← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060424.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006

Art.22ter

Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Deeltijdse werknemers R.S.Z.-Wet Vermoedens neergelegd in artikel 22ter Aard Wettelijke bepalingen:

Art.22ter

Fiche 4 De feitelijke elementen waarop de toepassing van de vermoedens neergelegd in artikel 22 ter R.S.Z.-Wet gegrond is, kunnen niet bewezen worden door middel van een bekentenis

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Deeltijdse werknemers R.S.Z.-Wet Vermoedens neergelegd in artikel 22ter Feitelijke elementen waarop deze vermoedens steunen Bewijs Bekentenis Wettelijke bepalingen:

Art.22terFiches 5 - 8 Concl.

adv.-gen. THIJS, Cass., 24 april 2006, AR S.04.0121.N, A.C., 2006, nr ... Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bekentenis Vrije woorden: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bekentenis Begrip Zaken Wet Verbod te beschikken Verbod een dading aan te gaan Toepassing van een wet van openbare orde Thesaurus CAS: OPENBARE ORDE Vrije woorden: OPENBARE ORDE Sociale zekerheid Werknemers Deeltijdse werknemers R.S.Z.-Wet Vermoedens neergelegd in artikel 22ter Aard Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Deeltijdse werknemers R.S.Z.-Wet Vermoedens neergelegd in artikel 22ter Aard SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Deeltijdse werknemers R.S.Z.-Wet Vermoedens neergelegd in artikel 22ter Feitelijke elementen waarop deze vermoedens steunen Bewijs Bekentenis Nota: S.04.0121.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: Voorwerp van het geschil en de bestreden beslissing

  1. Onderhavige betwisting betreft de problematiek van de bekentenis als bewijsmiddel in materies die de openbare orde raken. Eiser vorderde van verweerder de betaling van achterstallige bijdragen wegens het ambtshalve in aanmerking nemen als voltijdse prestaties van de deeltijdse prestaties van zeven werknemers. Hij steunde zijn vordering op het vermoeden van artikel 22ter van de R.S.Z.-wet: bij ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters, worden de deeltijdse werknemers vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. Zoals het arbeidshof terechtstelt, kan eiser slechts gebruik maken van dit vermoeden, op voorwaarde dat hij aantoont dat de werkroosters niet openbaar werden gemaakt conform de artikelen 157-159 van de programmawet van 22 december
  2. Eiser haalt voor de feitenrechter een aantal elementen aan die daarvan het bewijs moeten leveren. Hij beroept zich o.m. op een verklaring die verweerder heeft afgelegd op 23 oktober 1995 aan een adjunct-inspecteur bij de sociale inspectie, en waarin verweerder erkent vóór oktober 1994 geen werkroosters te hebben bijgehouden. Het arbeidshof oordeelt dat deze verklaring een rechtsgeldige bekentenis inhoudt, maar dat deze niet is toegelaten als bewijs, daar de materie van artikel 22ter R.S.Z.-wet de openbare orde raakt. Het arbeidshof beslist vervolgens dat deze verklaring, die niet als een bekentenis in aanmerking mag worden genomen, geen volwaardig bewijs vormt. Na te hebben vastgesteld dat er ook geen andere dienstige bewijsmiddelen voorhanden zijn, besluit het arbeidshof dat de voorwaarde tot de toepassing van artikel 22ter R.S.Z.-wet, namelijk de ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters, niet is vervuld voor de periode die eiser in rekening brengt. De vordering wordt dan ook als ongegrond afgewezen. Het middel
  3. Eiser voert tegen deze beslissing als eerste kritiek aan dat het principiële verbod om in zaken van openbare orde een bekentenis als bewijsmiddel te aanvaarden, niet geldt wanneer de bekentenis een feitelijk gegeven tot voorwerp heeft waarbij de auteur van de bekentenis, zonder hierbij afstand te doen van enig recht, het bestaan of de werkelijkheid erkent van een feit dat voor hem nadelig is (nadelig in die zin dat de bekentenis van dat feit tot gevolg heeft dat een wet van openbare orde van toepassing wordt). Volgens eiser is de bekentenis, in materies die de openbare orde raken, toegelaten als bewijs, wanneer zij betrekking heeft op een feit en de erkenning van dit feit geen afstand inhoudt van een recht dat de openbare orde raakt, noch ertoe strekt om een bepaling van openbare orde te omzeilen. De verklaring van verweerder is een dergelijke bekentenis, aangezien zij de erkenning inhoudt van een feitelijk gegeven (nl. de niet-openbaarmaking van de werkroosters) en leidt tot het werkzaam worden van een regel van openbare orde (nl. art. 22ter van de R.S.Z.-wet). Volgens eiser heeft het bestreden arrest de verklaring van verweerder dan ook niet wettig als buitengerechtelijke bekentenis kunnen weren louter omwille van het openbare orde karakter van artikel 22ter van de R.S.Z.-wet.
  4. Als tweede kritiek, voert eiser aan dat de appelrechters, in zoverre zij de verklaring van verweerder van 23 oktober 1995 niet als een "gewoon" bewijselement aanvaarden en vereisen dat deze verklaring moet gepaard gaan met andere bewijselementen om te komen tot een volwaardig bewijs, hun beslissing niet naar recht verantwoorden nu zij zodoende, ten onrechte, aan de bedoelde verklaring de bewijswaarde van een feitelijk vermoeden ontzeggen. Beoordeling DE BEKENTENIS: BEGRIP EN BEWIJSWAARDE.
