← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060330.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060330.4 Rolnummer: C.03.0193.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2006-07-18 Raadplegingen: 230 - laatst gezien 2026-07-03 08:37 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De overdracht van pacht die door de pachter aan zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of aan die van zijn echtgenoot of van de echtgenoten van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen is gedaan zonder de toelating van de verpachter, kan aan deze worden tegengeworpen zonder dat moet voldaan zijn aan de pleegvormen betreffende de overdracht van schuldvordering

(1).
(1)Zie Cass., 6 feb. 2003, AR C.01.0306.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030206.6, nr
  1. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Onderverhuring en overdracht van huur Vrije woorden: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Onderverhuring en overdracht van huur Pachtoverdracht Tegenstelbaarheid aan de verpachter Pleegvormen Wettelijke bepalingen: Wet - 04-11-1969 - Art.1690 Fiche 2 Het enkel verlenen van voorbehoud tot het instellen van een rechtsvordering is geen beslissing die door een cassatieberoep kan worden bestreden. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Beslissingen uit hun aard niet vatbaar voor cassatieberoep Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Beslissingen uit hun aard niet vatbaar voor cassatieberoep Verlenen van voorbehoud tot het instellen van een rechtsvordering Tekst van de beslissing Nr. C.03.0193.N V.C., eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  2. J. S.,
  3. S. N., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 7 juni 2002 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift drie middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1690, vóór de vervanging door artikel 4 van de wet van 6 juli 1994, en artikel 1690, in het bijzonder het tweede lid, na de vervanging door artikel 4 van de wet van 6 juli 1994, van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 1, zoals vervangen bij artikel 1 van de wet van 7 november 1988, 30, zoals vervangen bij artikel 18 van de wet van 7 november 1988, in het bijzonder het eerste lid, en 34, zoals vervangen bij artikel 21 van de wet van 7 november 1988, in het bijzonder het eerste lid, van de Pachtwet die vervat is in artikel 1 van de wet van 4 november 1969, dat is afdeling III, hoofdstuk II, titel VIII, boek III, van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek; - voor zoveel als nodig, de artikelen 1101, 1102, 1104, 1165, 1709, 1717, zoals gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 4 november 1969 en bij artikel 4 van de wet van 20 februari 1991, maar voor de wijziging door artikel 2 van de wet van 13 april 1997, 1719, 1720 en 1728 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis veroordeelt de eiser tot betaling opzichtens de verweerders, uit hoofde van de miskenning van de pachtrechten nopens de weide, groot 1,4 ha te Papinglo, van een bedrag van 10.817,99 euro, meer de vergoedende intrest op 2.707,00 euro vanaf 11 januari 1995 tot aan de dagvaarding, en de gerechtelijke interest op 2.707,00 euro vanaf 8 december 1995, op 4.060,50 euro vanaf 26 november 1996, op 5.413,99 euro vanaf 19 december 1997 en op 10.827,99 euro vanaf 23 mei 2001, dit alles aan de wettelijke interestvoet. Voorts wordt de eiser door het bestreden vonnis veroordeeld tot de kosten van beide instanties en wordt aan de verweerders voorbehoud verleend hun vorderingen te stellen uit hoofde van een eventuele miskenning van hun voorkooprecht op de kwestieuze weide. In het bijzonder beslist het bestreden vonnis de ontvankelijkheidsexceptie van de eiser ten aanzien van de initiële vorderingen van de verweerders te verwerpen, het vonnis a quo te bevestigen in de mate dat de eerste rechter de vorderingen van de verweerders ontvankelijk heeft verklaard en aldus het incidenteel beroep van de eiser ongegrond te verklaren en dat op de volgende gronden: "III. BEOORDELING
