← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060323.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060323.7 Rolnummer: C.04.0335.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2006-12-22 Raadplegingen: 622 - laatst gezien 2026-07-04 01:03 Versie(s): Vertaling FR Fiche Thesaurus CAS: VERBINTENIS Vrije woorden: VERBINTENIS Annotaties Publicaties: R.C.J.B. - Caroline CAUFFMAN; Vers un endiguement du pouvoir modérateur du juge en cas de nullité. - 2007, 422-446 Tekst van de beslissing Nr. C.04.0335.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de Vlaamse Minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie, met kabinet te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20/9, eiser, vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen

  1. ONDERNEMINGEN JAN DE NUL, naamloze vennootschap, met zetel te 9308 Hofstade, Tragel 60,
  2. DREDGING INTERNATIONAL, naamloze vennootschap, met zetel te 2070 Zwijnaarde, Scheldedijk 30, samen handelend als
  3. TIJDELIJKE VENNOOTSCHAP ONDERNEMINGEN JAN DE NUL DREDGING INTERNATIONAL, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 16 maart 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 6, 1131, 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 57, ,§2, van de wet van 30 maart 1976 betreffende de economische herstelmaatregelen. Aangevochten beslissingen Het arrest beslist dat het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond was, onder meer op basis van de volgende overwegingen: "De aannemers steunen zich in hoofdorde op de strijdigheid van de prijsherzieningsformule met art. 57, ,§2, Herstelwet dat luidt als volgt: 'De contracten mogen slechts prijsherzieningsbedingen bevatten in de mate dat deze toepasselijk zijn tot een bedrag van maximum 80 pct. van de eindprijs en voor zover ze verwijzen naar parameters die de reële kosten vertegenwoordigen; ieder parameter is alleen toepasselijk op dat gedeelte van de prijs dat beantwoordt aan de kosten die (hij) vertegenwoordigt'. Aldus

(1)kan maximum 80 pct. van de eindprijs afhankelijk gesteld worden van een herzieningsformule;
(2)mag deze herziening slechts betrekking hebben op parameters die de werkelijke kosten van de overeenkomst vertegenwoordigen en
(3)mag elke parameter slechts toepasselijk zijn op dat deel van de prijs dat overeenstemt met de kosten die hij vertegenwoordigt. Hieruit volgt dat wanneer de waarde van een of meerdere parameters in een prijsbeding beduidend afwijkt van het werkelijk aandeel in de kosten die een of meer parameters vertegenwoordigen in de bij de overeenkomst bepaalde prijs, het prijsherzieningsbeding nietig is. De prijsherzieningsformule zoals voorzien in art. 3 van de Wet van 14 juli 1976 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten dient derhalve aan deze voorwaarden te voldoen. Te dezen blijkt dat de waarde van de parameter gasoil in het litigieuze herzieningsbeding beduidend afwijkt van het werkelijk aandeel in de kosten die deze parameter vertegenwoordigt in de overeengekomen prijs. De waarde van deze parameter in het beding bedraagt 30 pct. voor de eerste fase van de werken en slechts 10 pct. voor de tweede fase ervan, terwijl nergens wordt beweerd, laat staan wordt aangetoond, dat aannemingen voor de beide fasen zodanig verschilden van aard dat het aandeel van de dieselolie in de kostenstructuur van de beide fasen in belangrijke mate verschilde. Reeds op 24 april 1987 schreven de aannemers dat de herzieningscoëfficient van de dieselolie in de formule een te grote weging had gekregen en de spectaculaire daling van de prijs van deze brandstof de kostprijs van de aanneming zeer nadelig beinvloedde. Bij brief van 13 april 1988 kwamen zij daarop terug en wezen zij erop dat volgens art. 57 van de Herstelwet de prijsformule een weerspiegeling moest zijn van de reële kosten van de werken. Op 7 februari 