id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060403.1 Rolnummer: C.04.0079.N-C.04.0080.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-01-17 Raadplegingen: 849 - laatst gezien 2026-07-04 05:31 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het op derdenverzet gewezen vonnis waarbij de politierechtbank uitspraak doet over een vordering waarvan het bedrag 1240,00 euro niet overschrijdt, wordt in laatste aanleg gewezen. Thesaurus CAS: DERDENVERZET Vrije woorden: DERDENVERZET Beslissing op derdenverzet Rechtsmiddelen Hoger beroep Politierechtbank Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.616,617, Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - ALLERLEI Vrije woorden: HOGER BEROEP - ALLERLEI Beslissing op derdenverzet Politierechtbank Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.616,617, Fiches 3 - 4 De waarde van het geschil na derdenvezet wordt gemeten aan het nadeel dat de verzetdoende partij beweert te hebben geleden ingevolge de bestreden beslissing; de geldelijke waardering van dit nadeel biedt de grondslag voor het bepalen van de aanleg. Thesaurus CAS: DERDENVERZET Vrije woorden: DERDENVERZET Beslissing op derdenverzet Rechtsmiddelen Hoger beroep Ontvankelijkheid Waarde van het geschil Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.557tot56 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - ALLERLEI Vrije woorden: HOGER BEROEP - ALLERLEI Beslissing op derdenverzet Ontvankelijkheid Waarde van het geschil Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.557tot56 Fiche 5 Het vereiste van onafhankelijkheid en onpartijdigheid alsook de partijautonomie komen niet in het gedrang wanneer de rechter inzake burgerlijke aansprakelijkheid wijst op de mogelijke betrokkenheid van derden en de heropening van het debat beveelt om aan de partijen de mogelijkheid te bieden om derden in het geding te betrekken. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - BURGERLIJKE ZAKEN Vrije woorden: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - BURGERLIJKE ZAKEN Burgerlijke aansprakelijkheid Mogelijke betrokkenheid van derden Heropening van het debat om derden in het geding te betrekken Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.297 Tekst van de beslissing Nrs. C.04.0079.N en C.04.0080.N BELGISCHE STAAT, minister van Justitie, met kabinet te 1040 Brussel, Handelsstraat 78-80, eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1. O.W., verweerster, 2. AACHENER UND MUNCHENER VERSICHERUNG A.G., vennootschap naar Duits recht, met zetel te 52064 Aachen (Duitsland), Aureliusstrasse 2, verweerster, partij opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is in de zaak C.04.0079.N gericht tegen een vonnis, op 13 november 2001 na derdenverzet gewezen door de Politierechtbank te Leuven. Het cassatieberoep is in de zaak C.04.0080.N gericht tegen een vonnis, op 7 mei 2003 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg Leuven. De beide zaken zijn bij beschikking van de voorzitter van 23 februari 2006 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL A. Zaak C.04.0079.N De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 297 en 811 van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel houdende het beschikkingsbeginsel; - het algemeen rechtsbeginsel houdende de onafhankelijkheid van de rechter; - het algemeen rechtsbeginsel houdende de onpartijdigheid van de rechter. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis: Verklaart het derdenverzet van (eiser) opzichtens (eerste verweerder) en (tweede verweerster) onontvankelijk doch ongegrond. Wijst deze eis af (...)", op grond van de motieven: "2. Huidig derden verzet van (eiser) is gericht tegen het tussenvonnis van 27 maart 2001 en beoogt het teniet doen van dit vonnis voor zover er recht gesproken wordt ten aanzien van het orgaan van (eiser).
- a)Betreffende het orgaan van (eiser): In de motivering van het bestreden tussenvonnis wordt wel degelijk enkele malen gewag gemaakt van en wellicht zelfs kritiek geuit op 'het parket'. Ook achten dezelfde motieven van het tussenvonnis het mogelijk dat de schadelijder over een bijkomende vorderingsgrond tegen de verantwoordelijke van het parket kan beschikken. Een orgaan van (eiser) werd derhalve in het bestreden tussenvonnis wel degelijk vernoemd.