  5. Een bekentenis houdt in dat een partij een betwist feit erkent, ofschoon zij er belang bij heeft dit te ontkennen.

(1)De bekentenis waarop men zich tegen een partij beroept, is ofwel buitengerechtelijk ofwel gerechtelijk (art. 1354 B.W.). De gerechtelijke bekentenis levert een volledig bewijs op tegen hem die de bekentenis gedaan heeft (art. 1356, tweede lid, B.W.). M.b.t. de buitengerechtelijke bekentenis, dient de rechter na te gaan of zij in zodanige omstandigheden werd afgelegd, dat zij als geloofwaardig voorkomt. Als de rechter dat aanneemt, dan heeft de buitengerechtelijke bekentenis dezelfde bewijswaarde als de gerechtelijke bekentenis.
(2)HET VOORWERP VAN DE BEKENTENIS. 5. Naar vaste cassatierechtspraak
(3)wordt aangenomen dat de bekentenis niet kan slaan op de oplossing die, in rechte, aan het geschil moet worden gegeven. Zij kan alleen betrekking hebben op een feit, hetzij een louter materieel feit, hetzij een rechtsfeit.
(4)TOELAATBAARHEID VAN DE BEKENTENIS. 6. In beginsel is het bewijs door middel van een bekentenis mogelijk in alle materies, zelfs wanneer het bewijs door getuigen of vermoedens niet is toegelaten.
(5)Hierop bestaan echter een aantal beperkingen. Zo wordt, eveneens volgens vaste cassatierechtspraak
(6), aangenomen dat een bekentenis niet is toegelaten in aangelegenheden die de openbare orde raken, aangezien een bekentenis niet kan slaan op zaken waarover de wet niet toelaat te beschikken of betreffende welke het verboden is een dading aan te gaan.
(7)Een verklaring voor het verbod om een bekentenis af te leggen in aangelegenheden die de openbare orde raken, wordt in de rechtspraak of rechtsleer niet gegeven. Bedoeld verbod stoelt wellicht op het fundamentele belang van regels van openbare orde waarvan de toepassing niet louter kan afhangen van een verklaring van één van de partijen, doch moet steunen op objectieve vaststellingen.
  1. Het middel stelt dat de ontoelaatbaarheid van de bekentenis in materies die de openbare orde raken dient genuanceerd te worden. Eiser verwijst daarbij naar "vaste cassatierechtspraak in het kader van de arbeidsongevallenwetgeving (...) waarbij de bekentenis wel als bewijsmiddel wordt aanvaard voor zover de bekentenis een feitelijk gegeven tot voorwerp heeft" (zie de toelichting, blz. 10 van de voorziening). Een analyse van de relevante arresten, wijst m.i. evenwel uit dat eiser een verkeerde uitlegging geeft van de rechtspraak van het Hof. GEEN BEKENTENIS IN ZAKEN VAN OPENBARE ORDE.
  2. Het Hof houdt tot op heden in zijn rechtspraak vast aan het principe dat een bekentenis niet kan slaan op zaken waarover de wet niet toelaat te beschikken en betreffende dewelke het verboden is een dading aan te gaan, zoals zaken van openbare orde. Zo besliste het Hof nog in een arrest van 13 november 2000
(8)dat de wettelijke bepalingen met betrekking tot de sociale verkiezingen en de oprichting van een ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming de openbare orde aanbelangen, zodat in geval van betwisting over het bestaan van een technische bedrijfseenheid de rechter de criteria voor de objectieve vaststelling van een technische bedrijfseenheid dient te onderzoeken. Dit houdt in dat de rechter in geval van betwisting geen rekening mag houden met een vroeger akkoord of beweerde bekentenis omtrent het bestaan en de omschrijving van een technische bedrijfseenheid. Een bekentenis kan immers niet slaan op zaken van openbare orde waarover de wet niet toelaat te beschikken en betreffende dewelke het verboden is een dading aan te gaan. In andere arresten heeft het Hof de bekentenis als bewijsmiddel uitgesloten inzake arbeidsongevallen. Het ging in deze arresten telkens om een geval waarin de arbeidsongevallenverzekeraar het bestaan van (één van) de toepassingsvoorwaarden van de arbeidsongevallenwetgeving had erkend. Het arrest van 26 februari 1975
(9)heeft betrekking op een geval waarin er tussen de partijen geen betwisting bestond nopens het ongeval zelf en iedereen akkoord ging dat het als een arbeidsongeval diende te worden beschouwd indien het bestaan van een arbeidsovereenkomst bewezen was. Het arbeidshof had het bestaan van een arbeidsovereenkomst afgeleid uit een brief vanwege de arbeidsongevallenverzekeraar, die het arbeidshof als een buitengerechtelijke bekentenis beschouwde. Het Hof verbreekt deze beslissing: de bepalingen betreffende het toepassingsgebied van de arbeidsongevallenwetgeving raken de openbare orde. Hieruit volgt dat het arbeidshof het bestaan van een arbeidsovereenkomst, voorwaarde voor de toepassing van de arbeidsongevallenwetgeving, niet kan afleiden uit een bekentenis. In arresten van 14 mei 1979
(10)en 3 oktober 1988
