← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060420.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006

Art.1288

,4° Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - VERBINDENDE KRACHT (NIET-UITVOERING) Vrije woorden: OVEREENKOMST - VERBINDENDE KRACHT (NIET-UITVOERING) Echtscheiding door onderlinge toestemming Voorafgaande overeenkomst Uitkering tot levensonderhoud Toepasselijke regels Wettelijke bepalingen:

Art.1288

,4° Thesaurus CAS: VERBINTENIS Vrije woorden: VERBINTENIS Verbintenis uit overeenkomst Echtscheiding door onderlinge toestemming Voorafgaande overeenkomst Uitkering tot levensonderhoud Toepasselijke regels Wettelijke bepalingen:

Art.1288,4° Fiches 4 - 5 De rechter mag de inhoud van een overeenkomst niet uit billijkheidsoverwegingen wijzigen

(1).
(1)Zie Cass., 3 feb. 1950, Arr. Verbr., 1950, 355. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - VERBINDENDE KRACHT (NIET-UITVOERING) Vrije woorden: OVEREENKOMST - VERBINDENDE KRACHT (NIET-UITVOERING) Wijziging Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen:

Art.1134

Thesaurus CAS: VERBINTENIS Vrije woorden: VERBINTENIS Verbintenis uit overeenkomst Wijziging Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen:

Art.1134

Fiches 6 - 7 De regel van de uitvoering te goeder trouw van de overeenkomst impliceert niet dat de schuldeiser, wanneer nieuwe en door partijen bij het sluiten van de overeenkomst niet voorziene omstandigheden de uitvoering ervan voor de schuldenaar bemoeilijken, de betaling van zijn schuldvordering niet kan vragen

(1).
(1)Cass., 14 april 1994, AR 9625, nr 177. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - Tussen partijen Vrije woorden: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - Tussen partijen Uitvoering te goeder trouw Nieuwe en niet voorziene omstandigheden Gevolgen Rechten van de schuldeiser Wettelijke bepalingen:

Art.1134

,derde Thesaurus CAS: VERBINTENIS Vrije woorden: VERBINTENIS Verbintenis uit overeenkomst Uitvoering te goeder trouw Nieuwe en niet voorziene omstandigheden Gevolgen Rechten van de schuldeiser Wettelijke bepalingen:

Art.1134,derde Tekst van de beslissing Nr.

C.03.0084.N D.E., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen R.J., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 10 oktober 2002 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1134, 1135, 1319, zoals gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 10 oktober 1967, 1320 en 1322, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek; - het algemeen beginsel inzake rechtsmisbruik; - de artikelen 774, tweede lid, 1042, 1138, 2°, 1287, zoals gewijzigd bij artikel 1 van de wet van 1 juli 1972 en in de versie van zowel vóór als na de wijzigingen door artikel 32 van de wet van 14 mei 1981 en artikel 26 van de wet van 30 juni 1994 en 1288, zoals vervangen door artikel 2 van de wet van 1 juli 1972 en in de versie van zowel vóór als na de wijzigingen, vervangingen en invoegingen bij respectievelijk artikel 27 van de wet van 30 juni 1994, artikel 17 van de wet van 13 april 1995 en artikel 11 van de wet van 20 mei 1997, in het bijzonder 1288, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen om de grenzen van het geschil te bepalen (het beschikkingsbeginsel); - het algemeen rechtsbeginsel krachtens hetwelk de rechter geen uitspraak mag doen over niet gevorderde zaken; - het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Aangevochten beslissingen In het bestreden vonnis van 10 oktober 2002 doet de rechtbank van eerste aanleg het vonnis van de vrederechter teniet en opnieuw wijzende, zegt het bestreden vonnis voor recht dat de onderhoudsuitkering, met inbegrip van de bedongen vergoeding voor bewoning, met ingang van 1 september 2000 wordt vastgesteld op 865,00 euro. Het bestreden vonnis zegt tevens voor recht dat het voormelde bedrag gekoppeld is aan de schommelingen van de gezondheidsindex, met als basis het indexcijfer van de maand augustus 2000, jaarlijks aanpasbaar in september en voor het eerst per 1 september

