id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060411.1 Rolnummer: P.05.1561.N Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2006-12-22 Raadplegingen: 598 - laatst gezien 2026-07-04 06:25 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De accijnsschuld bij onttrekking of invoer is geen straf maar een fiscale schuld die opeisbaar is op het ogenblik van de onttrekking of de invoer. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Onttrekking of invoer Accijnsschuld Aard Opeisbaarheid Tijdstip Wettelijke bepalingen: Wet - 10-06-1997 - Art.6 Fiches 2 - 3 Wetswijzigingen betreffende de accijnsschuld hebben geen onmiddellijke werking ten aanzien van de vóór de inwerkingtreding van de gewijzigde bepalingen definitief verschuldigde maar nog niet betaalde accijns. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Accijnsschuld Wijzigende wet Werking van de wet in de tijd Wettelijke bepalingen: Wet - 22-12-2003 - Artt.320en324 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Douane en accijnzen Accijnsschuld Wijzigende wet Werking van de wet in de tijd Wettelijke bepalingen: Wet - 22-12-2003 - Artt.320en324 Fiches 4 - 6 Concl. adv.-gen. TIMPERMAN, Cass., 18 april 2006, AR P.05.1561.N, A.C., 2006, nr ... Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Onttrekking of invoer Accijnsschuld Aard Opeisbaarheid Tijdstip DOUANE EN ACCIJNZEN Accijnsschuld Wijzigende wet Werking van de wet in de tijd Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Douane en accijnzen Accijnsschuld Wijzigende wet Werking van de wet in de tijd Nota: P.05.1561.N Advocaat-generaal Timperman heeft in substantie gezegd: 1. Anders dan de eerste rechter oordeelden de appelrechters dat de vordering van eiser tot betaling van de ontdoken accijnsrechten als ongegrond moest afgewezen worden omdat de wet bepaalt dat wanneer de accijnsproducten effectief in beslag worden genomen en naderhand verbeurdverklaard, wat in casu het geval was, de accijns niet langer opeisbaar is. 2. Aldus hebben de appelrechters toepassing gemaakt van de in het bestreden arrest en in het middel aangehaalde wetsartikelen zoals die gewijzigd werden door de programmawet van 22 december 2003
(1). In de vroegere versie stond een effectieve in beslagname en verbeurdverklaring de opeisbaarheid van de ontdoken rechten niet in de weg. De vraag rijst welke wet er diende te worden toegepast nu het bestreden arrest zelf vaststelt dat de feiten daterend van 6 augustus 1999, en dus van voor de inwerkingtreding van de wijzigende wet, als een uitslag tot verbruik van accijnsgoederen aan te merken zijn. 3. De vordering van de administratie, zoals voorgelegd aan de strafrechter, brengt twee vorderingen op gang: de strafrechtelijke en de fiscale vordering. Ter zake gaat de betwisting niet om de strafvordering en de straf, maar wel om de accijnsschuld. Bijgevolg is artikel 2, tweede lid, Strafwetboek niet van toepassing. Ik denk dat door eiser terecht wordt aangevoerd dat ter zake enkel artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek kan toegepast worden zodat de nieuwe wet enkel toepassing vindt naar de toekomst toe of op de toekomstige gevolgen van een onder de oude wet ontstane toestand. In casu stond het verschuldigd zijn van de accijns echter definitief vast onder de oude wet die bijgevolg moest toegepast worden. Het middel dat in die zin argumenteert lijkt mij dan ook gegrond. Conclusie: Vernietiging. ________________
(1)Artikel 42 van de Wet van 10 juni 1997 (B.S. 01.08.1997) en artikel 15 de Wet van 3 april 1997 (B.S. 16.05.1997) zoals gewijzigd door respectievelijk de artikelen 320 en 324 van de Programmawet van 22 december 2003 (B.S. 31.12.2003). Tekst van de beslissing Nr. P.05.1561.N FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, met kantoor te Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de Directeur van de douane en accijnzen te Gent, met kantoor te Gent, Administratief Centrum "Ter Plaeten", Sint-Lievenslaan 27, vervolgende en burgerlijke partij, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar de eiser woonplaats kiest, tegen
- C G, beklaagde,
- C L, beklaagde, met als raadslieden mr. Hubert Dubois en mr. Rudolf Brugmans, advocaten bij de balie te Antwerpen, ter terechtzitting bijgestaan door mr. Kris Heyrman, advocaat bij de balie te de Antwerpen, voor mr. Hubert Dubois,
- WALT S.R.L., vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te Genova (Italië), Ponte Parodi 4 Piano 2, Porto CAP 16126, rechtstreeks aansprakelijke en burgerlijk en hoofdelijk aansprakelijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 27 januari 2005 en 20 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Afstand van het cassatieberoep