- b)Betreffende het rechtspreken ten aanzien van dit orgaan Voormelde vermeldingen in de motieven van het tussenvonnis kunnen geen rechtspreken inhouden. Het beschikkende gedeelte beperkt zich tot het heropenen van de debatten teneinde de schadelijder de mogelijkheid te bieden bijkomende mogelijke aansprakelijken in de zaak te betrekken. Men ziet niet in hoe in dit tussenvonnis recht gesproken werd ten aanzien van een derde in het algemeen en ten aanzien van (eiser) in het bijzonder. 3. De bedoeling van een derden verzet is om t.a.v. een derde de opheffing te bekomen van de tegenstelbaarheid van het gezag van gewijsde, waarmee een gerechtelijke beslissing niet alleen tussen partijen maar ook opzichtens derden bekleed is.
- a)Met betrekking tot het beschikkend gedeelte van het tussenvonnis: Ook hier geldt nochtans als regel dat dit gezag van gewijsde zich in principe alleen uitstrekt tot wat in het beschikkend gedeelte van het vonnis beslist werd. Er is in casu geen enkele reden om de schadelijder het recht te ontnemen zich te richten tot (eiser) als mogelijke bijkomende verantwoordelijke.
- b)Met betrekking tot de motieven van het tussenvonnis: 1. Ten overvloede moet vastgesteld worden dat evenmin in de motieven van het bestreden tussenvonnis enige passage terug te vinden is waardoor de rechten van (eiser) zouden kunnen benadeeld zijn. 2. Overigens verduidelijkt (eiser) ook niet wat men precies in het tussenvonnis wil betwisten. Wanneer men de motieven van het tussenvonnis gedetailleerd onderzoekt, dan blijkt t.a.v. van de onderscheiden passages: 2.1) 'Uit de nieuw overgelegde stukken blijkt dat er in de nog nuttige tijd geen bijkomende onderzoeken door het parket werden verricht. Bijgevolg gebeurde er blijkbaar, gedurende meer dan 13 maanden, met het parketdossier helemaal niets tussen de datum waarop het aanvankelijk procesverbaal, met alle verklaringen eraan gehecht, ontvangen werd (14 januari 1998) en de datum van seponering (18 januari 1999), tenzij de ontvangst van de brief van OMOB van 24 februari 1998 houdende een vraag om afschrift te mogen nemen. Bovendien oordeelde het parket, bij de motivering van zijn sepo-beslissing, dat een schadeverwekkend verkeersongeval met vluchtmisdrijf slechts een beperkte maatschappelijke weerslag had (brief van het parket van 11 december 2000)'. Dat het hier gaat om onbetwistbare materiële gegevens; 2.2) 'Vooreerst staan een dergelijke handelswijze en beslissing in schril contrast met het streng strafbeleid van de wetgever, maar ook met de rechtspraak van de politierechtbanken, die hoge geldboeten dienen uit te spreken in dossiers van vaak slechts lichte aanrijdingen en die bijkomend rijverbod opleggen juist omwille van het maatschappelijk onaanvaardbaar karakter van een vluchtmisdrijf'. Dat men niet inziet welke kritiek op deze vaststelling mogelijk zou zijn. 2.3) 'Bovendien heeft het parket, door zulk een lange tijd te laten verstrijken alvorens aan de verzekeraar OMOB te antwoorden, bij deze laatste de schijn verwekt dat het onderzoek voortduurde, terwijl de aanhoudende inertie integendeel tot het resultaat geleid heeft dat verder nuttige onderzoeken onmogelijk werden. Nu de huidige toestand van die aard geworden is dat (eerste verweerder) buiten zijn fout zonder bewijsmogelijkheid is gezet en daardoor in zijn vordering ongegrond dreigt te worden verklaard, dringt de vraag naar de verantwoordelijkheid daarvoor zich op'. Dat het hier gaat om een louter feitelijke vaststelling, waarbij de eventueel er aan te verbinden beoordeling of gevolgtrekking nog ter discussie moet blijven staan; 2.4) 'Mogelijks beschikt (eerste verweerder) bijkomend over een vorderingsgrond tegen de verantwoordelijke van het parket, maar deze verantwoordelijke(
- n)is (zijn) hic et nunc geen partij(