(11)besliste het Hof dat de buitengerechtelijke bekentenis van de arbeidsongevallenverzekeraar dat het om een arbeidsongeval gaat bekentenis die werd afgeleid uit de vrijwillige betaling gedurende een bepaalde periode -, nietig is, gelet op het openbare orde-karakter van de bepalingen die de vereisten voor het bestaan van een arbeidsongeval aanduiden. Het Hof herhaalde zijn standpunt nogmaals in een arrest van 18 oktober 1999
(12). Het arbeidshof had zijn beslissing dat het ongeval een arbeidsongeval is, gegrond op de gerechtelijke bekentenissen van de arbeidsongevallenverzekeraar. Het Hof overweegt opnieuw dat de bekentenis niet kan slaan op zaken waarover de wet niet toelaat te beschikken of waarover geen dading mag worden aangegaan, en dat de artikelen van de wet van 10 april 1971 waarin de voorwaarden worden bepaald voor het bestaan van een arbeidsongeval de openbare orde raken. Het arrest dat zijn beslissing grondt op de bekentenissen van de arbeidsongevallenverzekeraar, is dan ook niet naar recht verantwoord. 9. Uit deze rechtspraak blijkt alvast dat het bewijs door een bekentenis niet enkel uitgesloten is wanneer zij een afstand inhoudt van een recht dat de openbare orde raakt. Anders dan eiser voorhoudt, is de bekentenis eveneens uitgesloten wanneer zij leidt tot het werkzaam worden van een regel van openbare orde (die nadelig is voor de betrokkene, b.v. omdat ze hem bepaalde verplichtingen oplegt). Dat is met name het geval wanneer de arbeidsongevallenverzekeraar d.m.v. een bekentenis het bestaan van een arbeidsongeval erkent. Wegens het openbare orde-karakter van de arbeidsongevallenwetgeving, dient de rechter de toepasselijkheid van deze wetgeving te beoordelen aan de hand van objectieve vaststellingen, en niet op basis van een beweerde bekentenis door een van de partijen. Hetzelfde geldt voor de R.S.Z.-wetgeving, i.h.b. de wettelijke vermoedens neergelegd in artikel 22ter R.S.Z.-wet. Deze vermoedens zijn ingesteld ten gunste van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, ten behoeve van de inning en de invordering van de verschuldigde sociale-zekerheidsbijdragen.
(13)Zij raken derhalve de openbare orde. Uit het openbare orde-karakter van artikel 22ter, volgt zodoende dat het bewijs van het bestaan van de toepassingsvereisten van deze vermoedens (zoals de ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters), niet kan worden geleverd door middel van een bekentenis uitgaande van de werkgever. DE ERKENNING VAN EEN FEITELIJK GEGEVEN: "NUANCERING" VAN DE UITSLUITING VAN DE BEKENTENIS IN ZAKEN VAN OPENBARE ORDE? 10. Ondanks de herhaalde bevestiging door het Hof dat de bekentenis niet toegelaten is voor zaken die de openbare orde raken, is in de sociaalrechtelijke literatuur de vraag gerezen naar een mogelijke nuancering van dit principe.
(14)De nuance zou erin bestaan dat de bekentenis in zaken die de openbare orde raken toch is toegelaten wanneer ze slaat op louter materiële feiten. Deze nuance, die eigenlijk neerkomt op een uitzondering op het eerder vermelde principe, zou blijken uit een aantal arresten waarin het Hof aanvaard heeft dat een bekentenis over feitelijke gegevens kan worden afgelegd, ook al raakt de arbeidsongevallenwetgeving de openbare orde. In de toelichting bij het middel wordt in dat verband verwezen naar arresten van 7 november 1988 en 22 februari 1999 (die betrekking hebben op de erkenning door de arbeidsongevallenverzekeraar van de duur van de arbeidsongeschiktheid), naar een arrest van 7 december 1967 (erkenning door de werkgever of zijn verzekeraar van het bestaan van een ongeval), en naar arresten van 3 november 1910 en 19 december 1929 (erkenning m.b.t. het loon dat het slachtoffer heeft verdiend). M.i. hebben deze arresten echter niet de betekenis die eiser eraan geeft. Ik overloop ze hierna in chronologische volgorde. 11. In het arrest van 3 november 1910
(15)aanvaardt het Hof dat artikel 8 van de arbeidsongevallenwet van 24 december 1903 niet verhindert dat de partijen een overeenkomst sluiten over de vaststelling van het basisloon. De rechter kan zich dan ook op dat akkoord baseren om het bedrag van het loon, dat als basis dient voor de berekening van de verschuldigde vergoeding, vast te stellen. Het arrest van 19 december 1929
(16)stelt dat elke overeenkomst die hetzij in het voordeel van de werknemer, hetzij in het voordeel van de werkgever, afwijkt van de bepalingen van de wet van 24 december 1903, nietig is krachtens artikel 23 van die wet. In een noot bij het arrest wordt opgemerkt dat, hoewel iedere overeenkomst waarbij wordt afgeweken van de wettelijke regels inzake de forfaitaire vergoeding nietig is, de werkgever niettemin gebonden is door zijn erkenning van het bedrag van het loon van de werknemer. Deze erkenning heeft immers geen betrekking op de toepassing van een rechtsregel, maar op de vaststelling van een feit, het bedrag van het betaalde loon, waarop de rechtsregel toegepast moet worden.
