id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060323.8 Rolnummer: C.04.0428.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2006-12-22 Raadplegingen: 216 - laatst gezien 2026-07-03 08:49 Versie(s): Vertaling FR Fiche De bepaling krachtens welke de rechtbank de ontbinding kan uitspreken van een venootschap wegens niet neerlegging van haar jaarrekening gedurende drie opeenvolgende boekjaren, tenzij een regularisatie mogelijk is en plaatsvindt vooraleer uitspraak wordt gedaan, stelt niet als voorwaarde dat deze regularisatie dient plaats te vinden voor het tijdstip van de uitspraak door de eerste rechter wanneer tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld. Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Algemeen Vrije woorden: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Algemeen Niet-neerlegging van de jaarrekening Ontbinding door de rechter Regularisatie van de toestand Hoger beroep Tekst van de beslissing Nr. C.04.0428.N
- HAKO, naamloze vennootschap, met zetel te 2910 Essen, Wijngaardstraat 9,
- B.G., in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de NV Hako, kantoor houdende te , eisers, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE ANTWERPEN, verblijvende op het parket in het gerechtsgebouw, gevestigd te 2000 Antwerpen, Britselei 55,
- PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE ANTWERPEN, verblijvende op het parket-generaal, gevestigd te 2000 Antwerpen, Waalse Kaai,
- B.G., in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de NV Hako, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 5 februari 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 774, tweede lid, 1042, 1050 en 1068 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 182, ,§1, van het Wetboek van Vennootschappen, zoals ingevoerd door de wet van 7 mei 1999; - het algemeen rechtsbeginsel inzake de eerbiediging van de rechten van de verdediging. Aangevochten beslissingen De eisers komen op tegen de bestreden beslissing in zoverre hun hoger beroep - dat werd ingesteld tegen het vonnis van 23 september 2003 van de 22ste kamer van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen, waarbij op verzoek van de procureur des Konings de ontbinding werd uitgesproken van de eiseres bij toepassing van artikel 182, ,§1, van het Wetboek van Vennootschappen - daarin ongegrond wordt verklaard. De appelrechter baseert zich daarbij op de volgende overwegingen: "De ontbinding der vennootschap werd uitgesproken omwille van het verzuim gedurende drie opeenvolgende boekjaren (2000, 2001 en 2002) de jaarrekeningen neer te leggen zoals voorzien in artikel 182 W. Venn. (De eisers) leggen uit dat dit in gebreke blijven te wijten is aan het overlijden van de boekhouder in begin 2002 doch er inmiddels een nieuwe boekhouder werd aangesteld teneinde deze jaarrekeningen op te stellen. Uit de stukken blijkt dat de jaarrekeningen 2000, 2001 en 2002 thans werden neergelegd bij de Nationale Bank van België. Overeenkomstig artikel 182 W. Venn. moet regularisatie geschieden alvorens uitspraak wordt gedaan over de grond van de zaak. Geen regularisatietermijn werd voor de eerste rechter gevraagd en er werd ten gronde uitspraak gedaan. Latere regularisatie kan de ontbinding niet ongedaan maken. Het hoger beroep van (de eiseres) is ongegrond" (p. 4 van het bestreden vonnis). Grieven Eerste onderdeel De appelrechter is krachtens de artikelen 774, tweede lid, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek ertoe gehouden om ambtshalve de heropening van de debatten te bevelen alvorens de vordering geheel of gedeeltelijk af te wijzen op grond van een exceptie die de partijen voor hem niet hadden ingeroepen. Overeenkomstig deze verplichting is de appelrechter evenzeer verplicht om, alvorens het hoger beroep van een partij af te wijzen op grond van een exceptie die geen der partijen voor hem had ingeroepen, de debatten te heropenen teneinde partijen toe te laten omtrent één en ander hun standpunt uiteen te zetten. De appelrechter die het hoger beroep van een partij zou afwijzen op grond van een exceptie die geen der partijen voor hem had ingeroepen, schendt dan ook de voormelde artikelen 774, tweede lid, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, alsook het algemeen rechtsbeginsel inzake de eerbiediging van de rechten van de