← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060421.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060421.11 Rolnummer: C.04.0614.N Kamer: 1N + Eerste Kamer + Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2006-12-22 Raadplegingen: 564 - laatst gezien 2026-07-03 21:15 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De Belgische Staat is aansprakelijk voor de fout die de rechter-commissaris in het raam van zijn toezichtsbevoegdheid begaat en die schade veroorzaakt. Deze fout moet worden beoordeeld in verhouding tot de redelijkerwijze zorgvuldige en vooruitziende rechter-commissaris die in dezelfde omstandigheden verkeert

(1).
(1)Zie Cass., 19 dec. 1991, AR 8970, nr 215 met de concl van eerste adv.-gen. VELU in Pas., 1992; Cass., 8 dec. 1994, AR C.93.0303.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941208.10, nr 541; R.W., 1995-96, 181, met noot VAN OEVELEN A.; VAN OEVELEN A., "De aansprakelijkheid van de Staat voor ambtsfouten van magistraten en de orgaantheorie na het Anca-arrest van het Hof van cassatie van 19 dec. 1991". R.W., 1992-93, 377-396; COLLE P., "Het Statuut en de prerogatieven van de rechter-commissaris in het faillissement" in Liber Amicorum Paul De Vroede, I, Diegem, Kluwer, 1994, 275-298; VEROUGSTRAETE I., Manuel de la faillite et du concordat, Diegem, Kluwer, 2003, p. 280, nr 422. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout Vrije woorden: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout Faillissement Fout van een rechter-commissaris Staat Aansprakelijkheid Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.1382en13 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Staat. Overheid Vrije woorden: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Staat. Overheid Faillissement Fout van een rechter-commissaris Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.1382en13 Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - ALLERLEI Vrije woorden: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - ALLERLEI Rechter-commissaris Fout in de toezichtsbevoegdheid Staat Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.1382en13 Fiches 4 - 5 De algemene toezichtsplicht die rust op de rechter-commissaris impliceert dat hij er op toeziet, in het belang van de failliet en de schuldeisers, dat de curator de wettelijke verplichtingen naleeft die in het bijzonder het goede beheer en de correcte vereffening van het faillissement moeten waarborgen
(1). De beoordeling van die toezichtsplicht door de feitenrechter is onaantastbaar, in de mate de door hem vastgestelde feiten zijn oordeel kunnen staven.
(1)VEROUGSTRAETE I., Manuel de la faillite et du concordat, Diegem, Kluwer, 2003, p. 278, nr
  1. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - ALLERLEI Vrije woorden: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - ALLERLEI Rechter-commissaris Toezichtsplicht Inhoud Beoordeling Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Faillissement Rechter-commissaris Toezichtsplicht Inhoud Beoordeling Tekst van de beslissing Nr. C.04.0614.N V.B. P., eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, met kabinet te 1000 Brussel, Waterloolaan 115, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 6 september 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. II. FEITEN Bij vonnissen van 3 en 29 april 1980 verklaart de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen de NV Alfons Van Broekhoven, de NV Qualinvest en Paul Van Broekhoven failliet, waarbij telkens Mr. C. Dehennin als curator en F. Donckerwolcke als rechter-commissaris worden aangesteld. Bij vonnissen van 24 juni 1982 wordt Mr. C. Dehennin als curator vervangen door Mr. W. Smets in de faillissementen van de NV Alfons Van Broekhoven en Paul Van Broekhoven door Mr. L. D. in het faillissement van de NV Qualinvest. Bij vonnis van 15 december 1982 wordt F. Donckerwolcke als rechter-commissaris vervangen door een andere rechter in handelszaken. Bij vonnis van 3 april 1984 veroordeelt de Correctionele Rechtbank te Antwerpen Paul Van Broekhoven wegens vermenging van activa en vermogen met de NV Alfons