← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060403.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060403.2 Rolnummer: C.05.0114.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2006-08-25 Raadplegingen: 633 - laatst gezien 2026-07-04 05:42 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 136, ,§ 2, Z.I.V.-Wet raakt de openbare orde, dienvolgens is het middel dat het bestreden vonnis verwijt niet te hebben vastgesteld dat de verzekeringsinstelling ingestemd heeft met de minnelijke expertise zodat de op basis van die expertise tussen de verzekeraar en de getroffene gesloten overeenkomst tot schaderegeling niet aan de verzekeringsinstelling kon worden tegengeworpen, niet nieuw

(1).
(1)Zie Cass., 14 okt. 2004, AR C.03.0424.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041014.5, nr 482. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Nieuw middel Vrije woorden: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Nieuw middel Ontvankelijkheid Openbare orde Ziekte- en invaliditeitsverzekering Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALGEMEEN Vrije woorden: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALGEMEEN Cassatiemiddelen Nieuw middel Ontvankelijkheid Openbare orde Fiche 3 De rechten van de verzekeraar van de geneeskundige verzorging kunnen niet worden bepaald op grond van de rechten die aan de getroffene naar gemeen recht worden toegekend op basis van een verslag van deskundigen welke in der minne zijn aangewezen bij een overeenkomst tussen de getroffene en de verzekeraar van de aansprakelijke derde
(1).
(1)Cass., 19 okt. 1994, AR P.94.0587.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941019.8, nr 441. Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALGEMEEN Vrije woorden: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALGEMEEN Overeenkomst tussen de rechthebbende en degene die schadeloosstelling verschuldigd is Verzekeringsinstelling Tegenwerpelijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - Art.136,§2,v Fiche 4 Het middel dat aanvoert dat de eiser voor de feitenrechter niet betwistte dat het bedrag dat volgens de verzekeraar en de eerste rechter verschuldigd was, de in gemeen recht verschuldigde vergoeding betrof, is niet nieuw wanneer uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de eiser betwistte dat het bedrag dat de verzekeraar voorhield verschuldigd te zijn, de in gemeen recht verschuldigde schade betrof
(1).
(1)Zie Cass., 24 juni 1994, AR nr 8268, nr 332. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Nieuw middel Vrije woorden: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Nieuw middel Middel aangevoerd voor de appelrechters Ontvankelijkheid Fiche 5 Het recht waarover de verzekeringsinstelling tegen de aansprakelijke derde beschikt is beperkt enerzijds, tot het bedrag van de door de verzekeringsinstelling aan de benadeelde verleende prestatie, anderzijds, tot het maximumbedrag van de schadeloosstelling waartoe de derde, die de schade heeft veroorzaakt, in gemeen recht jegens het slachtoffer gehouden is inzake vergoeding wegens het verlies of de vermindering van het vermogen om door het verrichten van arbeid inkomsten te verwerven
(1).
(1)Zie Cass., 20 okt. 2003, AR C.02.0582.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031020.7, nr 511. Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING Vrije woorden: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING Verzekeringsinstelling Subrogatierecht Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - Art.136,§2 Tekst van de beslissing
  1. a)Nr. C.05.0114.N LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel te 1030 Schaarbeek, Haachtsesteenweg 579, bus 40,
  2. b)eiser,
  3. c)vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
  4. d)tegen
  5. e)FORTIS AG, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 53,
  6. f)verweerster,
  7. g)vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.
  8. h)RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
  9. i)Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 18 oktober 2004 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel.
  10. j)De zaak is bij beschikking van de voorzitter van 23 februari 2006 verwezen naar de derde kamer.
  11. k)Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht.
  12. l)Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.
  13. m)CASSATIEMIDDELEN
  14. n)De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.