- en)in het geding'. Dat het hier slechts om een mogelijkheid gaat; 2.5) 'Teneinde alle mogelijkheden gevrijwaard te houden past het andermaal een heropening van de debatten te bevelen teneinde eiser de gelegenheid te bieden eventuele bijkomende aansprakelijken in de zaak te betrekken'. Dat, zoals reeds gezegd, men niet inziet wat er mis zou kunnen zijn aan deze geboden faciliteit om gebruik te maken van een recht. 4. Integendeel, (eiser) misbruikt bovendien proceduremiddelen (derden verzet) waardoor een eenvoudig geschil opgeblazen wordt tot een moeilijk te ontwarren juridische kluwen en waarin (eiser) een nota bene onschuldige schadelijdende eenvoudige burger meesleept". Grieven Krachtens het algemeen rechtsbeginsel houdende het beschikkingsbeginsel is elke partij meester van de uitoefening van zijn rechten en beslist deze partij onder meer vrij al dan niet een vordering in te stellen tegen een andere partij. De Grondwet en de wet verlenen aan de rechter de uitsluitende macht om recht te spreken, waaruit volgt dat de rechtzoekende volledig moet kunnen betrouwen op de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van diegenen die door hun functie belast zijn met de uitoefening van die macht. Deze opdracht vereist dat de rechter zich terughoudend opstelt en zich moet onthouden van elke handeling of gedraging, die van aard is het vertrouwen van de rechtzoekende te beschamen, of de indruk te wekken dat hij niet langer onafhankelijk en onpartijdig is. Het verbod mondeling of schriftelijk de verdediging van partijen te voeren en hun consult te geven, bepaald bij het van openbare orde zijnde artikel 297 van het Gerechtelijk Wetboek, zowel buiten als in hun beslissingen heeft precies tot doel de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechter te waarborgen. Artikel 811 van het Gerechtelijk Wetboek verbiedt daarom de rechter inzonderheid ambtshalve te bevelen dat een derde in het geding wordt betrokken. Aldus dient de rechter, op straffe van het laten uitschijnen van een vooroordeel, zich te onthouden van enige appreciatie van de gedragingen van een derde die geen partij is in het geding, noch kan hij enige suggestie formuleren teneinde die derde op grond van zijn appreciatie in het geding te laten betrekken. Hieruit volgt dat het bestreden vonnis onwettig het derdenverzet van eiser als ongegrond afwijst, vermits in plaats van zich te hebben beperkt tot materiële en feitelijke gegevens en het bieden van een mogelijkheid aan eerste verweerder, integendeel de rechter een vooroordeel had laten uitschijnen omtrent het door de rechter als mogelijk foutief beschouwde stilzitten van het orgaan van eiser, dat eerste verweerder "buiten zijn fout zonder bewijsmogelijkheden (heeft) gezet" en waarvoor "de vraag naar de verantwoordelijkheid (...) zich opdringt" en het de rechter verboden is dergelijk vóóroordeel tot uitdrukking te brengen en de suggestie te bieden eiser als verantwoordelijke voor zijn orgaan in de zaak te betrekken (Schending van de artikelen 297 en 811 van het Gerechtelijk Wetboek en de aangehaalde algemene rechtsbeginselen houdende de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechter) dan wanneer enkel eerste verweerder vrij moet kunnen beslissen over het inzake betrekken van eiser (schending van het algemeen rechtsbeginsel houdende het beschikkingsbeginsel). B. Zaak C.04.0080.N De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 21, 557 tot en met 562, 577, eerste lid, 616, 617, 618, 619, 1122, 1130 en 1131 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis: "Wijst het hoofd- en het incidenteel beroep af als onontvankelijk. Veroordeelt (eiser) tot (zijn) kosten en de kosten van (de eerste verweerder) in hoger beroep. Veroordeelt (de eerste verweerder) tot de kosten van (de tweede verweerster) in hoger beroep. Begroot de kosten in hoger beroep voor (eiser) op 82,00 euro (rolrecht), 55,76 euro (uitgaven-vergoeding) en 167,31 euro (rechtsplegingsvergoeding), voor (de eerste verweerder) op 167,31 euro (rechtsplegingsvergoeding) en voor (de tweede verweerster) op 167,31 euro (rechtsplegingsvergoeding)". op grond van de motieven (p. 5): "Het nadeel voor (eiser) ten