← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060427.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060427.7 Rolnummer: C.04.0461.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht - Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-03-14 Raadplegingen: 553 - laatst gezien 2026-07-04 01:20 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Geen nieuwe steunmaatregel kan geacht worden regelmatig te zijn ingevoerd als de EG-Commissie niet tijdig door de voorafgaande procedure van het voornemen van een Lid-Staat om hem in te voeren op de hoogte werd gebracht

(1).
(1)Cass., 11 maart 2005, AR C.02.133.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050311.4, nr 152. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Vrije woorden: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Nieuwe steunmaatregelen Invoering Commissie Aanmeldingsplicht Miskenning Regelmatigheid Fiche 2 De aanmeldingsplicht voor een steunmaatregel geldt niet enkel voor zijn invoering maar ook voor zijn wijziging; die verplichting geldt ook als, nadat de EG-Commissie heeft geoordeeld dat een steunmaatregel geheel of ten dele niet verenigbaar was met het Europees recht, een Lid-Staat de vroegere steunmaatregel wijzigt en vervangt door een nieuw steunstelsel
(1).
(1)H.v.J., 17 juni 1999, nr C-285/97, Jur. H.v.J., 1998, I-4895; Cass., 19 jan. 2001, AR C.96.0091.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010119.7, nr 41, met concl. adv.-gen. DE RIEMAECKER. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Vrije woorden: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Steunmaatregelen Wijzigingen Aanmeldingsplicht Fiches 3 - 4 Het Hof van cassatie is niet verplicht een prejudiciële vraag te stellen wanneer het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen reeds krachtens artikel 234 Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen een in dat artikel vermelde bepaling heeft uitgelegd en het Hof van cassatie zich door deze uitleg voldoende ingelicht acht
(1).
(1)Cass., 29 april 2003, AR P.02.1459.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030429.8-P.02.1578.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030429.8, nr 268 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Vrije woorden: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Verplichting voor het Hof van cassatie Eerdere uitlegging door het Hof van Justitie Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: PREJUDICIEEL GESCHIL Europese Unie Verplichting voor het Hof van cassatie Eerdere uitlegging door het Hof van Justitie Fiche 5 Wanneer een steunmaatregel met miskenning van de aanmeldingsplicht ten uitvoer is gelegd, zijn de nationale rechterlijke instanties in beginsel verplicht de terugbetaling te gelasten van de specifiek ter financiering van de tot steun geheven belastingen of bijdragen
(1).
(1)Cass., 11 maart 2005, AR C.02.0133.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050311.4, nr 152. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Vrije woorden: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Steunmaatregelen Aanmeldingsplicht Miskenning Belastingen Bijdragen Nationale rechterlijke instanties Verplichting Fiche 6 Het staat aan de Commissie te beoordelen of de steunmaatregelen verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt, maar die bevoegdheid staat los van deze van de nationale rechterlijke instanties toe te zien op de vrijwaring van de rechten van de justitiabelen in geval van schending van de aanmeldingsplicht
(1).
(1)Cass., 11 maart 2005, AR C.02.0133.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050311.4, nr 152. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Vrije woorden: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Steunmaatregelen Commissie Nationale rechterlijke instanties Bevoegdheid Fiche 7 Het gemeenschapsrecht staat eraan in de weg dat een Lid-Staat aan de terugbetaling van met dat recht strijdige heffingen een voorwaarde verbindt, zoals dat die heffingen niet of niet volledig op derden zijn afgewenteld, waarbij het bewijs dat aan die voorwaarde is voldaan door de verzoeker moet geleverd worden
(1).
(1)Cass., 19 jan. 2001, AR C.96.0091.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010119.7, nr 41. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Vrije woorden: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Gemeenschapsrecht Heffingen Strijdigheid Terugbetaling Voorwaarden Bewijs Bevoegdheid van een Lid-Staat Fiches 8 - 9 Heffingen worden niet vermoed op derden te zijn afgewenteld; hij die de heffingen heeft betaald kan niet verplicht worden te bewijzen dat de onverschuldigd betaalde heffingen niet op derden zijn afgewenteld
(1).
(1)H.v.J., 9 feb. 1999, nr C-343/96, Jur. H.v.J., 1999, I-579; Cass., 19 jan 2001, AR C.96.0091.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010119.7, nr 41. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Vrije woorden: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Steunmaatregelen Strijdige heffingen Terugbetaling Afwenteling op derden Bewijslast Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Bewijslast Europese Unie Verdragsbepalingen Steunmaatregelen Strijdige heffingen Terugbetaling Afwenteling op derden Bewijslast Fiche 10 Het gemeenschapsrecht staat er niet aan in de weg dat nationale wettelijke bepalingen de terugbetaling van in strijd met dat recht toegepaste heffingen uitsluiten, wanneer vaststaat dat hij die ze heeft moeten betalen ze daadwerkelijk op anderen heeft afgewenteld, dat het vermoeden van niet-afwenteling dus kan weerlegd worden en terugbetaling door de voornoemde kan worden gevorderd
(1).
(1)Zie H.v.J., 9 feb. 1999, nr C-343/96, Jur. H.v.J., 1999, I-
  1. Vrije woorden: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Gemeenschapsrecht Heffingen Nationale bepalingen Terugbetaling Uitsluiting Niet-afwenteling Vermoeden Weerlegging Verenigbaarheid Tekst van de beslissing Nr. C.04.0461.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, wiens kabinet gevestigd is te 1210 Sint-Joost-Ten-Noode, Kunstlaan 7, eiser, vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen VANDEN AVENNE - OOIGEM, naamloze vennootschap, rechtsopvolgster van de NV Unica Barda, met zetel te 8710 Wielsbeke-Ooigem, Oostrozebeeksestraat 160, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 26 april 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel (1999/AR/1914). Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. FEITEN
  2. Verweerster is een veevoederbedrijf dat ook varkens vetmest. Als zodanig heeft zij bijdragen betaald aan het Fonds voor de gezondheid en productie van dieren, in toepassing van artikel 32, ,§2, van de Dierengezondheidswet van 24 maart 1987 en het koninklijk besluit van 11 december
  3. Deze bijdragen werden door slachthuizen, vleeshandelaars en varkenshandelaars bij deze vetmesters geïnd. Voor de uitgevoerde dieren, betaalden de vetmesters de bijdragen rechtstreeks aan het Fonds. Deze regeling werd niet bij de Europese Commissie (hierna de "Commissie") aangemeld.