  15. o)Geschonden wettelijke bepalingen Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen
  16. p)artikel 136, ,§ 2, inzonderheid vierde en vijfde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994;
  17. q)voor zoveel als nodig, de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissing
  18. r)In de bestreden beslissing verklaart de rechtbank van eerste aanleg, recht sprekend over de vordering van eiser, het hoger beroep van eiser ontvankelijk doch ongegrond. De rechtbank bevestigt het vonnis van de politierechter van 15 mei 2003 en veroordeelt eiser tot de "beroepskosten" onder meer op grond van de volgende motieven:
  19. s)"Tussen de heer M.L. en de verzekeringsmaatschappij AG 1824, heden (verweerster), werd een overeenkomst voor een minnelijke medische expertise ondertekend op 31 oktober1997, waarna dokter R. op 11 februari 1999 zijn verslag opstelde, waarbij tijdelijke werkonbekwaamheden volgens een degressieve schaal bepaald werden met een consolidatiedatum op 1 juli 1998, een blijvende invaliditeit van 6 pct. en een esthetische schade van 3 op de schaal van 1 tot 7. Hierbij besloot Dokter R. dat:
  20. t)'de kinesitherapie behandelingen na 1 juli 1998 verrechtvaardigd zijn door de arthrose (de heer L. is geboren op 31 december 1933) voorbestaand aan het ongeval en dus niet meer voor de sekwellen van het ongeval van 6 mei1997'.
  21. u)Kinesitherapie behandelingen na consolidatiedatum:
  22. v)(Eiser) ging verder met het terugbetalen van kiné-behandelingen, maar (verweerster) stelt terecht dat zo de heer L. mogelijks recht had op terugbetaling van deze kiné-behandelingen op grond van zijn gewone ziekte-invaliditeitsverzekering bij (eiser), (eiser) geen recht heeft op het terugvorderen van deze uitbetalingen na consolidatiedatum nu deze niet meer in oorzakelijk verband staan met het ongeval met verzekerde van (verweerster).
  23. w)(Eiser) is immers in de rechten getreden van haar aangeslotene en (...) kan niet meer vorderen dan de heer L. in gemeen recht had kunnen vorderen vanwege de verzekeraar, waarbij het voorleggen van bewijs van schade, en causaal verband met het ongeval verder van toepassing blijft ook ingeval de vordering ingesteld wordt tegen de verzekeraar van het motorvoertuig dat een ongeval had met de zwakke weggebruiker.
  24. x)ln de mate dat het slachtoffer en (verweerster) de minnelijke medische expertise aanvaardden kan (eiser), die bovendien de gelegenheid gehad heeft deze expertise te volgen door haar raadgevend geneesheer dokter B., van de verzekeraar niet meer vorderen dan hetgeen het slachtoffer zelf in gemeen recht had kunnen vragen. Er is geen aanleiding tot terugbetaling voor de kiné-behandelingen na consolidatiedatum, ook al bekritiseren nu een aantal raadgevende geneesheren van (eiser) het besluit van dit minnelijk medische verslag".
  25. y)Grieven
  26. z)1. Artikel 136, ,§2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, hieronder afgekort als Ziektewet, bepaalt dat, onder de door de Koning bepaalde voorwaarden, prestaties worden toegekend in afwachting dat de schade effectief wordt vergoed krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of het gemeen recht.
  27. aa)Op grond van artikel 136, ,§2, vierde lid, van de Ziektewet, treedt de verzekerings-instelling rechtens in de plaats van de rechthebbende. Die indeplaatsstelling geldt, tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de in het eerste lid bedoelde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden.
  28. bb)Krachtens het vijfde lid van dezelfde paragraaf 2 van datzelfde artikel, kan de overeenkomst die tot stand is gekomen tussen de rechthebbende en degene die schadeloosstelling verschuldigd is, niet tegen de verzekeringsinstelling worden aangevoerd zonder haar instemming. Die bepaling belet dat diegene die schadeloosstelling verschuldigd is, ook al is hij te goeder trouw, tegen de verzekeringsinstelling van het slachtoffer de overeenkomst aanvoert die hij met de bij die verzekeringsinstelling aangeslotene heeft aangegaan en verhindert aldus dat de rechten van de verzekeraar van de geneeskundige verzorging worden bepaald op grond van de rechten die aan de getroffene naar gemeen recht worden toegekend op basis van een verslag van deskundigen die in der minne zijn aangewezen bij een overeenkomst tussen de getroffene en de verzekeraar van de aansprakelijke derde.
  29. cc)2. De rechtbank van eerste aanleg stelt vast dat de heer M.L. - de aangeslotene van eiser en verweerster - een overeenkomst sloten voor een minnelijke medische expertise, waarna dokter R. op 11 februari 1999 een verslag opstelde waarbij hij besloot dat "de kinesitherapie behandelingen na 1 juli 1998 verrechtvaardigd zijn door de arthrose (de heer L. is geboren op 31 december 1933) voorbestaand aan het ongeval van (6 mei 1997) en dus niet meer voor de sekwellen en van het ongeval van 6 mei1997".
