eiseres zeven weken heeft gewacht om tot omzetting over te gaan. Het bestreden arrest stelt evenwel geenszins vast dat de eiseres haar rechten heeft uitgeoefend op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaan van de normale uitoefening van dit recht door een normaal voorzichtige persoon, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Het bestreden arrest heeft dan ook in casu niet wettig kunnen oordelen dat eiseres, doordat zij de verweerders niet voorafgaandelijk heeft ingelicht nopens de geplande omzetting van de volmacht en de motieven ervan, de kredietovereenkomst niet te goeder trouw heeft uitgevoerd en het haar verleende hypothecair mandaat heeft misbruikt en derhalve een contractuele fout heeft begaan als gevolg waarvan zij gehouden is tot de terugbetaling van de kosten verbonden aan de omzetting van de hypothecaire volmacht, 1.955,88 euro, van de kosten van de doorhaling en handlichting van de inschrijving, 818,05 euro, van de wederbeleggingsvergoeding ten belope van 3.096,81 euro en van de administratieve kosten begroot op 750,00 euro. Door aldus te oordelen heeft het bestreden arrest artikel 1134, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt geschonden. Tweede onderdeel Op grond van het beginsel vervat in artikel 1134, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek volgens hetwelk overeenkomsten te goeder trouw en zonder misbruik van recht moeten worden uitgevoerd, kan de rechter, naast de door de partijen contractueel bepaalde verbintenissen en wettelijke voorgeschreven verplichtingen, aanvullende verplichtingen opleggen en kan de rechter ingrijpen wanneer een partij misbruik maakt van de rechten die de overeenkomst haar toekent. De rechter mag echter op grond van de goede trouw en redenen van billijkheid de inhoud van een overeenkomst niet op zodanige wijze wijzigen, dat de aard van de overeenkomst wordt gedenatureerd. Een hypothecair mandaat is een in authentieke vorm verleden lastgevingsovereenkomst waarbij, tot waarborg van een hoofdverbintenis, de schuldenaar een derde de macht verleent om in zijn naam op één of meerdere welbepaalde goederen een hypotheek te vestigen wanneer de schuldeiser erom zal verzoeken. De hypothecaire volmacht komt er op neer dat de schuldenaar zijn toestemming verleent tot de vestiging van een hypotheek op het betrokken onroerend goed, maar dat aan de schuldeiser de keuze wordt gelaten om de hypotheek al dan niet tot stand te brengen. Het hypothecair mandaat veronderstelt zodoende dat in plaats van onmiddellijk over te gaan tot de vestiging van de hypotheek, de schuldenaar aan de schuldeiser het recht verleent om hiertoe ten alle tijde over te gaan wanneer hij het noodzakelijk acht, en dit, nu de schuldenaar reeds zijn toestemming tot de hypotheekvestiging heeft verleend, zonder dat hij eerst nog de toestemming van de schuldenaar moet bekomen, noch hem hierover voorafgaandelijk moet informeren of hem voorafgaandelijk verantwoording moet verschaffen, behoudens indien de volmacht nader de voorwaarden bepaalt waarin kan worden overgegaan tot uitoefening van de hypothecaire volmacht. De schuldeiser moet zich enkel tot de volmachthouder moeten richten om de hypotheek te vestigen en te laten inschrijven. In casu stelt het bestreden arrest vast dat in de twee notariële akten waarbij de volmacht werd gegeven niets gestipuleerd is nopens de verbintenissen van de volmachthouder, maar is het van oordeel dat eiseres, op grond van het beginsel dat overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd, de verplichting had de verweerders te informeren nopens haar intentie om de hypothecaire volmacht om te zetten en de motieven die deze omzetting verantwoorden. Deze door het arrest weerhouden voorafgaandelijke informatie- en verantwoordingsplicht, die noch door partijen is bedongen, noch voortvloeit uit de wettelijke bepalingen inzake de lastgeving, gaat in tegen de essentie van de hypothecaire volmacht, die er juist in bestaat tegemoet te komen aan het belang dat de schuldenaar heeft om de hypotheek niet onmiddellijk te vestigen, maar toch aan de schuldeiser voldoende garanties te