← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060424.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060424.7 Rolnummer: S.05.0075.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2006-12-22 Raadplegingen: 699 - laatst gezien 2026-07-04 07:54 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het gezag van gewijsde in strafzaken staat er niet aan in de weg dat een partij, in een later burgerlijk proces, de mogelijkheid krijgt om de elementen te betwisten die uit het strafproces zijn afgeleid, in zoverre zij niet bij het strafgeding was betrokken of er niet vrij haar belangen heeft kunnen doen gelden; dit geldt ook in materies waarop artikel 6.1 van het E.V.R.M. niet toepasselijk is

(1).
(1)Zie Cass., 7 okt. 1996, AR S.95.0117.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961007.3, nr 872; Cass., 2 okt. 1997, AR C.94.0030.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971002.4, nr 381 met concl. adv.-gen. DUBRULLE; Cass., 24 juni 2002, AR C.98.0273.N, N.J.W. 2002,
  1. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Strafzaken Vrije woorden: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Strafzaken Gelding ten opzichte van derden Draagwijdte op gebied van sociale zekerheid Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - ALGEMEEN Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID - ALGEMEEN Rechterlijk gewijsde Gezag van gewijsde Gelding ten opzichte van derden Draagwijdte op gebied van sociale zekerheid Tekst van de beslissing Nr. S.05.0075.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen SAN MARINO, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 9000 Gent, Vlaanderenstraat 46, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 18 februari 2005 gewezen door het Arbeidshof te Gent. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1, ,§1, eerste lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 4 van de wet van 17 april 1878 houdende Voorafgaande Titel bij het Wetboek van Strafvordering (V.T.Sv.); - het algemeen rechtsbeginsel inzake het gezag erga omnes van het strafrechtelijk gewijsde, zoals dit besloten ligt in artikel 4 V.T.Sv.; - het algemeen beginsel van het recht van verdediging. Bestreden beslissing Het bestreden arrest verklaart het beperkt hoger beroep van eiser ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het vonnis van de eerste rechter in zoverre dit de vordering van eiser met betrekking tot de ambtshalve regularisatie van 5 juni 2000 betreffende de tewerkstelling van de heer P.S. als ongegrond afwees. Het bestreden arrest verklaarde deze vordering ongegrond omwille van het strafrechtelijk gewijsde dat kleefde aan het vonnis van de Correctionele Rechtbank te Gent in zoverre was beslist dat niet was bewezen dat er in casu sprake was van prestaties die door P.S. krachtens een arbeidsovereenkomst waren geleverd : "(Eiser) houdt voor dat hij geen partij was in het strafproces en dat de strafzaken en de sociale zaken een totaal andere grondslag hebben. Het Hof van Cassatie neemt met vaststaande rechtspraak aan dat uit het samenlezen van artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, en artikel 6, eerste lid, van het EVRM, volgt dat het gezag van strafrechtelijk gewijsde er niet aan in de weg staat dat een partij in een later burgerlijk proces de kans moet hebben de gegevens, afgeleid uit het strafgeding, te betwisten in zoverre zij geen partij was in het strafgeding of er niet vrij haar belangen kon laten gelden (Cass., 2 oktober 1997, Arr. Cass., 1997, 889; Cass., 24 juni 2002, NjW 2002, 353), zoals de eerste rechter en (eiser) in principe, terecht stellen. Deze rechtspraak is te dezen evenwel niet relevant omdat (eiser) zich voor de ingestelde vordering niet kan beroepen op artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Aangezien (eiser), blijkens de artikelen 5 en 9, van de Socialezekerheidswet werknemers van 27 juli 1969, een openbare instelling is die door de wet met de inning van de bijdragen voor sociale zekerheid is belast, is een geschil tot invordering van sociale bijdragen, net als een geschil tot terugbetaling van bijdragen (Cass., 7 oktober 1996, Arr. Cass., 1996, 872; R.W. 1996-97, 781; J. T. T. 1997, 166 met noot en Soc. Kron. 1997, 63), geen geschil over burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van artikel 6.
