id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060420.7 Rolnummer: C.05.0317.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-03-14 Raadplegingen: 496 - laatst gezien 2026-07-04 07:19 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De wettelijke regel die bepaalt dat de rechtbank van eerste aanleg die zitting houdt in tweede aanleg, over de zaak zelf beslist en dat daartegen hoger beroep openstaat indien het geschil tot haar bevoegdheid behoorde, onderstelt dat deze rechtbank, die aldus zitting houdt, oordeelt dat zij bevoegd is om in eerste aanleg van de zaak kennis te nemen; dit is het geval wanneer ze oordeelt, hetzij dat de eerste rechter zich ten onrechte bevoegd achtte, hetzij dat de eerste rechter zich terecht onbevoegd achtte terwijl zijzelf bevoegd is
(1).
(1)Zie Cass., 4 dec. 1975, A.C., 1976, 422-425; Cass., 21 mei 1992, AR 9300, nr 499; Cass., 30 mei 1997, AR C.95.0337.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970530.3, nr 249. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Beslissingen waartegen hoger beroep openstaat Rechtbank van eerste aanleg Zitting in tweede aanleg Vonnis over de zaak zelf Bevoegdheid in eerste aanleg Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.1070 Fiche 2 Tegen de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg, die zitting houdend in tweede aanleg, beslist over de zaak zelf, na te hebben geoordeeld bevoegd te zijn om in eerste aanleg ervan kennis te nemen, staat hoger beroep open, ongeacht de beoordeling aangaande de bevoegdheid door het hof van beroep
(1).
(1)Zie Cass., 25 april 1985, AR 6859, nr 508, met noot A.B.; J.-M. POUPART, P. LEMMENS en A.-S. MAERTENS, "Art. 1068-1070 Ger. W.", in Gerechtelijk recht - Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, afl. 26 (november 1993), p. 15-16, nr
- Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Beslissingen waartegen hoger beroep openstaat Rechtbank van eerste aanleg Zitting in tweede aanleg Vonnis over de zaak zelf Bevoegdheid in eerste aanleg Hoger beroep Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.1070 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0317.N
- V.I.,
- M.K., eisers, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- S.E.,
- BELGISCHE LIEFHEBBERS MOTORRIJDERSBOND, vereniging zonder winsoogmerk, met zetel te 3560 Linkhout, Linkhoutstraat 219 A,
- AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1170 Brussel, Vorstlaan 25, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 9 maart 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, alsook tegen de vonnissen, respectievelijk op 15 februari 2002 en 7 januari 2003 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift drie middelen aan. Het eerste middel is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 9 maart
- Voor het geval dit middel niet zou slagen, richten de eisers een tweede middel tegen het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout van 15 februari 2002 en een derde middel tegen het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout van 7 januari
- Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 643, 660, 1068 en 1070 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen In het arrest van 9 maart 2005 verklaart de tweede kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen het hoger beroep, dat door de eisers werd aangetekend tegen de vonnissen van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout van 15 februari 2002 en 7 januari 2003 onontvankelijk. Het hof van beroep stoelt deze beslissing op volgende motieven: "I. Feitelijke gegevens - Voorwerp van het geschil - Voorgaanden De doelstellingen van de door (de eisers) ingestelde vordering alsmede de toedracht van de feiten die er aan ten grondslag liggen, werden in detail toegelicht in het vonnis van de Politierechtbank te Turnhout gewezen op 14 november
- Samengevat heeft het geschil tussen partijen betrekking op een ongeval, waarbij (de eisers) beweerden het slachtoffer te zijn geworden op 20 oktober 1996 tijdens een motorcrosswedstrijd te Vosselaar. Deze wedstrijd werd ingericht door (de tweede verweerster). Op de bewuste dag waren (de eisers) aanwezig op de motorcrosswedstrijd, en hadden zij zelf reeds deelgenomen in hun eigen reeks, toen ze gingen kijken naar een andere reeks waarin een vriend van hen meereed. Terwijl zij achter de omheining stonden te kijken naar de wedstrijd, zouden zij door (de eerste verweerder), zijn aangereden, die dwars door de omheining inreed. (De eisers) zouden hierbij ernstige verwondingen hebben opgelopen. Voor het houden van de motorcross was een vergunning verleend door de provinciegouverneur, nadat deze aan de hand van de door (de derde verweerster) afgeleverde attesten vastgesteld had dat er een aansprakelijkheidsverzekering was gesloten overeenkomstig artikel 8 van de WAM-wet van 21 november