(17)Het arrest van 7 december 1967
(18)heeft betrekking op de erkenning door de arbeidsongevallenverzekeraar van het bestaan van een ongeval. Het bestreden arrest had beslist dat de arbeidsongevallenverzekeraar gebonden was door zijn erkenning van de werkelijkheid van het ongeval. Het Hof van Cassatie verwierp de voorziening, op grond dat geen enkele van de in het middel vermelde wetsbepalingen (nl. de artikelen 21 van de gecoördineerde wetten betreffende de vergoeding der schade voortspruitende uit arbeidsongevallen en artikel 1 van de besluitwet van 13 december 1945 betreffende de vergoeding der schade voortspruitende uit ongevallen die zich op de weg naar of van het werk voordoen) de erkenning, door de werkgever of zijn verzekeraar, van het bestaan van het ongeval waardoor de werknemer, volgens zijn verklaring, is getroffen, van uitwerking berooft. Het arrest van 7 november 1988
(19)ligt in dezelfde lijn. Het Hof overwoog hierin dat "de duur van de arbeidsongeschiktheid een feitelijk gegeven is, ook al wordt op basis daarvan de wettelijk verschuldigde vergoeding vastgesteld". Derhalve staan "noch de artikelen 6, ,§ 3, 23, vierde lid, 2° en 24, tweede lid, van de Arbeidsongevallenwet, noch de artikelen 6, 1131 en 1133 van het Burgerlijk Wetboek aan een verbindende erkenning door de arbeidsongevallenverzekeraar ten aanzien van de duur van de arbeidsongeschiktheid in de weg". Het arrest van 22 februari 1999
(20), tot slot, herneemt bijna woordelijk de overwegingen van het arrest van 7 november
  1. Enkele vaststellingen dringen zich op bij de lectuur van deze arresten. Ten eerste: in tegenstelling tot de hoger, onder randnr. 8, besproken rechtspraak, verwijst het Hof in geen van deze arresten naar het openbare orde-karakter van de arbeidsongevallenwetgeving. Ten tweede: in geen van deze arresten spreekt het Hof van een "bekentenis" in de zin van de artikelen 1354-1356 B.W. Er is enkel sprake van een "erkenning" van een feitelijk gegeven (hetzij door een van de partijen, hetzij door beide partijen in onderling akkoord). Ook in de kopjes en samenvattingen voor deze arresten wordt met geen woord gerept over een "bekentenis". Bovendien werden de artikelen 1354-1356 B.W. niet aangevoerd als geschonden bepalingen, behoudens in het arrest van 22 februari 1999.
(21)We kunnen dan ook voorlopig besluiten dat de genoemde arresten geen uitdrukkelijke uitzondering formuleren op de regel dat geen bekentenis mogelijk is in aangelegenheden die de openbare orde raken; regel waaraan het Hof, zoals we hebben gezien, ook in zijn recentere rechtspraak onverminderd vasthoudt. Blijft dan nog de vraag hoe de arresten in verband met de erkenning van een feitelijk gegeven inzake arbeidsongevallen te verzoenen vallen met de arresten die een bekentenis inzake arbeidsongevallen verbieden. DE BEKENTENIS EN DE ERKENNING VAN EEN FEITELIJK GEGEVEN IN FISCALE ZAKEN 13. Een kleine excursie naar het fiscaal recht brengt verduidelijking. Hoewel artikel 340 van het W.I.B. verwijst naar alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen (met uitzondering van de eed), wordt aangenomen dat wegens het openbare orde-karakter van het fiscaal recht, het bewijs door bekentenis niet toegelaten is. Deze regel werd bevestigd door het Hof in een arrest van 2 december 1976
(22), waarin het Hof stelde dat de belastingplichtige, die tijdens het onderzoek van zijn bezwaarschrift, akkoord gaat met het bedrag dat de administratie wil belasten, geen bekentenis doet in de zin van de artikelen 1354 tot 1356 van het Burgerlijk Wetboek. Volgens T. Afschrift, impliceert dit arrest dat "geen enkele erkenning door de belastingplichtige, op welk moment ook, en meer bepaald in zijn aangifte, als een bekentenis mag worden omschreven in de betekenis van de bovenvermelde artikelen van het Burgerlijk Wetboek. Dit volgt uit het openbare orde-karakter van het fiscaal recht en uit het feit dat de belastingplichtige niet met een bekentenis kan afzien van zijn recht om overeenkomstig de wet te worden belast, zoals gewaarborgd wordt in artikel 110 van de Grondwet".
(23)Deze auteur verduidelijkt verder: "Hoewel het klopt dat de administratie zich mag baseren op een erkenning in de aangifte of elk ander document dat van de belastingplichtige uitgaat, wordt deze erkenning, zoals we eerder hebben uiteengezet, evenwel niet als een bekentenis beschouwd. Het is slechts een loutere erkenning. Het is, met andere woorden, slechts een bekend feit dat als grondslag van een vermoeden van de administratie kan dienen. Dat vermoeden heeft vanzelfsprekend een grotere geloofwaardigheid, aangezien de verklaring van de belastingplichtige zelf uitgaat".
(24)Wegens het openbare orde-karakter van het fiscaal recht is een bekentenis derhalve uitgesloten. Wanneer de belastingplichtige een bepaald (voor hem nadelig) feitelijk gegeven erkent, kan deze erkenning dan ook niet gelden als een bekentenis. Zij kan slechts de waarde hebben van een feitelijk vermoeden, waarvan de appreciatie aan de rechter wordt overgelaten.