  4. Nopens de procedure (De eiser) besluit na tussenvonnis dd. 12.11.1999 en stelt hierbij te volharden in zijn oorspronkelijke verweer. Blijkens zijn conclusies genomen voor het tussenvonnis dd. 12.11.1999 had (de eiser) incidenteel beroep aangetekend tot aanvechting van het vonnis a quo in de mate dat de eerste rechter de vorderingen van (de verweerders) ontvankelijk had verklaard. Aldus vordert (de eiser) bij wege van incidenteel beroep dat de vorderingen van (de verweerders) vooralsnog zouden worden afgewezen als onontvankelijk. (De eiser) steunt zich hierbij op de overweging dat (de verweerders) geen hoedanigheid hebben om enige vordering te stellen uit hoofde van enige pachtovereenkomst, nu geen pachtovereenkomst zou zijn bewezen terwijl de bepalingen van art. 35 LPW niet werden nageleefd. Dit standpunt kan niet worden bijgetreden. In de mate dat (de verweerders) hun vorderingen steunen op een pachtovereenkomst, hierbij bewerende dat zij zelf als pachter optreden, geven zij blijk van een belang en een hoedanigheid om een vordering op ontvankelijke wijze in te stellen. De vraag indien de pachtovereenkomst, waarop zij zich steunen, al dan niet bewezen zou voorkomen raakt niet de ontvankelijkheid van hun vordering doch wel de gegrondheid ervan. Evenmin kan (de eiser) zich steunen op de niet naleving van art. 35 LPW of van art. 1690 BWB om te beweren dat (de verweerders) niet kunnen optreden als pachters noch enige vordering dienaangaande kunnen stellen. (De eiser) voert aan dat de weide te Papinglo in gebruik werd gegeven aan de rechtsvoorgangers van (de verweerders), met name vader S.R., en dat -in de mate dat een pachtovereenkomst zou worden bewezen- deze noch (de verweerders) nooit enige kennisgeving hebben gedaan van de beweerde pachtoverdracht ten voordele van (de verweerders), zijnde schoonzoon en dochter van S.R.. In de mate dat een pachtovereenkomst zou worden bewezen, kan overeenkomstig art. 34 LPW de pachter zonder toestemming van de verpachter zijn pacht overdragen aan zijn afstammelingen of aangenomen kinderen, waarbij de overnemer in de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de pachtovereenkomst treedt zodat (de verweerders) nog steeds in de mate dat een pachtovereenkomst zou worden bewezen- rechtsgeldig in de rechten en verplichtingen van de oorspronkelijke pachter konden treden. Zij kunnen derhalve op ontvankelijke wijze een vordering stellen, voorhoudende te beschikken over pachtrechten betreffende de weide te Papinglo. Het feit dat de bepalingen van art. 35 LPW niet werden nageleefd, houdt enkel in dat deze bevoorrechte pachtoverdracht geen pachtvernieuwing van rechtswege heeft doen ontstaan, doch dit sluit niet uit dat de lopende pachtovereenkomst - in zoverre deze zou bewezen worden - niet meer zou gelden. Nu hieruit blijkt dat (de verweerders) op ontvankelijke wijze een vordering in rechte kunnen stellen, voorhoudende houder te zijn van de pachtrechten op de betreffende weide te Papinglo, beogen zij geenszins schuldvorderingen te stellen die zij zouden hebben overgenomen of die hen zouden zijn overgedragen door een derde, maar stellen zij vorderingen in eigen naam wegens de niet naleving van pachtrechten opzichtens hen persoonlijk. Art. 1690 BW is derhalve geenszins toepasselijk. De ontvankelijkheidsexceptie van (de eiser) nopens de initiële vorderingen van (de verweerders) kan derhalve niet worden aangenomen, zodat het aangevochten vonnis dient te worden bevestigd in de mate dat de eerste rechter de vorderingen van (de verweerders) ontvankelijk heeft verklaard. Het incidenteel beroep van (de eiser) is derhalve ongegrond". (folio 1973, laatste alinea, - 1975, derde alinea, van het bestreden vonnis). Grieven De eiser voerde in regelmatig voor de rechtbank van eerste aanleg genomen