← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060418.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060418.8 Rolnummer: P.06.0406.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2006-12-22 Raadplegingen: 167 - laatst gezien 2026-07-03 08:27 Versie(s): Vertaling FR Fiche Artikel 644, eerste lid, Wetboek van Strafvordering dat bepaalt dat wanneer de wettelijke termijn om een proceshandeling in strafzaken te verrichten, eindigt op een zaterdag, zondag of op een andere wettelijke feestdag, hij wordt verlengd tot de eerstvolgende werkdag, is niet toepasselijk op de termijn bepaald in artikel 25ter, vijfde, zesde en zevende lid, Wet Bescherming Maatschappij binnen dewelke de raadkamer uitspraak moet doen over de aanvraag van een ter beschikking van de regering gestelde veroordeelde die opkomt tegen de beslissing van de minister die zijn internering gelast op grond van artikel 25bis, Wet Bescherming Maatschappij. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - TERBESCHIKKINGSTELLING VAN DE REGERING Vrije woorden: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - TERBESCHIKKINGSTELLING VAN DE REGERING Ministerieel besluit Internering Verzoekschrift Raadkamer Termijn binnen dewelke uitspraak moet worden gedaan Verlenging Wettelijke bepalingen: Wet - 09-04-1930 - Artt.25bisen2 Tekst van de beslissing Nr. P.06.0406.N I H D, verzoeker tot opheffing van de internering, eiser, ter terechtzitting bijgestaan door mr. Jorg Bruyndonckx, advocaat bij de balie te Dendermonde, II H D, reeds voornoemd, verzoeker tot opheffing van de internering, eiser, ter terechtzitting bijgestaan door mr. Jorg Bruyndonckx, advocaat bij de balie te Dendermonde, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 9 maart

  1. De eiser stelt geen middelen voor. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. FEITEN Bij arrest van het Hof van Beroep te Gent van 26 juni 2000 werd de eiser veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van zes jaar en werd hij, na afloop van zijn straf, ter beschikking van de Regering gesteld gedurende tien jaar. Bij ministerieel besluit van 16 december 2005 dat op 11 januari 2006 aan de eiser werd betekend, werd bevolen dat de eiser na afloop van zijn vrijheidsstraffen wordt geïnterneerd op basis van artikel 25bis Wet Bescherming Maatschappij. Door de eiser werd bij verzoekschrift overeenkomstig artikel 25ter, eerste lid, Wet Bescherming Maatschappij, neergelegd ter griffie van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op 25 januari 2006, opgekomen tegen het ministerieel besluit dat zijn internering gelastte. Dit verzoek werd bij beschikking van de raadkamer van 27 februari 2006 ongegrond verklaard. Het hoger beroep dat door de eiser op 28 februari 2006 tegen deze beschikking werd ingesteld, werd door het bestreden arrest ontvankelijk maar ongegrond verklaard. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Ingevolge artikel 438 Wetboek van Strafvordering is in strafzaken in de regel een tweede cassatieberoep tegen dezelfde beslissing niet ontvankelijk. Daar tegen het arrest reeds op dezelfde datum cassatieberoep werd ingesteld, is het tweede cassatieberoep van 10 maart 2006 niet ontvankelijk. Ambtshalve aangevoerd middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 644 Wetboek van Strafvordering; - artikel 25ter, vijfde, zesde en zevende lid, van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten.
  3. Artikel 25ter, vijfde lid, Wet Bescherming Maatschappij bepaalt dat de raadkamer uitspraak doet binnen de maand na de indiening van de aanvraag, bepaald in artikel 25ter, eerste lid, van voornoemde wet, na de aanvrager en zijn raadsman alsook het openbaar ministerie te hebben gehoord. Het zesde lid van dit artikel bepaalt dat, indien de raadkamer binnen de gestelde termijn geen uitspraak heeft gedaan, de betrokkene in vrijheid wordt gesteld. Oordeelt de raadkamer echter dat zij niet over alle gegevens beschikt om te kunnen beslissen, dan stelt zij dit vast in een beschikking en verzoekt het openbaar ministerie of de betrokkene aanvullende inlichtingen te verschaffen. Deze beschikking brengt van rechtswege verlenging mee met twee weken van de termijn bepaald in het vijfde lid. Het zevende lid van dit artikel bepaalt dat de termijn waarbinnen de raadkamer uitspraak moet doen, geschorst wordt tijdens de duur van het uitstel, verleend op verzoek van de eiser of zijn raadsman. Het artikel 644, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat wanneer de wettelijke termijn om een proceshandeling in strafzaken te verrichten, eindigt op een zaterdag, op een zondag of op een andere wettelijke feestdag, hij wordt verlengd tot de eerstvolgende werkdag.
  4. Dit artikel is niet toepasselijk op de termijn voor de uitspraak bepaald in artikel 25ter, vijfde, zesde en zevende lid, Wet Bescherming Maatschappij.
  5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat: - de eiser op 25 januari 2006 zijn aanvraag ter griffie heeft neergelegd; - de raadkamer geen beschikking heeft genomen waarbij zij heeft vastgesteld dat zij niet over alle gegevens beschikte om te beslissen; - de eiser of zijn raadsman geen verzoek tot uitstel van de behandeling van de aanvraag heeft ingediend; - de raadkamer eerst op maandag 27 februari 2006 uitspraak heeft gedaan.
  6. De raadkamer oordeelt dat op 27 februari 2006 nog tijdig uitspraak kon worden gedaan omdat "de berekening van de termijn van (één) maand echter dient te gebeuren overeenkomstig (artikel) 644 (Wetboek van Strafvordering), dat algemeen de termijn verlengt wanneer die eindigt op een zaterdag, zondag of andere wettige feestdag; dat dit artikel een algemene draagwijdte heeft en inzonderheid geldt voor deze procedurehandelingen die op de griffie moeten gebeuren."
  7. Het bestreden arrest oordeelt met overname van de beweegredenen, aangehaald in de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie, die stelt dat de beschikking van de raadkamer van 27 februari 2006 om de erin vermelde motieven wettig was, dat deze laatste beschikking moet worden bevestigd.
  8. Aldus schendt het bestreden arrest de vermelde wetsbepalingen. Dictum Het Hof, Verwerpt het tweede cassatieberoep. Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Veroordeelt de eiser tot de kosten van het tweede cassatieberoep en laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond tot verwijzing is. Begroot de kosten in het geheel op 116,69 euro waarvan 68,97 euro verschuldigd is voor het eerste cassatieberoep en 47,72 euro voor het tweede. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Dirk Debruyne, Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 18 april 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060418.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.