- Beide slachtoffers achten (de eerste en tweede verweerders) verantwoordelijk voor het ongeval in kwestie, en gingen dan ook - toen een minnelijke regeling niet mogelijk bleek, aangezien de aansprakelijkheid wordt betwist - over tot dagvaarding voor de politierechtbank te Turnhout van (de tweede verweerster) als inrichtende organisatie, van (de eerste verweerder) als betrokken piloot alsmede van (derde verweerster). De vordering van (de eisers) is gesteund op artikel 29bis van de WAM-wet (foutloze aansprakelijkheid), de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek en tegenover (de derde verweerster) ook op grond van artikel 8 van de WAM-wet. Voor de politierechter werd door (de verweerders) diens bevoegdheid ratione materiae betwist. Deze oordeelde evenwel dat hij wel degelijk bevoegd is, verklaarde de vorderingen ontvankelijk en kwam in een uitvoerig gemotiveerd vonnis tot het besluit dat (derde verweerster), zowel op grond van het gemeen recht als op grond van artikel 29bis van de WAM-wet gehouden is tot integrale schadeloosstelling, in solidum met haar twee verzekerden - (de eerste en tweede verweerders) - die zij als WAM-verzekeraar dient te vrijwaren, conform de wettelijke bepalingen. (De verweerders) werden dan ook in solidum veroordeeld om aan (de eerste eiser) te betalen de som van 250.000 BEF provisioneel en aan (de tweede eiser): 300.000 BEF provisioneel met aanstelling van dokter J. P. als gerechtsdeskundige met welbepaalde opdracht. (De verweerders) tekenden hoger beroep aan tegen dit vonnis van de politierechtbank. (De eisers) van hun kant stelden incidenteel hoger beroep in ten einde een hogere provisionele vergoeding te bekomen. Bij het bestreden vonnis van 15 februari 2002 oordeelde de rechter in hoger beroep dat het geschil in kwestie niet viel onder de toepassing van artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek en dus niet ressorteerde onder de bevoegdheid van de politierechtbank. Het bestreden vonnis van de politierechtbank werd dan ook vernietigd, de rechter trok de zaak aan zich, zegde voor recht dat de Politierechtbank te Turnhout onbevoegd is en opnieuw recht doende, verzond de zaak naar de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout bij toepassing van artikel 88, ,§2, van het Gerechtelijk Wetboek. Bij beschikking van de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout werd de zaak dan toegewezen aan de zesde kamer, die uitspraak deed over de haar toegewezen zaak bij het bestreden vonnis van 7 januari
- De vorderingen werden bij voormeld vonnis ongegrond verklaard met de motivering dat in concreto geen onvoorzichtigheid en/of fout in hoofde van (de eerste verweerder) wordt bewezen, evenmin in hoofde van (de tweede verweerster). Verder oordeelde de rechter bij voormeld bestreden vonnis dat in casu artikel 29bis van de WAM-wet, waarop de slachtoffers zich beroepen, niet van toepassing kan zijn, nu in het bestreden vonnis van 15 februari 2002 uitdrukkelijk werd gesteld dat het in casu niet gaat om een verkeersongeval en het artikel in kwestie enkel van toepassing is op verkeersongevallen. Tegen beide vonnissen werd hoger beroep aangetekend. II. Ontvankelijkheid van het hoger beroep De (verweerders) betwisten dat thans nog een toelaatbaar/ontvankelijk hoger beroep zou kunnen ingesteld worden tegen de bestreden vonnissen van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout, gelet op het feit dat de zaak reeds twee maal door een rechter ten gronde is behandeld. De (eisers) daarentegen menen dat hun hoger beroep wél ontvankelijk is en daartoe verwijzen zij naar artikel 1070 van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat de rechtbank van eerste aanleg (of de rechtbank van koophandel), die zitting houdt in tweede aanleg, over de zaak zelf beslist en dat daartegen hoger beroep openstaat, indien het geschil tot haar bevoegdheid behoorde. Artikel 1070 van het Gerechtelijk Wetboek maakt het inderdaad mogelijk dat bij hoger beroep tegen een vonnis van de vrederechter of, zoals in casu, van de politierechter, een geschil wordt onderworpen aan een behandeling in drie in plaats van twee aanleggen. Wanneer de rechtbank van eerste aanleg (of de rechtbank van koophandel) zitting houdt in tweede aanleg, ingevolge een hoger beroep tegen een beslissing van de vrederechter, of zoals in casu van de politierechter, en als blijkt dat het geschil tot haar bevoegdheid in eerste aanleg behoorde, dan beslist zij over de zaak zelf, en tegen deze beslissing staat nogmaals hoger beroep open. Er is dan geen sprake van verruimde devolutieve werking. De akte van hoger beroep wordt in dit geval beschouwd als een gedinginleidende akte. Ingeval een hoger beroep tegen een vonnis van de vrederechter (of zoals in casu van de politierechter) waarbij deze terecht besliste dat hij niet bevoegd is of onterecht beslist dat hij bevoegd is, kan tegen de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg - die een uitspraak doet als appelrechter, maar tevens als bevoegde rechter, indien kwam vast te staan dat de vrederechter (of de politierechter) inderdaad niet bevoegd was - nog steeds hoger beroep worden aangetekend conform artikel 1070 van het Gerechtelijk Wetboek. Immers waren deze rechters bevoegd uitspraak te doen over het geschil in eerste aanleg. Om over de ontvankelijkheid van het hoger beroep tegen voormelde vonnissen van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout te kunnen oordelen, dient dan ook eerst te worden nagegaan of het geding wel tot de bevoegdheid in eerste aanleg behoorde van deze rechtbank. De bevoegdheid moet beoordeeld worden op grond van de inhoud van de vordering van (de eisers), die doen gelden dat zij aangereden werden door de bestuurder van een moto die tijdens een motorcrosswedstrijd door de omheining van het parcours op hen is ingereden. Het voorwerp van de vordering van (de eisers) is de vergoeding van de schade die zij als toeschouwer geleden hebben als gevolg van het ongeval tijdens de motorcross. Volgens (de eisers) is overeenkomstig artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek de politierechtbank bevoegd vermits het hier gaat om vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval. Vraag