  1. De hierboven besproken cassatierechtspraak in verband met de erkenning door de werkgever of de arbeidsongevallenverzekeraar van een feitelijk gegeven, kan m.i. op dezelfde manier begrepen worden. Het Hof zegt in deze arresten niet dat de werkgever of de arbeidsongevallenverzekeraar een bekentenis in de zin van de artikelen 1354-1356 B.W. kan afleggen omtrent een feitelijk gegeven. Het aanvaardt enkel dat het mogelijk is een feitelijk gegeven, dat relevant is voor de toepassing van de arbeidsongevallenwet, te erkennen. Deze rechtspraak is aldus verzoenbaar met de rechtspraak volgens dewelke een bekentenis niet is toegelaten in zaken van openbare orde, voor zover men aanneemt dat de "erkenning" van een feitelijk gegeven in zaken van openbare orde niet als een bekentenis (en dus als een volledig bewijs) in de zin van de artikelen 1354-1356 B.W. kan worden beschouwd, maar slechts de bewijswaarde heeft van een feitelijk vermoeden. EEN "NUANCE" DIE DE REGEL UITHOLT.
  2. Het middel houdt voor dat een bekentenis in materies die de openbare orde raken als bewijsmiddel toegelaten is, wanneer die bekentenis een feitelijk gegeven tot voorwerp heeft, waarvan de erkenning voor de auteur nadelig is. Deze "nuance" zou de regel dat een bekentenis als bewijs uitgesloten is in zaken van openbare orde volledig uithollen. Zoals hoger reeds werd vermeld, is algemeen aanvaard dat een bekentenis alleen betrekking kan hebben op feitelijke gegevens. Bovendien impliceert een bekentenis, per definitie, de erkenning van een gegeven dat voor de auteur van de bekentenis nadelig is. De door eiser voorgestelde "nuance" komt er dus eigenlijk op neer dat een bekentenis (in de betekenis die daaraan normalerwijze wordt gegeven) zonder meer mogelijk is in zaken die de openbare orde raken, hetgeen regelrecht indruist tegen de vaste rechtspraak van het Hof. Tot slot kan nog opgemerkt worden dat het verbod op een bekentenis in aangelegenheden van openbare orde door de doctrine traditioneel wordt vermeld zonder toevoeging van enige nuance ter zake.
(25)BESLUIT. 16. Uit de rechtspraak van het Hof kan niet worden afgeleid dat de bekentenis, in materies die de openbare orde raken, toegelaten is als bewijs wanneer zij betrekking heeft op een feit en de erkenning van dit feit leidt tot het werkzaam worden van een regel van openbare orde. Het Hof heeft integendeel steeds vastgehouden aan de regel dat een bekentenis (die volgens vaste cassatierechtspraak alleen kan slaan op feiten) niet toegelaten is in aangelegenheden die de openbare orde raken. Het Hof heeft deze regel ook bevestigd in gevallen waarin de bekentenis zou leiden tot het toepasbaar worden van een bepaling van openbare orde (o.a. inzake arbeidsongevallen). De rechtspraak waarin het Hof aanvaardt dat een partij een feitelijk gegeven, waarop een rechtsregel van openbare orde moet worden toegepast, kan erkennen, doet aan de voornoemde regel geen afbreuk. Deze erkenning maakt immers geen bekentenis uit in de zin van de artikelen 1354-1356 B.W., maar heeft slechts de bewijswaarde van een feitelijk vermoeden. De eerste kritiek in het middel berust dan ook op een onjuiste rechtsopvatting en faalt derhalve naar recht. De tweede kritiek mist feitelijke grondslag. Het bestreden arrest stelt uitdrukkelijk dat de verklaring van verweerder een "gewoon" bewijselement blijft, waarvan de feitenrechter de bewijswaarde beoordeelt. Door te oordelen dat deze verklaring op zich onvoldoende is als bewijs en gepaard moet gaan met andere bewijselementen om te komen tot een volwaardig bewijs, ontzegt het arrest geenszins aan de bedoelde verklaring de bewijswaarde van een feitelijk vermoeden. Besluit: VERWERPING. ARREST ___________________________
(1)W. VAN GERVEN en S. COVEMAEKER, Verbintenissenrecht, Acco, Leuven, 2001, 436.
(2)H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, t. III, 1967, nr. 1024; W. VAN GERVEN en S. COVEMAEKER, o.c., 437-438.
(3)O.a. Cass. 7 februari 1997, A.C. 1997, nr. 71; Cass. 24 juni 1999, A.C. 1999, nr. 394.
(4)H. DE PAGE, o.c., nr. 1016; R. MOUGENOT, Droit des obligations, La preuve, Brussel, Larcier, 1997, 243.
(5)R. MOUGENOT, o.c., 249.
(6)Zie de rechtspraak besproken in randnr. 8.
(7)H. DE PAGE, o.c., nr. 1015; R. MOUGENOT, o.c., 249; W. VAN GERVEN en S. COVEMAEKER, o.c., 437; N. VERHEYDEN-JEANMART, Droit de la preuve, Brussel, Larcier, 1991, 330.
(8)A.C. 2000, nr. 616.
(9)A.C. 1975, 729, concl. Adv.-gen. LENAERTS.
(10)A.C. 1978-79, 1090.
(11)A.C. 1988-89, 129.
(12)A.C. 1999, nr. 539.
(13)Cass. 18 februari 2002 (S.01.0093.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020218.3 en S.01.0133.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020218.5).