1989 stelden de aannemers voor om de factor gasolie in de formule te herleiden tot 5 pct.. Het bestuur liet op 11 april 1989 weten dat zij haar afwijzende standpunt handhaafde maar niettemin bereid was de vraag van de aannemers te onderzoeken in het licht van de ministeriële omzendbrief van 25 februari 1988 en het vroeg de aannemers, na voltooiing van de werken de berekeningen en verantwoordingsstukken voor te leggen die vereist waren volgens de punten 4 en 5 van de omzendbrief. Dit leidde echter niet tot enig resultaat. De prijsherzieningsformule voldoet niet aan art. 57, ,§2, Herstelwet, en is derhalve nietig. De vaststelling dat een beding nietig is schendt het beginsel van de bindende kracht van overeenkomsten niet (art. 6 B.W.). Deze nietigheid steunt niet op de vaststelling dat de prijs zou herzien worden op basis van het indexcijfer van de consumptieprijzen (zoals het eiser voorhoudt), maar omdat de herzieningsformule niet voldoet aan de vereisten zoals hierboven weergegeven. (De eiser) voert vruchteloos aan dat de aannemers bij de inschrijving hadden moeten melden dat zij in de onmogelijkheid waren om een prijs op te geven (art. 20, ,§4, K.B. 22.4.1977). Bij het indienen van de inschrijving was er geen onmogelijkheid om een prijs op te geven, en alle inschrijvers hebben een offerte gedaan. Enkel één parameter van het door de overheid voorgeschreven prijsherzieningsbeding bleek niet aangepast (zie ook hierna). De vaststelling van de nietigheid van de formule tast evenmin de gelijke behandeling van de inschrijvers aan, omdat elke inschrijver zich op het ogenblik in eenzelfde positie bevond en overigens zijn inschrijving deed op een bestek dat deze formule voorschreef M.a.w. op de vergelijking van de inschrijvers had de samenstelling van de formule geen enkele invloed. Het belang van de onjuiste weging van de parameter bleek zich pas na de inschrijvingen te openbaren toen de eenheidsprijzen van olieproducten onvoorspelbaar scherp daalden, en dit zou elke andere inschrijver, die de opdracht was gegund, in dezelfde mate getroffen hebben, en voor deze het recht hebben doen ontstaan de nietigheid ervan in te roepen. Er is geen kwade trouw van de aannemers bewezen: zij schreven in op een bestek waarin de formule door het bestuur was voorgeschreven, en konden niet voorzien dat de effecten ervan in een dergelijke mate de uiteindelijke prijs zouden beïnvloeden. (De eiser) stelt dat art. 57 Herstelwet slechts in een nietigheidssanctie voorziet 'voor een contractuele herzieningsformule waarvan de vaste term niet minstens 20 pct. bedraagt'. Hierboven werd evenwel vastgesteld dat de geldigheid van het beding afhankelijk is van niet één maar drie voorwaarden. Het wordt niet betwist dat voor de tweede fase van de werken tussen de partijen een nieuwe formule werd overeengekomen waarbij de relatieve waarde van de gasolie op 10 pct. werd gewogen. De aannemers vragen dat deze formule in de plaats zou gesteld worden van de nietige clausule. (De eiser) voert geen enkel feitelijk gegeven aan waaruit zou moeten blijken dat het aandeel van de dieselolie in de kostenstructuur van de beide fasen verschillend was, en de toenmalige bevoegde overheid aanvaardde dat deze voor de tweede fase 10 pct. bedroeg. (De eiser) heeft nooit enige andere weging voorgesteld of zelf vooropgesteld. De herberekening op basis van een relatief aandeel van 10 pct. van de brandstof in de prijs moet dan ook in de plaats gesteld worden van de nietige formule. (Eiser) betwist deze herberekening op zich niet". Grieven Alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, strekken diegene die ze hebben aangegaan tot wet. Ze kunnen niet worden herroepen dan met wederzijdse toestemming van partijen of op gronden door de wet erkend (artikel 1134, 1 en 2, B.W.). Overeenkomsten moeten weliswaar te goeder trouw en zonder rechtsmisbruik