verdediging. Te dezen stelden de eisers hoger beroep in tegen het vonnis van 23 september 2003 van de 22ste kamer van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen, waarbij op verzoek van de procureur des Konings de ontbinding werd uitgesproken van eiseres bij toepassing van artikel 182, ,§1, van het Wetboek van Vennootschappen. De eisers zetten hierbij uiteen dat de niet-neerlegging van de bewuste jaarrekeningen een gevolg was van bepaalde feitelijke omstandigheden, en dat deze jaarrekeningen inmiddels bij de Nationale Bank van België werden neergelegd. De appelrechter bevestigt te dezen uitdrukkelijk dat "(u)it de stukken blijkt dat de jaarrekeningen 2000, 2001 en 2002 thans werden neergelegd bij de Nationale Bank van België" doch wijst het hoger beroep toch af als ongegrond na te hebben overwogen dat "(o)vereenkomstig artikel 182 W. Venn. (...) regularisatie (moet) geschieden alvorens uitspraak wordt gedaan over de grond van de zaak", dat "(g)een regularisatietermijn (..) voor de eerste rechter (werd) gevraagd en er (..) ten gronde uitspraak (werd) gedaan" en dat "(l)atere regularisatie (..) de ontbinding niet ongedaan (kan) maken". Te dezen blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan evenwel niet dat de partijen - of één van hen, inzonderheid het openbaar ministerie - zouden hebben gesteld dat het hoger beroep van de eisers moest worden afgewezen omdat de regularisatie van de neerlegging van de jaarrekeningen niet was geschied vóór de uitspraak nopens de grond van de zaak in eerste aanleg. Er blijkt integendeel dat geen enkele partij enige kritiek uitte tegen de voormelde regularisatie. Aldus wordt het hoger beroep van de eisers in het bestreden arrest ongegrond verklaard door de appelrechter op grond van een exceptie die geen der partijen had ingeroepen en zonder dat in dit verband ambtshalve de debatten werden heropend teneinde partijen toe te laten dienaangaande nader te concluderen. Bijgevolg werd het hoger beroep van de eisers niet wettig afgewezen en schendt het hof van beroep de artikelen 774, tweede lid, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek. Minstens miskent het hof aldus het algemeen rechtsbeginsel inzake de eerbiediging van de rechten van de verdediging door de eisers niet in de gelegenheid te stellen terzake verweer te voeren. Tweede onderdeel Overeenkomstig artikel 182, ,§1, van het Wetboek van Vennootschappen kan de rechtbank op vraag van iedere belanghebbende of van het openbaar ministerie de ontbinding uitspreken van een vennootschap die gedurende drie opeenvolgende boekjaren niet heeft voldaan aan de verplichting om een jaarrekening neer te leggen overeenkomstig de artikelen 98 en 100, tenzij een regularisatie van de toestand mogelijk is en plaatsvindt vooraleer uitspraak wordt gedaan over de grond van de zaak. Te dezen staat vast dat de eiseres aanvankelijk naliet tijdig de jaarrekeningen neer te leggen m.b.t. de boekjaren 2000, 2001 en 2002, waarop zij door het openbaar ministerie werd gedagvaard in ontbinding voor de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen, die bij vonnis van 23 september 2003 haar ontbinding uitsprak en de eiser als vereffenaar aanstelde. Evenwel werd noch door één van de partijen noch door het hof van beroep in het bestreden arrest betwist dat de eisers tijdig en op ontvankelijke wijze hoger beroep aantekenden tegen dit vonnis, terwijl eveneens vaststaat dat de jaarrekeningen van eerste eiseres over de boekjaren 2000, 2001 en 2002 werden neergelegd bij de Nationale Bank van België. De appelrechter bevestigt overigens uitdrukkelijk dat "(u)it de stukken blijkt dat de jaarrekeningen 2000, 2001 en 2002 thans werden neergelegd bij de Nationale Bank van België". Te dezen kan noch uit de omstandigheid dat de jaarrekeningen nog niet waren neergelegd vóór de behandeling en de uitspraak van de zaak in eerste aanleg, noch uit de omstandigheid dat er voor de eerste rechter geen "regularisatietermijn" werd gevraagd, wettig worden afgeleid dat een regularisatie van de desbetreffende toestand tijdens de procedure in hoger beroep geen beletsel meer zou vormen voor de ontbinding van de vennootschap bij toepassing van artikel 182, ,§1, van het Wetboek van Vennootschappen. De in deze laatste bepaling bedoelde "uitspraak over de grond van de zaak" heeft in voorkomend geval