← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060427.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060427.6 Rolnummer: C.04.0093.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-03-14 Raadplegingen: 635 - laatst gezien 2026-07-03 13:40 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Aan de gecedeerde schuldenaar dient enkel het feit van de overdracht van de schuldvordering ter kennis te worden gebracht

(1); die kennisgeving kan zowel door de overdrager als de overnemer gebeuren.
(1)Zie Cass., 28 okt. 1994, AR C.93.0047.N ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941028.8, nr
  1. Thesaurus CAS: VERBINTENIS UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Koop-verkoop - Overdracht schuldvorderingen Vrije woorden: VERBINTENIS Overdracht van schuldvordering Kennisgeving Wettelijke bepalingen: Wet - 09-03-1953 - Art.1690,tweed Fiche 2 Wanneer de kennisgeving van de overdracht van schuldvordering enkel uitgaat van de overnemer mag de gecedeerde schuldenaar zich tegenover de overnemer uitsluitend beroepen op middelen die het feit van de overdracht betreffen en niet op middelen die berusten op de geldigheid of de inhoud van de onderliggende overeenkomst tussen overdrager en overnemer, noch op deze die berusten op de nakoming van die overeenkomst. Thesaurus CAS: VERBINTENIS Vrije woorden: VERBINTENIS Overdracht van schuldvordering Schuldenaar Middelen Wettelijke bepalingen: Wet - 09-03-1953 - Art.1690,tweed Annotaties Publicaties: R.W. - X; Noot. - 2007-2008, 1114 Tekst van de beslissing Nr. C.04.0093.N FORTIS COMMERCIAL FINANCE, naamloze vennootschap, met zetel te 2300 Turnhout, Steenweg naar Nielen 51, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 4, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen PARIS EXPRESS SERVICE, naamloze vennootschap, met zetel te 1140 Evere, Auguste De Boeckstraat 66, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 30 juni 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1121, 1165, 1689, 1690 en 1691 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Bij het bestreden arrest van 30 juni 2003 verklaart het Hof van Beroep te Brussel het hoger beroep van verweerster ontvankelijk en gegrond, verklaart het incidenteel beroep en de nieuwe vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond en wijst haar ervan af, bevestigt het beroepen vonnis in de mate dat het oorspronkelijke vordering van eiseres ontvankelijk verklaarde en de kosten had begroot, doet het beroepen vonnis voor het overige teniet en opnieuw rechtsprekend verklaart de vordering van eiseres, strekkende tot de veroordeling van verweerster tot betaling van een bedrag van 4.877.474 BEF, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten, ongegrond en wijst haar van haar vordering af. Deze beslissing is gestoeld op volgende gronden: "
  2. De NV Paris Express verwijst naar de overeenkomst van factoring die gesloten werd tussen de BVBA F1 Courier en de NV Belgo-Factors en beroept zich op de bepaling van artikel 1 van de algemene voorwaarden van deze overeenkomst volgens dewelke schuldvorderingen op schuldenaars die eveneens als schuldeiser tussenkomen, niet aan de factoringsmaatschappij kunnen worden overgedragen. De NV Paris Express leidt hieruit af dat de litigieuze facturen door de BVBA F1 Courier aan de NV Paris Express niet geldig werden overgedragen aangezien zijzelf en de BVBA F1 Courier wederzijds schuldeiser en schuldenaar waren. De NV Paris Express legt fotokopieën neer van 17 facturen die zij voor dezelfde periode als de litigieuze facturen uitschreef op naam van de BVBA F1 Courier. De door de BVBA F1 Courier en de NV Paris Express op elkaars naam uitgeschreven facturen betroffen prestaties van dezelfde aard, namelijk het uitvoeren van vervoeropdrachten. De NV Paris Express stelt derhalve terecht dat zijzelf en de BVBA F1 Courier jegens elkaar zowel schuldeiser als schuldenaar waren. De NV Fortis, voorheen de NV Belgo-Factors, werpt op dat zij er niet toe gehouden was de factoringovereenkomst zelf aan de NV Paris Express mede te delen, dat zij enkel het feit van de overdracht ter kennis van deze laatste moest brengen, en dat voor het overige met betrekking tot deze overeenkomst enkel toepassing kan worden gemaakt van artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek, hetgeen betekent dat de factoringovereenkomst enkel gevolgen heeft tussen de contracterende partijen, en dat de wijze waarop deze overeenkomst werd uitgevoerd, door derden dient te worden erkend. Artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat overeenkomsten alleen gevolgen teweegbrengen tussen de contracterende partijen en dat zij aan derden geen nadeel toebrengen en hen slechts tot voordeel strekken in het geval voorzien bij artikel 1121 van het Burgerlijk Wetboek. Dit belet echter niet dat de NV Paris Express zich niet slechts op het bestaan van