  1. Het veroordeelt de eiseres voorts tot de gedingkosten van de beide instanties. Die beslissingen neemt de rechtbank van eerste aanleg op de volgende gronden: "
  2. Beoordeling: 5.
  3. De onderhoudsuitkering die in de akte voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming (E.O.T.) tussen echtgenoten wordt opgenomen overeenkomstig artikel 1288, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek dient niet als een wettelijke alimentatieschuld, maar als een conventionele uitkering te worden gekwalificeerd. Een dergelijke alimentatie volgt immers niet uit een wettelijke verplichting nu artikel 1288, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek enkel bepaalt dat de echtgenoten het bedrag van de eventuele uitkering tussen hen in een schriftelijke overeenkomst dienen vast te leggen. Bijgevolg kunnen de echtgenoten een onderhoudsuitkering bedingen, doch daartoe bestaat geen verplichting. De overeenkomst omtrent de onderhoudsuitkering tussen echtgenoten in het kader van een echtscheiding door onderlinge toestemming is uitsluitend onderworpen aan de regels betreffende de overeenkomsten (Cass., 21 juni 1991, Rev. Trim. Dr. Fam., 1987, 430). De fundamentele regel van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek dat voorziet dat de wettig aangegane overeenkomst de partijen tot wet strekt, kan niet eenzijdig worden gewijzigd en dient te goeder trouw te worden uitgevoerd, is van toepassing. 5.
  4. De principes van de wilsautonomie en de onherroepelijkheid van rechtsgeldig afgesloten overeenkomsten zijn evenwel niet immuun voor de eisen van redelijkheid en billijkheid. De regel kan niet worden verheven tot een dogma en het gebod van de goede trouw aan het gegeven woord mag niet dienen als een vrijbrief voor onredelijk gedrag. Ofschoon rechtszekerheid contractuele stabiliteit vereist, wordt er in dit verband door meerdere auteurs op gewezen dat zulks een zaak is van de beide contractanten en aldus in ruime mate afhangt van de instandhouding van de objectieve voorwaarden die de totstandkoming van de overeenkomst hebben beheerst. De contractpraktijk bevestigt dat overeenkomsten niet mogen losgekoppeld worden van de sociaal-economische context waarin zij werden gesloten en die ook de bindende kracht ervan rechtvaardigt. Partijen zijn slechts gehouden tot hetgeen zij, gegeven de concrete sociale context, naar redelijkheid en billijkheid van elkaar mochten verwachten, en niet noodzakelijk tot hetgeen zij subjectief hebben gewild (Alain Verbeke: "De bindende kracht van de overeenkomst over de onderhoudsuitkering tussen echtgenoten bij echtscheiding door onderlinge toestemming", T. Not., 1992, p. 262 nr. 13 in fine). Bij een essentiële wijziging van dit sociaal-economisch kader is de ratio legis van de 'pacta sunt servanda'-regel niet meer voorhanden en wordt de partijautonomie, noch de rechtszekerheid geweld aangedaan indien het contract wordt aangepast aan de gewijzigde omstandigheden (Joan Dubaere: 'Een brug over troebel water', R.W. 1988-89, 1417 e.v.). 5.
  5. Bij onvoorzienbare omstandigheden dient de vraag te worden gesteld wat de partijen op het vlak van de uitvoering van de overeenkomst mogen verwachten. Naar geldend recht kan zowel de oplossing als de juridische fundering van de imprevisieleer gevonden worden in de vereiste van de goede trouw, zoals bepaald bij artikel 1134, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Zowel in de rechtspraak als in de rechtsleer wordt aangenomen dat de goede trouw niet louter een interpretatieregel is, maar ook een gedragsregel formuleert en dat aan de 'goede trouw'-vereiste een beperkende en derogerende werking dient te worden verleend, waardoor het de rechter in bepaalde gevallen toekomt regulerend op te treden. Deze beperkende werking van de goede trouw mag niet voorgesteld worden als een onwettige inbreuk op de partijautonomie. Niet de rechter eigent zich hier immers de bevoegdheid toe de contractinhoud te wijzigen, maar de toepassing van het objectieve recht - waarvan de goede trouw deel uitmaakt - leidt tot een wijziging van de contractuele rechten en verplichtingen (Joan Dubaere, o.c., p. 1422 nr. 17; F. Baert: 'De goede trouw bij de uitvoering van overeenkomsten', R. W. 1956-57, 508). De beperkende werking van deze objectieve goede trouw laat de rechter derhalve toe vorderingsrechten