id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060421.12 Rolnummer: C.05.0303.N Kamer: 1N + Eerste Kamer + Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2006-12-22 Raadplegingen: 606 - laatst gezien 2026-07-04 07:41 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het voorschrift volgens welk de bestuurder die een manoeuvre wil uitvoeren voorrang moet verlenen aan de andere weggebruikers, geldt enkel ten opzichte van andere weggebruikers die zelf die zelf geen manoeuvre uitvoeren, onverschillig wie het eerst met de uitvoering van zijn manoeuvre begon
(1)Cass., 4 okt. 1984, AR 4333, nr 94; Cass., 15 sept. 1987, AR 1336, nr 31; R.W. 1987-88, 1345, noot. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-12-1975 - REGLEMENTSBEPALINGEN - Artikel 12 - Artikel 12.4 Vrije woorden: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-12-1975 - REGLEMENTSBEPALINGEN - Artikel 12 - Artikel 12.4 Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 01-12-1975 - Art.12.4 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0303.N V.W.E., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen A. K., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 1 december 2004 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 12.4 en 12.5 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg. Aangevochten beslissingen De appelrechters oordelen dat de eiser een fout heeft begaan, meer bepaald een overtreding van de artikelen 12.4 en 12.5 van de Wegcode door als voorrangsplichtige bestuurder een manoeuvre uit te voeren terwijl de verweerder met zijn motorfiets de rij wachtende voertuigen reeds aan het inhalen was. De appelrechters oordelen dat de eiser zijn manoeuvre op het ogenblik van de aanrijding nog niet had voltooid en dus nog voorrangsplichtig was terwijl anderzijds het opdagen van de verweerder niet onvoorzienbaar was. In deze omstandigheden oordelen de appelrechters dat de eiser een inbreuk heeft begaan op artikel 12.4 en 12.5 van de Wegcode die in oorzakelijk verband staat met de aanrijding. De vordering van de eiser lastens de verweerder wordt dan ook ongegrond verklaard. Omgekeerd oordelen de appelrechters dat de verweerder geen inbreuk heeft gepleegd op artikel 16.4 van de Wegcode zodat de eiser als enige aansprakelijke is voor de aanrijding. De eiser wordt dan ook veroordeeld om aan de verweerder de som te betalen van 1 euro als voorschot meer de vergoedende interest vanaf 30 maart 2001 aan de wettelijke interestvoet, de gerechtelijke interest en de kosten van beide aanleggen. De beslissing van de appelrechters waarbij de eiser alleen aansprakelijk wordt gesteld voor het ongeval wordt als volgt gemotiveerd: "V. Beoordeling
- Fout van (de eiser) Partijen zijn het ermee eens, en dit blijkt ook uit de getuigenverklaringen, dat (de eiser) vanuit stilstand vertrok om de geparkeerde wagen voorbij te rijden. Hij voerde dus een manoeuvre uit en was krachtens artikel 12.4 van de Wegcode voorrangsplichtig. Deze voorrangsplicht is niet beperkt tot het ogenblik waarop men het manoeuvre begint maar blijft bestaan tijdens de volledige uitvoering ervan. De bestuurder die voorrang moet verlenen mag slechts verder rijden indien hij dit kan doen zonder gevaar voor ongevallen, gelet op de plaats van de andere weggebruikers, hun snelheid en de afstand waarop ze zich bevinden (artikel 12.5 van de Wegcode). (De eiser) had zijn manoeuvre op het ogenblik van de aanrijding nog niet voltooid en was dus nog voorrangsplichtig. De voorrangsplicht vervalt slechts wanneer het opdagen van de voorrangsgerechtigde niet te voorzien is. Uit de verklaring van de getuige die vermeld staat op het gemeenschappelijk aanrijdingsformulier, kan niet worden afgeleid dat het opdagen van de motorrijder onvoorzienbaar was. De getuige die achter de wagen van (de eiser) stond, verklaarde enkel dat op het moment dat een wagen uit de tegenovergestelde richting voorbij was en de wagen van (de eiser) de geparkeerde wagen voorbijstak, er achter hem een motorfiets vandaan kwam die hem en de wagen van (de eiser) voorbij wou steken tegen redelijke snelheid. Ook uit zijn tweede verklaring ("(de eiser) was reeds aan het voorbijsteken toen de moto plots gas gaf om mij voor te zijn" en verder "Dus het ongeval gebeurde tijdens het voorbijsteken en de tegenpartij is tussen de tegenligger en de rij wachtende voertuigen gereden") blijkt niet dat het opdagen van de motorfiets onvoorzienbaar was. (De eiser) heeft dus inbreuk begaan op artikel 12.4 en 12.5 van de Wegcode die in oorzakelijk verband staat met de aanrijding.
