← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060330.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060330.6 Rolnummer: C.04.0486.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2006-07-18 Raadplegingen: 567 - laatst gezien 2026-07-03 08:37 Versie(s): Vertaling FR Fiche De bepaling dat een erfpacht niet mag worden gevestigd voor een termijn korter dan zevenentwintig jaar staat niet in de weg dat de partijen in de erfpachtovereenkomst een beding opnemen waardoor de overeenkomst kan worden beëindigd, ook al is de minimumduur van zevenentwintig jaar niet verstreken, ingeval van een insolventieprocedure of ontbinding van de rechtspersoon-erfpachter. Thesaurus CAS: ERFPACHT (RECHT VAN) UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Erfpacht Vrije woorden: ERFPACHT (RECHT VAN) Duur Minimumduur Beding tot beëindiging vóór het verstrijken van de minimumduur Wettigheid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-01-1824 - Art.2 Annotaties Publicaties: T.B.B.R./R.G.D.C. - Vanessa WATERKEYN; L'emphytéose et les clauses et conditions résolutoires. - 2008, 88-96 Tekst van de beslissing Nr. C.04.0486.N REDEVCO RETAIL BELGIUM, gewone commanditaire vennootschap, met zetel te 1050 Brussel, Troonstraat 108, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen IMMO BASILIX, naamloze vennootschap, met zetel te 1080 Brussel, Havenlaan 12, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 1 maart 2004 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Koophandel te Brussel. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; - artikel 2 van de Wet van 10 januari 1824 over het recht van erfpacht, hierna Erfpachtwet genoemd; - voor zoveel als nodig de artikelen 1134, 1319, 1320, 1322 en 1341 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De negentiende kamer van de Rechtbank van Koophandel te Brussel verklaart in het bestreden vonnis van 1 maart 2004 het hoger beroep met betrekking tot het punt van de herkwalificatie ontvankelijk doch ongegrond, verzendt de zaak voor het overige naar de rol, en stelt de beslissing nopens de kosten uit. Na enkele vaststellingen te hebben gedaan met betrekking tot de onroerende leasingovereenkomst tussen de eiseres en C&A (pp. 3 tot 5 van het vonnis), overweegt de rechtbank van koophandel met betrekking tot de herkwalificatie van de overeenkomst het volgende (zie het vonnis, pp. 5-6): "(...) nu dat, wat de herkwalificatie van de overeenkomst tussen partijen betreft, het Hof van Cassatie dienaangaande een duidelijke regel poneert voor de rechter ten gronde. Dat, wanneer de elementen die aan de beoordeling van de feitenrechter worden voorgelegd niet toelaten om de kwalificatie uit te sluiten die door de partijen werd gegeven aan de overeenkomst die zij sloten, de rechter die kwalificatie niet mag vervangen door een andere. Dat er, in casu, een overeenkomst voorligt waarbij de kwalificatie van erfpacht niet kan worden uitgesloten, meer zelfs er liggen elementen voor - het sluiten van een onroerende leasing - die in ieder geval onverenigbaar zijn met de nieuwe kwalificatie die thans door (de eiseres) gewenst is. Dat de rechtbank voor het overige volledig de eerste rechter volgt (...) waar deze stelt dat (de eiseres) tijdens de jarenlange uitvoering van de overeenkomst steeds in alle briefwisseling en rekeningen de nadruk heeft gelegd op de benaming erfpacht. Dat het op zijn minst eigenaardig is dat (de eiseres) deze herkwalificatie vordert om aldus te pogen haar verplichtingen vroegtijdig te verbreken en te kunnen genieten van de voordelige bepalingen van de wet op de handelshuur, daar waar zij bij schrijven van 5.10.95 en 30.5.96 expliciet aan (de verweerster) liet weten dat 'Het