  4. Bij beschikking van 7 mei 1991 (Pb. 1991, L294/43) heeft de Commissie beslist dat de steun die uit de verplichte bijdragen als bedoeld in het koninklijk besluit van 11 december 1987 wordt gefinancierd, onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 92 (thans artikel 87) van het EG Verdrag en moet worden afgeschaft voor zover de verplichte bijdragen in het slachtstadium ook de uit andere lidstaten ingevoerde producten belasten.
  5. Artikel 32, ,§2, van de Dierengezondheidswet werd gewijzigd door de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen. Ten gevolge van deze bepaling werd het koninklijk besluit van 11 december 1987 opgeheven met uitzondering van haar toepassing op de "nationale dieren". Voor de "ingevoerde dieren" werd bepaald dat de bijdragen die sedert 1 januari 1988 werden betaald, zouden terugbetaald worden. Deze wijziging werd niet bij de Commissie aangemeld.
  6. Bij brieven van 7 december 1995 en 20 mei 1996 heeft het Koninkrijk België een wetsontwerp tot intrekking van de regeling van 1987 en tot vervanging ervan door een nieuwe regeling aan de Commissie gemeld. Bij beschikking van 30 juli 1996, die aan de Belgische Staat werd meegedeeld op 9 augustus 1996, heeft de Commissie de steunmaatregel verenigbaar verklaard met de gemeenschappelijke markt. Hierop werd de wet van 23 maart 1998 betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten aangenomen. Die wet schafte de regeling van 1987 met terugwerkende kracht af, en verving deze door een nieuw stelsel van verplichte bijdragen aan het Begrotingsfonds, met toepassing vanaf 1 januari
  7. In de regeling van 1998 worden de ingevoerde dieren niet meer geviseerd, en worden de bijdragen voor de uitgevoerde dieren afgeschaft vanaf 1 januari
  8. Inmiddels had verweerster op 9 oktober 1997 de Belgische Staat gedagvaard tot terugbetaling van de bijdragen die zij beweerd betaald te hebben in uitvoering van deze regeling. Zij vorderde 2.249.151 BEF als som van de bijdragen die zij in de periode van 1 januari 1988 tot 31 maart 1992 heeft betaald. De eiser stelde een tegenvordering in ten belope van 2.249.151 BEF onder voorbehoud van verhoging in de loop van het geding. Bij vonnis van 11 mei 1999 heeft de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel de hoofdvordering gegrond verklaard en de tegenvordering afgewezen. De eiser stelde hiertegen hoger beroep in en vroeg de oorspronkelijke vordering ongegrond te verklaren. Daarnaast vroeg de Belgische Staat het hof van beroep hem akte te verlenen van zijn voorbehoud om alle bijdragen die Unica Barda als onwettige steun genoten had, terug te vorderen. Het Hof van Beroep te Brussel besliste in zijn arrest van 26 april 2004 zowel de hoofdvordering als de tegenvordering principieel gegrond te verklaren, en stelde een deskundige aan teneinde de som te berekenen van de door de eiser aan de verweerster verleende steun. III. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift vier middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Aangevochten beslissingen Het hof van beroep maakt volgende vaststellingen: - "Bij de Dierengezondheidswet van 24 maart 1987 (...) werd een regeling ingesteld voor de financiering van prestaties met betrekking tot de bestrijding van dierenziekten en de verbetering van de hygiëne, de gezondheid en de kwaliteit van dieren en dierlijke producten (...); Artikel 32, ,§2, van de wet van 1987 bepaalt: "Bij het Ministerie van Landbouw wordt (...) (het Fonds van 1987) ingesteld (...). Het Fonds heeft tot doel tussen te komen in de financiering van vergoedingen, toelagen en andere prestaties met betrekking tot de bestrijding van dierenziekten en de verbetering van de hygiëne, de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en dierlijke producten. Het Fonds wordt gestijfd door: 1é de verplichte bijdragen ten laste van de natuurlijke en rechtspersonen die dieren (...) voortbrengen, verwerken, vervoeren, bewerken, verkopen of verhandelen; (...) Bij de wet van 1987 werd de Koning gemachtigd om het bedrag van deze verplichte bijdrage en de regels voor de inning ervan bij besluit vast te leggen. Bij koninklijk besluit van 11 december 1987 (...) werd met ingang van 1 januari 1988 aan de slachthuizen en uitvoerders een bijdrage opgelegd van 105 BEF per geslacht of uitgevoerd rund, kalf of varken. De wet en het koninklijk besluit van 1987 werden vervolgens herhaaldelijk gewijzigd. Deze teksten werden niet overeenkomstig artikel 93, derde lid, van het Verdrag bij de Commissie aangemeld" (pagina 4-5). - "Overeenkomstig de procedure van artikel 93, tweede lid, van het Verdrag heeft de Commissie bij beschikking 91/538/EEG van 7 mei 1991 (...) betreffende het Belgische Fonds voor de gezondheid en productie van de dieren (...) vastgesteld dat de regeling van 1987 met betrekking tot elk geslacht en uitgevoerd dier (...) onverenigbaar was met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 92 EG-Verdrag (thans, na wijziging : artikel 87 EG) en bijgevolg niet meer kon worden toegepast voorzover de verplichte bijdragen in het slachtstadium ook over uit andere lidstaten ingevoerde dieren en producten werden geheven" (pagina 5-6). -"De wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen wijzigde