Van Broekhoven en de NV Qualinvest, het uitschrijven van cheques zonder dekking, de niet-tijdige aangifte van faillissement en het houden van een onvolledige en onwettige boekhouding. Op 9 mei 1985 wordt het faillissement van de NV Qualinvest afgesloten 'bij ontoereikend actief'. Bij vonnis van 23 juni 1986 veroordeelt de Correctionele Rechtbank te Antwerpen Mr. C. Dehennin wegens verduistering van gelden (ten bedrage van 9.076.894 BEF) die hij als curator beheerde en wegens ontrouw, onder meer inzake de faillissementen van de NV Alfons Van Broekhoven, de NV Qualinvest en Paul Van Broekhoven; dit vonnis wordt, na verzet, bevestigd bij vonnis van 30 mei
  2. Op 27 mei 1993 worden de faillissementen van de NV Alfons Van Broekhoven en Paul Van Broekhoven afgesloten 'wegens vereffening'. Bij arrest van 21 oktober 1996 kent het Hof van beroep eerherstel toe aan Paul Van Broekhoven. Het Hof overweegt hierbij onder meer dat, indien de door Mr. C Dehennin gepleegde verduisteringen niet zouden zijn begaan, de drie samenhangende faillissementen zouden zijn afgesloten met een actief van 7.726.444 BEF. Bij dagvaarding van 11 februari 1998 vordert de eiser tegen de verweerder een vergoeding van de materiële en morele schade ingevolge het gebrekkige toezicht van rechter-commissaris F. Donckerwolcke. Bij vonnis van 2 november 2000 verklaart de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel deze vordering (gedeeltelijk) gegrond ten bedrage van 2.000.000 BEF met vergoedende interest. Bij het thans bestreden arrest van 6 september 2004 verklaart de appelrechter de vordering ongegrond. III. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 459, 462, 463, 470, 479, 528 en 561 van het Wetboek van Koophandel, Boek III, zoals ingevoegd door de Faillissementswet van 18 april 1851 en zoals van toepassing vóór de opheffing ervan door artikel 149 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997; - de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De eiser komt op tegen het bestreden arrest in zoverre hierbij de verweerders hoger beroep gegrond heeft verklaard, het bestreden vonnis wordt vernietigd in de mate dat het de oorspronkelijke hoofdvordering deels gegrond verklaard en, opnieuw rechtsprekende, de initiële hoofdvordering van de eisers - die ertoe strekte de verweerder te doen veroordelen tot het vergoeden van de schade die door de rechter-commissaris was veroorzaakt naar aanleiding van diens gebrekkige toezicht op de afhandeling van de drie faillissementen waarbij de eiser belanghebbende partij was - volledig ongegrond wordt verklaard. De appelrechter steunt daarbij op de volgende overwegingen: " (...) (De eiser) dient te bewijzen dat Fritz Donckerwolcke, in zijn hoedanigheid van rechter-commissaris in de faillissementen (van) NV Alfons Van Broekhoven, (van) NV Qualinvest en (van de eiser persoonlijk), niet heeft gehandeld zoals een normaal voorzichtig rechter-commissaris redelijkerwijze zou hebben gehandeld in dezelfde feitelijke omstandigheden. (...) Uit de faillissementsvonnissen blijkt dat de drie faillissementen met elkaar verbonden waren, doordat (de eiser) die aandeelhouder en afgevaardigd beheerder was in de twee vennootschappen, de voorraad en het personeel van NV Alfons Van Broekhoven had overgedragen deels aan NV Qualinvest en deels aan (de eiser), waardoor deze twee laatsten schuldenaars werden van NV Alfons Van Broekhoven. Uit het verzoekschrift dat de curator binnen de week na de besvestiging van het faillissement van (de eiser) neerlegde, blijkt dat hij diligent is opgetreden, en uit de vermeldingen in zijn verzoekschrift tot verlenging van de machtiging tot verderzetting van de handelsactiviteiten blijkt dat zijn verzoek en de machtiging hadden bijgedragen tot de realisatie van activa, in die mate dat de rechtbank deze verderzetting verlengde tot 31 december