is of het in casu gaat om een 'verkeersongeval'. Mag het begrip 'verkeersongeval' ook doorgetrokken worden naar motorsportwedstrijden? Het Hof van Cassatie heeft, weliswaar m.b.t. de bevoegdheid van de politierechter in strafzaken, in een arrest van 3 november 1998 het begrip 'verkeersongeval' geanalyseerd in functie van de wet van 11 juli 1994 (die zowel artikel 601bis in het Gerechtelijk Wetboek invoegde als artikel 138, 6°bis, van het Wetboek van Strafvordering wijzigde) en beslist dat het begrip 'verkeersongeval' ruim moet worden geïnterpreteerd. Volgens het Hof van Cassatie heeft het begrip 'verkeersongeval' betrekking zowel op een ongeval bij het wegverkeer waarbij voetgangers, middelen van vervoer te land, dieren, of middelen van vervoer per spoor die de openbare weg gebruiken, betrokken zijn als in een ongeval dat plaatsgrijpt op een terrein toegankelijk voor het publiek of op een niet-openbaar terrein dat voor een zeker aantal personen toegankelijk is (Cass., 3 november 1998, Verkeersrecht 99/23, waarbij het Hof verder vervolgde: '... Hieruit volgt dat een ongeval waarbij een middel van vervoer te land, onder meer een auto, betrokken is, dat plaats greep op een niet-openbaar terrein dat voor een zeker aantal personen toegankelijk is, zoals een gesloten rallyparcours, maar dat toegankelijk is voor toeschouwers, een verkeersongeval uitmaakt in de zin van het huidige artikel 138, 6°bis van het Wetboek van Strafvordering'.) Niets wijst erop dat de wetgever in de wet van 11 juli 1994 een andere invulling zou hebben willen geven aan het begrip 'verkeersongeval' dat zij voorzag in artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek dan aan hetzelfde begrip zoals zij dat hanteerde in het bij dezelfde wet van 11 juli 1994 gewijzigde artikel 138,
(6)°bis, van het Wetboek van Strafvordering. In de voorbereidende werken bij de wet van 11 juli 1994 werd één enkel begrip 'verkeersongeval' gehanteerd, met een identieke betekenis in alle wetsbepalingen die zij wijzigde en invoegde. Evenmin voorziet artikel 601bis, van het Gerechtelijk Wetboek dat een verkeersongeval dient beperkt te worden tot de 'wegverkeersongevallen die verband houden met het verkeer op de openbare weg'. Het (hof van beroep) sluit zich dan ook aan bij de definitie van 'verkeersongeval' zoals vooropgesteld door het hoogste rechtscollege. De gewijzigde WAM-wet voert een in principe foutloze vergoedingsplicht in voor alle schade, voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, opgelopen bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig betrokken is, ten laste van de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de houder van het betrokken motorrijtuig, de zogenaamde 'onverschoonbare fout' niet te na gesproken. ln verband met motorsportactiviteiten is een verzekeringsplicht voorzien tot dekking van de civielrechtelijke aansprakelijkheid van organisatoren en piloten (artikel 8 van de WAM-wet), waarbij alleen de schade aan bestuurders en deelnemers aan de eigenlijke wedstrijd wordt uitgesloten. Eén en ander duidt dan ook ten overvloede op een zeer ruime interpretatie van het begrip 'verkeersongeval en - situatie'. Het is dan ook duidelijk dat de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout in haar vonnis van 15 februari 2002 de wet van 11 juli 1994, zoals zij volgens het Hof van Cassatie dient gelezen te worden, geschonden heeft en zij niet bevoegd was om te oordelen over huidige betwisting, welk hoort tot de bevoegdheid van de politierechtbank. Artikel 1070 van het Gerechtelijk Wetboek vindt hier dan ook geen toepassing en het hoger beroep tegen de vonnissen gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout, respectievelijk op 15 februari 2002 en 7 januari 2003, is dan ook onontvankelijk" (arrest, pp. 3-9). Grieven
- Artikel 1070 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechtbank van eerste aanleg, die zitting houdt in tweede aanleg, over de zaak zelf beslist en daartegen hoger beroep openstaat indien het geschil tot haar bevoegdheid behoorde. Hoger beroep staat derhalve open tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg, zowel in zoverre het uitspraak doet inzake de bevoegdheid als ten aanzien van de zaak zelf, waarin, op het hoger beroep tegen een vonnis van de politierechtbank waarbij deze zich bevoegd verklaart, wordt beslist dat die rechter niet bevoegd was en, met de overweging dat het geschil tot de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg behoorde, over de zaak zelf uitspraak wordt gedaan. 1.2 Luidens artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek maakt hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf aanhangig bij de rechter in hoger beroep. Deze verwijst de zaak alleen dan naar de eerste rechter, indien hij, zelfs gedeeltelijk, een in het aangevochten vonnis bevolen onderzoeksmaatregel bevestigt. In de gevallen waarin een exceptie van onbevoegdheid aanhangig wordt gemaakt voor de rechter in hoger beroep, beslist deze luidens artikel 643 van het Gerechtelijk Wetboek over het middel en verwijst de zaak, indien daartoe grond bestaat, naar de bevoegde rechter in hoger beroep. Wanneer de appelrechter een beslissing vernietigt waarbij de eerste rechter zich bevoegd heeft verklaard, mag hij enkel ten gronde uitspraak doen als hij zelf bevoegd is. Als zulks niet het geval is, kan het hoger beroep, waardoor de zaak bij hem aanhangig is, geen devolutieve kracht hebben. Hij moet niettemin de zaak verwijzen naar de bevoegde rechter, zitting houdend in hoger beroep.