artikel 32, ,§2, van de Dierengezondheidswet en bepaalde onder meer (artikel 185) dat de koninklijke besluiten betreffende de verplichte bijdragen worden opgeheven wanneer zij door de wetgever niet werden bekrachtigd in het jaar volgend op dat van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Dezelfde wettelijke bepaling bekrachtigt het koninklijk besluit van 11 december 1987 (zoals gewijzigd) met ingang van 1 januari 1988 wat betreft de 'nationale dieren'. Wat de 'ingevoerde dieren' betreft wordt het koninklijk besluit van 11 december 1987 niet bekrachtigd en wordt bepaald dat de verplichte bijdragen die met ingang van 1 januari 1988 werden betaald, terugbetaald worden (...)" (pagina 5). Daarna beslist het hof van beroep dat de Belgische Staat gehouden is tot terugbetaling van de bijdragen aan verweerster en dat verweerster gehouden is tot terugbetaling van de uit het voormelde Fonds ontvangen subsidie, op grond van de volgende motieven: "Vanaf 7 mei 1991 was het systeem door de Commissie geldig verklaard in de mate dat de verplichte bijdragen uitsluitend de binnenlandse producten betroffen alsmede in de mate dat er steun werd verleend. Volgens artikel 2 van de beschikking van 7 mei 1991 diende België de Commissie binnen de twee maanden na kennisgeving van de beschikking mede te delen welke maatregelen zijn genomen om aan de beschikking gevolg te geven. Nu de nieuwe regeling die in de wet van 1994 zou worden voorzien, evenmin werd aangemeld, kan er geen rekening worden gehouden met deze nieuwe regeling wegens ongeldigheid, bij toepassing van artikel 93, ,§3, laatste volzin. Tijdens die periode heeft de Belgische Staat geen gevolg gegeven aan de beschikking van 7 mei 1991, zoals gevraagd in artikel 2 ervan, zodat het systeem in haar geheel onwettig was (arg. Cass., 30 maart 2001 stuk III, 3, van de Belgische Staat -, antwoord op het eerste onderdeel van het derde middel). Er is geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen te stellen. In die omstandigheden kan geen rechtskracht gegeven worden aan het ganse systeem van 1 januari 1988 tot 7 augustus
  9. Daar het systeem in haar geheel als onrechtmatig dient gekenmerkt te worden, geldt dit eveneens wat betreft het voorwerp van de tegeneis (...). Dit vloeit voort uit het in artikel 93, derde lid, laatste volzin, EEG-Verdrag rechtstreeks werkende verbod op de tenuitvoerlegging van steunmaatregelen totdat de procedure tot een eindbeslissing heeft geleid, wat niet geschiedde voor 9 augustus 1996" (pagina 12 en 13). Grieven Nadat de Commissie een beslissing heeft genomen na afloop van de procedure ingesteld op grond van artikel 88, tweede lid, van het EG-Verdrag (ex-artikel 93, tweede lid), zijn de doelstellingen van artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag (ex-artikel 93, derde lid) vervuld, zodat de rechtspositie van de justitiabelen voor de toekomst uitsluitend beheerst en bepaald wordt door die beschikking. De beschikking van 7 mei 1991 werd genomen op grond van artikel 88, tweede lid, (ex-artikel 93, tweede lid) van het EG-Verdrag, zoals het hof van beroep heeft vastgesteld op pagina 5 van het bestreden arrest. Bijgevolg zijn de doelstellingen van het artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag vervuld en wordt de rechtspositie van de justitiabelen voor de toekomst uitsluitend beheerst en bepaald door die beschikking. Het hof van beroep oordeelt uitdrukkelijk dat "vanaf 7 mei 1991 (...) het systeem door de Commissie geldig verklaard (was) in de mate dat de verplichte bijdragen uitsluitend de binnenlandse producten betroffen alsmede in de mate dat er steun werd verleend" (pagina 11 onderaan), en stelt derhalve vast dat de beschikking van de Commissie van 7 mei 1991 een eindbeslissing is in de zin van artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag. Het hof van beroep oordeelt evenwel eveneens dat een eindbeslissing pas op 9 augustus 1996 werd genomen (pagina 11). Het arrest bevat dan ook tegenstrijdige motieven, zodat het niet regelmatig met redenen omkleed is (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 88, tweede en derde lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, goedgekeurd bij wet van 2 december 1957 (oud artikel 93, vernummerd krachtens artikel 12 van het Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten, goedgekeurd bij wet van 10 augustus 1998) ; - artikel 185 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen. Aangevochten beslissingen Het hof van beroep maakt volgende vaststellingen: - "Bij de Dierengezondheidswet van 24 maart 1987 (...) werd een regeling ingesteld voor de financiering van prestaties met betrekking tot de bestrijding van dierenziekten en de verbetering van de hygiëne, de gezondheid en de kwaliteit van dieren en dierlijke producten. (...) Artikel 32, ,§2, van de wet van 1987 bepaalt: "Bij het Ministerie van Landbouw wordt (...) (het Fonds van 1987) ingesteld (...). Het Fonds heeft tot doel tussen te komen in de financiering van vergoedingen, toelagen en andere prestaties met betrekking tot de bestrijding van dierenziekten en de verbetering van de hygiëne, de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en dierlijke producten. Het Fonds wordt gestijfd door: 1é de verplichte