id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060330.5 Rolnummer: C.04.0388.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2006-07-18 Raadplegingen: 209 - laatst gezien 2026-07-03 08:37 Versie(s): Vertaling FR Fiche De last tot doorhaling of vermindering van een hypothecaire inschrijving moet eenduidig blijken uit de tekst van de voorgelegde akte of het vonnis zonder dat de hypotheekbewaarder gehouden is tot enige interpretatie of tot de beoordeling van de vervulling van de voorwaarde waaraan de doorhaling of vermindering is verbonden; een vonnis moet derhalve uitdrukkelijk de doorhaling van de inschrijving bevelen
(1).
(1)R.P.D.B., VI, v° Hypothèques et privilèges immobiliers, nr 2177; Rép. Not., X-I, Traité des hypothèques et de la transcription, nr
- Thesaurus CAS: VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - HYPOTHEKEN Vrije woorden: VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - HYPOTHEKEN Inschrijving Doorhaling of vermindering Last tot doorhaling of vermindering Wettelijke bepalingen: Wet - 16-12-1851 - Artt.92en93 Tekst van de beslissing · Nr. C.04.0388.N ING BELGIË, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Marnixlaan 24, · eiseres, · vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, · tegen
- D.M.G., naamloze vennootschap, met zetel te 1501 Buizingen, Drasop 7,
- D.G., · verweerders, · vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. · RECHTSPLEGING VOOR HET HOF · Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 april 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. · Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. · Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL · De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. · Geschonden wettelijke bepalingen · artikel 149 van de Grondwet; · de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek; · de artikelen 92 en 93 van de Wet van 16 december 1851 op de voorrechten en hypotheken die Titel XVIII van het Burgerlijk Wetboek uitmaakt (Hypotheekwet). · Aangevochten beslissingen · Het Hof van Beroep te Brussel doet, bij het bestreden arrest, het vonnis van de beslagrechter te Brussel van 6 mei 2003 teniet, verklaart het verzet van de eiseres tegen het op 8 augustus 2002 aan haar betekende bevel tot het betalen van een bedrag van 57.015,62 euro aan tussen 15 februari en 2 april 2002 verbeurde dwangsommen, ontvankelijk doch ongegrond, verklaart de incidentele vordering van de eiseres, ertoe strekkende te horen zeggen dat voormelde dwangsommen niet verbeurd zijn, of minstens dat het vonnis dat de dwangsommen oplegt als uitvoerbare titel ondoeltreffend is geworden wegens overmacht en de middels het bevel van 8 augustus 2002 aangevangen tenuitvoerlegging ondoeltreffend is geworden, ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelt de eiseres tot de kosten van beide aanleggen op grond van o.m. volgende redenen: "De Rechtbank van Koophandel te Brussel, beval, bij vonnis van 7 februari 2002, de handlichting van de zekerheden die (de eiseres) nog op (de verweerster) ten belope van 40.000.000 BEF bezat nader aangeduid in het dispositief van dit vonnis, vanaf de betaling door (de verweerders) van het nog verschuldigde saldo van 145,22 euro. Hij veroordeelde (de eiseres) tot betaling van een dwangsom van 1.239,47 euro (50.000 BEF) per dag vertraging vanaf de betekening van het vonnis en na betaling van genoemd saldo. · De hogere beroepen tegen dit vonnis werden ongegrond verklaard door het hof van beroep alhier, bij arrest van 6 november