- In casu besliste de Politierechtbank te Turnhout bij vonnis van 14 november 2000 dat zij ratione materiae bevoegd was kennis te nemen van de vorderingen van de eisers en verklaarde deze vorderingen ontvankelijk en gegrond. De verweerders tekenden tegen dit vonnis hoger beroep aan, waarna de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout bij vonnis van 15 februari 2002 besliste dat het geschil niet ressorteert onder de bevoegdheid van de politierechtbank, doch wel van de rechtbank van eerste aanleg. De zaak werd bij toepassing van artikel 88, ,§2, van het Gerechtelijk Wetboek naar de voorzitter van de rechtbank verwezen, die de zaak bij beschikking van 29 maart 2002 toewees aan de zesde kamer van de rechtbank. Bij vonnis van 7 januari 2003 deed de zesde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout uitspraak over de zaak zelf en verklaarde de vorderingen van de eisers ontvankelijk doch ongegrond. Met toepassing van artikel 1070 van het Gerechtelijk Wetboek konden de eisers tegen beide vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg een ontvankelijk hoger beroep aantekenen. 3.1 Door te overwegen dat, om te kunnen oordelen over de ontvankelijkheid van het hoger beroep tegen beide vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg, eerst dient te worden nagegaan of het geschil wel behoorde tot de bevoegdheid in eerste aanleg van deze rechtbank (arrest, p. 7, derde alinea) en vervolgens, op grond dat niet de rechtbank van eerste aanleg doch wel de politierechtbank bevoegd is om over huidige betwisting te oordelen (arrest, pp. 7-9), te beslissen dat het hoger beroep tegen de vonnissen van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout van 15 februari 2002 en 7 januari 2003 onontvankelijk is, schendt het hof van beroep aldus artikel 1070 van het Gerechtelijk Wetboek. 3.2 Wanneer de rechtbank van eerste aanleg, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechtbank, beslist dat die rechter niet bevoegd was en, met de overweging dat het geschil tot de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg behoorde, over de zaak zelf uitspraak doet, en vervolgens, zoals toegelaten door artikel 1070 van het Gerechtelijk Wetboek, hoger beroep wordt aangetekend tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg waarbij uitspraak wordt gedaan over de bevoegdheid en tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg waarbij uitspraak wordt gedaan over de zaak zelf, dient het hof van beroep, indien het beslist dat de zaak niet tot de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg behoorde, beide vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg te vernietigen en behoeft het hof van beroep, indien de zaak tot zijn bevoegdheid behoorde, overeenkomstig artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek uitspraak te doen over de zaak zelf, of, indien de zaak niet tot zijn bevoegdheid behoorde, de zaak met toepassing van de artikelen 643 en 660 van het Gerechtelijk Wetboek te verwijzen naar de bevoegde rechter in hoger beroep. Het Hof van Beroep te Antwerpen, dat in het arrest van 9 maart 2005 het hoger beroep tegen de vonnissen van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout van 15 februari 2002 en 7 januari 2003 ten onrechte, met miskenning van artikel 1070 van het Gerechtelijk Wetboek, onontvankelijk verklaart en noch uitspraak doet over de zaak zelf, noch de zaak naar de bevoegde rechter in hoger beroep verwijst, miskent derhalve tevens de artikelen 643, 660 en 1068 van het Gerechtelijk Wetboek. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen In het vonnis van 15 februari 2002 verklaart de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout het hoger beroep en het incidenteel beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter te Turnhout van 14 november 2000 ontvankelijk en in volgende mate gegrond, vernietigt het vonnis a quo, trekt de zaak aan zich en zegt voor recht dat de politierechtbank te Turnhout onbevoegd is, waarna, opnieuw rechtdoende, de zaak naar de voorzitter van de rechtbank wordt verzonden bij toepassing van artikel 88, ,§2, van het Gerechtelijk Wetboek. De rechtbank stoelt deze beslissing op volgende motieven: "Over de feiten: Huidig geschil tussen partijen heeft betrekking op een ongeval waarbij (de eisers) beweren het slachtoffer te zijn geworden op 20 oktober 1996 één en ander tijdens een motorcrosswedstrijd die doorging te Vosselaar. De wedstrijd werd georganiseerd door de VZW BLM. (De eisers) waren op deze motorcrosswedstrijd aanwezig. Zij zouden bepaalde ritten rijden, en gingen het parcours daartoe verkennen. Dit deden zij langsom de omheining van het parcours. Tijdens deze verkenningstocht zouden zij zijn aangereden door S.. Over de juiste omstandigheden hoe (de eisers) gekwetst raakten is er discussie tussen partijen. Overwegende dat reeds voor de eerste rechter, de onbevoegdheid van de politierechtbank werd opgeworpen. Overwegende dat dezelfde problematiek in graad van beroep opnieuw wordt gesteld. Overwegende dat de eerste rechter dienaangaande motiveerde: 'Dat de voorbereidende werken die geleid hebben tot de wetswijziging o.m. houdende het nieuwe artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek, nochtans van meet af voldoende duidelijk hebben