bijdragen ten laste van de natuurlijke en rechtspersonen die dieren (...) voortbrengen, verwerken, vervoeren, bewerken, verkopen of verhandelen; (...)" (...). Bij de wet van 1987 werd de Koning gemachtigd om het bedrag van deze verplichte bijdrage en de regels voor de inning ervan bij besluit vast te leggen. Bij koninklijk besluit van 11 december 1987 (...) werd met ingang van 1 januari 1988 aan de slachthuizen en uitvoerders een bijdrage opgelegd van 105 BEF per geslacht of uitgevoerd rund, kalf of varken. De wet en het koninklijk besluit van 1987 werden vervolgens herhaaldelijk gewijzigd. Deze teksten werden niet overeenkomstig artikel 93, derde lid, van het Verdrag bij de Commissie aangemeld" (pagina 4-5). - "Overeenkomstig de procedure van artikel 93, tweede lid, van het Verdrag heeft de Commissie bij beschikking 91/538/EEG van 7 mei 1991 (...) betreffende het Belgische Fonds voor de gezondheid en productie van de dieren (...) vastgesteld dat de regeling van 1987 met betrekking tot elk geslacht en uitgevoerd dier (...) onverenigbaar was met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 92 EG-Verdrag (thans, na wijziging: artikel 87 EG) en bijgevolg niet meer kon worden toegepast voorzover de verplichte bijdragen in het slachtstadium ook over uit andere lidstaten ingevoerde dieren en producten werden geheven" (pagina 5-6). - "De wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen wijzigde artikel 32, ,§2, van de Dierengezondheidswet en bepaalde onder meer (artikel 185) dat de koninklijke besluiten betreffende de verplichte bijdragen worden opgeheven wanneer zij door de wetgever niet werden bekrachtigd in het jaar volgend op dat van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Dezelfde wettelijke bepaling bekrachtigt het koninklijk besluit van 11 december 1987 (zoals gewijzigd) met ingang van 1 januari 1988 wat betreft de 'nationale dieren'. Wat de 'ingevoerde dieren' betreft wordt het koninklijk besluit van 11 december 1987 niet bekrachtigd en wordt bepaald dat de verplichte bijdragen die met ingang van 1 januari 1988 werden betaald, terugbetaald worden (...)" (pagina 5), Het hof van beroep beslist dat de Belgische Staat gehouden is tot de terugbetaling van de bijdragen aan verweerster en dat verweerster gehouden is tot terugbetaling van de uit het voormelde Fonds ontvangen subsidie, op grond van volgende motieven: "Vanaf 7 mei 1991 was het systeem door de Commissie geldig verklaard in de mate dat de verplichte bijdragen uitsluitend de binnenlandse producten betroffen alsmede in de mate dat er steun werd verleend. Volgens artikel 2 van de beschikking van 7 mei 1991 diende België de Commissie binnen de twee maanden na kennisgeving van de beschikking mede te delen welke maatregelen zijn genomen om aan de beschikking gevolg te geven. Nu de nieuwe regeling die in de wet van 1994 zou worden voorzien, evenmin werd aangemeld, kan er geen rekening worden aangehouden met deze nieuwe regeling wegens ongeldigheid, bij toepassing van artikel 93, ,§3, laatste volzin. Tijdens die periode heeft de Belgische Staat geen gevolg gegeven aan de beschikking van 7 mei 1991, zoals gevraagd in artikel 2 ervan, zodat het systeem in haar geheel onwettig was (...). In die omstandigheden kan geen rechtskracht gegeven worden aan het ganse systeem van 1 januari 1988 tot 7 augustus
  10. Dit vloeit voort uit het in artikel 93, derde lid, laatste volzin, EEG-Verdrag rechtstreeks werkende verbod op de tenuitvoerlegging van steunmaatregelen totdat de procedure tot een eindbeslissing heeft geleid, wat niet geschiedde voor 9 augustus 1996" (pagina 12-13). Grieven Eerste onderdeel Het in artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag neergelegd uitvoeringsverbod beoogt te waarborgen dat de steunregeling geen gevolgen heeft voordat de Commissie de verenigbaarheid van de voorgenomen maatregel met de gemeenschappelijke markt nauwkeurig heeft onderzocht en tot een eindbeslissing over dit punt is gekomen volgens de in artikel 88, tweede lid, van het EG-Verdrag voorgeschreven procedure. De naleving van deze verplichting wordt verzekerd door het optreden van de nationale gerechtelijke instanties op grond van de rechtstreekse werking van de laatste zin van artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag. De bevoegdheden van de nationale gerechtelijke instanties bestaan er evenwel slechts in de rechten van de justitiabelen te vrijwaren hangende de eindbeslissing van de Commissie. Het hof van beroep oordeelt dat "vanaf 7 mei 1991 (...) het systeem door de Commissie geldig verklaard (was) in de mate dat de verplichte bijdragen uitsluitend de binnenlandse producten betroffen alsmede in de mate dat er steun werd verleend" (pagina 12 onderaan), en stelt derhalve vast dat de beschikking van de Commissie van 7 mei 1991 een eindbeslissing is. Het bestreden arrest stelt vast dat de wet van 24 maart 1987 en het koninklijk besluit van 11 december 1987 niet overeenkomstig artikel 93, derde lid, van het EG-Verdrag (huidig artikel 88, derde lid) bij de Commissie werden aangemeld (pagina 5, bovenaan). Volgens artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag moet de Commissie de procedure bepaald in het tweede lid inleiden zodra zij van mening is dat een