← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060425.14

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060425.14 Rolnummer: P.05.1571.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2006-12-22 Raadplegingen: 184 - laatst gezien 2026-07-03 08:26 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, staat het de strafrechter vrij zonder miskenning van het recht van verdediging zijn overtuiging te gronden op onder meer verklaringen van getuigen die in het aanvankelijk proces-verbaal niet worden vermeld, ook al zijn deze getuigen later aangebracht door een partij. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Beoordelingsvrijheid Getuigen aangebracht door een partij Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Bewijs Getuigen aangebracht door een partij Tekst van de beslissing Nr. P.05.1571.N C N G, beklaagde en burgerlijke partij, met als raadsman mr. Marc Olivier, advocaat bij de balie te Brugge, eiser, tegen S M E, beklaagde en burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Correctionele Rechtbank te Brugge van 19 oktober

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Wanneer de wet zoals hier geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar in feite de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde feitelijke gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. Het staat hem onder meer vrij zijn overtuiging te gronden op verklaringen van getuigen die in het aanvankelijk proces-verbaal niet worden vermeld, ook al zijn deze getuigen later aangebracht door een partij. Anders dan het middel stelt, mag de strafrechter wel een dergelijke verklaring als bewijs in aanmerking nemen. In zoverre faalt het middel naar recht.
  3. De eiser vermag geen miskenning van het recht van verdediging af te leiden uit de omstandigheid dat de appelrechters hun overtuiging gronden op dergelijke verklaringen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  4. In zoverre het middel voor het overige opkomt tegen die onaantastbare beoordeling van de bewijswaarde van de getuigenverklaring, is het niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
  5. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op argumenten die tot staving van een middel zijn aangevoerd maar geen afzonderlijk middel vormen.
  6. De eiser heeft zijn in het onderdeel aangehaalde argumenten enkel aangevoerd tot staving van zijn middel met betrekking tot het gebrek aan geloofwaardigheid van de getuigenverklaring en de miskenning van het recht van verdediging. Met dit argument heeft hij geen afzonderlijk middel beoogd. De appelrechters dienden die argumenten niet afzonderlijk te beantwoorden. Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
  7. Voor het overige, verwerpen en beantwoorden de appelrechters met de redenen die zij vermelden, eisers verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  8. Het is niet tegenstrijdig te stellen, enerzijds, dat de getuige geen der partijen kent en met geen van hen in persoonlijk contact is gekomen, en anderzijds, dat de identiteit van die getuige door de raadsman van de verweerster aan het parket werd medegedeeld. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 91,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 25 april 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060425.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.