- · (De verweerders) lieten dit vonnis op 15 februari 2002 betekenen. · De raadslieden van (de eiseres) reageerden, op 15 februari 2002, per fax aan (de verweerster) in volgende bewoordingen: 'Onze cliënte heeft inmiddels betaling ontvangen van het verschuldigde saldo derwijze dat zij bij huidige brief en met onmiddellijk gevolg, handlichting geeft van de zekerheden opgesomd in het dispositief van het vonnis. Zij neemt bovendien de nodige stappen om deze handlichting aan derden tegenwerpbaar te maken'. · Hierop antwoordden (de verweerders) dat, nu de zekerheden grotendeels hypothecair zijn, het bewijs van het hypotheekkantoor voorgelegd dient te worden waaruit blijkt dat deze zekerheden zijn opgeheven. · Zij betekenden vervolgens op 8 augustus 2002 een bevel aan (eiseres) tot het betalen van een bedrag van 57.015,62 euro aan verbeurde dwangsommen tussen 15 februari en 2 april 2002, hetzij gedurende 46 dagen. · (De eiseres) tekende op 30 augustus 2002 verzet aan tegen dit bevel bij de oorspronkelijke dagvaarding in huidige zaak. In wezen duidde zij erop dat zij onmiddellijk handlichting heeft verleend van de zekerheden bij faxbericht aan (de verweerders) en dat het vonnis dat de dwangsommen oplegt onduidelijk is wat betreft de tegenstelbaarheid ervan aan derden" (p. 2-3 van het bestreden arrest), · en · "In huidig geval, gold het vonnis van 7 februari 2002 als titel van handlichting en diende de schuldeiser hiervoor te zorgen onder verbeurte van dwangsommen. · (De eiseres) heeft echter verkozen de handlichting te laten geschieden door het laten opstellen van een authentieke akte verleden voor notaris Dubuisson op 22 februari 2002, zodat de handlichting van de inschrijvingen pas geschiedde op 2 april
- · (De eiseres) heeft derhalve onnodig getalmd. · Er is hierover geen redelijke twijfel. In herhaalde procedures waarnaar in het vonnis van 7 februari 2002 werd verwezen, vroegen (de verweerders) om handlichting van de zekerheden, waaronder de hypotheken, en, volgens de dagvaarding van 14 november 2001, die het geding van het vonnis van 7 februari 2002 inleidt, omdat het hen onmogelijk is om een financiering te bekomen teneinde het geteisterde goed erop te bouwen. · Dit betekent duidelijk dat, volgens de uiteenzetting in dagvaarding, de handlichting tegenstelbaar diende te zijn aan derden. Trouwens is de essentie van de hypotheek wel dat zij, als zakelijke zekerheid, volgens haar rang, voorrang geniet ten aanzien van andere schuldeisers. · Met de eenvoudige betekening van het vonnis van 7 februari 2002 op verzoek van (de eiseres), wat zij niet deed, diende de hypotheekbewaarder overeenkomstig artikel 92 van de Hypotheekwet over te gaan tot doorhaling van de inschrijvingen, zoals dit het voorwerp was van het geding voor de rechtbank van koophandel en voor het hof van beroep in zijn arrest van 6 november 2002 en aldus werd bevolen. · Het dispositief van het vonnis van 7 februari 2002 verwijst duidelijk naar de verschillende rangen en inschrijvingen van de hypotheken, zodat er geen twijfel kan bestaan dat de bevolen handlichting op die inschrijvingen duidt. Er dient geen interpretatief arrest uitgelokt te worden. · De dwangsommen zijn verbeurd. · Er is hier geen overmacht, nu het talmen te wijten is aan (de eiseres) en de vereiste voor overmacht elke andere oorzaak uitsluit" (p. 4-5 van het bestreden arrest). · Grieven · Bij vonnis van 7 februari 2002 besliste de rechtbank van koophandel te Brussel, eerste kamer: · "om deze redenen, de rechtbank, rechtdoende op tegenspraak, · Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond in de volgende mate: · Bijgevolg, veroordeelt (de eiseres) tot het verlenen van handlichting van de volgende zekerheden: · A. Handelsgebouw gelegen te Sint-Jans-Molenbeek, Gentsesteenweg, 518, gekadastreerd kwartier D, nr 292/E, met een grondoppervlakte van 5 aren en 75 centiaren. ·
- In eerste rang ingeschreven op 7 maart 1989 in het 5e hypotheekkantoor te Brussel, boek 2173, nr 49, in zekerheid voor 7.000.000 BEF in hoofdsom. ·
- In tweede rang ingeschreven op 10 januari 1991 in het 5e hypotheekkantoor te Brussel, boek 2321, nr 17, in zekerheid voor 9.000.000 BEF in hoofdsom.