spreekt vanzelf dat (de eiseres) jegens (de verweerster) haar erfpachtverplichtingen volledig gestand zal doen'. Dat het tenslotte eveneens terecht is dat de eerste rechter heeft besloten dat het klaar is dat de gemeenschappelijke bedoeling van de contracterende partijen is geweest een erfpacht af te sluiten. Dat de wezenlijke kenmerken van de erfpacht (zakelijk recht, duur, betaling van een jaarlijkse vergoeding of canon, volledig genot van het onroerend goed) verenigd zijn zoals bepaald in de wet van 10.1.1824. Dat de vraag van herkwalificatie niet kan worden aanvaard. Dat de juridische aard van de overeenkomst, zijnde een erfpacht, blijkt uit de geschriften die klaar en duidelijk zowel de uitgedrukte als de werkelijke wil van partijen weergeven. Dat de eerste rechter tenslotte ook nog terecht verwijst naar artikel 1 van de overeenkomst tussen partijen waarin wordt gesteld: 'De erfpachtgever verleent aan de erfpachter die aanvaardt, een recht van erfpacht, op het goed hierna in artikel 2 beschreven. Partijen erkennen dat zij hun toestemming voor deze erfpachtovereenkomst geven ingevolge de duur ervan, die een essentieel element uitmaakt voor hun wederzijdse toestemming. Voor zover als nodig bevestigen de partijen dat de wet op de handelshuur op deze overeenkomst niet van toepassing is'. Dat men niet duidelijker kan zijn. (...) dat, gezien hetgeen voorafgaat, het hoger beroep op het punt van de herkwalificatie dient te worden afgewezen als ongegrond". In zoverre de rechtbank van koophandel aldus de motieven van de eerste rechter zou hebben overgenomen, oordeelde ze aldus "dat de eis ertoe strekt te horen zeggen voor recht dat de overeenkomst van 13 maart 1984 verleden voor het ambt van de notarissen Michel Gernay en Thierry Van Halteren geen erfpacht is doch wel een handelshuurovereenkomst, dat (de eiseres), voortbouwend op deze hypothese, verder een vermindering van de 'huurprijs' vraagt en subsidiair de aanstelling van een deskundige om de huurwaarde van het onroerend goed te bepalen; (...) dat bij de hierboven vermelde akte van 13 maart 1984 de B. V. naar Nederlands recht Arnhem Staete aan de G.V.C. Ileas een recht van erfpacht verleende op twee oppervlakten van ongeveer 1.300 m2 in het handelscentrum Basilix te Sint-Agathe-Berchem op de verkoopverdiepingen 16,00 en 20,50 hetzij in totaal ongeveer 2.600 m2 zoals aangegeven op het bijgevoegd liggingsplan en dit voor een duur van dertig jaar; (...) de BV Arnhem State haar rechten en plichten heeft overgedragen aan de NV Immo Basilix, huidige (de verweerster); (...) dat de overeenkomst voorziet dat de verpachte ruimten uitsluitend zullen bestemd zijn voor de uitbating van een magazijn voor de kleinhandel in kleding voor dames, heren en kinderen onder de benaming C&A (of andere) aan wie de erfpachter de winkelruimte mag verhuren. (...) dat huidige (eiseres) van in den beginne en vóór de ondertekening van de overeenkomst zelf had aangedrongen om een erfpacht te bekomen (brief van C&A aan Boz van 20 december 1979); dat een eerste overeenkomst (soort ontwerp) tot stand kwam op 30 september 1981 en wel zonder enige twijfel sprak van erfpacht en niet van handelshuur; Dat, zoals reeds vermeld, de authentieke akte van erfpacht werd ondertekend op 13 maart 1984; (...) dat Ileas tijdens de jarenlange uitvoering van de overeenkomst steeds in alle briefwisseling en rekeningen de nadruk heeft gelegd op de benaming erfpacht, dat het klaar is dat van in het begin de erfpacht overeenkomst (sic) de bewuste wil en keuze van beide partijen uitmaakte; (...) dat het dan ook op zijn minst eigenaardig is dat (eiseres) nu, in 1998 (dagvaarding) de herkwalificatie vordert van de overeenkomst van 1984 (of 1981 