immers ook betrekking op de behandeling van de zaak in hoger beroep, waarbij te dezen niet werd betwist dat de bewuste jaarrekeningen werden neergelegd vóór de behandeling van de zaak voor het hof van beroep. Bovendien impliceert ook het recht om hoger beroep aan te tekenen tegen een vonnis bij toepassing van artikel 1050 van het Gerechtelijk Wetboek en de daarmee gepaard gaande devolutieve werking van dit hoger beroep overeenkomstig artikel 1068 van datzelfde wetboek, - bij gebreke aan afwijkende andersluidende wetsbepalingen - dat de zaak volledig voor de appelrechter kan en in voorkomend geval moet worden behandeld. De mogelijkheid voor de rechter om bij toepassing van artikel 182, ,§1, van het Wetboek van Vennootschappen de ontbinding uit te spreken van een vennootschap die gedurende drie opeenvolgende boekjaren niet heeft voldaan aan de verplichting om een jaarrekening neer te leggen "tenzij een regularisatie van de toestand mogelijk is en plaatsvindt vooraleer uitspraak wordt gedaan over de grond van de zaak", impliceert dan ook dat de appelrechter de ontbinding van de vennootschap niet vermag uit te spreken of in voorkomend geval de door de eerste rechter uitgesproken ontbinding teniet dient te doen, wanneer de toestand vóór de behandeling ten gronde voor de appèlinstantie werd geregulariseerd. Het hof van beroep merkt te dezen dan ook niet wettig op dat "(l)atere regularisatie (...) de ontbinding niet ongedaan (kan) maken", nu vaststaat dat de regularisatie is geschied vooraleer in hoger beroep ten gronde uitspraak werd gedaan over de zaak. De beslissing waarbij de hogere beroepen van de eisers ongegrond werden verklaard en de door de eerste rechter bevolen ontbinding dienvolgens werd bevestigd, is dan ook niet naar recht verantwoord, nu aldus de ontbinding van eerste eiseres wordt uitgesproken hoewel vaststaat dat de toestand m.b.t. de neerlegging van de jaarrekeningen werd geregulariseerd vóór de behandeling van de zaak voor het hof van beroep (schending van artikel 182, ,§1, van het Wetboek van Vennootschappen, zoals ingevoerd door de wet van 7 mei 1999), en nu het hof van beroep voorts, niettegenstaande de onbeperkte hogere beroepen van de eisers, tevens nalaat om in hoger beroep kennis te nemen van de volledige zaak (schending van de artikelen 1050 en 1068 van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel
- Luidens artikel 182, ,§1, van het Wetboek van Vennootschappen, kan de rechtbank, op vraag van iedere belanghebbende of van het openbaar ministerie, de ontbinding uitspreken van een vennootschap die gedurende drie opeenvolgende boekjaren niet heeft voldaan aan de verplichting om een jaarrekening neer te leggen overeenkomstig de artikelen 98 en 100 van hetzelfde wetboek, tenzij een regularisatie van de toestand mogelijk is en plaatsvindt vooraleer uitspraak wordt gedaan over de grond van de zaak.
- Deze bepaling stelt niet als voorwaarde dat de regularisatie dient plaats te vinden voor het tijdstip van de uitspraak door de eerste rechter wanneer tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld.
- Het arrest stelt vast dat de "ontbinding van de vennootschap werd uitgesproken door de eerste rechter wegens verzuim gedurende drie opeenvolgende boekjaren (2000, 2001 en 2002) de jaarrekeningen neer te leggen" en dat "uit de stukken blijkt dat deze jaarrekeningen thans werden neergelegd bij de Nationale Bank van België" en oordeelt vervolgens, om reden dat "geen regularisatietermijn voor de eerste rechter werd gevraagd en er ten gronde uitspraak werd gedaan", dat een "latere regularisatie de ontbinding niet meer ongedaan kan maken". Het verklaart dienvolgens het hoger beroep van de eisers tegen het vonnis van de eerste rechter, waarbij de ontbinding van de NV werd uitgesproken, ongegrond.
- Door aldus te oordelen, voegt het bestreden arrest aan artikel 182, ,§1, van het Wetboek van Vennootschappen een voorwaarde toe die de wet niet bevat.
- Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het uitspraak doet over het hoger beroep ingesteld door Koster en de daaraan verbonden kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix, Albert Fettweis en Benoît Dejemeppe, en in openbare terechtzitting van 23 maart 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060323.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div