deze overeenkomst, maar ook op de gevolgen ervan tussen de contracterende partijen mag beroepen als verweermiddel tegen de vordering van de NV Fortis - voorheen de NV Belgo-Factors. Zo een derde, buiten het geval van beding te zijnen gunste, de tenuitvoerlegging in zijn voordeel niet mag vorderen van de verbintenissen die uit een overeenkomst voortvloeien, belet artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek integendeel niet dat een derde bij een contract zich niet slechts op het bestaan van dit contract maar ook op de gevolgen welke het tussen de contracterende partijen heeft, mag beroepen, hetzij om de gegrondheid te staven van de vordering die hij tegen een van die partijen instelt, hetzij als verweermiddel tegen de vordering die een van die partijen tegen hem instelt (zie: Cass., 22 april 1997, Arr. Cass., 1997, bladzijde 868-873). Dit betekent ter zake dat de NV Paris Express zich voor haar verweer tegen de vordering van de NV Fortis, voorheen de NV Belgo-Factors, op het beding van de overeenkomst mag beroepen volgens hetwelk schuldvorderingen op schuldenaars die eveneens als schuldeiser tussenkomen, niet aan de factoringmaatschappij kunnen worden overgedragen. Aangezien de NV Paris Express op afdoende wijze aantoont dat zijzelf en de BVBA F1 Courier wederzijds schuldeiser en schuldenaar waren, dient te worden vastgesteld dat de facturen die het voorwerp uitmaken van de vordering van de NV Fortis, niet door de BVBA F1 Courier aan de NV Belgo-Factors konden worden overgedragen. Hieruit volgt dat de NV Fortis zich niet op een cessie kan beroepen om zich tegen de NV Paris Express te richten, zodat haar vordering ongegrond voorkomt. De omstandigheid dat de NV Belgo-Factors niet verplicht was de overeenkomst van factoring aan de NV Paris Express mede te delen, is niet relevant daar dit niet als gevolg heeft dat de NV Paris Express zich niet op het bestaan noch op de gevolgen van deze overeenkomst zou kunnen beroepen als verweermiddel tegen de vordering. De vordering van de NV Fortis, voorheen de NV Belgo-Factors, wordt bijgevolg als ongegrond afgewezen.
  3. Nu het hoger beroep van de NV Paris Express gegrond is, is de vordering van de NV Fortis strekkende tot het bekomen van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beroep bijgevolg niet gegrond, evenmin als haar incidenteel beroep. Grieven Overeenkomstig artikel 1689 van het Burgerlijk Wetboek wordt de overdracht van schuldvordering tussen partijen evenals ten aanzien van derden door de loutere wilsovereenstemming voltrokken, met dien verstande dat artikel 1690, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek uitdrukkelijk bepaalt dat de overdracht tegen de gecedeerde schuldenaar slechts kan worden ingeroepen vanaf het ogenblik dat zij aan de gecedeerde schuldenaar werd ter kennis gebracht of door hem werd erkend. Uit laatstgenoemde wetsbepaling volgt dat aan de gecedeerde schuldenaar enkel het feit van de overdracht, met uitsluiting van de inhoud van de overeenkomst van overdracht, moet worden ter kennis gebracht. De schuldenaar is immers een derde ten aanzien van deze overeenkomst, waarvan de inhoud hem niet aanbelangt. Zo de schuldenaar zich ten aanzien van de overnemer zal kunnen beroepen op de excepties die bestonden op het tijdstip van de kennisgeving van de overdracht der schuldvordering, nu de overdracht van schuldvordering de situatie van de schuldenaar niet kan verzwaren en de schuldvordering zodoende, behoudens afwijkend akkoord van de schuldenaar, wordt overgedragen in de toestand waarin zij zich bevindt op het ogenblik van de cessie, zal hij dan ook geen exceptie kunnen putten uit de dekkingsovereenkomst, anders gezegd, uit de overeenkomst gesloten tussen de oorspronkelijke schuldeiser en de overnemer, welke voor hem een 'res inter alios acta is', om aan de betaling van de overgedragen schuldvordering in handen van de cessionaris te ontkomen. Luidens artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek brengen overeenkomsten bovendien enkel gevolgen teweeg tussen de contracterende partijen; zij brengen aan derden geen nadeel toe en strekken hun slechts tot voordeel in het geval voorzien bij artikel