  2. van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. Dit betekent dat (eiser) de toepassing van het algemeen rechtsbeginsel van het gezag erga omnes van het strafrechtelijk gewijsde niet kan betwisten door zich te beroepen op artikel 6, eerste lid, van het EVRM (R. Nelissen, Sociaalrechtelijke aspecten omtrent de adagia 'Le Criminel tient le civil en état' en 'Le criminel emporte le civil', rede uitgesproken op de plechtige openingszitting van het Arbeidshof te Antwerpen op 1 september 2004, weergave op de website van het Arbeidshof te Antwerpen, p. 33 - gedrukt exemplaar p. 30). Het Hof van Cassatie heeft weliswaar gesteld dat de ambtshalve veroordeling van de werkgever tot betaling aan de R.S.Z. van achterstallige bijdragen krachtens artikel 35, tweede lid, van de R.S.Z.-Wet van 1969, een bijzondere herstelwijze oplegt in het algemeen belang van de financiering van de sociale zekerheid, die afwijkt van het gemeen recht, en dat de ambtshalve veroordeling geen straf is maar een burgerlijk karakter heeft en niet het gezag van het strafrechtelijk gewijsde heeft dat kleeft aan een strafrechtelijke veroordeling (Cass., 21 februari 2000, Arr. Cass. 2000, 459; J.T.T. 1999-2000, 188; R.W. 2000-2001, 165 met noot; Soc. Kron. 2000, 481), zodat ook het afwijzen van een dergelijke veroordeling dat gewijsde lijkt te ontberen. Zo kunnen ook bijdrage-opslagen en intresten na een ambtshalve veroordeling tot betaling van de bijdragen bij correctioneel vonnis nog later gevorderd worden bij het arbeidsgerecht (Arbh. Antwerpen, afdeling Hasselt, 9 maart 1999, J.T.T. 1999, 406). Maar te dezen heeft de strafrechter definitief en zeker beslist dat P.S. niet verbonden was door een arbeidsovereenkomst tijdens de te dezen relevante periode, beslissing waaraan in elk geval wel het strafrechtelijk gezag van gewijsde kleeft. Het gezag van strafrechtelijk gewijsde dat geldt 'erga omnes' is immers verbonden aan 'hetgeen zeker en noodzakelijk door de strafrechter is beslist'. De strafrechter heeft echter wat betreft de feiten die tevens de aanleiding zijn geweest tot de deelvordering die thans nog in betwisting is, niet geoordeeld over enig moreel bestanddeel van de inbreuk evenmin trouwens als over het materieel bestanddeel ervan. Het materieel bestanddeel bestaat immers niet uit de tewerkstelling zelf, maar uit het niet-inschrijven van een werknemer in het personeelsregister en het niet-aangeven van een tewerkstelling van die werknemer. Te dezen heeft de strafrechter geoordeeld dat niet wordt bewezen dat er sprake is van tewerkstelling, dus dat P.S. verbonden was door een arbeidsovereenkomst met (verweerster). Om die reden werden de aangestelden van (verweerster) vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Aangezien de strafrechter definitief heeft beslist dat P.S. in de te dezen relevante periode niet verbonden was door een arbeidsovereenkomst met (verweerster) kan dit (arbeidshof), zonder het gezag van het strafrechtelijk gewijsde te schenden, de vordering van (eiser) die gesteund is op die beweerde tewerkstelling niet gegrond verklaren (vergelijk in verband met vrijspraak door de strafrechter t.a.v. burgerlijke partij: Cass., 16 december 1991, Soc. Kron. 1992, 285, en voor wie geen partij was in de procedure voor de strafrechter: Cass., 24 juni 2002, NjW 2002, 336 geciteerd door I. Boone)". Grieven Overeenkomstig het algemeen rechtsbeginsel inzake het strafrechtelijk gewijsde, dat in artikel 4 van de V.T.Sv. ligt besloten, mogen beslissingen op de strafvorderingen, in beginsel, niet opnieuw ter sprake worden gebracht ter gelegenheid van een navolgend burgerlijk of sociaalrechtelijk proces. De draagwijdte van deze regel wordt evenwel in sterke mate beperkt doordat hij in samenhang moet worden gelezen met het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dat inhoudt dat eenieder het recht heeft op een eerlijke behandeling van zijn zaak bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen. Het gezag van het strafrechtelijk gewijsde staat er niet aan in de weg dat een partij in een later burgerlijk of sociaalrechtelijk proces de kans moet krijgen om de gegevens, afgeleid uit het strafgeding, te betwisten in zoverre zij geen partij was in het strafgeding of er niet vrij haar belangen kon laten gelden. Deze relativiteit van het beginsel van het gezag van gewijsde in strafzaken vloeit rechtstreeks voort uit artikel 4 van de V.T.Sv. en dient niet noodzakelijk aan artikel 6 van het EVRM te worden vastgeknoopt. Waar eiser, als