- De eiser doet voorwaardelijke afstand van zijn cassatieberoep voor zover het Hof de vernietiging van het bestreden arrest van 20 oktober 2005, op zijn cassatieberoep tegen de tweede verweerder, niet zou uitbreiden ten voordele van diens werkgever, de derde verweerster, die bij verstek werd veroordeeld tot betaling van de rechten en kosten die tegen haar orgaan werden uitgesproken, met aanbod de kosten te dragen van de aanleg waarvan afstand wordt gedaan. De derde verweerster heeft geen belang bij een verzet tegen de beslissing bij verstek waarbij de tegen haar gerichte vordering, als rechtstreeks aansprakelijke voor de betaling van de invoerrechten en accijnsrechten, uitgesproken tegen haar orgaan, ongegrond wordt verklaard. Zij heeft wel belang bij een verzet tegen haar veroordeling als burgerlijke en hoofdelijk aansprakelijke tot betaling van de kosten. In die mate kan akte van de afstand worden verleend. Middel
- Uit artikel 6 van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, verder Wet Accijnsproducten, volgt dat accijns is verschuldigd op het ogenblik van de uitslag tot verbruik volgens de voorwaarden van kracht op de datum van de inverbruikstelling. Als uitslag tot verbruik van accijnsproducten in de zin van artikel 6, tweede lid, Wet Accijnsproducten wordt onder meer beschouwd iedere vorm van onttrekking, ook op onregelmatige wijze, van deze producten aan een schorsingsregeling, en elke invoer, ook op onregelmatige wijze, van deze producten, wanneer ze niet onder een schorsingsregeling worden geplaatst. De accijnsschuld bij onttrekking of invoer is geen straf, maar een fiscale schuld. Deze fiscale schuld is opeisbaar op het ogenblik van de onttrekking of de invoer.
- Volgens het artikel 42 Wet Accijnsproducten en het artikel 15 wet van 3 april 1997, respectievelijk gewijzigd door de artikelen 320 en 324 Programmawet van 22 december 2003, is de accijns verschuldigd op de accijnsproducten die naar aanleiding van de vaststelling van een overtreding op basis van hetzij het vermelde artikel 42 hetzij het vermelde artikel 15, niet opeisbaar is wanneer die producten effectief worden in beslag genomen en naderhand worden verbeurd verklaard of, bij wege van transactie, aan de Schatkist worden afgestaan. Deze wetswijzigingen betreffen niet de straf voor de overtreding maar de accijnsschuld. Ze hebben geen onmiddellijke werking op de vóór de inwerkingtreding van de gewijzigde wetsbepalingen definitief verschuldigde maar nog niet betaalde accijns.
- Daar het bestreden arrest oordeelt dat de aan de eerste en tweede verweerder verweten feiten plaatsgrepen in 1999, kon het niet wettig oordelen dat de eerste en de tweede verweerder niet solidair konden veroordeeld worden tot betaling van de ontdoken invoerrechten en accijnsrechten op grond dat de aangehaalde koopwaar wordt verbeurd verklaard. Het middel is gegrond. Omvang van de cassatie
- De vernietiging, op het cassatieberoep van de eiser, in zijn hoedanigheid van burgerlijke partij, van de beslissing waarbij zijn rechtsvordering tegen onder meer de tweede verweerder wordt afgewezen, brengt de vernietiging mede van de beslissing op zijn rechtsvordering tegen de voor de tweede verweerder rechtstreeks aansprakelijk en civielrechtelijk en hoofdelijk aansprakelijke partij die op dezelfde onwettigheid steunt. De omstandigheid dat de eiser afstand zonder berusting van zijn cassatieberoep heeft gedaan, doet hieraan geen afbreuk. Ambtshalve onderzoek van beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent in de hiervoor bepaalde mate, akte van de afstand van het cassatieberoep. Verwerpt het cassatieberoep tegen het arrest van 27 januari
- Vernietigt het arrest van 20 oktober 2005 in zoverre het de door de eiser tegen de eerste en de tweede verweerder ingestelde rechtsvordering tot betaling van de ontdoken invoerrechten en accijnsrechten en de tegen de derde verweerster als rechtstreeks aansprakelijke voor de betaling van die rechten gerichte vordering ongegrond verklaart. Verwerpt het cassatieberoep tegen het arrest van 20 oktober 2005 voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest van 20 oktober
- Veroordeelt de eerste en de tweede verweerder in de helft van de kosten en laat de andere helft ten laste van de Staat. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Begroot de kosten op 291,86 euro waarvan 182,19 euro verschuldigd en 109,67 euro betaald is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Dirk Debruyne, Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 18 april 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060411.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090303.9 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110112.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061128.7 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070220.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080129.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div