  30. dd)De rechtbank overweegt voorts dat, zo M.L. mogelijk recht had op terugbetaling van de kinesitherapiebehandelingen "op grond van zijn gewone ziekte-invaliditeitsverzekering bij (eiser), (eiser) geen recht heeft op het terugvorderen van deze uitbetalingen na consolidatiedatum nu deze niet meer in oorzakelijk verband staan met het ongeval met verzekerde van (verweerster)".
  31. ee)Door op die vaststellingen en met die overwegingen te beslissen dat eiser de betalingen die hij deed wegens kinesitherapiebehandelingen na consolidatiedatum, niet kan terug-vorderen van verweerster aangezien die niet meer in oorzakelijk verband staan met het ongeval waarin de verzekerde van verweerster was betrokken, oordeelt de rechtbank impliciet maar zeker dat de bevindingen vastgelegd in het minnelijk medisch expertise-verslag van 11 februari 1999 tegen eiser kunnen worden aangevoerd, onder meer en in het bijzonder wat betreft de beperking van het vorderingsrecht van eiser tot wat de heer L. in gemeen recht had kunnen vorderen van verweerster en het causaal verband tussen de kinesitherapiebehandelingen in de kosten waarvan eiser tegemoetkwam en het ongeval.
  32. ff)Ook met de overweging dat:
  33. gg)"In de mate dat het slachtoffer en (verweerster) de minnelijke medische expertise aanvaardden kan (eiser), die bovendien de gelegenheid gehad heeft deze expertise te volgen door haar raadgevend geneesheer dokter B., van de verzekeraar niet meer vorderen dan hetgeen het slachtoffer zelf in gemeen recht had kunnen vragen. Er is geen aanleiding tot terugbetaling voor de kiné-behandelingen na consolidatiedatum, ook al bekritiseren nu een aantal raadgevende geneesheren van (eiser) het besluit van dit minnelijk medische verslag", aanvaardt de rechtbank impliciet maar zeker dat het minnelijk medisch expertiseverslag tegen eiser kan worden aangevoerd.
  34. hh)Nochtans stelt de rechtbank niet de instemming van eiser vast met de minnelijke medische expertise, noch met (de vermeldingen, bevindingen en conclusies van) het minnelijk medisch expertiseverslag. Noch uit de vaststellingen van het bestreden vonnis, noch uit enig ander stuk waarop het hof vermag acht te slaan, blijkt de wettelijke vereiste in-stemming van eiser opdat de overeenkomst gesloten tussen M.L. en verweerster tegen eiser zou kunnen worden aangevoerd.
  35. ii)De rechtbank beslist dan ook onder verwijzing naar het besluit van het minnelijk medisch expertiseverslag van dokter R. niet wettig dat er geen aanleiding is tot terugbetaling van de kinesitherapiebehandelingen na de consolidatiedatum (schending van artikel 136, ,§ 2, vijfde lid, van de Ziektewet).
  36. jj)Aangezien de rechtbank, om de vordering van eiser af te wijzen, zich baseert op (een besluit van dokter R.
  37. in)het hierboven bedoelde minnelijk medisch verslag, aldus implicerend dat dat verslag en zijn inhoud tegen de verzekerde van eiser kunnen worden aangevoerd, en op die grond oordeelt dat eiser, die de gelegenheid gehad heeft de expertise te laten volgen door zijn raadgevend geneesheer, van verweerster niet meer kan vorderen dan hetgeen het slachtoffer zelf in gemeen recht had kunnen vragen, verantwoordt de rechtbank zijn beslissing niet naar recht (schending van artikel 136, ,§ 2, inzonderheid vierde en vijfde lid, van de Ziektewet, en van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek).