  3. (...) Uit de briefwisseling en uit de verslagen van V.D.S. blijkt dat de curator zich liet bijstaan door een accountant. (...) Uit de verslagen van V.D.S. blijkt dat de geldtransferten gebeurden tussen verschillende rekeningen. (...) Uit het verslag van D. blijkt dat het vertrouwen van parket en rechter-commissaris in de curator zeer groot moet zijn geweest. (...) In die omstandigheden is het niet onredelijk dat Fritz Donckerwolcke in zijn hoedanigheid van rechter-commissaris, geen bijzonder toezicht nodig achtte, bovenop en buiten zijn algemene, in de wet voorziene toezichtsplicht. Deze algemene wettelijke toezichtsplicht noopt hem ertoe de verrichtingen, het beheer en de vereffening van de faillissementen te bespoedigen, en daartoe was, in dit geval, geen aanleiding omdat de curator diligent optrad door, onmiddellijk na de bevestiging van het faillissement van (de eiser), de machtiging te vragen om de handelsactiviteiten verder te zetten en door, eens de machtigingsperiode verstreken was, een verlenging daarvan aan te vragen. Ook het succes van de verderzetting van handelsactiviteiten diende hem redelijkerwijze niet aan te zetten tot een verscherpt toezicht tot bespoediging van de verrichtingen, het beheer en de vereffening van het faillissement. (De eiser) bewijst niet - en beweert zelfs niet dat de verrichtingen, het beheer en de vereffening van de faillissementen niet bespoedigd werd. Fritz Donckerwolcke heeft in dit geval de algemene toezichtsopdracht die door artikel 463 van de (oude) Faillissementswet werd opgelegd, niet miskend. Zoals (de eiser) zelfs citeert: de rechter-commissaris beheert het faillissement niet. De rechter-commissaris houdt toezicht. (...) Ten onrechte beweert (de eiser) dat de rechter-commissaris erop moet toezien dat de curator de gelden die hij ontvangt binnen de acht dagen na ontvangst in de Consignatiekas moet storten. De verplichting voor de curators om de gelden, die voortkomen van de verkopen en de inningen die door hen werden gedaan, te storten in de Consignatiekas is een eigen verplichting voor de curatoren, die met zich meebrengt dat, indien zij dat niet doen binnen de gestelde termijn, zij gehouden zijn om de commerciële interest te betalen op de niet-gestorte bedragen onverminderd de toepassing van de artikelen 459 en 462 van de (oude) Faillissementswet. De curatoren zijn daartoe niet gehouden tot beloop van de bedragen die door de rechter-commissaris worden begroot. Een juiste lezing van artikel 479 van de (oude) Faillissementswet leidt ertoe dat de loutere vaststelling dat gelden niet door de curator zijn geconsigneerd, geen aansprakelijkheidsvordering opent ten aanzien van de rechter-commissaris. (...) Ook de afwezigheid van de maandelijkse staten leidt in dit geval niet tot aansprakelijkheid van de rechter-commissaris. Artikel 561 van de (oude) Faillissementswet schrijft weliswaar voor dat de curators iedere maand aan de rechter-commissaris een staat ter hand stellen betreffende het faillissement en de in de Consignatiekas neergelegde gelden, maar deze verplichting is functioneel, dit is afhankelijk van een voorgenomen uitkering aan een schuldeiser. Dit blijkt uit de rubriek waaronder dit wetsartikel is opgenomen - hoofdstuk VIII, Uitdeling aan de schuldeisers - en uit de tekst zelve van het artikel waarin de uitdeling wordt voorzien na bevel daartoe door de rechter-commissaris "in voorkomend geval", dit is indien daartoe aanleiding bestaat. (De eiser) bewijst niet en beweert zelfs niet dat uitkeringen dienden te geschieden aan schuldeisers, in de loop van de vereffening van het faillissement, of dat uitkeringen zijn geschied zonder bevel van de rechter-commissaris. (...) Ten onrechte beroept (de eiser) zich ook op wat hij feitelijke vermoedens noemt. (...) Het feit dat de curator, ten aanzien van de correctionele rechter, erkend heeft dat hij buiten weten van de rechter-commissaris aanzienlijke bedragen heeft opgenomen uit faillissementen, bevestigt enkel dat de rechter-commissaris geen weet had van die opnames. Zoals hiervoor geoordeeld diende de rechter-commissaris dit redelijkerwijze ook niet te veronderstellen en, in functie daarvan, bijzondere toezichtsdaden te stellen in het kader van zijn algemene wettelijke toezichtsopdracht. (...) Het feit dat de rechter-commissaris niet wist dat de curator aanzienlijke bedragen opnam uit de faillissementen