(14)Zie hierover: C. PERSYN, R. JANVIER en W. VAN EECKHOUTTE, "Overzicht van rechtspraak, Arbeidsongevallen (1984-1989)", T.P.R. 1990,
(1203)1223-1227; A. VAN REGENMORTEL, "Enkele bedenkingen bij de betekenis en de draagwijdte van het begrip openbare orde in het sociaal recht", T.S.R. 1997,
(3)38-43.
(15)Pas. 1910, I, 476.
(16)Pas. 1930, I, 50.
(17)P.L. noot onder Cass. 19 december 1929, Pas. 1930, I, 50.
(18)A.C. 1968, 501.
(19)A.C. 1988-89, 271.
(20)A.C. 1999, nr. 100.
(21)Of de aan vermelding van de artikelen 1354-1356 B.W. in het arrest van 22 februari 1999 een principiële waarde moet worden toegekend (in de zin dat het Hof aldus een uitzondering zou hebben willen formuleren op de regel dat een bekentenis niet is toegelaten in zaken van openbare orde) valt te betwijfelen. Het arrest neemt immers voor het overige volledig de redenering over van het precedent van 7 november 1988, waarin deze artikelen niet werden genoemd.
(22)A.C. 1977, 382.
(23)T. AFSCHRIFT, Bewijs in het Fiscaal Recht, Brussel, Larcier, 2002, 157-158.
(24)Ibid., 158-159.
(25)H. DE PAGE, o.c., nr. 1015; R. MOUGENOT, o.c., 249; W. VAN GERVEN en S. COVEMAEKER, o.c., 437; N. VERHEYDEN-JEANMART, o.c.,
  1. Tekst van de beslissing Nr. S.04.0121.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen V. V. B., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 4 september 2003 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 22ter van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, in zijn versie vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001 ; - de artikelen 157, 158 en 159 van de Programmawet van 22 december 1989, de artikelen 157 en 159 vóór hun wijziging bij wet van 26 juli 1996 ; - artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek ; - de artikelen 6, 1315, 1349, 1350, 4°, 1353, 1354, 1355 en 1356 van het Burgerlijk Wetboek. Bestreden beslissing Het bestreden arrest vernietigt, op het hoger beroep van verweerder, het vonnis van de eerste rechter en verklaart de vordering van eiser, gestoeld op de toepassing van artikel 22ter van de R.S.Z.-Wet, ongegrond nu niet door hem werd bewezen dat verweerder in de periode van 1 juni tot 30 september 1994 geen werkroosters heeft openbaar gemaakt voor zeven, minstens vijf van zijn deeltijdse werknemers. Nadat het arrest in dit verband besloot dat aan de vaststellingen van 13 juni 1994 door de sociale inspectie en de verklaring van verweerder van 13 juni 1994 geen bewijswaarde kon toekomen, weigerde het arbeidshof eveneens rekening te houden met een rechtsgeldige, buitengerechtelijke bekentenis van verweerder, afgelegd op 23 oktober 1995 tegenover F.S., adjunct-inspecteur bij de sociale inspectie, om reden dat omwille van het karakter van openbare orde van artikel 22ter van de R.S.Z.-Wet geen bekentenis kan worden toegelaten in deze materie. "Op 23 oktober 1995 verklaart (verweerder) aan F.S., adjunct-inspecteur bij de sociale inspectie : 'Ik toon u de werkroosters en de contracten van de deeltijdse werknemers. Deze werknemers werken volgens variabele uren. Vóór oktober 1994 heb ik geen werkroosters bijgehouden. Na 13 juni 1994, datum van de controle van uw diensten, heb ik mij geïnformeerd inzake deeltijdse tewerkstelling bij de boekhouder en het sociale secretariaat, na wat u en uw collega mij in verband met deeltijdse arbeid en de verplichtingen inzake bijhouden van de documenten hadden verteld. Ik ben pas begonnen met werkroosters bij te houden in oktober 1994, daarvóór zijn er nooit opgesteld voor het personeel, omdat ik pas dan alle gegevens en informatie bekomen had. Ik vind het onterecht dat u mij vraagt werkroosters voor te leggen voor de periode juni 1994 tot september
  2. Als ik niet eerlijk was geweest en ik had gezegd dat ik die werkroosters had weggegooid maar wel opgemaakt was er niets aan de hand geweest. Ik vind een bijkomende R.S.Z.-aangifte voor de periode 13 juni 1994 tot september 1994 (dat de deeltijdse werknemers dus als voltijdsen worden aangegeven) dus onterecht' ; Aldus is voldaan aan alle juridische voorwaarden om te spreken over een buitengerechtelijke bekentenis ; Stelt zich vervolgens de vraag of een bekentenis mogelijk is met betrekking tot de toepassing van artikel 22ter van de R.S.Z.-wet ? Het (arbeids)hof is van oordeel dat omwille van het openbare karakter van artikel 22ter van de R.S.Z.-Wet de bekentenis in deze materie niet is toegelaten (H. De Page, Traité élémentaire de Droit civil Belge, derde uitgave, Brussel, 1967, deel 3, blz. 1068, nr. 1008 - B en Arbh. Mons, 7 april 1995, JTT 1996, 32). De conclusie is dan ook dat, ondanks de rechtsgeldige bekentenis van (verweerder) (eiser) niet ontheven is van de op hem rustende bewijslast ; Blijft als enig bewijselement over : de verklaring van (verweerder) van 23 oktober 1995, waarvan hoger sprake, ditmaal niet te beoordelen als bekentenis, maar wel als bewijselement ; De verklaring blijft dus een 'gewoon' bewijselement, waarvan de feitenrechter in casu het (arbeids)hof, de bewijswaarde beoordeelt ; Deze bewijswaarde moet worden beoordeeld op het terrein van de openbare orde, waartoe de R.S.Z.