bieden door hem de mogelijkheid te geven de hypotheek te vestigen, zonder voorafgaandelijke verwittiging en verantwoording. Het bestreden arrest heeft derhalve, naast de contractueel overeengekomen verbintenissen en de verbintenissen die krachtens de wet op de lasthebber rusten, op grond van de goede trouw bijkomende verbintenissen opgelegd aan de eiseres, die tot gevolg hebben dat afbreuk wordt gedaan aan de zekerheidsfunctie en aan de essentie van de tussen de tussen partijen overeengekomen hypothecaire volmacht. Door op grond van de goede trouw te bepalen dat eiseres de verplichting had verweerders te informeren nopens de geplande omzetting en de motieven die deze omzetting verantwoorden en op grond van de niet-naleving van deze verplichting tot rechtsmisbruik in hoofde van de eiseres te besluiten, heeft het bestreden arrest derhalve de tussen partijen afgesloten overeenkomst aangevuld met verbintenissen die de inhoud van hun overeenkomst in essentie wijzigt (en aldus de hieronder vermelde artikelen van het Burgerlijk Wetboek inzake lastgeving geschonden). Het bestreden arrest heeft dan ook in casu niet wettig kunnen oordelen dat eiseres, doordat zij de verweerders niet voorafgaandelijk heeft ingelicht nopens de geplande omzetting van de volmacht en de motieven ervan, de kredietovereenkomst niet te goeder trouw heeft uitgevoerd en het haar verleende hypothecair mandaat heeft misbruikt en derhalve een contractuele fout heeft begaan als gevolg waarvan zij gehouden is tot de terugbetaling van de kosten verbonden aan de omzetting van de hypothecaire volmacht, 1.955,88 euro, van de kosten van de doorhaling en handlichting van de inschrijving, 818,05 euro, van de wederbeleggingsvergoeding ten belope van 3.096,81 euro en van de administratieve kosten begroot op 750,00 euro. Door aldus te oordelen heeft het bestreden arrest de artikelen 1134, eerste en derde lid, 1984, 1988, 1991, 1992, 1993, 1998, 1999 en 2000 van het Burgerlijk Wetboek evenals het algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt geschonden. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel
- Luidens artikel 1134, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek moeten de overeenkomsten te goeder trouw worden ten uitvoer gebracht. De rechter vermag de overeenkomst tussen de partijen uit te leggen en er de gevolgen van bepalen in het licht van de verplichting tot uitvoering te goeder trouw. Hij mag echter op grond van dergelijke uitlegging aan de partijen geen verplichtingen opleggen die onverenigbaar zijn met de aard en de strekking van de overeenkomst.
- De schuldeiser ten behoeve van wie een lastgever aan een derde een onherroepelijke volmacht geeft om in zijn naam op een of meerdere van zijn onroerende goederen een hypotheek te vestigen, kan zelf bepalen wanneer hij deze hypothecaire volmacht wenst uit te oefenen, zonder dat hierbij afbreuk wordt gedaan aan de mogelijkheid voor de rechter om achteraf na te gaan of deze uitvoering beantwoordt aan de contractuele voorwaarden en of zij geen misbruik van recht oplevert.
- Wanneer de overeenkomst hierover niets bepaalt, kan de uitoefening ervan niet onderworpen worden aan een voorafgaande kennisgeving aan de lastgever van het voornemen de hypotheek te vestigen.
- Het arrest oordeelt dat de uitvoering van de hypothecaire volmacht "onderworpen (blijft) aan het beginsel dat de kredietovereenkomst te goeder trouw behoort te worden uitgevoerd" en dat hieruit voortvloeit dat "de kredietnemer niet enkel voorafgaandelijk (wordt) ingelicht nopens de geplande omzetting, maar tevens dat tegelijk de motieven worden meegedeeld die verantwoorden dat niet langer met de volmacht alleen vrede kan worden genomen".
- Door aldus te oordelen schendt het arrest artikel 1134, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.
- Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix, Albert Fettweis en Benoît Dejemeppe, en in openbare terechtzitting van 23 maart 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060323.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140605.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div