te beperken indien zij onverenigbaar worden geacht hetzij met het gedrag van een normaal voorzichtig en redelijk schuldeiser, hetzij met de gedragsregel in functie van de actuele feitelijke omstandigheden, de actuele maatschappelijke behoeften en waardeoordelen, had moeten worden nageleefd. Ook de overeenkomst over de onderhoudsuitkering tussen echtgenoten na E.O.T. kan op deze wijze beperkt worden. De objectieve norm van de goede trouw kan onder bepaalde omstandigheden met zich meebrengen dat de rechter de overeenkomst zo uitlegt dat het onbetamelijk is om de alimentatie in alle situaties onverkort op te vorderen en dat dit niet de bedoeling kan zijn geweest van de echtgenoten ten tijde van de redactie van de overeenkomst (Caroline Jonckers: "De onwijzigbaarheid van de uitkering tussen 'echtgenoten na E.O.T.: vaststaand feit of verleden tijd ?', A. J. T., " 2001-02, p. 60). 5.
  6. ln casu beroept (de verweerder) zich op de imprevisieleer omwille van de totstandkoming van diverse wetten en onvoorzienbare omstandigheden die een onmiddellijke en belangrijke impact hadden op zijn inkomen. Naar het oordeel van de rechtbank vormen de door (de verweerder) ingeroepen wet Maisnil, de crisisbelasting die naderhand werd geheven op zijn inkomen, de koninklijke besluiten uit hoofde waarvan twee spilindexen werden overgeslagen, de invoering van de gezondheidsindex, de overplaatsing van (de verweerder) naar Duitsland waardoor hij zijn privé-cliënteel diende prijs te geven (met het verlies van alle daaraan verbonden pecuniaire en fiscale voordelen tot gevolg), alsmede het verlies van de verdiensten uit schoolonderzoek ingevolge de herstructurering van het PMS, onbetwistbaar factoren die geen van de partijen bij het afsluiten van de onderliggende overeenkomst in 1977 redelijkerwijze kon voorzien en waarmede in illo tempore per definitie evenmin rekening kon worden gehouden bij de begroting van de onderhoudsuitkering ten voordele van (eiseres). Al deze omstandigheden hebben onbetwistbaar - rechtstreeks of onrechtstreeks, in mindere of in meerdere mate en indien niet afzonderlijk dan in elk geval gezamenlijk - een relevante impact gehad op de evolutie van het inkomen van (verweerder) en kunnen als dusdanig bezwaarlijk worden gerekend tot de normale risico's van het gesloten contract. 5.
  7. Teneinde een zinvolle vergelijking te kunnen maken inzake de verhouding tussen de inkomsten van (de verweerder) en de onderhoudsbijdragen ten gunste van (de eiseres) dient de periode in rekening te worden gebracht gedurende dewelke (de verweerder), behoudens zijn wedde als militair, tevens inkomsten genoot uit hoofde van de uitoefening van het vrij beroep van dokter. Het is immers in functie van deze feitelijke situatie dat de onderhoudsbijdrage ten voordele van (de eiseres) in 1977 door de partijen werd vastgesteld. Hierbij dient tevens rekening te worden gehouden met het voordeel in natura in hoofde van (de eiseres) inzake de kosteloze bewoning van het eigen goed van (de verweerder), dat door de partijen uitdrukkelijk werd bedongen doch pas in 1991 cijfermatig concreet werd begroot op 13.500 BEF (334,66 euro) per maand. Uit de voorhanden zijnde aanslagbiljetten in de personenbelasting van (de verweerder) (inkomsten 1983 tot en met 1987) kan worden opgemaakt dat de onderhoudsbijdrage alsdan ongeveer 30 pct. bedroeg van zijn toenmalig inkomen. Actueel geniet (de verweerder) maandelijks een rustpensioen van 94.765 BEF (2.349,16 euro), meer een vergoeding als werkend vennoot bij de firma Transport Ruyssen ad 8.000 BEF (198,31 euro) en inkomsten uit PMS-onderzoek ten bedrag van 7.000 BEF (173,53 euro). Ingevolge de herstructurering bij het PMS geniet (de verweerder) de laatst vermelde inkomsten niet meer sedert 1 september
  8. De totale aan (de eiseres) verschuldigde onderhoudsbijdrage bedraagt actueel 58.861 BEF (1.459,13 euro) hetgeen bijna 58 pct. vertegenwoordigt van het inkomen van (de verweerder). ln de gegeven omstandigheden dient besloten te worden dat het initiële contractuele evenwicht volledig is verstoord derwijze dat bij een onverkorte uitvoering ervan een te grote onevenredigheid ontstaat tussen het belang dat wordt gediend en het belang van de medecontractant dat wordt geschaad, hetgeen niet de bedoeling kan geweest zijn van de partijen ten tijde van de redactie van de akte E.O.T. 5.