openbare instelling die door de wet met de inning van de bijdragen voor sociale zekerheid is belast (zie de artikelen 5 en 9 van de RSZ-wet), zich niet kan beroepen op artikel 6.1 van het EVRM om de toepassing van het algemeen rechtsbeginsel inzake het gezag van gewijsde in strafzaken te betwisten, nu een geschil tot invordering van sociale bijdragen ten aanzien van eiser geen geschil is over burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van het voormeld artikel 6.1, kan eiser de beperkte draagwijdte van het strafrechtelijk gewijsde bijgevolg steeds inroepen op grond van artikel 4 van de V.T.Sv. zelf. In zoverre eiser geen partij was geweest in de procedure voor de strafrechter die tot de vrijspraak van de aangestelden van verweerster heeft geleid, kon het absoluut gezag van gewijsde waarmee deze vrijspraak was bekleed derhalve evenmin aan eiser worden tegengeworpen en stond het hem vrij om voor het arbeidshof aan te voeren dat de heer P.S., anders dan door de strafrechter was beslist, wel in ondergeschikt verband door verweerster werd tewerkgesteld in de relevante periode. Het vrijsprekend vonnis van de strafrechter kon bijgevolg geen dwingende reden vormen voor het arbeidshof om de vordering van eiser ongegrond te verklaren en kon hoogstens door het arbeidshof in aanmerking worden genomen als een feitelijk vermoeden dat een gezagsrelatie ontbrak. Door te oordelen dat door de strafrechter definitief was beslist dat de Heer P.S. niet verbonden was door een arbeidsovereenkomst met verweerster en dat het arbeidshof de vordering van eiser niet kon inwilligen, zonder het gezag van het strafrechtelijk gewijsde te schenden, heeft het bestreden arrest bijgevolg de draagwijdte van het gezag van gewijsde in strafzaken miskend. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig het strafrechtelijk gewijsde van het vonnis van de strafrechter aan eiser heeft tegengeworpen op de enkele grond dat eiser zich als openbare instelling, die met de inning van de bijdragen is belast, niet op artikel 6.1 van het EVRM kan beroepen waardoor het bestreden arrest aan eiser ten onrechte de mogelijkheid heeft ontzegd om de gegevens te betwisten die werden afgeleid uit het strafgeding (schending van alle in de aanhef van het middel aangehaalde bepalingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  3. Het gezag van gewijsde in strafzaken, zoals dit besloten ligt in artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, staat niet eraan in de weg dat een partij in een later burgerlijk proces de mogelijkheid krijgt om elementen te betwisten die uit het strafproces zijn afgeleid, in zoverre zij niet bij het strafgeding was betrokken of er niet vrij haar belangen heeft kunnen doen gelden.
  4. Dit geldt ook in materies waarop artikel 6.
  5. van het EVRM niet toepasselijk is.
  6. Het arrest oordeelt dat: - de strafrechter bij vonnis van 16 mei 2001 definitief beslist heeft dat P.S. niet verbonden was met de verweerster door een arbeidsovereenkomst tijdens de te dezen relevante periode; - aan die beslissing een gezag van strafrechtelijk gewijsde erga omnes kleeft; - het geschil tot invordering van sociale bijdragen door een openbare instelling als de eiser, geen geschil is over burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van artikel 6.
  7. van het EVRM waardoor de eiser de toepassing van het algemeen rechtsbeginsel van het gezag erga omnes van het strafrechtelijk gewijsde niet kan betwisten door zich te beroepen op artikel 6.
  8. van het EVRM.
  9. Het arrest beslist op grond daarvan dat het, hoewel de eiser niet in het strafgeding was betrokken, de vordering van de eiser die steunt op een tewerkstelling van P.S. met een arbeidsovereenkomst, niet kan toekennen zonder het gezag van strafrechtelijk gewijsde van het vonnis van 16 mei 2001 te schenden.
  10. Door aan het gezag van strafrechtelijk gewijsde een dergelijke draagwijdte toe te kennen, verantwoordt het arrest zijn beslissing niet naar recht.
  11. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois en Ghislain Londers, en in openbare terechtzitting van vierentwintig april tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060424.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.024 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.215 ECLI:BE:TTBRL:2011:JUG.20110217.15 precedenten: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961007.3 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971002.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.