gesteld dat de weliswaar exclusieve bevoegdheid van de nieuwe 'politierechtbanken' zeer ruim diende te worden geïnterpreteerd, wat perfect overeenstemt met de ratio en de bekommernis van de toenmalige wetgever'. Dat de eerste rechter verder stelt dat overeenkomstig artikel 601bis, de politierechtbank kennis neemt ongeacht het bedrag van alle vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval, zelfs indien het zich heeft voorgedaan op een plaats die niet toegankelijk is voor het publiek. Dat de politierechtbank derhalve zeker bevoegd is voor de ongevallen op een plaats toegankelijk voor het publiek zoals ten deze, waar de aanrijding gebeurde achter de dubbele omheining en buiten de afgesloten omloop op een plaats waar het publiek toegelaten is en waar de wegcode naar analogie toepasselijk is. Dat het begrip verkeersongeval zoals reeds overwogen ruim moet geïnterpreteerd worden en de begrippen verkeer en verkeerssituatie lato senso moeten worden opgevat. Overwegende dat de volledige argumentatie van de eerste rechter inzake bevoegdheid weergegeven is. Ten gronde: Dat de huidige vordering gesteld wordt op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, en op grond van artikel 29bis, van de WAM-wet. Dat op heden de rechtbank zich niet dient uit te spreken over het aspect in welke mate artikel 29bis, van de WAM-wet toepasselijk kan zijn. Overwegende dat vooreerst in rechte, de bevoegdheid van de rechtbank dient onderzocht. Dat het artikel 601 van het Gerechtelijk Wetboek wel degelijk verwijst naar schade ontstaan uit een verkeersongeval. Overwegende dat de cruciale discussie in deze is vooreerst te weten of het kwestieuze ongeval al dan niet een verkeersongeval is in de zin van artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek. Overwegende dat de feitelijkheid dat het ongeval veroorzaakt werd door een motor, tijdens een rit, op een gesloten circuit, voor een beperkt aantal deelnemers en toeschouwers niet betekent dat het een verkeersongeval is. Overwegende dat bij afwezigheid van een concreet wettelijke definitie van verkeersongeval, de rechtspraak dienaangaande duidelijkheid dient te brengen. Overwegende dat een verkeersongeval impliciet verwijst naar een ongeval in een verkeerssituatie. Overwegende dat dit een toestand is waarbij de verkeerscode of de verkeersreglementen hetzij rechtstreeks van toepassing zijn, minstens waarbij de principes van de wegcode per analogie worden toegepast. Overwegende dat het in deze ging om een gemotoriseerde snelheidswedstrijd, waar geen enkel principe van de wegcode op zich toepasselijk is. Overwegende dat hierbij enkel toepasselijk zijn de spelregels van de motorcross zelf, en van de sportmanifestatie. Overwegende dat het deelnemen aan een motorcross, veronderstelt dat men veel rijvaardigheid heeft, om dergelijke behendigheids- en snelheidsritten uit te voeren. Overwegende dat het intern rijgedrag tussen de piloten, kennelijk afwijkt van wat de normale wegcode voorziet. Overwegende dat derhalve een motorcrosswedstrijd op een gesloten circuit in geen enkel geval kan beschouwd worden als een verkeerssituatie, derhalve geenszins een verkeersongeval is of kan zijn. Overwegende dat de motorcrosswedstrijd als hierboven uiteengezet, geen verkeer is in de zin van artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek. Overwegende dat de politierechter derhalve niet bevoegd was om kennis te nemen van het geschil, dan wel de zaak had moeten verwijzen naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout. Overwegende dat het vonnis a quo in die zin dient hervormd" (vonnis, pp. 2-4). Grieven
- Overeenkomstig artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek neemt de politierechtbank, ongeacht het bedrag, kennis van alle vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval zelfs indien het zich heeft voorgedaan op een plaats die niet toegankelijk is voor het publiek. Uit de tekst en de parlementaire voorbereiding van de wet van 11 juli 1994, waarbij artikel 601bis in het Gerechtelijk Wetboek werd ingevoerd, blijkt dat volgens de wil van de wetgever, de politierechtbank bevoegd is om uitspraak te doen over elke vordering die verband houdt met de vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval. Voor een vordering tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval is vereist dat de schade veroorzaakt is in het verkeer, ongeacht of het ongeval zich heeft voorgedaan op terreinen die openstaan voor het publiek of op niet-openbare terreinen die openstaan voor een bepaald aantal personen. Die wetsbepaling strekt ertoe de bevoegdheid van de politierechtbank te verruimen tot alle ongevallen in het wegverkeer waarbij middelen van vervoer, voetgangers of de in het Wegverkeersreglement bedoelde dieren betrokken zijn. Het begrip "verkeersongeval" moet aldus in de brede betekenis van het woord worden opgevat. Een ongeval waarbij middelen van vervoer te land betrokken zijn, inzonderheid een motorfiets, en dat zich heeft voorgedaan op een niet-openbaar terrein dat evenwel openstaat voor een bepaald aantal personen, zoals een gesloten omloop voor motorcrosswedstrijden die evenwel toegankelijk is voor het publiek, is bijgevolg een verkeersongeval in de zin van artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek.