- Fout van (de verweerder) (De eiser) verwijt (de verweerder) een inbreuk op de artikelen 10.1, 1°, en 10.1, 2°, van de Wegcode en verwijst hiervoor naar de verklaring van de getuige die het heeft over een redelijke snelheid met uitroepteken ( De rechtbank is echter van oordeel dat geen voldoende objectieve gegevens voorhanden zijn om te besluiten tot een aangepaste snelheid van de motorfiets of een voldoende veiligheidsafstand met zijn voorligger. (De eiser) verwijt (de verweerder) ook een inbreuk op artikel 16.4 van de Wegcode. Hij stelt dat (de verweerder) "van achter het voertuig van de heer Van Thielen (= de getuige) is opgedoken nadat concludent (= (de eiser)) reeds zijn voertuig in beweging had gebracht en het geparkeerde voertuig aan het voorbijrijden was". Hij zou volgens hem bij deze "inhaalbeweging" zich er niet vooraf van vergewist hebben dat de weg over een voldoende afstand vrij was. De rechtbank leidt uit de (tweede) getuigenverklaring af dat (de eiser) zijn manoeuvre (om het geparkeerde voertuig vanuit stilstand voorbij te rijden) pas startte toen (de verweerder) de stilstaande wagens reeds aan het voorbijrijden was. De getuige geeft immers bijkomende toelichting in zijn tweede verklaring over het rijgedrag van de motorfiets: "de tegenpartij is tussen de tegenligger en de rij wachtende voertuigen gereden". Hieruit blijkt dat de motorfiets al het voorbijrijden van de rij wachtende voertuigen had aangevat, toen de tegenligger nog kruiste. Aangezien (de eiser) zijn manoeuvre (om het geparkeerde voertuig vanuit stilstand voorbij te rijden) slechts heeft aangevat en kon aanvatten van zodra de tegenligger voorbij was, heeft de motorfiets het voorbijrijden van de rij wachtende voertuigen waaronder dat van (de eiser) aangevat wanneer deze nog allemaal stilstonden. De regels inzake inhalen zijn slechts van toepassing ten opzichte van voertuigen die in beweging zijn (artikel 16.1 van de Wegcode). Artikel 16.4 is dus niet van toepassing.
- Besluit Enkel (de eiser) is aansprakelijk voor de aanrijding. Hij betwist de door (de verweerder) gevorderde som, 1 euro als voorschot meer interest, niet" (bestreden vonnis, bladzijde 2 in fine tot en met 4). Grieven De appelrechters oordelen in feite en derhalve onaantastbaar dat de eiser zijn manoeuvre van het geparkeerde voertuig links voorbij te rijden heeft aangevat op een ogenblik dat de verweerder met zijn motorfiets de rij stilstaande voertuigen reeds aan het inhalen was. De appelrechters beslissen immers uitdrukkelijk dat de verweerder het voorbijrijden van de rij wachtende voertuigen waaronder dat van de eiser aangevat heeft wanneer deze nog allemaal stil stonden (bestreden vonnis, bladzijde 4, 4de alinea). De appelrechters stellen zodoende impliciet doch zeker vast dat ook de verweerder een manoeuvre uitvoerde, met name het inhalen van een rij wachtende wagens. De appelrechters oordelen dat de eiser een fout heeft begaan en meer bepaald de in het middel aangehaalde wetsbepalingen heeft overtreden door zijn manoeuvre aan te vatten en geen voorrang te verlenen aan de verweerder die met zijn motorfiets de rij wachtende voertuigen aan het voorbijrijden was. Artikel 12.4 van het Wegverkeersreglement geldt evenwel enkel ten opzichte van weggebruikers die zelf geen manoeuvre uitvoeren. De onderlinge verplichtingen van bestuurders die elk een manoeuvre uitvoeren worden geregeld door andere bepalingen van het Wegverkeersreglement. Bovendien is het in de hypothese van twee bestuurders die gelijktijdig een manoeuvre uitvoeren onverschillig wie van beiden het eerst met de uitvoering van zijn manoeuvre begon. De appelrechters oordelen impliciet doch zeker dat de verweerder een manoeuvre uitvoerde door de rij stilstaande voertuigen voorbij te rijden. Hieruit volgt dat de appelrechters niet zonder de in het middel aangehaalde wetsbepalingen te schenden konden oordelen dat de eiser op grond van deze wetsbepalingen als voorrangsplichtige bestuurder voorrang diende te verlenen aan de verweerder die voormeld manoeuvre aan het uitvoeren was. De door de appelrechters aangenomen aansprakelijkheid van de eiser voor het ongeval kan dan ook geenszins worden gesteund op de artikelen 12.4 en 12.5 van het Wegverkeersreglement. Door de eiser verantwoordelijk te verklaren voor het ongeval en hem te veroordelen om aan de verweerder een provisionele schadevergoeding van 1 euro te betalen en tevens de vordering van de eiser tegen de verweerder ongegrond te verklaren verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 12.4 en 12.5 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement over de politie van het wegverkeer). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Het voorschrift van artikel 12.4 van het Wegverkeersreglement , volgens welk de bestuurder die een manoeuvre wil uitvoeren voorrang moet verlenen aan de andere weggebruikers, geldt enkel ten opzichte van andere weggebruikers die zelf geen manoeuvre uitvoeren, onverschillig wie het eerst met de uitvoering van zijn manoeuvre begon. De onderlinge verplichtingen van bestuurders die elk een manoeuvre uitvoeren worden geregeld door andere bepalingen van het Wegverkeersreglement.
- Het vonnis stelt vast dat de eiser een manoeuvre uitvoerde op het ogenblik van de aanrijding. Het stelt ook vast dat de verweerder een rij wachtende voertuigen aan het inhalen was en dus eveneens een manoeuvre uitvoerde.
- Het vonnis dat oordeelt dat de eiser uitsluitend verantwoordelijk is voor het ongeval schendt de in het middel aangewezen wetsbepalingen.
- Het middel is gegrond.
- De vernietiging van de beslissing waarbij de eiser tot schadevergoeding wordt veroordeeld strekt zich uit tot de hiermede nauw verbonden beslissing waarbij de vordering van de eiser lastens de verweerder als ongegrond wordt afgewezen. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Vernietigt het bestreden vonnis behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, zetelend in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters en raadsheer Ghislain Londers, en op de openbare terechtzitting van eenentwintig april tweeduizend en zes uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060421.12 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220118.2N.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080627.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div