gedurende een periode van meer dan twee jaar, bewijst op zich niet dat die rechter-commissaris geen of onvoldoende toezicht hield op het financiële beheer van die curator. Hij kon dit enkel weten indien er aanleiding was om bijzondere toezichtsdaden te stellen, waartoe in dit geval geen aanleiding was. (...) Het feit dat de curator geen boekhouding voerde, die volledig en betrouwbaar was en een waarheidsgetrouwe weergave inhield van de verrichtingen betreffende de faillissementen die hij beheerde, bewijst evenmin een fout in hoofde van de rechter-commissaris, die dat enkel had kunnen vaststellen indien hij bijzondere toezichtsdaden stelde die hij in dit geval niet diende te stellen. Mutatis mutandis geldt dezelfde redenering voor het feit dat de rechter-commissaris onmogelijk controle kon uitoefenen op de financiële verrichtingen van de curator, omwille van het ontbreken van een boekhouding. (...) Het feit dat geen maandelijkse staten, met miskenning van artikel 561, tweede lid, van de (oude) Faillissementswet, werden neergelegd, is ten slotte evenmin een bewijs dat de rechter-commissaris te kort is geschoten aan zijn wettelijke toezichtsopdracht. Het (hof van beroep) verwijst naar zijn hoger vermelde overwegingen in verband met de wettelijke toezichtsopdracht van de rechter-commissaris en zijn bevoegdheden in het kader van een eventuele uitdeling aan schuldeisers. (...) Het hof heeft zich hiervoor ook al uitgesproken met betrekking tot de juiste lezing van artikel 479 van de (oude) Faillissementswet. (...) De aard en de omvang van de beweerde schade en de wijze waarop verduisteringen werden gepleegd door de curator gedurende een periode van meer dan twee jaar, bewijzen op zich evenmin een fout in hoofde van de rechter-commissaris. Enerzijds weze het herhaald dat er geen aanleiding was om tot een bijzondere controle over te gaan, en anderzijds wordt niet bewezen dat een vereffeningsduur van twee jaar, in dit geval, onredelijk zou zijn, zeker niet wanneer rekening wordt gehouden met de verderzetting van de handelsactiviteiten gedurende maanden. (...) De verslagen tenslotte van de opvolgende curatoren bewijzen ook niet dat de rechter-commissaris niet heeft gehandeld zoals dat mag en moet verwacht worden van een rechter-commissaris in dezelfde feitelijke omstandigheden geplaatst. Uit die verslagen blijkt onder meer ook dat de rechter-commissaris uitvoerig op de hoogte werd gehouden van de door de curator ontplooide activiteiten. De vermelding in die verslagen dat de rechter-commissaris de curator er op had moeten wijzen dat hij zicht beter met zijn eigenlijke taak als curator zou bezighouden dan op jacht te gaan naar allerlei vermeende activa, rekeningen in het buitenland, enz., is een algemene beschouwing post factum die niet bewijst dat de rechter commissaris in dit geval die opmerking had moeten maken, bij gebreke aan aanleiding daartoe. In de mate dat het "op jacht gaan" betrekking heeft op het verder zetten van de handelsactiviteiten en het te gelde maken van de voorraad, stelt het (hof van beroep) vast dat dit tot de opdracht van de curator behoort, met name tot het beheer of het bestuur van het faillissement, waarmee de rechter-commissaris in de hoger aangegeven zin geen uitstaans heeft. (...) Vermits niet is bewezen dat de rechter-commissaris in dit geval een fout heeft begaan, dient het (hof van beroep) zich niet uit te spreken over de beweerde schade die zijn veroorzaakt door een fout. (...) Het hoger beroep is gegrond, in de mate dat de oorspronkelijke vordering van (de eiser) ongegrond had moeten verklaard worden. Het incidenteel beroep, dat ertoe strekt een hogere vergoeding te bekomen dan door de eerste rechter toegekend, is ongegrond". Grieven Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 463 (oud) van het Wetboek van Koophandel heeft de rechter-commissaris die naar aanleiding van een faillietverklaring door de rechtbank van koophandel wordt aangesteld, de wettelijke taak om de verrichtingen, het bestuur en de vereffening van het faillissement te bespoedigen en er toezicht op uit te oefenen. In dit verband dient de