  9. ln acht genomen alle hoger vermelde omstandigheden komt het passend en billijk voor de uitkering ten voordele van (de eiseres) met inbegrip van de vergoeding voor bewoning, met ingang van 1 september 2000 te herleiden tot 865,00 euro (34.894 BEF) per maand. Dit bedrag wordt gekoppeld aan de schommelingen van de gezondheidsindex met als basis het indexcijfer van de maand augustus 2000, jaarlijks aanpasbaar in september en voor het eerst op 1 september 2001". (folio 1786, tweede alinea, tot en met folio 1788, voorlaatste alinea, van het bestreden vonnis). Grieven Het bestreden vonnis stelt vast dat de partijen uit de echt zijn gescheiden door onderlinge toestemming en dat de akte tot regeling van hun wederzijdse rechten werd opgemaakt ter studie van notaris F.V. op 22 maart
  10. Het stelt eveneens vast dat in die akte onder meer is bepaald dat de verweerder aan de eiseres een maandelijkse, geïndexeerde onderhoudsbijdrage zou betalen van 20.000 BEF (495,79 euro), dat eiseres in de woning gelegen te D. - het betreft een eigen goed van verweerder - kon verblijven zonder vergoeding zolang de eiseres geen nieuw huwelijk aanging en dat wanneer de eiseres die woning zou verlaten, de verweerder alsdan vrij over zijn eigendom kon beschikken mits aan de eiseres een vergoeding te betalen gelijk aan de huurprijs voor een gelijkaardig huis (punt 1.2, folio 1779, in fine, en folio` 1780, i.c. van het bestreden vonnis). Het bestreden vonnis stelt voorts vast dat de partijen in het kader van een procedure voor de vrederechter op 29 mei 1991 een akkoordconclusie neerlegden blijkens dewelke zij overeenkwamen de vergoeding voor een gelijkaardige woning te begroten op 13.500 BEF (334,66 euro) vanaf 1 januari 1991, aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer, dat die vergoeding het karakter heeft van een uitkering zoals bepaald in artikel 1288,4°, van het Gerechtelijk Wetboek en dat het akkoord bij vonnis van de vrederechter van het zevende kanton te Gent van 4 november 1991 werd bekrachtigd en uitvoerbaar verklaard (punt 3, folio 1780 van het vonnis - zie ook blz. 2, onderaan, - 3, van de door eiseres regelmatig op 13 december 2001 ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg neergelegde conclusie in beroep). 1.1.Eerste onderdeel Het in deze zaak toepasselijke artikel 1287, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt onder meer dat de echtgenoten die besloten zijn tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, vooraf hun wederzijdse rechten waaromtrent het hun evenwel vrij staat een vergelijk te treffen, moeten regelen. De overeenkomst die wordt gesloten tussen twee echtgenoten die door onderlinge toestemming uit de echt willen scheiden en waarbij, op grond van artikel 1288, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek, de ene de verplichting op zich neemt aan de andere een uitkering tot levensonderhoud, die geen alimentaire schuld is, te betalen, is uitsluitend aan de regels betreffende de overeenkomsten onderworpen. Krachtens artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek strekken wettig aangegane overeenkomsten de partijen tot wet en kunnen zij niet worden herroepen dan met hun wederzijdse toestemming of op de gronden door de wet erkend. Zij moeten te goeder trouw worden ten uitvoer gebracht. Hieruit volgt dat het de rechter niet is toegestaan de inhoud van een overeenkomst uit billijkheidsoverwegingen te wijzigen. De regel van de uitvoering te goeder trouw impliceert niet dat de schuldeiser geen betaling van zijn schuldvordering kan vragen wanneer nieuwe en door de partijen niet voorziene omstandigheden de uitvoering van de overeenkomst voor de schuldenaar bemoeilijken. Het bestreden vonnis wijst op het gegeven dat de verweerder zich beroept op de zogenaamde "imprevisieleer" en stelt vast dat een reeks omstandigheden een relevante impact hebben gehad op de evolutie van het inkomen van de verweerder en als dusdanig bezwaarlijk kunnen worden gerekend tot de normale risico's van het gesloten contract. Het stelt vast dat de onderhoudsbijdrage van de verweerder aanvankelijk ongeveer 30 pct. van zijn inkomen bedroeg en actueel bijna 58 pct. van zijn inkomen vertegenwoordigt. Het bestreden vonnis overweegt dat in de gegeven omstandigheden dient besloten te worden dat het initiële contractuele evenwicht volledig