  38. kk)Conclusie
  39. ll)De rechtbank van eerste aanleg zegt niet wettig dat eiser geen recht heeft op terugvordering van zijn betalingen wegens kinesitherapiebehandelingen na de consolidatiedatum, wijst bijgevolg het hoger beroep van eiser niet wettig af als ongegrond en bevestigt niet wettig het vonnis van de politierechter van 15 mei 2003 (schending van artikel 136, ,§ 2, inzonderheid vierde en vijfde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoordineerd op 14 juli 1994 en van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). Tweede middel
  40. mm)Geschonden wettelijke bepalingen
  41. nn)artikel 136, ,§ 2, inzonderheid vierde en vijfde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoordineerd op 14 juli 1994 - voor zoveel als nodig, de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek
  42. oo)Aangevochten beslissingen
  43. pp)In de bestreden beslissing verklaart de rechtbank van eerste aanleg, recht sprekend over de vordering van eiser, het hoger beroep van eiser ontvankelijk doch ongegrond. De rechtbank bevestigt het vonnis van de politierechter van 15 mei 2003 en veroordeelt eiser tot de "beroepskosten" onder meer op grond van de volgende motieven:
  44. qq)'Tussen de heer M.L. en de verzekeringsmaatschappij AG 1824, heden (verweerster), werd een overeenkomst voor een minnelijke medische expertise ondertekend op 31 oktober 1997, waarna dokter R. op 11 februari 1999 zijn verslag opstelde, waarbij tijdelijke werkonbekwaamheden volgens een degressieve schaal bepaald werden met een consolidatiedatum op 1 juli 1998, een blijvende invaliditeit van 6 pct. en een esthetische schade van 3 op de schaal van 1 tot 7 (...).
  45. rr)Vergoedingen wegens werkongeschiktheid:
  46. ss)(Eiser) stelt dat de heer L. langdurig werkloos was op het ogenblik van het ongeval (
  47. en)recht heeft op de terugbetaling van het volledig bedrag van de uitkeringen, verwijzend in haar besluiten naar rechtspraak (...). Er wordt verwezen naar artikel 142.1 van een werkloosheidsbesluit op grond waarvan (eiser) stelt dat een persoon die gerechtigd is op werkloosheidsuitkeringen en werkonbekwaam wordt, niet meer volledig ter beschikking is van de arbeidsmarkt en geen recht heeft op werkloosheidsuitkeringen, reden waarom zij de degressieve werkongeschiktheidspercentages zoals bepaald in het minnelijk medische verslag niet toepaste op de dagvergoedingen maar 100 pct. van de dagvergoedingen die zij aldus betaald heeft aan de heer L., terugvordert.
  48. tt)Bij nazicht blijkt dat in het geciteerd arrest van (het hof) van 11 oktober 1999 (...) dat zo op grond van artikel 136, ,§2, van de gecoördineerde ZIV-wet van 14 juli 1994 er inderdaad verder dagvergoedingen betaald dienen te worden aan een werkloze, de mutualiteit geenszins het recht heeft vanwege de verzekeraar van de aansprakelijke derde (...) het volledige bedrag van de dagvergoedingen te vorderen nu haar vordering beperkt is ten belope van hetgeen het slachtoffer in gemeen recht had kunnen vragen (...). De verdere betaling van dagvergoedingen aan 100 pct. gebeurt op grond van een bijzondere ZIV-wetgeving waarbij het oorzakelijk verband verbroken werd. De vordering wordt bovendien niet gevorderd op grond van een eigen schade in hoofde van (eiser), (die) deze betalingen op grond van deze wettelijke bepalingen uitvoerde en mogelijks recht heeft op terugbetalingen vanwege het RIZIV of een andere overheidsinstelling ten belope van hetgeen de terugbetaling in gemeen recht overtreft.
  49. uu)Derhalve heeft (verweerster) in haar brief van 6 april 1999 (100 pct. gedurende 75 dagen, 50 pct. gedurende 26 dagen, 25 pct. gedurende 26 dagen en 15 pct. gedurende 16 dagen toegepast op dagvergoedingen van 1.452 BEF voor de drie eerste periodes en op 1.481 BEF voor de laatste periode) haar vergoedingen juist berekend.
  50. vv)Het bestreden vonnis wordt bevestigd".
  51. ww)Grieven
  52. xx)1.1. Artikel 136, ,§2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor genees-kundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, hieronder afgekort als Ziektewet, bepaalt dat, onder de door de Koning bepaalde voorwaarden, prestaties worden toegekend in afwachting dat de schade effectief wordt vergoed krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of het gemeen recht.
  53. yy)Luidens artikel 136, ,§2, vierde lid, van de Ziektewet, treedt de verzekeringsinstelling rechtens in de plaats van de rechthebbende. Die indeplaatsstelling geldt, tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de in het eerste lid bedoelde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden.