rechter-commissaris ter terechtzitting verslag uit te brengen over alle betwistingen waartoe het faillissement aanleiding kan geven, terwijl hij tevens de dringende maatregelen moet bevelen die noodzakelijk zijn voor de beveiliging en bewaring van de goederen van de boedel. Het door de rechter-commissaris uit te oefenen toezicht heeft aldus een algemene strekking en impliceert dat de rechter-commissaris zich niet mag beperken tot een passieve houding bij de afwikkeling van het faillissement, doch integendeel dat hij actief zijn controletaak dient uit te oefenen en hierbij de nodige onderzoeksverrichtingen dient uit te voeren, zonder dat hij zich evenwel vermag in te laten met het beheer en de afwikkeling zelf van het faillissement. De verplichting van de rechter-commissaris om toezicht uit te oefenen op de afhandeling van het faillissement - die moet worden onderscheiden van zijn verplichting om het bestuur en de vereffening van het faillissement te bespoedigen - heeft inzonderheid betrekking op de verrichtingen van de curator, die zijn taak uitoefent onder het toezicht van de rechter-commissaris krachtens de artikelen 470 en 528 (oud) van het Wetboek van Koophandel. De omstandigheid dat de curator overeenkomstig de artikelen 459 en 462 (oud) van het Wetboek van Koophandel tevens is onderworpen aan het toezicht van de rechtbank van koophandel, doet geen afbreuk aan de voormelde controletaak die op de rechter-commissaris rust. In zijn appelconclusie had de eiser niet gesteld dat de rechter-commissaris de verrichtingen van het faillissement niet voldoende zou hebben bespoedigd, maar wel dat hij een fout had begaan door blijk te geven van een gebrek aan toezicht bij de afwikkeling van de drie faillissementen, waardoor de curator meer dan negen miljoen frank van de boedels kon verduisteren. Dienaangaande stelt het hof van beroep in het bestreden arrest vooraf vast " dat de drie faillissementen met elkaar verbonden waren", dat de curator aanvankelijk "diligent is opgetreden", dat hij zich "liet bijstaan door een accountant", dat er "geldtransporten gebeurden tussen verschillende rekeningen" en dat "het vertrouwen van parket en rechter-commissaris in de curator zeer groot moet zijn geweest" (randnummers 27-31 op pagina 8-9 van het bestreden arrest), waarbij verder in het arrest tevens wordt overwogen "dat de rechter-commissaris uitvoerig op de hoogte werd gehouden van de door de curator ontplooide activiteiten" (randnummer 42 op pagina 11 van het bestreden arrest). De appelrechter leidt hieruit af dat het "in die omstandigheden (...) niet onredelijk (is) dat Fritz Donckerwolcke in zijn hoedanigheid van rechter-commissaris geen bijzonder toezicht nodig achtte, bovenop en buiten zijn algemene, in de wet voorziene toezichtsplicht" en oordeelt vervolgens dat er te dezen voor de rechter-commissaris geen reden was "tot een verscherpt toezicht tot bespoediging van de verrichtingen". Na aldus te hebben geoordeeld dat te dezen niet vaststaat dat de verrichtingen, het beheer en de vereffening van het faillissement niet afdoende zouden zijn bespoedigd, komt het hof van beroep in dit verband tevens tot het besluit dat de rechter-commissaris "in dit geval de algemene toezichtsopdracht die door artikel 463 van de (oude) Faillissementswet werd opgelegd, niet (heeft) miskend" (randnummer 32 op pagina 9 van het onderzochte arrest). Evenwel blijkt uit het bestreden arrest dat te dezen niet werd betwist dat de rechter-commissaris er niet heeft op toegezien dat de curator de ontvangen gelden heeft gestort op de Consignatiekas (randnummer 33 op pagina 9 van het bestreden arrest), terwijl evenmin werd betwist dat er aan de rechter-commissaris geen staten werden meegedeeld met betrekking tot de aan de Consignatiekas gestorte gelden (randnummers 34 en 39 op pagina 9-10 van het bestreden arrest). Bovendien stelt het hof van beroep uitdrukkelijk vast dat de curator geen faillissementsboekhouding voerde, wat de rechter-commissaris volgens het (hof van beroep) evenwel slechts had kunnen vaststellen wanneer hij bijzondere toezichtsdaden zou hebben gesteld, waar, aldus de