  4. Buiten het geval van een beding te zijnen gunste mag een derde zodoende in zijn voordeel niet de tenuitvoerlegging vorderen van verbintenissen die uit een overeenkomst voortvloeien; evenmin kan hij, om zijn plichten ten aanzien van één van de contractanten te beperken, een overeenkomst, waarbij hij geen partij is, als bindend inroepen. Ten slotte zal hij ook het feit van de niet-uitvoering van die overeenkomst dienen te erkennen. Uit het voorgaande volgt dat, zodra de overdracht van de schuldvorderingen ter kennis werd gebracht van de schuldenaar, deze zich nog enkel zal kunnen bevrijden in handen van de cessionaris, een en ander onder voorbehoud van de excepties die hij put uit de rechtsverhouding die aan de overgedragen schuldvordering ten grondslag ligt. Te dezen blijkt uit de overwegingen van het bestreden arrest dat de schuldvorderingen, waarvan door de eiseres betaling werd gevorderd, aan eiseres werden overgedragen, met dien verstande dat verweerster betwistte dat zij rechtsgeldig werden overgedragen, gelet op de inhoud van de factoringovereenkomst (pagina 6, derde alinea, van het bestreden arrest), en dat er door eiseres acht specifieke kennisgevingen van overdracht met vraag tot betaling aan verweerster werden verstuurd, waarbij zij telkens vermeldde dat de betrokken factuur haar door de BVBA F1 Courrier overgedragen werd. Bovendien voerde eiseres in haar beroepsconclusie expliciet aan op pagina 3 onder randnummer 4 dat de cessie van alle facturen, dus inclusief de litigieuze facturen, meteen tegenstelbaar werd gemaakt aan verweerster overeenkomstig de bepalingen van artikel 1690, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, door het aanbrengen op de voorzijde van iedere factuur van een groene zelfklever, waarop melding werd gemaakt van de overdracht, alsmede van het feit dat alleen betaling in handen van eiseres als bevrijdend kon beschouwd worden, zodat de cessie van alle facturen tegenwerpelijk was aan de bestemmeling der facturen en dat bijkomend verweerster enkele dagen na de facturen nog een afzonderlijk cessiebericht per factuur vanwege eiseres ontving met onderaan dit document een voorgedrukt overschrijvingsformulier om de debiteur toe te laten deze factuur te regelen door storting op de bankrekening van eiseres (randnummer 5). Besluit Het hof van beroep kon op grond van de gedane vaststellingen, waaruit enerzijds blijkt dat de litigieuze facturen door de oorspronkelijke schuldeiser aan eiseres werden overgedragen en anderzijds blijkt dat de kennisgeving van bedoelde overdrachten aan verweerster daadwerkelijk plaatsvond, niet wettig besluiten dat verweerster zich voor haar verweer tegen eiseres' vordering vermocht te beroepen op een beding, geput uit de factoringovereenkomst, totstandgekomen tussen de oorspronkelijke schuldeiser en eiseres, volgens hetwelk schuldvorderingen op schuldenaars die eveneens als schuldeiser tussenkomen niet aan de factoringmaatschappij konden worden overgedragen, aldus vooreerst de relatieve kracht van de factoringovereenkomst miskennende (schending van de artikelen 1121, 1165, 1689 en 1690 van het Burgerlijk Wetboek), voorts de rechtsgevolgen, verbonden aan de kennisgeving van de overdracht der factuur aan de schuldenaar, miskennende (schending van de artikelen 1690, tweede lid, en 1691 van het Burgerlijk Wetboek) en ten slotte uitspraak doende in miskenning van de regel dat de schuldenaar zich ten aanzien van de cessionaris enkel vermag te beroepen op de excepties, die hij put uit de aan de overgedragen schuldvordering ten grondslag liggende overeenkomst, voorzover deze reeds bestonden ten tijde van de kennisgeving van de overdracht, met uitsluiting van deze die de onderlinge verhouding tussen de oorspronkelijke schuldeiser-overdrager en de overnemer betreffen (schending van de artikelen 1165, 1689, 1690 en 1691 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  5. Volgens artikel 1690, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, kan de overdracht van schuldvordering tegen de gecedeerde schuldenaar slechts worden ingeroepen vanaf het ogenblik dat zij hem werd ter kennis gebracht of door hem werd aanvaard. Aan de gecedeerde schuldenaar dient enkel het feit van de overdracht ter kennis te worden gebracht.
  6. De kennisgeving kan zowel door de overdrager als de overnemer gebeuren.
  7. Wanneer de kennisgeving van de overdracht enkel uitgaat van de overnemer, mag de gecedeerde schuldenaar zich tegenover de overnemer uitsluitend beroepen op middelen die het feit zelf van de overdracht betreffen. Hij mag zich niet beroepen op middelen die berusten op de geldigheid of de inhoud van de onderliggende overeenkomst tussen overdrager en overnemer, noch op deze die berusten op de nakoming van die overeenkomst.
  8. De appelrechters die na te hebben vastgesteld dat de schuldvorderingen waren overgedragen, oordelen dat de verweerster als gecedeerde schuldenaar het verweer mag voeren dat de schuldvorderingen krachtens de cessieovereenkomst niet konden worden overgedragen, schenden aldus de in het middel aangevoerde wetsbepalingen.
  9. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Greta Bourgeois, Eric Dirix en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van 27 april 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060427.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091014.9 precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941028.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080505.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140627.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.