gevolge van de beslissing van 27 maart 2001 bestaat hierin dat zij dreigt veroordeeld te worden tot betaling van de schade die werd geleden. In de oorspronkelijke dagvaarding voor de politierechtbank uitgaande van (eerste verweerder) in de zaak daar gekend onder het AR 425/2000 werd deze schade bepaald op 760,83 euro in hoofdsom, te vermeerderen met de interesten vanaf 2 december 1997. De procedure op derdenverzet vormt een geheel nieuwe procedure, waarbij het geschil binnen de perken van het derdenverzet opnieuw wordt voorgelegd aan de rechter voor wie het derdenverzet werd ingesteld. De ontvankelijkheid van het hoger beroep tegen het vonnis van 13 november 2001 voor zover het derdenverzet van (eiser) tegen het vonnis van 27 maart 2001 in de procedure bij de politierechtbank gekend onder het AR 425/2000 ontvankelijk doch ongegrond werd verklaard moet bijgevolg worden beoordeeld onafhankelijk van de ontvankelijkheid van het hoger beroep met betrekking tot de hoofd- en tussenvordering in de procedure gekend onder het AR 425/2000. Er is dan ook geen aanleiding om de verschillende vorderingen samen te voegen teneinde de grens van de aanleg te bepalen. De waarde van het derdenverzet is aldus beduidend lager dan de grens van de aanleg die werd bepaald op 1240,00 euro (artikel 617 van het Gerechtelijk Wetboek). Het hoger beroep tegen het bestreden vonnis waarbij het derdenverzet ontvankelijk doch ongegrond werd verklaard is bijgevolg onontvankelijk". Grieven Eerste onderdeel Krachtens artikel 21 van het Gerechtelijk Wetboek is derdenverzet een buitengewoon rechtsmiddel, dat blijkens artikel 1130 van hetzelfde wetboek ertoe strekt de bestreden beslissing geheel of ten dele teniet te doen ten aanzien van de derde, wiens rechten door die beslissing zijn benadeeld, zoals artikel 1122 van hetzelfde wetboek preciseert. Krachtens artikel 1131 van het Gerechtelijk Wetboek kan tegen de beslissing op derdenverzet gewezen, omwille van de aard en het hierboven beschreven voorwerp van dit buitengewoon rechtsmiddel, ten allen tijde hoger beroep worden ingesteld, behalve indien de met het derdenverzet bestreden beslissing zelf in hoger beroep is gewezen, omdat alsdan het derdenverzet noodzakelijk in laatste aanleg berecht werd. Hieruit volgt dat het bestreden vonnis onwettig het hoger beroep van eiser tegen het vonnis a quo van 13 november 2001 van de politierechtbank dat uitspraak deed over het door eiser ingestelde derdenverzet, maar dat zelf niet in hoger beroep werd gewezen en daarom zonder beperking vatbaar was voor hoger beroep door eiser tegen het ongegrond verklaren van zijn derdenverzet, als onontvankelijk afwijst (Schending van de artikelen 21, 1122, 1130 en 1131 van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede onderdeel Uit het samenlezen van de artikelen 616 en 1131 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat hoger beroep tegen een beslissing in eerste aanleg gewezen op derdenverzet kan worden ingesteld, voorzover de beslissing die met het derdenverzet bestreden wordt niet zelf in hoger beroep is gewezen. De beslissing gewezen op derdenverzet in eerste aanleg wordt berecht krachtens artikel 619 van het Gerechtelijk Wetboek, in geval de grondslagen ontbreken, zoals omschreven in de artikelen 557 tot en met 562 van hetzelfde wetboek voor de bepaling van de waarde van het geschil, die krachtens artikel 618 van hetzelfde wetboek gelden voor het bepalen van de aanleg. Wanneer aldus voor het bepalen van de aanleg van een vordering waarover de politierechtbank uitspraak doet, zoals voorzien in artikel 617 van het Gerechtelijk Wetboek het bedrag bepalend is, artikel 557 van hetzelfde wetboek onder dit bedrag verstaat de som die in de inleidende akte wordt geëist, met uitsluiting van de gerechtelijke interest en van alle gerechtskosten, alsook van de dwangsommen. In de inleidende akte van het derdenverzet werd door eiser geen som geëist, maar wel "Het vonnis van 27 maart 2001 in het geschil tussen partijen