aangemelde steunmaatregel onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. Zolang de Commissie niet op basis van deze procedure tot een eindbeslissing is gekomen, mag de lidstaat de betrokken maatregel niet uitvoeren. De procedures uit artikel 88, tweede lid, van het EG-Verdrag geldt echter voor alle steunmaatregelen, en bevat noch een beperking tot steunmaatregelen die aangemeld zijn overeenkomstig artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag noch de voorwaarde dat de maatregel vooraf aangemeld moet worden vooraleer de Commissie uitspraak kan doen over de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt. Eenmaal de Commissie zich over de verenigbaarheid van de staatssteun heeft uitgesproken overeenkomstig de in artikel 88, tweede lid, van het EG-Verdrag voorgeschreven procedure, geldt de verplichting neergelegd in artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag niet meer en wordt de rechtspositie van de justitiabelen beheerst door de eindbeslissing van de Commissie en kan het oorspronkelijk gebrek van aanmelding niet tot de onrechtmatigheid voor de toekomst leiden, van de in deze beschikking verenigbaar bevonden steun. Uit een en ander volgt dat, te dezen, de rechtspositie van de justitiabelen voor de toekomst uitsluitend beheerst wordt door de beschikking die de Commissie op 7 mei 1991 heeft genomen op grond van voormeld artikel 88, tweede lid, waarin is beslist dat de steun onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt en moet worden afgeschaft voor zover de verplichte bijdragen in het slachtstadium ook de uit andere lidstaten ingevoerde producten belasten, zodat de nationale rechter vanaf dat ogenblik niet meer bevoegd was om de steunmaatregelen en de bijdragen tot financiering daarvan onrechtmatig te verklaren in zoverre deze betrekking hebben op nationale producten. Door te beslissen dat alleen beschikkingen die de Commissie neemt op aanmelding van een lidstaat, eindebeslissingen zijn als bedoeld in voormeld artikel 88, derde lid, laatste volzin, voegt het hof van beroep aan het tweede en derde lid van dit artikel een voorwaarde toe die het niet bevat. Door zich aldus bevoegd te verklaren om uitspraak te doen over de rechtmatigheid van alle bijdragen die na 7 mei 1991 werden gestort, hoewel het vaststelt dat de Commissie het stelsel op die datum gedeeltelijk verenigbaar had verklaard, en de vordering van verweerster tot terugbetaling van die bedragen in te willigen, zonder onderscheid naar de oorsprong van de producten, schendt het hof van beroep derhalve artikel 88, tweede en derde lid, van het EG-Verdrag. In subsidiaire orde en in zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat het middel een interpretatie behoeft van het begrip "eindbeslissing" in artikel 88 van het EG-Verdrag, verzoekt eiser het Hof om op grond van artikel 234, laatste lid, van het EG-Verdrag de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie : "
  11. Verzet artikel 88 van het EG-Verdrag zich ertegen dat een steunmaatregel als wettig beschouwd kan worden nadat ze door de Commissie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard enkel en alleen omdat de Commissie tot deze bevinding is gekomen na een ambtshalve onderzoek en niet na een formele aanmelding door de betrokken Lidstaat?
  12. Legt artikel 88 van het EG-Verdrag de verplichting op om na een eindbeslissing van de Commissie over een niet aangemelde steunmaatregel opnieuw tot aanmelding over te gaan met betrekking tot het gedeelte van de steunmaatregel dan in de eindbeslissing verenigbaar werd verklaard"? Tweede onderdeel Artikel 185 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen beperkt er zich toe, bij loutere uitvoering van de Commissiebeschikking van 1991, de in deze beschikking verenigbaar verklaarde en goedgekeurde steunmaatregelen te bekrachtigen en de onverenigbaar verklaarde steunmaatregelen af te schaffen. Het steunregime zelf werd aldus niet veranderd, zodat deze wet niet beschouwd kan worden als een wijziging van het steunregime waarvoor een nieuwe aanmelding op grond van artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag vereist is. In zoverre het bestreden arrest beslist dat verweerster recht heeft op terugvordering van alle betaalde bijdragen, met inbegrip van de bijdragen betaald na 7 mei 1991, omdat de nieuwe regeling die in de wet van 1994 werd voorzien, niet werd aangemeld, schenden de appelrechters artikel 88, derde lid van het EG-Verdrag en kennen ze een verkeerde draagwijdte toe aan artikel 185 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, zodat zij hun beslissing niet naar recht verantwoorden. In subsidiaire orde, indien het Hof van oordeel zou zijn dat het begrip "wijziging" in het artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag niet duidelijk genoeg is om te kunnen oordelen over dit middel, verzoekt eiser het Hof de volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen op grond van artikel 234, derde lid, van het EG-Verdrag: "Legt artikel 88 van het EG-Verdrag de verplichting op om na een eindbeslissing van de Commissie over een niet aangemelde steunmaatregel de afschaffing van een gedeelte van de steunmaatregel dat in de eindbeslissing onverenigbaar is verklaard, aan te melden" ? 2.