voor het project) om aldus te pogen haar verplichtingen vroegtijdig te verbreken en te kunnen genieten van de eventueel voor haar voordelige bepalingen van de wet op de handelshuur, daar waar ze bij schrijven van 5 oktober 1995 en van 30 mei 1996 expliciet aan Immo Basilix liet weten dat "Het spreekt immers vanzelf dat Ileas jegens Immo-Basilix haar erfpachtverplichtingen volledig gestand zal doen"; (...) dat (eiseres) ten onrechte voorhoudt dat op de vraag of de partijen al bij al wel een daadwerkelijke erfpacht hebben afgesloten dit niet afhangt van de wijze waarop de partijen de overeenkomst hebben benoemd en blijven benoemen; dat bij arrest van 26 mei 1978 (Entr. et Di 1979, 146) het Hof juist het tegenovergestelde heeft vooropgezet (cfr. Y. Merchiers - Le Bail en général 637 et 638; De Page, Traité, Tome VI n° 715); (...) dat het klaar is dat de gemeenschappelijke bedoeling van de contracterende partijen geweest is een erfpacht af te sluiten, dat de wezenlijke kenmerken van de erfpacht (zakelijk recht, duur, betaling van een jaarlijkse vergoeding of canon, volledig genot van het onroerend goed) verenigd zijn zoals bepaald in de wet van 10 januari 1824, artikel 1); (...) dat de vraag van herkwalificatie gesteund op artikel 1156 van het Burgerlijk Wetboek niet kan aanvaard worden, dat de juridische aard van de overeenkomst, zijnde een erfpacht, blijkt uit de geschriften die klaar en duidelijk zowel de uitgedrukte als de werkelijke wil van partijen weergeven (Cass. 24 maart 1988, Pas. 1988, 1, 894; Cass. 10 januari 1994, Pas. 1994, 1, 12). (...) dat partijen volgens de algemeen geldende regels (art. 1134 Burgerlijk Wetboek) door de vrijwillig afgesloten overeenkomst, die hen als wet strekt, gehouden zijn; (...) dat deze overeenkomst niet moet geïnterpreteerd worden nu alle termen ervan duidelijk zijn, de overeenkomst spreekt van een erfpacht en verwijst naar de wettelijke bepalingen. In art. 1 van de overeenkomst wordt er bepaald: 'Artikel 1 Erfpacht: De erfpachtgever verleent aan de erfpachter die aanvaardt, een recht van erfpacht, op het goed hierna in artikel 2 beschreven. Partijen erkennen dat zij hun toestemming voor deze erfpachtovereenkomst geven ingevolge de duur ervan, die een essentieel element uitmaakt voor hun wederzijdse toestemming. Voor zover als nodig bevestigen de partijen dat de wet op de handelshuur op deze overeenkomst niet van toepassing is'. (...) dat de eis als ontvankelijk doch ongegrond dient afgewezen te worden, de tussen partijen afgesloten overeenkomst is en blijft een erfpachtovereenkomst en is geen handelshuurovereenkomst" (vonnis van 29 juli 1999 van het Vredegerecht, tweede kanton, te Anderlecht, pp. 1 tot 3). Grieven Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet dienen hoven en rechtbanken te antwoorden op alle regelmatig aangevoerde, relevante grieven en middelen van verweer. De eiseres voerde in syntheseconclusie in hoger beroep (meer in het bijzonder op pagina's 35 tot 46 onder randnummer 6) een uitvoerig en omstandig gemotiveerd verweer met betrekking tot de strijdigheid van artikel 25 van de overeenkomst tussen partijen (zoals deze het voorwerp uitmaakte van de notariële akte van 13 maart 1984) met artikel 2 van de Wet van 10 januari 1824 over het recht van erfpacht, en leidde hieruit af dat niet aan de wezenlijke kenmerken van een erfpachtovereenkomst was voldaan, in casu een overeenkomst voorlag waarbij de kwalificatie van erfpacht diende te worden uitgesloten, en de kwalificatie die door de partijen werd gegeven aan de overeenkomst die zij sloten, door de rechter moest worden vervangen door een andere. De eiseres voerde aldus onder meer aan