ingeschreven op de rol onder het nummer AR 425/2000 teniet te doen voor zover er recht wordt gesproken ten aanzien van het orgaan van (eiser)". Aldus de grondslagen voor de bepaling van de waarde van het geschil zoals omschreven in de artikelen 557 tot en met 562 van het Gerechtelijk Wetboek ontbreken en het geschil over het derdenverzet in eerste aanleg berecht werd overeenkomstig artikel 619 van hetzelfde wetboek. Geen enkele bepaling schrijft voor, noch laat toe als grondslag voor de waarde van dergelijk ingesteld derdenverzet het mogelijk nadeel te nemen dat de derdenverzet doende derde uiteindelijk kan lijden bij de door een andere partij ingestelde vordering. Hieruit volgt dat het bestreden vonnis onwettig als onontvankelijk afwijst het hoger beroep van eiser tegen het vonnis a quo van 13 november 2001 van de politierechtbank dat in eerste aanleg uitspraak deed over het door eiser ingestelde derdenverzet, omdat de waarde van het derdenverzet gelijk is aan het nadeel dat eiser kan lijden doordat hij dreigt veroordeeld te worden tot betaling van de schade geleden door eerste verweerder, welke bepaald werd op het bedrag van 760,83 euro dat beduidend lager is dan de grens van de aanleg die door artikel 617 van het Gerechtelijk Wetboek wordt bepaald op 1.240 euro (schending van de artikelen 21, 557 tot en met 562, 577, eerste lid, 617, 618, 619, 1122, 1130 en 1131 van het Gerechtelijk Wetboek), dan wanneer dit vonnis a quo niet in laatste aanleg werd gewezen, vermits overeenkomstig artikel 619 van hetzelfde wetboek de grondslagen zoals omschreven in de artikelen 557 tot en met 562 van hetzelfde wetboek ontbreken en voormeld dreigend nadeel daarin niet voorkomt. (Schending van de aangehaalde artikelen 21, 557 tot en met 562, 577, eerste lid, 616, 617, 618, 619, 1122, 1130 en 1131 van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Voeging 1. De cassatieberoepen in de zaken C.04.0079.N en C.04.0080 hebben betrekking op hetzelfde geschil tussen dezelfde partijen, zodat zij gevoegd dienen te worden. 2. Hierna wordt eerste het middel in de zaak C.04.0080.N beantwoordt, omdat het opkomt tegen de beslissing dat het in de zaak C.04.0079.N bestreden vonnis, wat betreft het derdenverzet van eiser, in laatste aanleg is gewezen. Zaak C.04.0080.N Eerste onderdeel 3. Krachtens artikel 1131 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen tegen de beslissing, op derdenverzet gewezen, alle rechtsmiddelen worden aangewend, met uitzondering van hoger beroep indien de bestreden beslissing zelf in hoger beroep is gewezen. Deze bepaling strekt ertoe het gemeen recht inzake de rechtsmiddelen van toepassing te verklaren, met uitzondering van hoger beroep indien de bestreden beslissing zelf in hoger beroep is gewezen. 4. Krachtens artikel 616 van het Gerechtelijk Wetboek kan tegen ieder vonnis hoger beroep worden ingesteld, tenzij de wet anders bepaalt. Krachtens artikel 617, eerste lid, van hetzelfde wetboek worden de vonnissen waarbij de politierechtbank uitspraak doet over een vordering waarvan het bedrag 1.240,00 euro niet overschrijdt, gewezen in laatste aanleg. Uit voormelde bepalingen volgt dat het op derdenverzet gewezen vonnis waarbij de politierechtbank uitspraak doet over een vordering waarvan het bedrag 1240,00 euro niet overschrijdt, in laatste aanleg wordt gewezen. Het onderdeel dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht. Tweede onderdeel 5. Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel, wordt het op derdenverzet gewezen vonnis waarbij de politierechtbank uitspraak doet over een vordering waarvan het bedrag 1240,00 euro niet overschrijdt, gewezen in laatste aanleg. Krachtens artikel 618, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gelden de regels bij de artikelen 557 tot 562 voor het bepalen van de aanleg. Artikel 619 vervolgt dat, bij gebreke van grondslagen voor de bepaling van de waarde van het geschil, zoals zij omschreven zijn in de artikelen 557 tot 562, het geschil in eerste aanleg wordt berecht. 