- In derde rang ingeschreven op 29 juli 1991 in het 5e hypotheekkantoor te Brussel, boek 2361, nr 19, in zekerheid voor 10.000.000 BEF in hoofdsom. · B. Immobiliëncomplex gelegen Gentsesteenweg, 520, gekadastreerd kwartier D, nr 292/W/2 & 292/X/Z met een totale grondoppervlakte van 5 aren en 73 centiaren. ·
- In eerste rang ingeschreven op I 0 januari 1991, in het 5e hypotheekkantoor te Brussel, boek 2321, nr 17, in zekerheden voor 9.000.000 BEF in hoofdsom. ·
- In tweede rang ingeschreven op 29 juli 1991, in het 5e hypotheekkantoor te Brussel, boek 2361, nr 19, in zekerheid voor 10.000.000 BEF in hoofdsom. · C. Een handelspand voor een bedrag in hoofdsom van 13.000.000 BEF. · D. Een hoofdelijke en ondeelbare waarborg van (verweerder), voor een bedrag van 4.500.000 BEF in hoofdsom. · Zegt dat er aanleiding is tot handlichting van deze zekerheden van bij de betaling door (de verweerders) van het saldo van honderd vijf en veertig euros en twintig cents (afrekening per 10 januari 2002). · Veroordeelt (de eiseres) tot een dwangsom van duizend twee honderd negen en dertig euros zeven en veertig cents (50.000 BEF) per dag vertraging te rekenen van bij de rekening van huidig vonnis en na betaling van voormeld saldo"(beëdigde vertaling van het vonnis van de rechtbank van koophandel, eerste kamer, van 7 februari 2002).
(1)· Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat voornoemd vonnis, dat werd bevestigd door het Hof van Beroep te Brussel bij arrest van 6 november 2002, aan de eiseres werd betekend op 15 februari
- · Op 8 augustus 2002 betekenden de verweerders aan de eiseres een bevel tot het betalen van de som van 57.015,62 euro aan verbeurde dwangsommen. Tegen dit bevel tekende de eiseres op 30 augustus 2002 verzet aan. · Bij vonnis van 6 mei 2003 schorste de beslagrechter te Brussel de tenuitvoerlegging en de voortgang van de procedure in afwachting van de neerlegging van een interpretatief vonnis m.b.t. de precieze draagwijdte van de in het vonnis van de dwangsomrechter uitgesproken hoofdveroordeling waaraan de dwangsom werd gekoppeld. · De appelrechters doen voornoemd vonnis van de beslagrechter te niet en verklaren het verzet van de eiseres tegen het op 8 augustus 2002 aan haar betekende bevel tot het betalen van een bedrag van 57.015,62 euro aan verbeurde dwangsommen ontvankelijk doch ongegrond. · Eerste onderdeel · Het vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Brussel van 7 februari 2002 veroordeelt de eiseres tot het verlenen van handlichting van de zekerheden die het opsomt, onder de opschortende voorwaarde van betaling door de verweerders van een nog verschuldigd saldo van 145,22 euro aan de eiseres. · Door hun beslissing te steunen op de overwegingen dat de door het vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Brussel van 7 februari 2002 bevolen handlichting van de zekerheden duidt op de inschrijvingen van die zekerheden, zegt het bestreden arrest dat bedoeld vonnis - dat enkel de handlichting van de zekerheden zelf beveelt, van zodra verweerders het door hen verschuldigde saldo aan eiseres zouden hebben betaald, en niet de doorhaling of "handlichting" van de inschrijving van die zekerheden - iets inhoudt dat het niet inhoudt en geeft het aldus van bedoeld vonnis een met zijn bewoordingen, zin en draagwijdte onverenigbare uitlegging, zodat het bestreden arrest de bewijskracht ervan miskent (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). · Tweede onderdeel · De bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Brussel van 7 februari 2002 t.a.v. de eiseres uitgesproken veroordeling, tot het verlenen van handlichting van de zekerheden, was uitgesproken onder verbeurte van een dwangsom per dag vertraging te rekenen van bij de betekening van het vonnis en nà de betaling van het aan de eiseres verschuldigde saldo van 145,22 euro. · In conclusie werd voor de eiseres aangevoerd: · "