is verstoord, het wijst een onverkorte uitvoering van de overeenkomst af en reduceert de overeengekomen uitkering ten voordele van de eiseres. Het bestreden vonnis beslist aldus in essentie dat wanneer ten gevolge van nieuwe gebeurtenissen die de partijen bij het sluiten van de overeenkomst niet hadden voorzien, de uitvoering van de overeenkomst voor de schuldenaar uitermate moeilijk wordt, de rechtbank de vordering van de schuldeiser kan verminderen. Het bestreden vonnis stelt niet vast dat de uitvoering van de overeenkomst onmogelijk was geworden, noch dat de partijen in hun overeenkomst de mogelijkheid van herziening bij veranderende omstandigheden hebben bedongen, noch dat de eiseres misbruik zou hebben gemaakt van haar recht. Door aan te nemen dat de verbindende kracht van de aan de echtscheiding voorafgaande overeenkomst, inbegrepen de overeenkomst omtrent de vergoeding voor bewoning, ter discussie wordt gesteld op grond dat, wegens onvoorziene omstandigheden, de verweerder een beduidend groter aandeel van zijn inkomen aan onderhoudsbijdrage dient te besteden dan toen de genoemde overeenkomst werd gesloten, schendt het bestreden vonnis de artikelen 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek en 1288 van het Gerechtelijk Wetboek. De wijzigingen die aan artikel 1288, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek werden aangebracht door de wetten van 30 juni 1994 en van 20 mei 1997 maken (enkel) een herziening bij gewijzigde omstandigheden door de rechter mogelijk van de voorafgaande overeenkomst wat de kinderen betreft. Die wetswijzigingen bevestigen en versterken aldus wat hierboven werd uiteengezet met betrekking tot de overeenkomst over een uitkering door de ene echtgenoot te betalen aan de andere. Aldus kan het bestreden vonnis niet wettig de onderhoudsuitkering, met inbegrip van de bedongen vergoeding voor bewoning, met ingang van 1 september 2000 bepalen op 865,00 euro, gekoppeld aan de schommelingen van de gezondheidsindex, met als basis het indexcijfer van de maand augustus 2000, jaarlijks aanpasbaar in september en voor het eerst per 1 september 2001 (schending van de artikelen 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek, 1287, zoals gewijzigd bij artikel 1 van de wet van 1 juli 1972 en in de versie van zowel vóór als na de wijzigingen door artikel 32 van de wet van 14 mei 1981 en artikel 26 van de wet van 30 juni 1994 en 1 288, zoals vervangen door artikel 2 van de wet van 1 juli 1972 en in de versie van zowel vóór als na de wijzigingen, vervangingen en invoegingen bij respectievelijk artikel 27 van de wet van 30 juni 1994, artikel 17 van de wet van 13 april 1995 en artikel 11 van de wet van 20 mei 1997, in het bijzonder 1288, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, van het algemeen beginsel inzake rechtsmisbruik). 2.1.Tweede onderdeel Het bestreden vonnis overweegt dat "De objectieve norm van de goede trouw (...) onder bepaalde omstandigheden met zich (kan) meebrengen dat de rechter de overeenkomst zo uitlegt dat het onbetamelijk is om de alimentatie in alle situaties onverkort op te vorderen en dat dit niet de bedoeling kan zijn geweest van de echtgenoten ten tijde van de redactie van de overeenkomst" (punt 5.3, tweede alinea, folio 1787, derde alinea, van het bestreden vonnis). Voorts stelt het bestreden vonnis dat "In de gegeven omstandigheden dient besloten te worden dat het initiële contractuele evenwicht volledig is verstoord, derwijze dat bij een onverkorte uitvoering ervan een te grote onevenredigheid ontstaat tussen het belang dat wordt gediend en het belang van de medecontractant dat wordt geschaad, hetgeen niet de bedoeling kan geweest zijn van de partijen ten tijde van de redactie van de akte E.O.T." (punt 5.5, derde alinea, folio 1788, vierde alinea, van het bestreden vonnis). In zoverre het bestreden vonnis aldus beslist dat de partijen in hun voorafgaande overeenkomst aan de echtscheiding door onderlinge toestemming, inbegrepen hun overeenkomst omtrent de vergoeding voor bewoning, zouden overeengekomen zijn dat de onderhoudsplicht van de verweerder niet in alle omstandigheden, in het bijzonder wanneer het contractuele evenwicht is verstoord, onverkort geldt, miskent het bestreden vonnis de bewijskracht van die overeenkomsten en de verbindende kracht ervan. Inderdaad, uit de bewoordingen