(1)dat overeenkomstig artikel 2 van de Erfpachtwet, de erfpacht moest worden toegekend voor een periode van minstens 27 jaar,
(2)dat deze minimumduur van openbare orde is dat partijen geen geldige erfpacht kunnen toestaan voor minder dan 27 jaar,
(3)dat artikel 25 van de tussen partijen gesloten overeenkomst de erfpachtgever het recht gaf zonder opzeg, bij aangetekende brief een einde te stellen aan de erfpacht in geval van faillissement, vrijwillig of gerechtelijk concordaat, bankroet, nietigverklaring of in vereffeningstelling van de erfpachter,
(4)dat de erfpachtgever aldus de mogelijkheid werd gegeven de erfpacht vóór het verstrijken van de wettelijke minimumduur te beëindigden wegens een niet-foutief handelen van de erfpachter,
(5)dat de erfpacht die gesloten werd met opzegmogelijkheid vóór het bereiken van de wettelijke minimumduur moest beschouwd worden als een huurovereenkomst,
(6)dat bedoeld artikel 25 niet kan gelijkgesteld worden met een ontbindende voorwaarde door omstandigheden buiten de wil der partijen,
(7)dat de erfpachtgever zich heeft willen wapenen niet alleen tegen externe factoren, maar ook tegen beslissingen van de erfpachter die hoewel legaal, voor de erfpachtgever ongewenst zouden zijn,
(8)dat wat wettelijk niet toegelaten is, met name een voortijdige ontbinding zonder fout, ook niet conventioneel kan worden voorzien,
(9)dat door de wettelijk voorziene minimumduur partijen gehouden zijn het hoofd te bieden aan onzekere en toekomstige gebeurtenissen en
(10)dat de erfpachtgever zich te dezen een persoonlijk en eenzijdig recht heeft toebedeeld om de erfpacht om feitelijke of commerciële redenen voortijdig te beëindigen. De appelrechters verklaren het hoger beroep met betrekking tot het punt van de herkwalificatie ongegrond zonder evenwel te antwoorden, noch uitdrukkelijk noch impliciet noch door eigen motieven, noch door overname van de motieven van de eerste rechter, op de hiervoren aangehaalde pertinente aanvoeringen van eiseres inzake de onverenigbaarheid van artikel 25 van voornoemde overeenkomst tussen partijen aangegaan, met artikel 2 van de Wet van 10 januari 1824 over het recht van erfpacht, zodat het bestreden vonnis niet regelmatig met redenen is omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Minstens komen de appelrechters tekort aan de hun bij artikel 149 van de Grondwet voorgeschreven motiveringsverplichting door de pertinente en concrete aanvoeringen van eiseres in dit verband, te beantwoorden en te verwerpen door op algemene wijze vast te stellen dat in dezen de wezenlijke kenmerken van de erfpacht, inzonderheid inzake de duur van de overeenkomst, verenigd zijn zoals bepaald in de Erfpachtwet (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Tweede onderdeel Voor zover het Hof zou oordelen dat de appelrechters de aanvoeringen van de eiseres inzake de strijdigheid van artikel 25 van de overeenkomst tussen partijen met artikel 2 van de Wet van 10 januari 1824 over het recht van erfpacht, regelmatig beantwoorden - quod non -, weze opgemerkt dat de eiseres vorderde te zeggen voor recht dat de betrokken overeenkomst dd. 13 maart 1984, door partijen erfpachtovereenkomst genoemd, diende gekwalificeerd te worden als een handelshuurovereenkomst. Waar overeenkomstig artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek de geldig aangegane overeenkomst partijen tot wet strekt en waar het geschrift ingevolge de artikelen 1319, 1320, 1322 en 1341 van het Burgerlijk Wetboek bewijskracht heeft zowel wat de bewoordingen als wat zijn inhoud betreft, zodat de rechter, wanneer er een geschrift is, daarin de wil van de partijen moet vinden, moet worden aangenomen dat in zoverre partijen hun overeenkomst hebben gekwalificeerd, de feitenrechter aan