appelrechter, te dezen geen reden toe was (randnummer 38 op pagina 10 van het bestreden arrest). Op grond van de voormelde vaststellingen en van de in het arrest vermelde feitelijke omstandigheden kon het hof van beroep dan ook niet wettig oordelen dat het niet bewezen is dat de rechter-commissaris in de bewuste faillissementen niet is tekortgeschoten aan de op hem rustende verplichting om toezicht uit te oefenen op de verrichtingen, het bestuur en de vereffening van het faillissement zoals bedoeld in de artikelen 463, 470 en 528 (oud) van het Wetboek van Koophandel, die immers een algemene verplichting tot het uitoefenen van een daadwerkelijk en actief toezicht impliceren en geen gewag maken van een "bijzonder toezicht" noch van het stellen van "bijzondere toezichtsdaden" waar de rechter-commissaris slechts in bepaalde omstandigheden toe gehouden zou zijn. Mede gelet op de omstandigheid dat de door de curator te voeren faillissementsboekhouding in de voorliggende gevallen ontbrak, kon het hof van beroep de afwezigheid van een tekortkoming aan de toezichtsverplichting in hoofde van de rechter-commissaris niet wettig afleiden uit de bedenking dat er voor hem geen aanleiding toe bestond om een "bijzonder toezicht" uit te oefenen (randnummer 32 op pagina 9, randnummers 36-38 op pagina 10 en randnummer 41 op pagina 10-11 van het bestreden arrest), noch uit de bedenking dat de afwikkeling van het faillissement te dezen naar behoren blijkt te zijn bespoedigd. Het hof van beroep oordeelt dan ook evenmin naar recht dat het te dezen niet bewezen is dat rechter-commissaris Donckerwolcke een fout heeft begaan en "niet heeft gehandeld zoals een normaal voorzichtig rechter-commissaris rederlijkerwijze zou hebben gehandeld in dezelfde feitelijke omstandigheden" (cf. randnummer 26 op pagina 8 en randnummers 42-43 op pagina 11 van het bestreden arrest). De bestreden beslissing is dienvolgens niet wettig verantwoord (schending van de artikelen 463, 470 en 528 - en voor zoveel als nodig ook van de artikelen 459 en 462 - van het Wetboek van Koophandel, zoals ingevoegd door de Faillissementswet van 18 april 1851 en zoals van toepassing vóór de opheffing ervan door artikel 149 van de Faillissemenstwet van 8 augustus 1997, en van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). Tweede onderdeel De eiser voerde in zijn appelconclusies aan dat de rechter-commissaris had moeten opmerken dat er door de curator aanzienlijke bedragen aan de boedels werden onttrokken, en dat de bewuste verduisteringen vanwege de curator slechts mogelijk waren door zijn gebrek aan toezicht. In dit verband verwees de eiser onder meer naar artikel 479 (oud) van het Wetboek van Koophandel, dat de curator verplicht de door hem uit de boedel verzilverde tegoeden, na aftrek van de door de rechter-commissaris te begroten bedragen, te storten op de Consignatiekas, alsook naar artikel 561 (oud) van het Wetboek van Koophandel, waarvan het tweede lid de curator voorschrijft om maandelijks aan de rechter-commissaris een staat ter hand stellen "betreffende het faillissement en de in de Consignatiekas neergelegde gelden". Het hof van beroep beperkt zich dienaangaande enerzijds tot de bedenking dat de niet-naleving van het voormelde artikel 479, dat slechts een verplichting oplegt aan de curatoren, als zodanig "geen aansprakelijkheidsvordering opent ten aanzien van de rechter-commissaris" (randnummers 33 op pagina 9 van het bestreden arrest), en anderzijds tot de bedenking dat de naleving van het voormelde artikel 561 slechts relevant is in het licht van een voorgenomen uitkering aan de schuldeisers - wat te dezen niet aan de orde werd gesteld (randnummer 34 op pagina 9-10 van het bestreden arrest). Voorts kan volgens het hof van beroep noch uit de niet-naleving van de voormelde bepalingen, noch uit de vaststelling dat de curator aanzienlijke bedragen buiten weten van de rechter-commissaris heeft verduisterd, noch uit de vaststelling dat er geen boekhouding voorhanden was, worden afgeleid dat de rechter-commissaris te kort zou zijn geschoten "aan zijn wettelijke toezichtsopdracht", nu er te dezen