van de overeenkomst voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming, inbegrepen de overeenkomst omtrent de vergoeding voor bewoning, blijkt, anders dan wat het bestreden vonnis desbetreffend overweegt, niet dat de partijen dat zijn overeengekomen. In zoverre het zijn beslissing op die redenen steunt, miskent het bestreden vonnis dan ook de verbindende kracht van de overeenkomst(en) en geeft aan de overeenkomst(en) een uitleg die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan. Aldus kan het bestreden vonnis niet wettig de onderhoudsuitkering, met inbegrip van de bedongen vergoeding voor bewoning, met ingang van 1 september 2000 bepalen op 865,00 euro, gekoppeld aan de schommelingen van de gezondheidsindex, met als basis het indexcijfer van de maand augustus 2000, jaarlijks aanpasbaar in september en voor het eerst per 1 september 2001 (schending van de artikelen 1134, 1135, 1319, zoals gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 10 oktober 1967, 1320, 1322, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, 1287, zoals gewijzigd bij artikel 1 van de wet van 1 juli 1972 en in de versie zowel vóór als na de wijzigingen door artikel 32 van de wet van 14 mei 1981 en artikel 26 van de wet van 30 juni 1994 en 1288, zoals vervangen door artikel 2 van de wet van 1 juli 1972 en zowel in de versie vóór als na de wijzigingen, vervangingen en invoegingen bij respectievelijk artikel 27 van de wet van 30 juni 1994, artikel 17 van de wet van 13 april 1995 en artikel 11 van de wet van 20 mei 1997, in het bijzonder 1288, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek). 3.1.Derde onderdeel Het bestreden vonnis stelt dat "bij een onverkorte uitvoering van de overeenkomst een te grote onevenwichtigheid ontstaat tussen het belang dat wordt gediend en het belang van de medecontractant dat wordt geschaad" (punt 5.5, derde alinea, folio 1788, vierde alinea, van het bestreden vonnis). In zoverre het bestreden vonnis daardoor beslist dat de eiseres misbruik van recht maakt door onverkorte uitvoering van de overeenkomst(en) te eisen, treedt het daarmee buiten de perken van de betwisting aangebracht door de partijen. Inderdaad, verweerder heeft in zijn conclusies in beroep nergens aangevoerd dat de eiseres rechtsmisbruik pleegt. Hoewel de rechter ten gronde gehouden is de toepasbare rechtsregels toe te passen op de door de partijen aan zijn beoordeling voorgelegde elementen, heeft hij eveneens de verplichting het recht van verdediging te respecteren. Hij kan een vordering niet verwerpen of toewijzen op basis van misbruik van recht indien die rechtsgrond niet werd ingeroepen door de partijen. Krachtens artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek mag de rechter geen uitspraak doen over niet gevorderde zaken. In die wetsbepaling is het beginsel van de autonomie van de procespartijen, ook het beschikkingsbeginsel (genoemd), neergelegd. In zoverre het bestreden vonnis de vermindering van de onderhoudsbijdrage, inbegrepen de vergoeding voor bewoning, reduceert op grond van rechtsmisbruik, miskent het bestreden vonnis dan ook het recht van verdediging van eiseres. Aldus kan het bestreden vonnis niet wettig de onderhoudsuitkering, met inbegrip van de bedongen vergoeding voor bewoning, met ingang van 1 september 2000 bepalen op 865,00 euro, gekoppeld aan de schommelingen van de gezondheidsindex, met als basis het indexcijfer van de maand augustus 2000, jaarlijks aanpasbaar in september en voor het eerst per 1 september 2001 (schending van het algemeen beginsel inzake rechtsmisbruik, van de artikelen 774, tweede lid, 1042 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen om de grenzen van het geschil te bepalen - ook het beschikkingsbeginsel genaamd -, het algemeen rechtsbeginsel krachtens hetwelk de rechter geen uitspraak mag doen over niet gevorderde zaken en het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  11. De overeenkomst gesloten op grond van artikel 1288, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek, waarbij de ene echtgenoot zich ertoe verbindt om de andere een uitkering tot levensonderhoud, die geen wettelijke alimentatieschuld is, te betalen, is uitsluitend onderworpen aan de regels van het verbintenissenrecht.