-materie behoort ; Vermits geoordeeld werd dat op dit terrein diegene die het bewijs moet aanbrengen, zich niet kan bedienen van een bekentenis als bekentenis in de juridische zin van het woord, t.t.z. als een ontslag tot verder bewijs, kan diezelfde bekentenis moeilijk aangenomen worden als een volwaardig bewijs zelf ; Het afhouden van de bekentenis in het kader van de bewijsvoering op het terrein van de openbare orde laat zich goed begrijpen in de situatie waarin een regel van openbare orde zou kunnen worden omzeild door een wel doordachte bekentenis ; De keerzijde van deze medaille is dat men even voorzichtig met een bekentenis moet omspringen in de situatie waarbij de rechtsonderhorige door te bekennen zich al te snel de gevolgen van de regel van openbare orde op de hals haalt ; De bekentenis wordt dus op het terrein van de openbare orde weggehouden zowel wanneer het gemeenschappelijk belang erdoor wordt tegengewerkt als wanneer de bekentenis dit gemeenschappelijk belang dienstig is ; Nu er voorzichtigheid geboden is rond de bewijswaarde van de eigen verklaring van de rechtsonderhorige (verweerder) in dit geval, is dergelijke verklaring op zich onvoldoende als bewijs ; Het hof oordeelt dat dergelijke verklaring moet gepaard gaan met andere bewijselementen om te komen tot een volwaardig bewijs ; Dit is ook logisch aangezien anders het geen zin heeft om de bekentenis niet als dusdanig in aanmerking te nemen op het terrein van de openbare orde ; Het hof stelde hogerop in dit arrest al vast dat er geen andere dienstige bewijselementen meer voorhanden zijn ; Het hof is dan ook van oordeel dat de verklaring van 23 oktober 1995 op zich, zonder te zijn gesteund door andere bewijselementen, niet volstaat om als vaststaand aan te tonen dat er in de periode 1 juni - 30 september 1994 door (verweerder) geen werkroosters werden openbaar gemaakt, voor zeven, minstens vijf werknemers dan nog ; De conclusie uit het geheel is dat (eiser) aan de hand van de gedane vaststellingen door de sociaal inspecteurs en aan de hand van de afgelegde verklaringen onvoldoende naar recht bewijst dat de voorwaarde tot het werkzaam maken van artikel 22ter van de R.S.Z.-Wet, namelijk de ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters, ter zake is vervuld voor de periode die hij in rekening brengt ; Bij gebrek aan dit bewijs, kan artikel 22ter van de R.S.Z.-Wet niet worden toegepast en is er geen aanleiding om R.S.Z.-bijdragen aan te rekenen gesteund op arbeid, die is verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid ; Aangezien de oorspronkelijke vordering precies het aanrekenen van dergelijke bijdragen tot voorwerp had, is deze vordering ongegrond". (arrest, p. 9 t.e.m.12). Grieven Overeenkomstig artikel 22ter, eerste zin, van de R.S.Z.-Wet van 27 juni 1969, worden, behoudens bewijs van het tegendeel dat door de werkgever wordt aangebracht, de deeltijdse werknemers vermoed, bij ontstentenis van inschrijving in de documenten bedoeld bij de artikelen 160, 162, 163 en 165 van de Programmawet van 22 december 1989 of bij gebrek aan gebruik van de apparaten bedoeld bij artikel 164 van dezelfde wet, hun prestaties te hebben uitgevoerd volgens de werkroosters die werden openbaar gemaakt zoals bepaald in de artikelen 157 tot 159 van dezelfde wet. Bij ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters, worden de deeltijdse werknemers krachtens de tweede zin van artikel 22ter, vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid, behoudens bewijs van het tegendeel dat door de werkgever wordt aangebracht. De ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters, kan door eiser - ten gunste van wie voormelde vermoedens zijn ingesteld - bewezen worden met alle middelen van recht, met inbegrip van zowel de buitengerechtelijke als de gerechtelijke bekentenis. Een bekentenis kan zowel betrekking hebben op materiële feiten als op rechtsfeiten, doch kan nooit slaan op de oplossing die, in rechte, aan het geschil moet worden gegeven. Een bekentenis kan bovendien niet slaan op zaken waarover de wet niet toelaat te beschikken of waarover geen dading mag worden aangegaan zodat in aangelegenheden die de openbare orde raken bijgevolg, in beginsel, geen bekentenis kan worden aangewend. Het principiële verbod om in zaken van openbare orde een bekentenis als bewijsmiddel te aanvaarden, geldt evenwel niet wanneer de bekentenis een feitelijk gegeven tot voorwerp heeft waarbij de auteur van de bekentenis, zonder hierbij afstand te doen van enig recht, het bestaan of de werkelijkheid erkent van een feit dat voor hem nadelig is. Deze bekentenis is voor de auteur ervan in die zin nadelig, niet omdat de bekentenis tot gevolg heeft dat een wet die van openbare orde is geen toepassing vindt, maar, integendeel, dat tengevolge van deze bekentenis deze wet wél van toepassing wordt. De verklaring van verweerder van 23 oktober 1995 dat hij vóór oktober 1994 nooit werkroosters heeft opgesteld voor zijn deeltijdse werknemers maakt een feitelijk gegeven uit waarover verweerder een bekentenis in voormelde zin kon afleggen. De erkenning van dit feit houdt in hoofde van verweerder immers geen afstand in van een recht dat de openbare orde raakt, noch strekt deze erkenning ertoe om een bepaling van openbare orde te omzeilen. Ofschoon de rechter aan dit feit juridische gevolgen kan verbinden en deze bekentenis bijgevolg aanleiding zal geven tot de toepassing van bepaalde rechtsregels van openbare orde, inzonderheid het werkzaam worden van artikel 22ter van de R.S.Z.