- Nu de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout in het bestreden vonnis van 15 februari 2002 vaststelt dat het geschil betrekking heeft op een ongeval waarbij de eisers beweren het slachtoffer te zijn geworden op 20 oktober 1996 tijdens een motorcrosswedstrijd te Vosselaar (vonnis, p. 2, in medio) en dat het ongeval veroorzaakt werd door een motor, tijdens een rit, op een gesloten circuit, voor een beperkt aantal deelnemers en toeschouwers (vonnis, p. 3, in fine), kon niet wettig worden beslist dat het geschil geen verkeersongeval in de zin van artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek betreft. De omstandigheid dat de wedstrijd tijdens welke het ongeval zich voordeed een gemotoriseerde snelheidswedstrijd betreft waar geen enkel principe van de wegcode op zich toepasselijk is, waarbij enkel de spelregels van de motorcross zelf en van de sportmanifestatie toepasselijk zijn en dat het intern rijgedrag tussen de piloten kennelijk afwijkt van wat de normale wegcode voorziet (vonnis, p. 4), doet geen afbreuk aan het feit dat het ongeval tijdens de motorcrosswedstrijd op een gesloten circuit voor een beperkt aantal deelnemers en toeschouwers een "verkeersongeval" uitmaakt. Door te beslissen dat de politierechtbank niet bevoegd was om van de vorderingen van eisers kennis te nemen, doch wel de rechtbank van eerste aanleg, om reden dat het geschil geen verkeersongeval betreft, schendt de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout aldus in het aangevochten vonnis van 15 februari 2002 artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 2, 3, 8 en 29bis, zoals van kracht vóór de wijziging bij wet van 19 januari 2001, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen; - de artikelen 19, 20, 21, 23, 24, 26, 28, 639 en 660 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Nadat de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout in het vonnis van 15 februari 2002 heeft beslist dat niet de politierechtbank, doch de rechtbank van eerste aanleg bevoegd is om van de vorderingen van eisers kennis te nemen en de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout bij beschikking van 29 maart 2002 de zaak bij toepassing van artikel 88 van het Gerechtelijk Wetboek naar de zesde kamer heeft verwezen, verklaart de zesde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout in het vonnis van 7 januari 2003 de vorderingen van de eisers, ertoe strekkende de NV Axa Belgium op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 te horen veroordelen tot vergoeding van de naar aanleiding van het ongeval van 20 oktober 1996 geleden schade, ontvankelijk doch ongegrond. De rechtbank stoelt deze beslissing op volgende gronden: "Bij vonnis van 14 november 2000 verklaarde de politierechter zich bevoegd en veroordeelde (de verweerders) solidair om aan de eisers een provisie te betalen. Tevens werd een deskundige aangesteld. Tegen dit vonnis werd bij verzoekschrift van 9 januari 2001 hoger beroep ingesteld door (de verweerders). Bij vonnis van de vierde kamer van 15 februari 2002 van deze Rechtbank (de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout), werd gesteld dat de politierechter niet bevoegd was. Gezien de beschikking van de voorzitter (Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout) van 29 maart 2002, waarbij de zaak bij toepassing van artikel 88 van het Gerechtelijk Wetboek voor verder gevolg werd verzonden naar deze kamer. Er wordt voorgehouden dat het in casu niet gaat om een verkeersongeval waarop de wegcode van toepassing is. De vaststaande feiten zijn zeer summier. (De eisers) zouden als toeschouwer achter de omheining hebben staan kijken naar een motorcrosswedstrijd, nadat zijzelf reeds gereden hadden. Op een bepaald ogenblik reed S. van het circuit af en kwam terecht tegen de toeschouwers. Artikel 29bis van de WAM-wet, NV Axa Belgium: De slachtoffers beroepen zich op artikel 29bis van de WAM-wet. Deze wet voorziet uitdrukkelijk dat sportmanifestaties dienen verzekerd te worden. Dit heeft evenwel niet voor gevolg dat ook artikel 29bis van toepassing is. De WAM-wet is slechts van toepassing op verkeersongevallen. In het vonnis van de vierde kamer van 15 februari 2002 werd uitdrukkelijk gesteld dat het in casu niet gaat om een verkeersongeval. Dat de rechtbank door dit vonnis is gebonden: het kan slechts worden aangevochten in graad van beroep. Er wordt in dat vonnis bepaald dat in casu de regels van de wegcode niet van toepassing zijn, enkel de spelregels van de wedstrijd zelf en dat het rijgedrag van de piloten kennelijk afwijkt van wat de wegcode voorziet. Er wordt in het vonnis uitdrukkelijk gesteld: 'Overwegende dat derhalve een motorcrosswedstrijd op een gesloten circuit in geen enkel geval kan beschouwd worden als een verkeerssituatie, derhalve geenszins een verkeersongeval is of (...) kan zijn'. Dat deze rechtbank dus enkel kan vaststellen dat er in casu geen sprake is van een verkeersongeval. Waar dit één van de essentiële voorwaarden is voor de toepassing van artikel 29bis van de WAM-wet, kan dit artikel niet worden toegepast. Er wordt voorgehouden dat het begrip 'verkeer' in de zin van artikel 29bis anders dient te worden geïnterpreteerd dan het begrip 'verkeer' zoals bedoeld in artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek. Voorwaarde voor de toepassing van artikel 29bis is en blijft in ieder geval dat het gaat om een ongeval dat zich in een verkeerssituatie voordoet. In voornoemd vonnis wordt uitdrukkelijk gesteld dat het in casu niet gaat om een verkeerssituatie, vaststelling waardoor deze rechtbank gebonden is. In casu is het wedstrijdelement belangrijker dan het 'verkeers'-element" (vonnis, p. 2 en 6). Grieven Eerste onderdeel 1.1 Artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek stelt dat het vonnis een eindvonnis is in zoverre daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt is uitgeput, behoudens de rechtsmiddelen bij de wet bepaald. De rechter pleegt machtsoverschrijding wanneer hij uitspraak doet over een geschilpunt dat bij hem niet meer aanhangig is omdat hij reeds vroeger in dezelfde zaak en tussen dezelfde partijen erover definitief uitspraak heeft gedaan. 1.2 Naar luid van de artikelen 20 en 21 van het Gerechtelijk Wetboek kan een eindbeslissing in de zin van artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek worden aangevochten door de bij de wet bepaald rechtsmiddelen. Zolang deze beslissing niet ongedaan is gemaakt, blijft het gezag van rechterlijk gewijsde, dat overeenkomstig artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek zich niet verder uitstrekt dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt, en dat krachtens artikel 24 van hetzelfde wetboek kleeft aan de beslissing vanaf de uitspraak, bestaan naar luid van artikel 26 van hetzelfde wetboek. Overeenkomstig artikel 28 van het Gerechtelijk Wetboek gaat iedere beslissing in kracht van gewijsde zodra zij niet meer voor verzet of hoger beroep vatbaar is, behoudens de in de wet bepaalde uitzonderingen en de gevolgen van de buitengewone rechtsmiddelen. 