  12. De wettelijke aangegane overeenkomst strekt de partijen tot wet en kan alleen worden herroepen met hun wederzijdse toestemming of op gronden door de wet erkend. Zij dienen te goeder trouw en zonder misbruik van recht te worden uitgevoerd. Hieruit volgt dat de rechter de inhoud van een overeenkomst niet uit billijkheidsoverwegingen mag wijzigen. (De regel van de uitvoering ter goeder trouw impliceert niet dat de schuldeiser, wanneer nieuwe en door de partijen bij het sluiten van de overeenkomst niet voorziene omstandigheden de uitvoering voor de schuldenaar bemoeilijken, de betaling van zijn schuldvordering niet kan vragen). x
  13. De appelrechters oordelen dat de door de verweerder ingeroepen omstandigheden waardoor zijn inkomen is gedaald, "onbetwistbaar factoren (vormen) die geen van de partijen bij het afsluiten van de onderliggende overeenkomst in 1977 redelijkerwijze kon voorzien en waarmede in illo tempore per definitie evenmin rekening kon worden gehouden bij de begroting van de onderhoudsuitkering ten voordele van (de eiseres)" en dat "al deze omstandigheden onbetwistbaar rechtstreeks of onrechtstreeks, in mindere of in meerdere mate en indien niet afzonderlijk dan in elk geval gezamenlijk een relevante impact (hebben) gehad op de evolutie van het inkomen van (de verweerder) en (...) als dusdanig bezwaarlijk (kunnen) worden gerekend tot de normale risico's van het gesloten contract". De appelrechters stellen vervolgens vast dat: - bij het afsluiten van de overeenkomst in 1977, de onderhoudsbijdrage ten voordele van de eiseres ongeveer 30 pct. bedroeg van het toenmalig inkomen van de verweerder; - de totale aan de eiseres verschuldigde onderhoudsbijdrage actueel 58 pct. vertegenwoordigt van het inkomen van de verweerder. Op grond hiervan oordelen de appelrechters dat "in de gegeven omstandigheden dient besloten te worden dat het initiële contractuele evenwicht volledig is verstoord derwijze dat bij een onverkorte uitvoering ervan een te grote onevenredigheid ontstaat tussen het belang dat wordt gediend en het belang van de medecontractant dat wordt geschaad, hetgeen niet de bedoeling kan geweest zijn van de partijen ten tijde van de redactie van de akte E.O.T.". Vervolgens verminderen zij de uitkering tot levensonderhoud ten voordele van de eiseres.
  14. Het bestreden vonnis beslist aldus dat, wanneer ingevolge nieuwe omstandigheden die de partijen bij het sluiten van de overeenkomst niet hadden voorzien, de uitvoering van de overeenkomst voor de schuldenaar aanzienlijk moeilijker wordt, de goede trouw vereist dat de schuldeiser zijn vordering vermindert en dat, bij gebreke zulks vrijwillig te doen, de rechter de vordering kan verminderen. Het bestreden vonnis beslist echter niet dat de uitvoering van de overeenkomst onmogelijk was geworden, noch dat de partijen in hun overeenkomst de mogelijkheid van herziening ervan hebben voorzien, noch dat de eiseres misbruik heeft gemaakt van haar recht.
  15. Door te oordelen dat de verbindende kracht van de aan de echtscheiding voorafgaande overeenkomst opnieuw ter discussie wordt gesteld op grond dat het inkomen van de verweerder, ingevolge onvoorziene omstandigheden, beduidend lager was dan toen de genoemde overeenkomst werd gesloten, schendt het bestreden vonnis artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek.
  16. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  17. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre het hoger beroep ontvankelijk wordt verklaard. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde, zitting houdende in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Londers, Paul Maffei en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van 20 april 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. x Noot : Tekst van paragraaf 3 van randnumer 2 van de Beslissing van het Hof werd vervangen in uitvoering van het verbeterend arrest dd. 29 juni 2006 A.R. C.06.0276.N. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060420.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120628.11 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251020.3N.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000616.10 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120907.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161125.1 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251127.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.