conclusies uitdrukkelijk aan dat een overdracht krachtens artikel 34 van de Pachtwet ten aanzien van de verpachters slechts rechtsgevolgen teweegbrengt voor zover aan artikel 1690 van het Burgerlijk Wetboek is voldaan en dat zulks in deze zaak niet het geval is, zodat enkel de oorspronkelijke contractpartij rechtsgeldig een vordering kon instellen (blz. 6, onderaan, 7, bovenaan, van de conclusie die op 13 mei 1998 door de eiser op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg werd neergelegd, genaamd "BESLUITEN"). De eiser voerde in dat verband aan dat er een onderscheid is tussen de geldigheid van de overdracht en de tegenstelbaarheid ervan (blz. 2, onderaan, onder het randnummer 3., van de conclusie die op 19 april 1999 door de eiser op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg werd neergelegd, genaamd "CONCLUSIE"). Artikel 30, eerste lid, van de Pachtwet bepaalt onder meer dat, in afwijking van artikel 1717 van het Burgerlijk Wetboek en onder voorbehoud van het erna bepaalde, de pachter van landeigendommen het gepachte goed geheel noch ten dele aan anderen mag overdragen zonder toestemming van de verpachter. Die toestemming moet, op straffe van nietigheid en voorafgaand aan de overdracht, schriftelijk worden gegeven. Artikel 34, eerste lid, van de Pachtwet bepaalt evenwel dat de pachter zonder toestemming van de verpachter zijn pacht geheel kan overdragen aan zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of aan die van zijn echtgenoot of van (lees "aan") de echtgenoten van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen. Maar aangezien de overdracht bedoeld in artikel 34 van de Pachtwet geschiedt zonder toestemming van de verpachter, moet deze laatste kennis krijgen van die pachtoverdracht, opdat ze hem tegengeworpen kan worden. Artikel 1690 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde, vóór de vervanging ervan bij artikel 4 van de wet van 6 juli 1994, dat de overnemer het bezit ten opzichte van derden, en meer bepaald de gecedeerde schuldenaar, eerst verkrijgt door de betekening van de overdracht aan de schuldenaar en voorts dat de overnemer het bezit eveneens kan verkrijgen doordat de schuldenaar in een authentieke akte de overdracht aanneemt. Artikel 1690, tweede lid, zoals vervangen bij artikel 4 van de wet van 6 juli 1994, bepaalt dat de overdracht slechts tegen de gecedeerde schuldenaar kan worden ingeroepen vanaf het ogenblik dat hij aan de gecedeerde schuldenaar ter kennis werd gebracht of door hem werd erkend. Zolang die voorschriften niet werden nageleefd, mag de schuldenaar geen rekening houden met de overdracht. Enkel de oorspronkelijke schuldeiser kan hem tot betaling aanspreken. Artikel 1690 van het Burgerlijk Wetboek vindt toepassing op de overdracht van een huur door de huurder en dus op de overdracht van een pacht door de pachter, aangezien de overdracht van een pacht de overdracht behelst van het schuldvorderingsrecht van de pachter tegen de verpachter. Het bestreden vonnis stelt vast dat de verweerders aanvoeren dat zij de pachtovereenkomst van S.R. hebben overgenomen en overweegt dat zulks overeenkomstig artikel 34 van de Landpachtwet rechtsgeldig kan gebeuren (folio 1976, laatste alinea, van het bestreden vonnis; zie ook folio 1974, vijfde- achtste alinea, van het bestreden vonnis). Het bestreden vonnis overweegt evenwel dat de verweerders geenszins schuldvorderingen beogen te stellen die zij zouden hebben overgenomen of die hen zouden zijn overgedragen door een derde, maar dat zij vorderingen stellen in eigen naam wegens de niet naleving van pachtrechten opzichtens hen persoonlijk. Het neemt aldus impliciet aan dat de overdracht van een pacht met toepassing van artikel 34 van de Pachtwet geen overdracht van schuldvordering uitmaakt en dienvolgens niet onder de toepassing van artikel 1690 van het Burgerlijk Wetboek valt. Conclusie Het bestreden vonnis kon niet wettig beslissen dat artikel 1690 van het