- Het vonnis (van de Rechtbank van Koophandel te Brussel van 7 februari 2002) kan trouwens ook los van deze laatste kwestie, onmogelijk als een titel van doorhaling gelden. · Artikel 92 van de Hypotheekwet - dat onder 'Hoofdstuk V. Doorhaling en vermindering van de inschrijvingen' van de wet is opgenomen - voorziet immers expliciet dat 'de last tot doorhaling' in de titel van doorhaling (vonnis of notariële akte) 'uitdrukkelijk en in authentieke vorm' moet worden gegeven. Dat was in het vonnis geenszins het geval: nergens in het vonnis wordt de term 'doorhaling van de hypothecaire inschrijvingen' ('radiation des inscriptions hypothécaires') of de term 'handlichting van de hypothecaire inschrijvingen' ('mainlevée des inscriptions hypothécaires') gebruikt: de rechtbank beperkt er zich in tegendeel toe om (eiseres) te veroordelen om (zelf) handlichting te verlenen van een aantal nader genoemde zekerheden ('surêtés' in de plaats van 'inscriptions'). Onder die zekerheden bevonden zich naast de borgstellingen en een pand op handelszaak ook - zo blijkt uit de context - de hypotheekrechten op het gebouw. · In dit verband kan herhaald worden dat er op het ogenblik dat de rechtbank uitspraak deed, nog een openstaande schuld bestond die onder de hypothecaire dekking viel: alleen al om die reden was het voor de rechtbank onmogelijk om op dat moment reeds de gerechtelijke doorhaling te bevelen. Conform artikel 95 Hyp. W. kan de gerechtelijke doorhaling (immers) slechts geschieden op grond van een titel die 'gekweten' is. · Zelfs indien men het tegendeel zou aanvaarden (nl. de rechtbank heeft wel de gerechtelijke doorhaling bevolen; quod non), dan nog kon de hypotheekbewaarder louter op grond van dit vonnis niet tot doorhaling overgaan. De rechtbank heeft de 'opheffing van de zekerheden' immers uitdrukkelijk onderworpen aan de voorafgaande betaling van het saldo van de schuld door (verweerster). Die laatste gebeurtenis is dan ook te aanzien als een opschortende voorwaarde. · Welnu, wanneer de titel tot doorhaling aan een opschortende voorwaarde is onderworpen, dan komt het aan de hypotheekbewaarder niet toe om zelf de vervulling van die voorwaarde na te gaan. In dat geval moet hij de voorlegging van een nieuwe authentieke titel vooropstellen vooraleer tot doorhaling over te gaan (zie: E. GENIN e.a., Traité des hypothèques et de la transcription, in Répertoire Notarial, T.X, Les Sûretés, nr. 2177 en de vele aldaar geciteerde verwijzingen). · Ten overvloede kan vermeld worden dat een authentiek bewijs dat de vervulling van de voorwaarde vaststelt, in casu niet voorhanden is. · (De verweerders) lijken in hun conclusies te suggereren dat dit wel het geval is, want verwijzen naar een passage in de akte van betekening van gerechtsdeurwaarder Sonck dd. 15 februari 2002 (stuk 9) waarin (de eiseres) in de volgende termen wordt aangemaand ('fait commandement') om de zekerheden op te heffen: · 'Ik ondergetekende gerechtsdeurwaarder beveel aan de betekende partijen om, nu verzoekster op 13 februari 2002 het bedrag van 147 euro heeft overgemaakt op de bankrekening van de betekende partij, op straffe van een dwangsom van 1.239,47 euro per dag vertraging te rekenen vanaf onderhavige betekening, de volgende zekerheden op te heffen ...'. · (De eiseres) wenst er vooreerst op te wijzen dat noch uit de inhoud, noch uit de hoofding van dit exploot van betekening en bevel, blijkt dat dit exploot ook een p.v. van vaststelling (in de zin van artikel 516, tweede lid, Ger. W.) zou inhouden. De gerechtsdeurwaarder verklaart in het exploot helemaal niet dat hij zelf de nodige materiële vaststellingen heeft gedaan en hij verklaart al evenmin dat hij door (verweerders) was verzocht om zulke vaststellingen te doen. Zonder twijfel is de deurwaarder voortgegaan op de verklaringen van (de verweerders) als zouden zij de nodige gelden hebben overgemaakt op een rekening die, nog steeds volgens (de verweerders), aan (de eiseres) zou toebehoren. · De gerechtsdeurwaarder stelt trouwens in het exploot geen louter materiële feiten vast die onomstotelijk op het bestaan van een betaling zouden wijzen. Het enige materiële feit dat van aard is om onomstotelijk de betaling te bewijzen, kon door de gerechtsdeurwaarder immers onmogelijk zelf zijn vastgesteld: d.i. de effectieve creditering van de rekening van (de eiseres) met het door (de verweerders) 'overgemaakt' bedrag (enkel deze creditering is richtinggevend voor de betaling; zie: Cass., 30 januari 2001, R.W., 2001-2002, 888). · Ten overvloede kan er trouwens op worden gewezen dat, naar geldend recht, aan de vaststellingen die een gerechtsdeurwaarder in het kader van artikel 516, tweede lid, Ger. W (zelf) doet, nog geen authentieke bewijskracht toekomt (zie: G. de LEVAL, Institutions judiciaires, Luik, 1993, 442; D. MOUGENOT, 'La preuve', Rep. Not., T. IV, 1.1, nr. 317-1; J. VAN COMPERNOLLE, 'La désignation, la mission et la fonction de l'expert', in L'expertise, Fac. Univ. St. Louis, Brussel, 1994, 109-I10, nr. 8; A. FETTWEIS, L'instruction des litiges de la construction - Quelques questions pratiques, in Droit de la construction, CUP, vol. XII, 1996, 21 1, noot 23; Luik, 29 januari 1996, R.T.D.F., 1996, 346; Luik, 18 november 1997, J.LM.B., 1998, 374; Bergen, 2 december 1998, J.LM.B. 1999, 414). De hypotheekbewaarder die zich slechts mag verlaten op akten met een authentieke bewijskracht, mocht dus in geen geval voortgaan op de vermeldingen vervat in het exploot van betekening en op die manier de opschortende voorwaarde voor vervuld houden" (zie de "hernemende conclusies na toepassing van artikel 748, ,§2, Ger. W." voor de eiseres, p. 34-36, nrs 25-27). · Aldus voerde de eiseres op omstandige en precieze wijze in conclusie aan dat het vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Brussel van 7 februari 2002 niet als titel van doorhaling kon gelden. · Het bestreden arrest beslist dat het vonnis van 7 februari 2002 gold als titel van handlichting, zodat de eiseres, die heeft verkozen de handlichting te laten geschieden door het laten opstellen van een authentieke akte verleden voor de notaris, hetgeen pas geschiedde op 2 april 2002, onnodig heeft getalmd en de dwangsommen derhalve verbeurd zijn, zonder het hierboven weergegeven verweer uit de conclusie van de eiseres te weerleggen en te beantwoorden en miskent derhalve artikel 149 van de Grondwet. Het bestreden arrest miskent tevens de bewijskracht van het vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Brussel van 7 februari 2002 in zoverre het beslist dat dit vonnis gold als titel van handlichting - zodat de eiseres, die heeft verkozen de handlichting te laten geschieden door het laten opstellen van een authentieke akte verleden voor de notaris, hetgeen pas geschiedde op 2 april 2002, onnodig heeft getalmd en de dwangsommen derhalve verbeurd zijn - nu het aldus zegt dat voornoemd vonnis, waarbij de eiseres wordt veroordeeld tot het verlenen van handlichting van de zekerheden van zodra verweerders het verschuldigde saldo zouden hebben betaald, iets inhoudt - de vaststelling van de handlichting van de zekerheden - dat het niet inhoudt (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). · Overeenkomstig artikel 92 Hypotheekwet ten slotte worden de inschrijvingen doorgehaald of verminderd krachtens de toestemming van de belanghebbende partijen, daartoe bevoegd, ofwel krachtens een vonnis in laatste aanleg gewezen of in kracht van gewijsde gegaan, ofwel krachtens een vonnis, uitvoerbaar verklaard niettegenstaande verzet of beroep. · Artikel 92, derde lid, Hypotheekwet bepaalt dat de last tot doorhaling of vermindering uitdrukkelijk en in authentieke vorm moet worden gegeven. · Krachtens artikel 93 Hypotheekwet leggen zij die doorhaling of vermindering vorderen, op het kantoor van de bewaarder, hetzij de uitgifte der authentieke akte of de akte in