  54. zz)Het recht waarover de verzekeringsinstelling krachtens genoemd artikel 136 van de Ziektewet beschikt, is dus beperkt, enerzijds tot het bedrag van de door de verzekeringsinstelling aan de benadeelde verleende prestaties, anderzijds tot het maximumbedrag van de schadeloosstelling waartoe de derde die de schade heeft veroorzaakt, jegens het slachtoffer gehouden is inzake vergoeding wegens het verlies of de vermindering van het vermogen om, door het verrichten van arbeid, inkomsten te verwerven. aaa) Teneinde de gegrondheid van een vordering van een verzekeringsinstelling als indeplaatsgestelde in de rechten van een rechthebbende in het kader van de Ziektewet te onderzoeken, dient de rechter dan ook enerzijds het bedrag vast te stellen van de door de verzekeringsinstelling aan het slachtoffer verleende prestaties, anderzijds het bedrag te bepalen waarop het slachtoffer krachtens het gemeen recht aanspraak zou kunnen maken hebben wegens vergoeding van het verlies of de vermindering van het vermogen om, door het verrichten van arbeid, inkomsten te verwerven, en dient hij vervolgens na te gaan of het bedrag van de door de verzekeringsinstelling verleende prestaties het laatstbedoelde bedrag overtreft. bbb) 1.2. De arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop een werkloze recht heeft wanneer hij zijn aanspraak op werkloosheidsuitkeringen verliest wegens arbeidsongeschiktheid, dekt niet het verlies van de werkloosheidsuitkeringen, maar wel de schade die bestaat in het verlies of de vermindering van het vermogen om, door het verrichten van arbeid, inkomsten te verwerven die tot het levensonderhoud kunnen bijdragen. ccc) 2. De rechtbank van eerste aanleg stelt vast dat tussen M.L. en verweerster een overeenkomst voor minnelijke expertise werd ondertekend, waarna dokter R. zijn verslag opstelde waarbij "tijdelijke werkonbekwaamheden volgens een degressieve schaal bepaald werden met een consolidatiedatum op 1 juli 1998". ddd) Voorts overweegt de rechtbank dat eiser "geenszins het recht heeft vanwege de verzekeraar van de aansprakelijke derde (of ten dezen de verzekeraar van het motorvoertuig die een ongeval had met een zwakke weggebruiker, ongeacht de fout of niet van de bestuurder van dit motorvoertuig) het volledige bedrag van de dagvergoedingen te vorderen nu haar vordering beperkt is tot hetgeen het slachtoffer in gemeen recht had kunnen vragen". eee) Op grond van die vaststellingen en overwegingen beslist de rechtbank van eerste aanleg dat verweerster "derhalve in haar brief van 6 april 1999 (100 pct. gedurende 75 dagen, 50 pct. gedurende 26 dagen, 25 pct. gedurende 26 dagen en 15 pct. gedurende 16 dagen toegepast op dagvergoedingen van 1.452 BEF voor de drie eerste periodes en op 1.481 BEF voor de laatste periode) haar vergoedingen juist (heeft) berekend". fff) Nochtans stelt de rechtbank in het geheel niet vast dat de aldus berekende vergoedingen het bedrag vormen waarop M.L. krachtens het gemeen recht aanspraak zou kunnen maken hebben wegens vergoeding van het verlies of de vermindering van het vermogen om, door het verrichten van arbeid, inkomsten te verwerven. De rechtbank verzuimt na te gaan op welk bedrag M.L. aanspraak had kunnen maken indien eiser niet was tussengekomen. ggg) Door het hoger beroep van eiser met betrekking tot dat onderdeel af te wijzen als ongegrond op de loutere gronden dat "de verdere betaling van dagvergoedingen aan 100 pct. gebeur(
  55. de)op grond van een bijzondere ZIV-wetgeving" - beslissing die overigens niet kan worden bekritiseerd door de rechter die uitspraak doet over de rechtsvordering tot indeplaatsstelling tegen de voor het ongeval aansprakelijke derde - "waarbij het oorzakelijk verband verbroken werd" en dat de vordering bovendien niet werd gesteld "op grond van een eigen schade in hoofde van de mutualiteit (die) deze betalingen op grond van deze wettelijke bepalingen uitvoerde en mogelijks recht heeft op terugbetalingen vanwege het RIZIV of een andere overheidsinstelling ten belope van hetgeen de terugbetaling in gemeenrecht overtreft", zonder na te gaan op welk bedrag M.L. krachtens het gemeen recht aanspraak kon maken als vergoeding van het verlies of de vermindering van het vermogen om, door het verrichten van arbeid, inkomsten te verwerven, en aldus na te gaan of het bedrag dat eiser aan M.L. uitkeerde, het laatstgenoemde