deze overeenkomst geen andere kwalificatie kan geven wanneer de elementen die aan zijn beoordeling zijn voorgelegd, niet toelaten de door de partijen gegeven kwalificatie uit te sluiten. Artikel 2 van de Erfpachtwet bepaalt: "Erfpachtsregt mag, noch voor eenen langeren tijd dan negen en negentig jaren, noch voor eenen korteren tijd dan zeven en twintig jaren, worden gevestigd. De bepalingen van artikel 2 van de Erfpachtwet inzake de minimum- en maximumduur van de erfpacht, zijn van openbare orde. De vereiste dat het erfpachtrecht een tijdelijk karakter moet hebben, met een minimumduur van 27 jaar en een maximumduur van 99 jaar, behoort tot de wezenlijke kenmerken van de erfpacht. Bijgevolg geldt in principe dat een erfpacht die werd toegestaan voor minder dan 27 jaar te beschouwen is als een huurovereenkomst, en geldt hetzelfde tevens voor een erfpacht met een langere duur dan 27 jaar die door opzeg beëindigbaar is vooraleer de minimumduur van 27 jaar is verstreken. De notariële akte van 13 maart 1984 bepaalt in onderhavige zaak inzake de duur van de overeenkomst, enerzijds, dat de erfpacht wordt toegestaan voor een duur van 30 jaar vanaf 1 oktober 1983 (artikel 4), en, anderzijds, dat de erfpachtgever in geval van faillissement, vrijwillig of gerechtelijk concordaat, bankroet, nietigverklaring of in vereffeningstelling van de erfpachter, het recht zal hebben indien hij dit wenst, een einde te stellen aan de overeenkomst, zonder opzeg, bij ter post aangetekende brief (artikel 25). De bepaling van artikel 25 van de notariële akte van 13 maart 1984 maakt het aldus mogelijk voor de erfpachtgever de erfpacht, die in casu in principe een duur heeft van 30 jaar, te beëindigen vooraleer de minimumduur van 27 jaar is verstreken. Artikel 25 van de tussen partijen gesloten overeenkomst strijdt derhalve met artikel 2 van de Erfpachtwet. De eiseres wees er aldus op dat een feitelijk element aanwezig was dat onverenigbaar was met de door partijen aan hun overeenkomst gegeven kwalificatie. Derhalve vermocht het bestreden vonnis niet wettig te oordelen dat in dezen de wezenlijke kenmerken van een erfpachtovereenkomst, inzonderheid inzake de duur van de overeenkomst, verenigd zijn zoals bepaald in de Erfpachtwet, dat een overeenkomst voorligt waarbij de kwalificatie van erfpacht niet kan worden uitgesloten, en dat de vraag van herkwalificatie niet kan worden aanvaard (schending van artikel 2 van de Wet van 10 januari 1824 over het recht van erfpacht en voor zoveel als nodig van artikelen 1134, 1319, 1320, 1322 en 1341 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. De eiseres heeft geconcludeerd zoals in het onderdeel is weergegeven. 2. Het bestreden vonnis verwerpt en beantwoordt dit verweer met de redenen waarop het vonnis steunt. 3. Het onderdeel mist feitelijk grondslag. Tweede onderdeel 4. Krachtens artikel 2 van de Erfpachtwet mag een erfpacht niet worden gevestigd voor een termijn die korter is dan zevenentwintig jaar. 5. Deze bepaling staat er niet aan in de weg dat de partijen in de erfpachtovereenkomst een beding opnemen waardoor de overeenkomst kan worden beëindigd, ook al is de minimum duur van zevenentwintig jaar niet verstreken, in geval van een insolventieprocedure of ontbinding van de erfpachter rechtspersoon. 6. Het onderdeel dat het tegendeel aanneemt, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 489,95 euro jegens de eisende partij en op de som van 141,74 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, en de raadsheren Greta Bourgeois en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van 30 maart 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060330.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.