brevet, houdende toestemming, hetzij de uitgifte van het vonnis over. · Krachtens voornoemde wetsbepalingen vermag de hypotheekbewaarder de inschrijvingen der hypotheken slechts door te halen krachtens een vonnis wanneer daarin de last tot doorhaling uitdrukkelijk is gegeven en de uitgifte ervan op zijn kantoor is overgelegd. · Uit het bovenstaande blijkt dat de Rechtbank van Koophandel te Brussel in zijn vonnis van 7 februari 2002 noch uitdrukkelijk noch impliciet de last tot doorhaling van de inschrijving der zekerheden heeft gegeven, doch enkel de handlichting van de zekerheden heeft bevolen onder de opschortende voorwaarde van betaling door de verweerders van het verschuldigde saldo van 145,22 euro aan de eiseres. · Door te beslissen dat de hypotheekbewaarder na de eenvoudige betekening van bedoeld vonnis diende over te gaan tot doorhaling van de inschrijvingen, en dat de eiseres, die heeft verkozen de handlichting te laten geschieden door het laten opstellen van een authentieke akte verleden voor de notaris, hetgeen pas geschiedde op 2 april 2002, onnodig heeft getalmd en er ook geen overmacht is nu het talmen te wijten is aan de eiseres, zodat de dwangsommen zijn verbeurd, miskennen de appelrechters derhalve de artikelen 92 en 93 Hypotheekwet. III. BESLISSING VAN HET HOF · Beoordeling · Tweede onderdeel · Overeenkomstig artikel 92 van de Hypotheekwet, worden de inschrijvingen doorgehaald of verminderd krachtens de toestemming van de belanghebbende partijen, daartoe bevoegd, ofwel krachtens een vonnis in laatste aanleg gewezen of in kracht van gewijsde, ofwel krachtens een vonnis, uitvoerbaar verklaard niettegenstaande verzet. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat de last tot doorhaling of vermindering uitdrukkelijk en in authentieke vorm moet worden gegeven. · Overeenkomstig artikel 93 van dezelfde wet dienen zij die doorhaling of vermindering vorderen, op het kantoor van de bewaarder, hetzij de uitgifte der authentieke akte of de akte in brevet, houdende toestemming, hetzij de uitgifte van het vonnis over te leggen. · De last tot doorhaling of vermindering moet eenduidig blijken uit de tekst van de voorgelegde akte of het vonnis zonder dat de hypotheekbewaarder gehouden is tot enige interpretatie of tot de beoordeling van de vervulling van de voorwaarde waaraan de doorhaling of vermindering is verbonden. · Een vonnis moet derhalve uitdrukkelijk de doorhaling van de inschrijving bevelen. · Het arrest stelt vast dat het vonnis van 7 februari 2002 de eiseres veroordeelt tot handlichting van de erin vermelde zekerheden en dat dit vonnis tevens de handlichting van deze zekerheden afhankelijk stelt van de betaling door de verweerders van een saldo van 145,22 euro. · De appelrechter oordeelt dat "met de eenvoudige betekening van het vonnis van 7 februari 2002 op verzoek van (de eiseres), wat zij niet deed, de hypotheekbewaarder diende over te gaan tot doorhaling van de inschrijvingen". · De appelrechter beslist dat "(de eiseres), die heeft verkozen de handlichting te laten geschieden door het laten opstellen van een authentieke akte verleden voor de notaris, hetgeen pas geschiedde op 2 april 2002, onnodig (heeft) getalmd en er ook geen overmacht is nu het talmen te wijten is aan eiseres" zodat "de dwangsommen verbeurd zijn". · De beslissing is niet naar recht verantwoord. · Het onderdeel is gegrond. · Overige grieven · De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. · Dictum · Het Hof, · Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. · Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. · Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. · Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, en de raadsheren Greta Bourgeois en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van 30 maart 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060330.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div