1.3 Luidens artikel 639 van het Gerechtelijk Wetboek, doet de rechter, voor wie de zaak aanhangig is gemaakt, uitspraak over de bevoegdheid, indien geen verwijzing naar de arrondissementsrechtbank wordt gevorderd op de door de verweerder voorgedragen exceptie van onbevoegdheid, en verwijst zonodig de zaak naar de bevoegde rechter, die hij aanwijst conform artikel 660, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Het tweede lid van voornoemd artikel 660 schrijft voor dat de beslissing de rechter bindt naar wie de vordering wordt verwezen, met dien verstande dat zijn recht om over de rechtsgrond van de zaak te oordelen, onverkort blijft. 1.4 De artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek verbieden de rechter de bewijskracht van een stuk, bijvoorbeeld van een vonnis, te miskennen door er een uitlegging aan te geven die volstrekt onverenigbaar is met de bewoordingen en de draagwijdte ervan. 2.1 Zoals uit de in het middel aangehaalde overwegingen blijkt, beslist de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout in het bestreden vonnis van 7 januari 2003 (p. 6) dat de WAM-wet slechts van toepassing is op verkeersongevallen, dat in het vonnis van de vierde kamer van 15 februari 2002 uitdrukkelijk werd gesteld dat het in casu niet gaat om een verkeersongeval en dat de rechtbank door dit vonnis gebonden is. In het vonnis van 15 februari 2002 besliste de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout, op grond van de redenen, aangehaald in het tweede middel tot cassatie onder de hoofding "aangevochten beslissing", die hier als uitdrukkelijk hernomen dienen te worden aangezien, uitspraak doende over haar bevoegdheid op grond van artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek, dat een motorcrosswedstrijd geen verkeer is in de zin van artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek, m.a.w. dat de vorderingen van de eisers geen betrekking hebben op een "verkeersongeval" in de zin van deze wettelijke bepaling. De rechtbank van eerste aanleg heeft zich in dit vonnis derhalve nog niet uitgesproken over de vraag of de vorderingen van eisers een "verkeersongeval" in de zin van de wet van 21 november 1989, meer bepaald van artikel 29bis van deze wet, betreffen. De rechtbank stelt overigens in het vonnis van 15 februari 2002 (p. 3, 'ten gronde', tweede alinea) uitdrukkelijk dat "op heden de rechtbank zich niet dient uit te spreken over het aspect in welke mate artikel 29bis van de WAM-wet toepasselijk kan zijn". 2.2 Bij de beoordeling, in het vonnis van 7 januari 2003, van de toepasselijkheid van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 was de rechtbank van eerste aanleg derhalve niet gebonden door het vonnis van 15 februari 2002, waarin werd gesteld dat het litigieuze ongeval geen verkeersongeval in de zin van artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek betreft, nu in dit laatste vonnis de rechtbank haar rechtsmacht omtrent de vraag of zich een verkeersongeval in de zin van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 heeft voorgedaan, niet heeft uitgeput. Door te beslissen dat de door de eisers op artikel 29 bis van de wet van 21 november 1989 gestoelde vorderingen niet gegrond zijn omdat reeds in het vonnis van 15 februari 2002 werd beslist dat deze vorderingen geen betrekking hebben op een verkeersongeval en de rechtbank hierdoor gebonden is, schendt de rechtbank derhalve artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek, evenals de artikelen 20, 21, 23, 24, 26 en 28 van het Gerechtelijk Wetboek. 2.3 Door te beslissen dat de door de eisers op artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 gestoelde vorderingen niet gegrond zijn omdat reeds in het vonnis van 15 februari 2002 werd beslist dat deze vorderingen geen betrekking hebben op een verkeersongeval en de rechtbank hierdoor gebonden is, terwijl de rechter naar wie de zaak door een andere rechter ingevolge een exceptie van onbevoegdheid is verwezen slechts gebonden is door de beslissing omtrent de bevoegdheid, doch onverkort zijn recht behoudt om over de rechtsgrond van de zaak te oordelen, schendt de rechtbank tevens de artikelen 639 en 660 van het Gerechtelijk Wetboek. 2.4 Minstens, in zoverre er zou dienen te worden aangenomen dat de rechtbank in het vonnis van 7 januari 2003 zou hebben beslist dat reeds in het vonnis van 15 februari 2002 werd geoordeeld dat de vorderingen van de eisers geen betrekking hebben op een verkeersongeval in de zin van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989, geeft de rechtbank in het vonnis van 7 januari 2003 aan het vonnis van 15 februari 2002 een met de bewoordingen en de draagwijdte ervan onverenigbare uitlegging en miskent de bewijskracht van dit vonnis van 15 februari 2002 (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Tweede onderdeel 3.1 Overeenkomstig artikel 2, ,§1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, worden motorrijtuigen alleen toegelaten tot het verkeer op de openbare weg en op de terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen, indien de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe zij aanleiding kunnen geven, gedekt is door een verzekeringsovereenkomst die aan de bepalingen van deze wet voldoet en waarvan de werking niet is geschorst. Luidens artikel 3, ,§1, van deze wet moet de verzekering waarborgen dat benadeelden schadeloos worden gesteld in geval van burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de eigenaar, van iedere houder of van iedere bestuurder van het verzekerde motorrijtuig, alsmede van degenen die daarin worden vervoerd en van de werkgever van bovengenoemde personen, wanneer dezen van alle aansprakelijkheid zijn ontheven krachtens artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, zulks met uitzondering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van hen die zich door diefstal, geweldpleging of heling de macht over het motorrijtuig hebben verschaft. Naar luid van artikel 8 van de wet van 21 november 1989 mag geen snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsrit of -wedstrijd voor motorrijtuigen worden georganiseerd dan met schriftelijke toestemming van een door de Koning aan te wijzen overheid, die moet vaststellen of de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de organisatoren en van de in artikel 3, ,§1, bedoelde personen gedekt is door een bijzondere verzekering die aan de bepalingen van deze wet voldoet. 3.2 Krachtens artikel 29bis van de wet van 21 november 1989, zoals van kracht vóór de wijziging bij wet van 19 januari 2001, wordt bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig betrokken is, met uitzondering van de stoffelijke schade, alle schade veroorzaakt aan elk slachtoffer of zijn rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, vergoed door de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de houder van het motorrijtuig overeenkomstig de wet.