6. De waarde van het geschil na derdenverzet wordt gemeten aan het nadeel dat de verzetdoende partij beweert te hebben geleden ingevolge de bestreden beslissing. De geldelijke waardering van dit nadeel biedt de grondslag voor het bepalen van de aanleg. 7. De appelrechters oordelen dat: - het nadeel voor eiser ten gevolge van de beslissing van 27 maart 2001 hierin bestaat dat hij dreigt veroordeeld te worden tot betaling van de schade die werd geleden; - deze schade werd bepaald op 760,83 euro in hoofdsom, te vermeerderen met de interest vanaf 2 december 1997; - de waarde van het derdenverzet aldus beduidend lager is dan de grens van de aanleg die is bepaald op 1240,00 euro. 8. Door op die gronden het hoger beroep tegen het op derdenverzet gewezen vonnis onontvankelijk te verklaren, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. 9. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Zaak C.04.0079.N 10. Krachtens artikel 297 van het Gerechtelijk Wetboek, mogen de leden van de hoven, de rechtbanken, parketten en griffies mondeling noch schriftelijk de verdediging van de partijen voeren en mogen zij hun geen consult geven. Deze bepaling vloeit voort uit het vereiste van onafhankelijkheid en onpartijdigheid als algemeen beginsel van een goede rechtsbedeling. 11. Krachtens artikel 811 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen de hoven en de rechtbanken niet ambtshalve bevelen dat een derde in het geding wordt betrokken. Deze bepaling vloeit voort uit de partijautonomie en meer precies het recht van de partijen in burgerlijke zaken om de grenzen van het geschil zelf te bepalen. 12. Voormelde beginselen komen niet in het gedrang wanneer de rechter inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid wijst op de mogelijke betrokkenheid van derden en de heropening van het debat beveelt om aan de partijen de mogelijkheid te bieden om derden in het geding te betrekken. 13. In zijn tussenvonnis van 27 maart 2001 oordeelt de politierechter dat: - uit het onderhavige strafdossier blijkt dat het openbaar ministerie derwijze nalatig is geweest dat de eerste verweerder buiten zijn fout zonder bewijsmogelijkheid is gezet en daardoor in zijn vordering tegen de tweede verweerster ongegrond dreigt te worden verklaard; - de vraag naar de verantwoordelijkheid daarvoor zich opdringt; - de eerste verweerder mogelijk bijkomend over een vorderingsmogelijkheid beschikt tegen de verantwoordelijke van het parket, maar deze hic et nunc geen partij is in het geding; - een heropening van het debat zich opdringt ten einde aan de eerste verweerster de mogelijkheid te bieden eventuele bijkomende aansprakelijken in het geding te betrekken. De politierechter verklaart in het bestreden vonnis het derdenverzet van de eiser tegen voormeld vonnis ongegrond op grond dat hij hierin geenszins recht spreekt ten aanzien van de eiser. 14. Door aldus te oordelen, schendt de politierechter de aangewezen wetsbepalingen niet en miskent het evenmin de aangewezen rechtsbeginselen. 15. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Voegt de cassatieberoepen C.04.0079.N en C.04.0080.N. Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot, voor wat het cassatieberoep C.04.0079.N betreft, op de som van zevenhonderd vijftien euro eenentwintig cent jegens de eisende partij en voor wat het cassatieberoep C.04.0080 betreft, op de som van zevenhonderd vijfenveertig euro achtenzestig cent jegens de eisende partij Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van drie april tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060403.1 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101001.2 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110922.10 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190308.3 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220930.1N.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220930.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div