Burgerlijk Wetboek in deze zaak geenszins toepasselijk is en op die grond de ontvankelijkheidsexceptie van de eiser ten aanzien van de initiële vorderingen van verweerders verwerpen, het vonnis a quo bevestigen in de mate dat de eerste rechter de vorderingen van de verweerders ontvankelijk had verklaard en het incidenteel beroep van eiser aldus ongegrond verklaren (schending van artikel 1690, vóór de vervanging door artikel 4 van de wet van 6 juli 1994, en artikel 1690, in het bijzonder het tweede lid, na de vervanging door artikel 4 van de wet van 6 juli 1994, van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 1, zoals vervangen bij artikel 1 van de wet van 7 november 1988, 30, zoals vervangen bij artikel 18 van de wet van 7 november 1988, in het bijzonder het eerste lid, en 34, zoals vervangen bij artikel 21 van de wet van 7 november 1988, in het bijzonder het eerste lid, van de Pachtwet die vervat is in artikel 1 van de wet van 4 november 1969, dat is afdeling III van hoofdstuk II van titel VIII, boek III van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, de artikelen 1101, 1102, 1104, 1165, 1709, 1717, zoals gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 4 november 1969 en bij artikel 4 van de wet van 20 februari 1991, maar voor de wijziging door artikel 2 van de wet van 13 april 1997, 1719, 1720 en 1728 van het Burgerlijk Wetboek). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari
  5. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis veroordeelt de eiser tot de kosten van beide instanties en tot betaling opzichtens verweerders, uit hoofde van de miskenning van de pachtrechten nopens de weide, groot 1,4 ha te Papinglo, van een bedrag van 10.817,99 euro, meer de vergoedende interest op 2.707,00 euro vanaf 11 januari 1995 tot aan de dagvaarding, en de gerechtelijke interest op 2.707,00 euro vanaf 8 december 1995, op 4.060,50 euro vanaf 26 november 1996, op 5.413,99 euro vanaf 19 december 1997 en op 10.827,99 euro vanaf 23 mei 2001, dit alles aan de wettelijke interestvoet. Grieven De eiser voerde in een op 13 mei 1998 regelmatig neergelegde conclusie in beroep aan: "In het kader van een ruilverkaveling werd het perceel enige tijd nadien aan een andere eigenaar toebedeeld. Per 01.03.1995 werd het perceel aan de NV Immo Belux ontnomen". (blz. 2, onderaan, van de conclusie die op 13 mei 1998 door de eiser op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg werd neergelegd, genaamd "BESLUITEN") De eiser voerde in een op 19 april 1999 regelmatig neergelegde conclusie in beroep vervolgens aan dat: "(De verweerders) blijven bij hun cijfermatige begroting van hun vordering het feit negeren dat het kwestige perceel a/o NV IMMOBELUX werd ontnomen binnen het kader van de ruilverkaveling en dit per 01.03.1995". (blz. 2, onderaan, van de conclusie die op 19 april 1999 door eiser op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg werd neergelegd, genaamd "CONCLUSIE"). Voorts voerde de eiser in een op 9 oktober 2001 regelmatig neergelegde conclusie in beroep aan: "A.3 Uiterst subsidiair, nopens de gevorderde vergoeding (De verweerders) vorderen een vergoeding ex aequo et bono en dit voor de duur van de procedure. Deze wijze van schadebegroting gaat niet op: - (de verweerders) weigeren rekening te houden met het feit dat het kwestige perceel per 1.03.19995 door ruilverkaveling aan de NV IMMOBELUX werd ontnomen. (De verweerders) waren het genot van de weide in het voorjaar van 1995 hoe dan ook kwijtgespeeld. Met andere woorden, mocht de vordering per impossible gegrond worden verklaard, dan hebben (de verweerders) slechts 1 jaar gebruik van de weide gederfd, en kunnen zij ook slechts voor deze periode aanspraak maken op vergoeding". (blz. 5, onderaan, van de conclusie die op 9 oktober 2001 door de eiser op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg werd neergelegd, genaamd "CONCLUSIE NA TUSSENVONNIS"). De eiser voerde aldus in