- Uit de bewoording "verkeersongeval" in artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 en de titel van de wet "betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen" volgt dat de automatische schadevergoedingsplicht voor zogenaamde zwakke weggebruikers van toepassing is in de gevallen en op de plaatsen waar een verzekeringsplicht bestaat, namelijk, volgens het toepasselijk artikel van de wet van 21 november 1989, voor het verkeer op de openbare weg en op de terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen. Zoals de rechtbank vaststelt in het vonnis van 7 januari 2003 (p. 6, tweede zin) voorziet de wet van 21 november 1989 uitdrukkelijk dat sportmanifestaties dienen verzekerd te worden. Bij motorcrosswedstrijden bestaat, zoals volgt uit artikel 8 van de wet van 21 november 1989, een verzekeringsplicht. Bovendien vindt een motorcrosswedstrijd die toegankelijk is voor toeschouwers plaats op terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen in de zin van artikel 2 van de wet van 21 november 1989, zodat de automatische schadevergoedingsplicht voor de zogenaamde zwakke weggebruikers, voorzien in artikel 29bis van de wet van 21 november 1989, toepasselijk is bij ongevallen die zich voordoen bij dergelijke motorcrosswedstrijd.
- De rechtbank die vaststelt dat de vorderingen van de eisers tot vergoeding van de schade, geleden ingevolge een ongeval tijdens een motorcrosswedstrijd op 20 oktober 1996, waarbij zij als toeschouwers werden aangereden toen S. van het circuit afreed, geen betrekking hebben op een verkeersongeval zodat artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 geen toepassing vindt, schendt derhalve artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals van kracht vóór de wijziging bij wet van 19 januari 2001 en, voor zoveel als nodig, de artikelen 2, 3 en 8 van deze wet. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Artikel 1070 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechtbank van eerste aanleg die zitting houdt in tweede aanleg, zelf over de zaak beslist en daartegen hoger beroep openstaat indien het geschil tot haar bevoegdheid behoorde. De toepassing van voormelde bepaling onderstelt dat de rechtbank van eerste aanleg die zitting houdt in tweede aanleg, oordeelt dat zij bevoegd is om in eerste aanleg van de zaak kennis te nemen. Dit is het geval wanneer de rechtbank van eerste aanleg oordeelt, hetzij dat de eerste rechter zich ten onrechte bevoegd achtte, hetzij dat de eerste rechter zich terecht onbevoegd achtte terwijl zij zelf bevoegd is. Hoger beroep tegen deze beslissing is ontvankelijk, ongeacht de beoordeling aangaande de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg door het hof van beroep.
- Het arrest stelt vast dat: - de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout die zitting houdt in tweede aanleg, bij vonnis van 15 februari 2002 oordeelde dat de eerste rechter zich ten onrechte bevoegd achtte en dat zij bevoegd was om in eerste aanleg van de zaak kennis te nemen; - de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout bij vonnis van 7 januari 2003 over de zaak zelf heeft beslist; - de eisers tegen voormelde beslissingen hoger beroep hebben ingesteld. Vervolgens oordeelt het arrest dat de ontvankelijkheid van het hoger beroep afhangt van de eigen beoordeling door het hof van beroep aangaande de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg om al dan niet in eerste aanleg van de zaak kennis te nemen.
- Het arrest dat vervolgens oordeelt dat de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout niet bevoegd was om in eerste aanleg van de zaak kennis te nemen en dienvolgens beslist dat artikel 1070 van het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing is en dat het hoger beroep niet ontvankelijk is, schendt deze wetsbepaling.
- Het middel is in zoverre gegrond. Overige middelen
- Gelet op de vernietiging van het bestreden arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 9 maart 2005, vertonen het tweede en het derde middel, respectievelijk gericht tegen het vonnis van 15 februari 2002 en tegen het vonnis van 7 januari 2003 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout, geen belang meer. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Londers, Paul Maffei en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van 20 april 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060420.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090122.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970530.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div