-Wet, stond het de verweerder bijgevolg vrij om zich over dit feit uit te spreken op een wijze die hem bindt (artikel 1356 van het Burgerlijk Wetboek). Door vast te stellen dat hij vóór oktober 1994 nooit werkroosters heeft opgesteld voor zijn deeltijdse werknemers spreekt verweerder zich bovendien niet uit over een rechtsvraag, noch over de oplossing die aan het geschil, in rechte, moet worden gegeven maar beaamt hij enkel de juistheid van een feit, weze dit een juridisch dan wel een materieel feit. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig de verklaring van verweerder van 23 oktober 1995 als (buitengerechtelijke) bekentenis heeft kunnen weren louter omwille van het openbare orde karakter van artikel 22ter van de R.S.Z.-Wet, en bijgevolg niet wettig de vordering van eiser heeft kunnen afwijzen bij gebrek aan bewijs van de ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters van de deeltijdse werknemers (schending van alle in de aanhef van het middel aangevoerde bepalingen, de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek uitgezonderd). In zoverre het bestreden arrest verweerders verklaring van 23 oktober 1995 niet als een "gewoon" bewijselement aanvaardt en vereist dat dergelijke verklaring gepaard moet gaan met andere bewijselementen om te komen tot een volwaardig bewijs, verantwoorden de appèlrechters de afwijzing van eisers vordering evenmin naar recht nu de rechter zodoende, ten onrechte, aan de bedoelde verklaring de bewijswaarde van een feitelijk vermoeden ontzegt (schending van de artikelen 870 van het Gerechtelijk Wetboek en 1315, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  3. Overeenkomstig artikel 22ter, eerste zin, van de R.S.Z.-Wet van 27 juni 1969, zoals te dezen van toepassing, worden, behoudens bewijs van het tegendeel dat door de werkgever wordt aangebracht, de deeltijdse werknemers, bij ontstentenis van inschrijving in de documenten bedoeld bij de artikelen 160, 162, 163 en 165 van de Programmawet van 22 december 1989 of bij gebrek aan gebruik van de apparaten bedoeld bij artikel 164 van dezelfde wet, vermoed hun prestaties te hebben uitgevoerd volgens de werkroosters die openbaar werden gemaakt zoals bepaald in de artikelen 157 tot 159 van dezelfde wet. Overeenkomstig de tweede zin van artikel 22ter, worden de deeltijdse werknemers, bij ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters, vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid.
  4. De vermoedens, neergelegd in voormeld artikel 22ter, zijn ingesteld om de inning en de invordering van de verschuldigde socialezekerheidsbijdragen te verzekeren. Deze wettelijke vermoedens belangen de openbare orde aan.
  5. Een bekentenis kan niet slaan op zaken waarover de wet niet toelaat te beschikken of waarover geen dading mag worden aangegaan. De bekentenis van een feit dat een beslissend gegeven uitmaakt voor de al dan niet toepasselijkheid van een wet van openbare orde, mag dienvolgens door de rechter niet worden aangenomen. Hieruit volgt dat geen bekentenis mogelijk is met betrekking tot feitelijke elementen waarop de toepassing van de vermoedens neergelegd in artikel 22ter gegrond is.
  6. Het middel, in zoverre het aanvoert dat de ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters door de eiser als feit bewezen kan worden door middel van een bekentenis, faalt naar recht.
  7. Het arrest oordeelt dat de verklaring van 23 oktober 1995, waarin verweerder erkent geen werkroosters te hebben bijgehouden vóór oktober 1994, een gewoon bewijselement blijft waarvan de feitenrechter de bewijswaarde beoordeelt. Het oordeelt dat die verklaring bij gebreke van andere bewijselementen "onvoldoende naar recht bewijst dat de voorwaarde tot het werkzaam maken van artikel 22ter van de R.S.Z.-Wet" (...) ter zake is vervuld voor de periode van 1 juni 1994 tot en met 30 september 1994 voor zeven, minstens vijf werknemers.
  8. Het middel, in zoverre het ervan uitgaat dat het bestreden arrest verweerders verklaring van 23 oktober 1995 niet als een "gewoon" bewijselement aanvaardt en aan de bedoelde verklaring de bewijswaarde van een feitelijk vermoeden ontzegt, berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van honderd negenentwintig euro eenendertig cent jegens de eisende partij en op de som van tweeënzeventig euro achtentachtig cent jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Ghislain Londers en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van vierentwintig april tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060424.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060518.4 ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070314.4 ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20100326.6 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110207.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020218.3 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020218.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.