  13. Derde onderdeel Indien de Commissie vaststelt dat een steunmaatregel volgens artikel 87 van het EG-Verdrag niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, bepaalt zij dat de betrokken lidstaat de steunmaatregel moet opheffen of wijzigen binnen de door haar vast te stellen termijn (artikel 88, tweede lid, eerste alinea, van het EG-Verdrag). Indien deze lidstaat dat besluit binnen de gestelde termijn niet nakomt, kan de Commissie of iedere andere belanghebbende staat zich in afwijking van de artikelen 226 en 227 van het EG-Verdrag rechtstreeks tot het Hof van Justitie wenden (artikel 88, tweede lid, tweede alinea, van het EG-Verdrag). Het EG-Verdrag bevat aldus een uitdrukkelijke en exclusieve sanctieregeling voor het geval dat de lidstaat een Commissiebeschikking die een steunmaatregel onverenigbaar verklaart met de gemeenschappelijke markt, miskent. De overtreding door de Belgische Staat van artikel 2 van de beschikking van de Commissie van 7 mei 1991, kan derhalve door de nationale rechter niet worden gesanctioneerd door, op basis van artikel 88, derde lid, laatste volzin, van het EG-Verdrag, de onrechtmatigheid uit te spreken van het systeem dat door de beschikking verenigbaar werd verklaard. In zoverre het bestreden arrest beslist dat de verweerster recht heeft op terugvordering van alle betaalde bijdragen, met inbegrip van de bijdragen betaald vanaf 7 mei 1991, om reden dat de Belgische Staat artikel 2 van de beschikking van de Commissie van 7 mei 1991 niet heeft nageleefd, schenden de appelrechters artikel 88, tweede lid, van het EG-Verdrag. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1235, 1376, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 100, eerste lid, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 17 juli 1991; - de artikelen 87 en 88 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, goedgekeurd bij wet van 2 december 1957 (de oude artikelen 92 en 93, vernummerd krachtens artikel 12 van het Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige akten, goedgekeurd bij wet van 10 augustus 1998). Aangevochten beslissingen Het hof van beroep, maakt volgende vaststellingen: "Een nationale overheid heeft bij de uitvoering van een bevel van de Commissie geen enkele beoordelingsvrijheid zodat de justitiabele zich na het bevel van de Commissie niet langer in een toestand van onzekerheid bevindt. (arrest Alcan van 20 maart 1997 (...))" (pagina 13) zegt voor recht dat: "(...) in de lijn van deze rechtspraak zijn de vorderingen ingesteld op grond van de onverschuldigde betaling gegrond, vermits de Commissie beschikte dat de steunmaatregelen dienden te worden ingetrokken en dit, volgens het Hof van Justitie, wiens beschikking ook rechtstreekse werking hebben, zowel wat betreft de geldigheid van de handelingen tot uitvoering van de betrokken steunmaatregelen, als wat betreft de terugvordering van de verleende financiële steun. De exceptie van verjaring kan niet worden ingeroepen (zie arrest Alcan, (...))" (pagina 13) en oordeelt aldus dat eiser alle heffingen moet terugbetalen die verweerster betaald heeft ter financiering van een steunregeling die niet bij de Commissie werd aangemeld, en dat eiser zich niet kan beroepen op de verjaring van de vordering van verweerster. Grieven Verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen zijn, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen, de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan (artikel 100, eerste lid, 1é, van de op 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit). Deze bijzondere verjaringstermijn geldt, behoudens andersluidende wettelijke bepalingen, in de regel voor alle schuldvorderingen ten laste van de Staat. De vordering van verweerster strekt ertoe de terugbetaling te verkrijgen van heffingen die dienen ter financiering van een steunregeling die niet werd aangemeld aan de Commissie, en die staat krachtens het gemeenschapsrecht gehouden is terug te betalen. De nationale rechterlijke instanties zijn gehouden de terugbetaling te gelasten volgens de relevante bepalingen van het nationaal recht, onder het voorbehoud dat die bepalingen niet ongunstiger zijn voor vorderingen gebaseerd op het gemeenschapsrecht dan voor vorderingen gebaseerd op het nationaal recht en de door het gemeenschapsrecht verlangde terugbetaling niet praktisch onmogelijk maken. Verweerster zocht de nationaalrechtelijke grondslag voor de terugbetaling zowel in de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek (aansprakelijkheid voor buitencontractuele fout), als in de artikelen 1235 en 1376 van het Burgerlijk Wetboek (onverschuldigde betaling). Zowel de vordering lastens de Staat op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek als de vordering lastens de Staat op grond van de artikelen 1235 en 1376 van het Burgerlijk Wetboek, zijn onderworpen aan deze bijzondere verjaringstermijn van artikel 100, 1é, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit. De vordering van verweerster is derhalve in de regel aan deze verjaringstermijn onderworpen. De rechter kan de toepassing van deze verjaringstermijn maar terzijde stellen wanneer hij vaststelt dat de toepassing ervan de door het gemeenschapsrecht verlangde terugbetaling praktisch onmogelijk maakt of vorderingen op grond van gemeenschapsrecht ongunstiger behandelt dan soortgelijke nationale vorderingen. De vijfjarige termijn maakt de door het gemeenschapsrecht verlangde terugbetaling niet praktisch onmogelijk, doch biedt aan de betrokken partijen een voldoende termijn om hun aanspraken lastens de Staat te doen gelden. Bovendien geldt deze verjaringstermijn in de regel voor alle schuldvorderingen ten laste van de Staat. Bijgevolg schendt het hof van beroep de in de aanhef vermelde bepalingen door de exceptie van verjaring ingeroepen door de Belgische Staat te verwerpen. Vierde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1315 en 1382 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 87 en 88 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, goedgekeurd bij wet van 2 december 1957 (de oude artikelen 92 en 93, vernummerd krachtens artikel 12 van het Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten, goedgekeurd bij wet van 10 augustus 1998). Aangevochten beslissingen Het hof van beroep, na vastgesteld te hebben dat verweerster zich