← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060425.18

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060425.18 Rolnummer: P.06.0129.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-12-22 Raadplegingen: 173 - laatst gezien 2026-07-03 08:26 Versie(s): Vertaling FR Fiche Niets verhindert de eiser in cassatie zijn cassatiemiddelen in de vormen en termijnen door de wet voorgeschreven kenbaar te maken, zelfs indien hij niet op de hoogte wordt gesteld van de inschrijving van de zaak op de algemene rol van het Hof

(1).
(1)Zie Cass., 15 juni 2004, P.04.0457.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040615.16, nr
  1. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Verzoekschrift Memorie Termijn van neerlegging Inschrijving van de zaak op de algemene rol Tekst van de beslissing Nr. P.06.0129.N D J H G, beklaagde, eiser. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Correctionele Rechtbank te Brussel van 23 december
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie De eiser in cassatie kan op verscheidene manieren zijn middelen opgeven. Hij kan het doen bij de verklaring van zijn beroep in cassatie of in een verzoekschrift dat hij moet neerleggen binnen de vijftien dagen op de griffie van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen (artikel 422 Wetboek van Strafvordering). Hij kan het ook doen in een memorie die hij binnen de twee maanden sedert de dag waarop de zaak op de algemene rol is ingeschreven, ter griffie van het Hof neerlegt (artikel 420bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering). Die memorie moet wel minstens acht dagen vóór de terechtzitting aan het openbaar ministerie zijn meegedeeld (artikel 420bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering). Zelfs indien de eiser niet op de hoogte wordt gesteld van de inschrijving op de rol, dan verhindert niets hem zijn cassatiemiddelen kenbaar te maken. Hij moet niet wachten totdat hij een verwittiging krijgt. De eiser in cassatie weet wanneer hij cassatieberoep heeft aangetekend. Van dan af weet hij dat hij vijftien dagen heeft om een verzoekschrift met middelen neer te leggen conform artikel 422 Wetboek van Strafvordering. Hij kan ook bij de griffie van het Hof de nodige inlichtingen inwinnen teneinde te weten wanneer de zaak op de algemene rol is ingeschreven, wat hem toelaat tijdig een memorie met middelen in te dienen conform artikel 420bis van hetzelfde wetboek. Hij kan dan ook niet voorhouden dat hij is verschalkt omdat hij niet formeel is verwittigd wanneer de zaak op de rol is ingeschreven. De eiser heeft zijn memorie ingediend op 24 april
  3. Dit is buiten alle voormelde termijnen. De memorie is dan ook niet ontvankelijk. De eiser vraagt het Hof daarover het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen. Hij houdt voor dat het openbaar ministerie zich in een bevoorrechte positie bevindt. Dit is echter niet zo. Wanneer het openbaar ministerie cassatieberoep aantekent, gelden dezelfde voorwaarden en termijnen. Daar de prejudiciële vraag uitgaat van een onjuiste juridische onderstelling, dient het Hof die vraag niet te stellen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 57,12 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 25 april 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060425.18 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040615.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.