worden uitgevoerd (artikel 1134, 3, B.W.), doch de rechter vermag niet, op grond van goede trouw en redenen van billijkheid, de inhoud van een overeenkomst te wijzigen. Het arrest spreekt de nietigheid van de litigieuze contractuele clausule (uit) (artikel 57, ,§2, van de Herstelwet). Deze kan bijgevolg geen toepassing vinden (artikelen 6 en 1131 B.W.). De nietigheidssanctie kan evenmin als redenen van goede trouw of billijkheid tot gevolg hebben dat de rechter in plaats van partijen een ander, contractueel prijsherzieningsbeding zou bepalen. Het bestreden arrest kon dan ook niet, na de litigieuze contractuele herzieningsclausule nietig te hebben verklaard, oordelen dat door de aannemer terecht een andere formule in de plaats zou gesteld worden van de nietige formule. Het arrest vervangt in strijd met alle in het middel ingeroepen bepalingen, de overeenkomst en de nietige clausule door een andere, nu de rechter de mogelijkheid niet heeft een overeenkomst tussen partijen te wijzigen (schending van de artikelen 6, 1131, 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek en het principe van de overeenkomstwet (Pacta sunt servanda)). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Als de rechter de volstrekte nietigheid van een beding van een overeenkomst vaststelt mag hij geen beding in de plaats stellen dat niet berust op de wilsovereenstemming van de partijen. 2. De appelrechters stellen vast, zonder hiervoor te worden bekritiseerd, dat het herzieningsbeding volstrekt nietig is. 3. De appelrechters stellen voorts vast dat: - de eiser aan de verweersters een openbare aanbesteding gunde voor de verbredingswerken van een deel van het Albertkanaal en dit in twee fasen; - voor de eerste fase in het bestek een prijsherzieningsformule werd opgenomen, waarbij de relatieve belangrijkheid van de prijs van de dieselolie in de eindafrekening werd bepaald op 30 pct.; - de verweersters aanvoeren dat de voor de eerste fase opgenomen prijsherzieningsformule nietig is omdat de relatieve belangrijkheid van de prijs van de dieselolie in de eindafrekening veel te hoog werd ingeschat, wat voor hen zeer nadelig is gelet op de spectaculaire daling van de prijs van de dieselolie; - de verweersters vragen de voor de tweede fase opgenomen formule ook voor de eerste fase te doen gelden. De appelrechters oordelen vervolgens dat "het niet (wordt) betwist dat voor de tweede fase van de werken tussen de partijen een nieuwe formule werd overeengekomen waarbij de relatieve waarde van de gasolie op 10 pct. werd gewogen", dat "(de verweersters) vragen dat deze formule in de plaats zou gesteld worden van de nietige clausule", dat "(de eiser) geen enkel feitelijk gegeven aan(voert) waaruit zou moeten blijken dat het aandeel van de dieselolie in de kostenstructuur van de beide fasen verschillend was, en de toenmalige bevoegde overheid aanvaardde dat deze voor de tweede fase 10 pct. bedroeg", dat "(de eiser) nooit enige andere weging (heeft) voorgesteld of zelfs vooropgesteld", "dat de herberekening op basis van een relatief aandeel van 10 pct. van de brandstof in de prijs dan ook in de plaats gesteld (moet) worden van de nietige formule" en dat "(de eiser) deze herberekening op zich niet (betwist)". De appelrechters beslissen aldus, met bevestiging van het beroepen vonnis, dat de voor de eerste fase opgenomen prijsherzieningsformule nietig is en stellen de voor de tweede fase overeengekomen formule in de plaats. 4. De appelrechters schenden zodoende de artikelen 6, 1131 en 1134 van het Burgerlijk Wetboek. 5. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix, Albert Fettweis en Benoît Dejemeppe, en in openbare terechtzitting van 23 maart 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060323.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241025.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.