bezig houdt met het vetmesten van varkens, en in dat kader bijdragen heeft betaald aan het Fonds voor de gezondheid en productie van dieren, en dat deze bijdragen enerzijds, voor wat de uitgevoerde dieren betreft, rechtstreeks door haar aan dat Fonds werden betaald, en anderzijds, voor de andere dieren, aan haar werden doorgerekend door de varkenshandelaars, de slachthuizen en de vleeshandelaars, zegt voor recht dat eiser alle heffingen onwettig door verweerster betaald, moet terugbetalen, en oordeelt dat verweerster niet hoeft te bewijzen dat zij de bedragen waarvan zij de terugbetaling eist, werkelijk heeft betaald, aan wie en op welk tijdstip, op grond van volgende overwegingen: "Wat betreft de doorberekening van de bijdragen, bepaalt artikel 32, ,§2, derde laatste lid, van de Dierengezondheidswet: 'Indien de verplichte bijdrage werd geïnd bij personen die dieren of dierlijke producten verwerken, vervoeren, bewerken, verkopen of verhandelen, wordt zij doorberekend bij elke verkoopstransactie tot en met het stadium van de producent'. Artikel 4 van het koninklijk besluit van 11 december 1987: 'De verplichte bijdragen opgelegd aan de slachthuizen en aan de uitvoerders worden door hen doorgerekend aan de leverancier van de dieren die deze in voorkomend geval doorrekent aan de verkoper tot en met de producent'. Terecht merkt Unica Barda dat het uiteindelijk de producent is die de heffing betaalt, zoals ook wordt aangenomen in het Nygard-arrest van het Hof van Justitie van 23 april 2002 dat overweegt
(32). 'Redelijkerwijze kan worden aangenomen dat, wanneer de exporteur niet tevens de producent is, in de economische werkelijkheid het bedrag van de heffing zal worden in aanmerking genomen bij de vaststelling van de aankoopprijs van de dieren bij de producent en dus op hem zal worden afgewenteld' en
(33)'erkend moet dus worden dat de in het hoofdgeding bedoelde heffing op de primaire producent drukt, ongeacht de eventuele verschillen op administratief vlak met betrekking tot de marktdeelnemer die belast is met de inning en de betaling ervan aan het Fonds'. Nu de NV Unica Barda de producent is, heeft zij de last van de bijdragen gedragen en heeft zij recht op de terugbetaling ervan. Het feit dat andere marktdeelnemers zijn tussengekomen, doet daar geen afbreuk aan. Degene die de heffingen uiteindelijk heeft moeten dragen en ook betaald heeft kan niet verplicht worden te bewijzen dat de onverschuldigd betaalde heffingen al dan niet op derden zijn afgewenteld. Deze bewijsregeling is niet onverenigbaar met voornoemd Nygard-arrest. De Belgische Staat vreest tweemaal te moeten terugbetalen, doch toont niet aan dat hij reeds een eerste maal betaalde. Zijn verweer is ongegrond" (pagina 13-14). Het hof van beroep oordeelt tevens dat: "de door Unica Barda berekende sommen op grond van een verslag van de door haar aangezochte bedrijfsrevisor kunnen aanvaard worden, nu de techniek van controle bij wijze van steekproeven een erkende werkmethode is" (pagina 14). Grieven De bijdrageregeling van artikel 32, ,§2, van de Dierengezondheidswet van 24 maart 1987 bepaalde dat de verplichte bijdragen die werden geïnd bij personen die dieren of dierlijke producten verwerken, vervoeren, bewerken, verkopen of verhandelen, moesten worden doorgerekend bij elke verkoopstransactie tot en met het stadium van de producent. Het gemeenschapsrecht staat er enerzijds aan in de weg dat een lidstaat aan de terugbetaling van met het gemeenschapsrecht strijdige heffingen de voorwaarde verbindt dat de heffingen niet of niet volledig op derden zijn afgewenteld, waarbij het bewijs dat aan die voorwaarde is voldaan, moet worden geleverd door degene die de terugbetaling vordert. Heffingen worden dus niet vermoed op derden te zijn afgewenteld, en de tussenpersoon (zoals een slachthuis) die de heffingen heeft betaald, kan niet verplicht worden te bewijzen dat de onverschuldigd betaalde heffingen niet op derden (zoals de producenten) zijn afgewenteld. Anderzijds, stelt het bestreden arrest te dezen vast dat redelijkerwijze kan worden aangenomen dat, in de economische werkelijkheid het bedrag van de heffing zal worden in aanmerking genomen bij de vaststelling van de aankoopprijs van de dieren bij de producent, en dus op hem zal worden afgewenteld. Het bestreden arrest oordeelt dat deze verschillende bewijsregels niet onderling onverenigbaar zijn. Aldus aanvaardt het hof van beroep enerzijds dat de tussenpersoon vermoed wordt de heffingen niet aan de producent te hebben doorgerekend en anderzijds dat de producent vermoed wordt de uiteindelijke last te hebben gedragen. Geen van beide moet dus bewijzen dat zij de heffing effectief hebben betaald om hun recht op terugbetaling te laten gelden. Bovendien laat het hof van beroep toe dat degene die de heffingen terugvordert de omvang van deze vordering bewijst aan de hand van steekproeven zonder het bewijs te moeten leveren van het bedrag van de effectief betaalde of gedragen heffingen. Zodoende schendt het arrest de regel dat degene die de terugstorting van onrechtmatig betaalde bijdragen vordert het bewijs moet leveren van de omvang van zijn vordering en met name dat hij deze bijdragen ook effectief heeft betaald, of althans er de economische last van heeft gedragen (schending van alle in het middel aangewezen bepalingen, met uitzondering van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek). Bovendien heeft deze beslissing tot gevolg dat de Staat het risico loopt eenzelfde bijdrage tweemaal terug te betalen, een eerste maal aan de producent en een tweede maal aan de tussenpersoon, hetgeen een nieuwe verstoring van de mededinging op de gemeenschappelijke markt zou teweegbrengen. Daardoor waarborgt de beslissing van de appèlrechters niet dat bij de terugbetaling van de ten onrechte geheven bijdragen het nuttig effect van artikel 88 EG-Verdrag wordt gevrijwaard (schending van deze bepaling) en dat degene die de terugstorting vordert geen vergoeding bekomt voor schade die hij niet heeft geleden (schending van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek). IV. BESLISSING VAN HET HOF Eerste middel
  1. Anders dan het middel aanvoert, stellen de appelrechters niet vast dat de beschikking van de Commissie van 7 mei 1991 een eindbeslissing is in de zin van artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag.