bedrag overtreft, schendt de rechtbank van eerste aanleg artikel 136, ,§2, vierde lid, van de Ziektewet en de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. hhh) Bovendien schendt de rechtbank van eerste aanleg, door, na te hebben vastgesteld dat tussen M.L. en verweerster "een overeenkomst voor minnelijke medische expertise (werd) ondertekend (...), waarna dokter R. (...) zijn verslag opstelde, waarbij tijdelijke werkonbekwaamheden volgens een degressieve schaal bepaald werden met een consolidatiedatum op 1 juli 1998", en dat de verzekeringsinstelling "geenszins het recht heeft vanwege de verzekeraar van de aansprakelijke derde (of ten deze de verzekeraar van het motorvoertuig die een ongeval had met een zwakke weggebruiker, ongeacht de fout of niet van de bestuurder van dit motorvoertuig) het volledige bedrag van de dagvergoedingen te vorderen nu haar vordering beperkt is tot hetgeen het slachtoffer in gemeen recht had kunnen vragen", te oordelen dat verweerster "in haar brief van 6 april 1999 (100 pct. gedurende 75 dagen, 50 pct. gedurende 26 dagen, 25 pct. gedurende 26 dagen en 15 pct. gedurende 16 dagen toegepast op dagvergoedingen van 1.452 BEF voor de drie eerste periodes en op 1.481 BEF voor de laatste periode) haar vergoedingen juist berekend(e)", artikel 136, ,§2, vijfde lid, van de Ziektewet, aangezien hij daardoor impliciet maar zeker oordeelt dat de overeenkomst van minnelijke medische expertise die M.L. en verweerster aangingen, kan worden aangevoerd tegen eiser, terwijl hij diens instemming daarmee niet vaststelt. iii) BESLISSING VAN HET HOF jjj) Beoordeling kkk) Eerste middel lll) De door de verweerster ingeroepen grond van niet-ontvankelijkheid van het middel: het middel is nieuw. mmm) De bepalingen van artikel 136, ,§2, van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen met betrekking tot het subogatierecht van de verzekeringsinstelling beogen niet alleen het recht op geneeskundige verzorging, door artikel 23, derde lid, van de Grondwet gewaarborgd, te vrijwaren in afwachting dat de derde-aansprakelijke of diens verzekeraar de schade vergoedt, maar beogen ook dat die schade niet afgewenteld wordt op de gemeenschap en dat de uitgaven van het RIZIV beperkt worden. Deze wetsbepaling raakt derhalve de openbare orde. nnn) Dienvolgens is het middel dat het bestreden vonnis verwijt niet te hebben vastgesteld dat de eiser ingestemd heeft met de minnelijke expertise, zodat de op basis van die expertise tussen de verweerster en M. L. gesloten overeenkomst tot schaderegeling niet aan de eiser kon worden tegengeworpen, niet nieuw. ooo) De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. ppp) Het middel zelf qqq) Krachtens artikel 136, ,§2, vierde lid, van de voormelde wet, treedt de verzekeringinstelling rechtens in de plaats van de rechthebbende op de prestaties van de ziekte- en invaliditeitsverzekering. rrr) Luidens artikel 136, ,§2, vijfde lid, van die wet, kan de overeenkomst die tot stand gekomen is tussen de rechthebbende en degene die schadeloosstelling verschuldigd is, niet tegen de verzekeringsinstelling worden aangevoerd zonder haar instemming. Laatstgenoemde bepaling verhindert dat de rechten van verzekeraar van de geneeskundige verzorging worden bepaald op grond van de rechten die aan de getroffene naar gemeen recht worden toegekend op basis van een verslag van deskundigen welke in der minne zijn aangewezen bij een overeenkomst tussen de getroffene en de verzekeraar van de aansprakelijke derde. sss) Het bestreden vonnis beslist dat er geen aanleiding is tot terugbetaling voor de kinebehandelingen na consolidatiedatum, omwille van de minnelijke medische expertise aanvaard door het slachtoffer en de verweerster naar aanleiding van een overeenkomst voor een minnelijke medische expertise, ondertekend door het slachtoffer en de verweerster, en waaruit blijkt dat de kinesitherapiebehandelingen na de consolidatiedatum verrechtvaardigd zijn door arthrose, voorbestaand aan het ongeval en oordeelt, zonder vast te stellen dat de eiser met die overeenkomst heeft ingestemd, dat de eiser van de verweerster niet meer kan vorderen dat hetgeen het slachtoffer zelf in gemeen recht had kunnen vragen. ttt) Het bestreden vonnis verantwoordt aldus haar beslissing niet naar recht. uuu) Het middel is gegrond. Tweede middel vvv) De verweerster werpt op dat het middel niet ontvankelijk is omdat het nieuw is daar de eiser voor de feitenrechter niet betwistte dat het bedrag dat volgens de verweerster en de eerste rechter verschuldigd was, berekend met inachtneming van de degressieve arbeidsongeschiktheidspercentages, de in gemeen recht verschuldigde vergoeding betrof. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser het volledig bedrag van de uitbetaalde vergoedingen ten belope van 3.068 euro opvorderde en zodoende betwistte dat het bedrag dat verweerster voorhield verschuldigd te zijn, de in gemeen recht verschuldigde schade betrof. Deze grond van niet-ontvankelijkheid mist feitelijke grondslag en dient derhalve te worden verworpen. www) De verweerster werpt op dat het middel eveneens niet ontvankelijk is omdat het nieuw is daar de eiser voor de appelrechters niet aanvoerde dat het bedrag van 2.637,92 euro, dat volgens de verweerster en de eerste rechter aan de eiser verschuldigd was voor de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, werd vastgesteld op basis van de overeenkomst tot minnelijke medische expertise die door de verweerster met de heer L. werd gesloten, en dat deze overeenkomst niet aan de eiser tegenstelbaar is omdat hij er zijn instemming niet mee heeft betuigd. Zoals hierboven reeds is gesteld onder punt 1 is de bepaling van artikel 136, ,§2, van de wet van 14 juli 1994 van openbare orde, zodat het bedoelde middel niet nieuw is. xxx) Het middel zelf yyy) De krachtens de voormelde wet van 14 juli 1994 verleende arbeids-ongeschiktheidsuitkeringen dekken de schade die bestaat in het verlies of de vermindering van het vermogen om door het verrichten van arbeid inkomsten te verwerven die tot het levensonderhoud kunnen bijdragen. zzz) De verzekeringsinstelling die prestaties heeft verleend aan de persoon die schade geleden heeft waarvoor een derde aansprakelijk is, treedt in de plaats van die rechthebbende tot beloop van het geheel van die prestaties. aaaa) Die vordering kan evenwel slechts worden uitgeoefend tot beloop van de bedragen die krachtens het gemeen recht aan de getroffene verschuldigd zijn ter vergoeding van dezelfde schade. bbbb) Het recht waarover de verzekeringsinstelling krachtens artikel 136, ,§2, van de voormelde wet tegen de aansprakelijke derde beschikt, is derhalve beperkt, enerzijds, tot het bedrag van de door de verzekeringsinstelling aan de benadeelde verleende prestatie, anderzijds, tot het maximumbedrag van de schadeloosstelling waartoe de derde, die de schade heeft veroorzaakt, in gemeen recht jegens het slachtoffer gehouden is inzake vergoeding wegens het verlies of de vermindering van het vermogen om door het verrichten van arbeid inkomsten te verwerven. cccc) Het bestreden vonnis oordeelt dat de verweerster in haar brief van 6 april 1999 100 pct. gedurende 75 dagen, 50 pct. gedurende 26 dagen, 25 pct. gedurende 26 dagen en 15 pct. gedurende 16 dagen heeft toegepast op dagvergoedingen van 1.452 BEF voor de eerste drie periodes en op 1.481 BEF voor de laatste periode en derhalve haar vergoeding juist heeft berekend. dddd) Nu deze beslissing niet zelf vaststelt dat de aldus berekende vergoedingen het bedrag vormen waarop de heer L. krachtens het gemeen recht aanspraak zou hebben kunnen maken wegens vergoeding van het verlies of de vermindering van het vermogen om door het verrichten van arbeid inkomsten te verwerven, schendt het vonnis de aangewezen wetsbepalingen. eeee) Het middel is in zoverre gegrond ffff) Dictum gggg) Het Hof, hhhh) Vernietigt het bestreden arrest. iiii) Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. jjjj) Houdt de kosten aan en laat de betwisting daaromtrent over aan de feitenrechter. kkkk) Verwijst de zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven, zitting houdend in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van drie april tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060403.2 Gerelateerde publicatie(
  56. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121018.9 precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941019.8 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031020.7 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041014.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080627.11 ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080627.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.