conclusies in beroep herhaaldelijk en uitdrukkelijk aan dat de kwestieuze weide (het perceel) door ruilverkaveling op 1 maart 1995 aan de NV Immo Belux werd ontnomen, zodat verweerders slechts één jaar gebruik van de weide gederfd hebben en bijgevolg slechts voor die periode aanspraak kunnen maken op een vergoeding. Het bestreden vonnis antwoordt niet op dat uitdrukkelijk verweer en dat expliciet middel (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). Conclusie Het bestreden vonnis veroordeelt de eiser niet wettig tot de kosten van beide instanties en tot het betalen van 10.817,99 euro, meer de vergoedende interest op 2.707,00 euro vanaf 11 januari 1995 tot aan de dagvaarding, en de gerechtelijke interest op 2.707,00 euro vanaf 8 december 1995, op 4.060,50 euro vanaf 26 november 1996, op 5.413,99 euro vanaf 19 december 1997 en op 10.827,99 euro vanaf 23 mei 2001, dit alles aan de wettelijke interestvoet (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1582, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 47, zoals vervangen bij artikel 29 van de wet van 7 november 1988, 48, zoals gewijzigd bij artikel 30 van de wet van 7 november 1988, 48bis, zoals ingevoegd bij artikel 1 van de wet van 12 juni 1975 en vervangen bij artikel 31 van de wet van 7 november 1988, 51, 52 waarvan het 1° werd gewijzigd bij artikel 33 van de wet van 7 november 1988, het 2° en 7° vervangen bij artikel 33 van de wet van 7 november 1988, en het 4° gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 23 november 1978, 53 en 54, zoals gewijzigd bij artikel 34 van de wet van 7 november 1988, van de Pachtwet die vervat is in artikel 1 van de wet van 4 november 1969, dat is afdeling III van hoofdstuk II van titel VIII, van boek III van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis verleent aan de verweerders voorbehoud hun vorderingen te stellen uit hoofde van een eventuele miskenning van hun voorkooprecht op de kwestieuze weide te Papinglo en dat op de volgende gronden: "2.2.4 In hun verzoekschrift strekkende tot hoger beroep voeren (de verweerders) aan dat zij tevens vorderen dat hun oorspronkelijke tussenvordering, zoals gesteld in conclusies neergelegd dd. 18.03.1996, ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard. In het beschikkend gedeelte van deze conclusies, neergelegd dd. 18.03.1996 in eerste aanleg, vorderden (de verweerders) dat hen voorbehoud zou worden verleend, zoals geformuleerd in het overwegende gedeelte. Nazicht van dit overwegende gedeelte leert dan dat (de verweerders) voorhouden dat hun recht van voorkoop ex art. 47 LPW zou zijn geschonden, nu (de eiser) in eerste aanleg aanvoerde dat de betreffende weide, privatief eigendom van zijn echtgenote F.M., anno 1991 werd ingebracht in de NV Immo Belux, waar hij wel de afgevaardigde bestuurder van was. Door de eerste rechter werd het gevorderde voorbehoud impliciet afgewezen, nu deze vordering niet verder werd ontmoet terwijl in het beschikkende gedeelte van het vonnis het meer gevorderde werd afgewezen als ongegrond. Nu uit hoger vermelde overwegingen voldoende is gebleken dat (de verweerders) pachtrechten konden laten gelden op de betreffende weide te Papinglo, hetgeen kan inhouden dat zij rechten konden laten gelden overeenkomstig art. 47 LPW, kan het door hen gevorderde voorbehoud worden verleend. Het hoger beroep van (de verweerders) is dan ook wat deze betreft gegrond". (folio 1979, vanaf de vierde alinea, van het bestreden vonnis). Grieven De artikelen 47 tot en met 54 van de Pachtwet regelen het voorkooprecht van de pachter (voor zichzelf of voor zijn afstammeling of aangenomen kinderen of voor die van zijn echtgenoot, of voor de echtgenoten van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen, die effectief aan de exploitatie van dat goed deelnemen) bij verkoop van een in pacht gegeven landeigendom. Het voorkeurrecht van de pachter geldt enkel als de verpachter het pachtgoed verkoopt. Krachtens artikel 1582, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is koop een overeenkomst waarbij de ene partij zich verbindt om een zaak te leveren en de andere om daarvoor een prijs te betalen. Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser in eerste aanleg aanvoerde dat de kwestieuze weide, privatief eigendom van zijn echtgenote F.M., in 1991 werd ingebracht in de NV Immo Belux (folio 1979, zesde alinea, van het bestreden vonnis). De inbreng in een vennootschap van een pachtgoed is evenwel geen verkoop en geeft dan ook geen aanleiding tot het recht van voorkoop. Het bestreden vonnis kan bijgevolg, nu geen verkoop van de in pacht gegeven weide voorligt, niet wettig een voorbehoud verlenen voor een eventuele miskenning van het voorkooprecht van de verweerders. Conclusie Het bestreden vonnis kan niet wettig aan de verweerders voorbehoud verlenen hun vorderingen te stellen uit hoofde van een eventuele miskenning van hun voorkooprecht op de kwestieuze weide (schending van de artikelen 1582, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, 47, zoals vervangen bij artikel 29 van de wet van 7 november 1988, 48, zoals gewijzigd bij artikel 30 van de wet van 7 november 1988, 48bis, zoals ingevoegd 1 van de wet van 12 juni 1975 en vervangen bij artikel 31 van de wet van 7 november 1988, 49, 50, zoals gewijzigd bij artikel 32 van de wet van 7 november 1988, 51, 52 waarvan het 1° werd gewijzigd bij artikel 33 van de wet van 7 november 1988, het 2° en 7° vervangen bij artikel 33 van de wet van 7 november 1988 en het 4° gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 23 november 1978, 53 en 54, zoals gewijzigd bij artikel 34 van de wet van 7 november 1988, van de Pachtwet die vervat is in artikel 1 van de wet van 4 november 1969, dat is afdeling III van hoofdstuk II van titel VIII, van boek III van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  6. Uit het onderling verband tussen de artikelen 34, 35 en 57 van de Pachtwet volgt dat de overdracht van pacht die aan de in artikel 34 van die wet bepaalde personen is gedaan zonder de toelating van de verpachter, aan deze kan worden tegengeworpen, zonder dat moet zijn voldaan aan de pleegvormen die in artikel 1690 van het Burgerlijk Wetboek, zowel voor als na de wijziging van dit artikel bij de wet van 6 juli 1994, is voldaan.
  7. Het middel dat ervan uitgaat dat de in artikel 34 van de Pachtwet bepaalde overdracht niet aan de verpachter kan worden tegengeworpen als niet is voldaan aan de vereisten van artikel 1690 van het Burgerlijk Wetboek, zowel in zijn vorige als in zijn huidige versie, faalt naar recht. Tweede middel
  8. De eiser heeft in zijn conclusie van 9 oktober 2001 aangevoerd dat de verweerders door de ruilverkaveling hoe dan ook het genot van de weide in het voorjaar 1995 waren verloren.
  9. Het bestreden vonnis beantwoordt dit verweer niet.
  10. Het middel is gegrond. Derde middel
  11. Het enkel verlenen van voorbehoud, zoals in het bestreden vonnis werd gedaan, is geen beslissing die door een cassatieberoep kan worden bestreden.
  12. Het middel is niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het schadevergoeding toekent voor de periode na het voorjaar 1995 en uitspraak doet over de rente, en de kosten. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Veroordeelt de eiser in twee derden van de kosten. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne, zitting houdende in hoger beroep. De kosten zijn begroot op de som van 476,40 euro jegens de eisende partij en op de som van 147,56 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, en de raadsheren Greta Bourgeois en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van 30 maart 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060330.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090116.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030206.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.