voor de rechter-commissaris geen aanleiding zou hebben bestaan om bijzondere toezichtsdaden te stellen (randnummers 36-40 op pagina 9 van het bestreden arrest). De beslissing volgens welke niet bewezen zou zijn dat de rechter-commissaris een fout heeft begaan door onvoldoende toezicht uit te oefenen en dienvolgens niet zou hebben gehandeld zoals elk normaal voorzichtig rechter-commissaris in dezelfde feitelijke omstandigheden zou hebben gedaan, is dan ook niet naar recht verantwoord, nu uit de artikelen 479 en 561 (oud) van het Wetboek van Koophandel, gelezen in samenhang met de artikelen 463, 470 en 528 (oud) van datzelfde wetboek, blijkt dat de rechter-commissaris steeds de verplichting heeft om erop toe te zien welke bestemming er door de curator aan de gelden van de boedel werd gegeven (schending van de artikelen 463, 470 , 479, 528 en 561, van het Wetboek van Koophandel, zoals ingevoegd door de Faillissementswet van 18 april 1851 en zoals van toepassing vóór de opheffing ervan door artikel 149 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, en van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel Grond van niet-ontvankelijkheid van het onderdeel
  4. De verweerder werpt op dat het onderdeel niet ontvankelijk is omdat het geen wettelijke bepalingen met betrekking tot de bewijslast als geschonden aanwijst.
  5. Het onderdeel bekritiseert het bestreden arrest niet in zoverre het de regels inzake de bewijslast toepast, maar wel in zoverre dit op grond van de feiten die het aanhaalt besluit dat geen fout in hoofde van de rechter-commissaris bewezen is.
  6. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Het onderdeel zelf
  7. Krachtens de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek is de Belgische Staat aansprakelijk voor de fout die de rechter-commissaris in het raam van zijn toezichtsbevoegdheid begaat en die schade veroorzaakt. De beweerde buiten-contractuele fout van een rechter-commissaris moet worden beoordeeld in verhouding tot de redelijkerwijze zorgvuldige en vooruitziende rechter-commissaris die in dezelfde omstandigheden verkeert.
  8. Krachtens het toepasselijke artikel 463 van de Faillissementswet van 18 april 1851, heeft de rechter-commissaris in het bijzonder opdracht om op het beheer en de vereffening van de failliete boedel toezicht te houden en de verrichtingen te bespoedigen. Volgens de artikelen 470 en 528 van dezelfde wet, houdt de rechter-commissaris toezicht op de wijze waarop de curator de failliete boedel beheert en vereffent, zulks in het belang van de failliet en de schuldeisers. Die toezichtsopdracht, krijgt naargelang van de omstandigheden van het faillissement, concrete invulling en brengt mee dat de rechter-commissaris, waar nodig, onderzoek voert en maatregelen treft, doch zonder zich in het eigenlijke beheer en de vereffening van de failliete boedel te mengen.
  9. De algemene toezichtplicht die rust op de rechter-commissaris impliceert dat hij er op toeziet, in het belang van de failliet en de schuldeisers, dat de curator de wettelijke verplichtingen naleeft die in het bijzonder het goede beheer en de correcte vereffening van het faillissement moeten waarborgen.
  10. De beoordeling van die toezichtsplicht door de feitenrechter is onaantastbaar, in de mate de door die rechter vastgestelde feiten zijn oordeel kunnen staven.
  11. Het arrest dat uit de vastgestelde feiten afleidt dat het gebrek van toezicht van de curator in hoofde van de rechter-commissaris geen fout uitmaakt die een redelijkerwijze zorgvuldig en vooruitziende rechter-commissaris niet zou begaan, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.
  12. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  13. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters en raadsheer Ghislain Londers, en op de openbare terechtzitting van eenentwintig april tweeduizend en zes uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060421.11 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081008.8 precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941208.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.