  2. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
  3. Anders dan het onderdeel aanvoert, oordeelt het arrest niet dat alleen beschikkingen die de Commissie neemt op aanmelding van een lidstaat eindbeslissingen zijn. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag.
  4. Krachtens artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag, wordt de Commissie van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht. Ten aanzien van nieuwe steunmaatregelen die de lidstaten voornemens zijn in te voeren, is een voorafgaande procedure ingesteld zonder welke geen enkele steunmaatregel geacht kan worden rechtmatig te zijn ingevoerd.
  5. Volgens het arrest van het Hof van Justitie in de zaak C-295/97 van 17 juni 1999, geldt de aanmeldingsplicht niet enkel voor de invoering van een steunmaatregel maar ook voor de wijziging ervan. Die verplichting geldt ook als, nadat de Commissie heeft geoordeeld dat een steunmaatregel geheel of ten dele niet verenigbaar was met het Europese recht, een lidstaat de vroegere steunmaatregel wijzigt en vervangt door een nieuw steunstelsel. Indien de gewijzigde regeling, in strijd met de beschikking van de Commissie die op 7 mei 1991 de Belgische Staat verplicht had kennis te geven van de maatregelen getroffen om aan de beschikking gevolg te geven, opnieuw niet wordt aangemeld, wordt de steun opnieuw onrechtmatig.
  6. Het arrest stelt vast dat de nieuwe regeling niet werd aangemeld en verantwoordt zodoende zonder dat hierbij vereist was een onderscheid te maken naar de oorsprong van de producten, zijn beslissing naar recht.
  7. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
  8. Voor, het overige, is het Hof niet verplicht een prejudiciële vraag te stellen wanneer het Hof van Justitie reeds krachtens artikel 234 Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap een in dat artikel vermelde bepaling heeft uitgelegd en het Hof zich door deze uitleg voldoende ingelicht acht. Tweede onderdeel
  9. Bij artikel 185 van de wet van 21 december 1994, werd artikel 32 van de wet van 24 maart 1987 gewijzigd inzonderheid wat betreft de financieringsmodaliteiten van het Fonds voor de gezondheid en de productie van de dieren. Dit artikel bekrachtigt de koninklijke besluiten betreffende de verplichte bijdragen van 11 december 1987, zoals gewijzigd, met ingang van 1 januari 1988 wat de nationale dieren betreft en beveelt wat de ingevoerde dieren betreft, dat de bijdragen die met ingang van 1 januari 1988 werden betaald onder zekere voorwaarden worden terugbetaald.
  10. Die wetswijziging had weliswaar voor een deel tot doel de regulering in overeenstemming te brengen met de inhoud van de beschikking van de Commissie van 7 mei 1991 maar voert tegelijkertijd een nieuwe grondslag in voor de heffing en stelt een nieuw stelsel van steun in de plaats. Zij was aldus kennelijk een wijziging in de zin van artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag.
  11. Het onderdeel, dat er van uitgaat dat artikel 185 van de wet van 21 december 1994 het steunregime zelf niet veranderde, zodat deze wet niet beschouwd kan worden als een wijziging van het steunregime waarvoor een nieuwe aanmelding op grond van artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag vereist is, kan niet worden aangenomen.
  12. Gelet op het hiervoor gegeven antwoord, bestaat er geen aanleiding toe een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Derde onderdeel
  13. Wanneer een steunmaatregel met miskenning van de aanmeldingsplicht ten uitvoer is gelegd, zijn de nationale rechterlijke instanties in beginsel verplicht de terugbetaling te gelasten van de specifiek ter financiering van de tot steun geheven belastingen of bijdragen. Het staat aan de Commissie te beoordelen of de steunmaatregelen verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt, maar die bevoegdheid staat los van de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties toe te zien op de vrijwaring van de rechten van de justitiabelen in geval van schending van de aanmeldingsplicht.
  14. Het arrest stelt vast dat de oorspronkelijke steunmaatregel evenals de wijziging van de oorspronkelijke steunmaatregel niet werden aangemeld aan de Commissie.
  15. Het arrest dat beslist dat het gewijzigde stelsel aan de Commissie moest worden medegedeeld en dat bij gebrek hiervan de bedragen onrechtmatig werden geïnd, schendt de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen niet. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde middel
  16. Het middel gaat er van uit dat de appelrechters de verjaringstermijn van vijf jaar zoals bedoeld in artikel 100, eerste lid, 1é, van de op 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit terzijde stellen.
  17. De appelrechters stellen vast dat het systeem onrechtmatig is in zijn geheel tot 7 augustus 1996 en dat het rechtstreeks werkende verbod op de tenuitvoerlegging van steunmaatregelen pas op 9 augustus 1996 tot een eindbeslissing heeft geleid. De appelrechters oordelen aldus dat de schuld is ontstaan en de vijfjarige verjaringstermijn ingaat op 10 augustus
  18. Het middel berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, en mist mitsdien feitelijke grondslag. Vierde middel
  19. Het gemeenschapsrecht staat eraan in de weg dat een lidstaat aan de terugbetaling van met het gemeenschapsrecht strijdige heffingen een voorwaarde verbindt, zoals dat die heffingen niet of niet volledig op derden zijn afgewenteld, waarbij het bewijs dat aan die voorwaarde is voldaan, door de verzoeker moet worden geleverd.
  20. Heffingen worden niet vermoed op derden te zijn afgewenteld. Zoals blijkt uit het arrest van 9 februari 1999 van het Hof van Justitie in de zaak C-343/96, kan degene die de heffingen heeft betaald niet verplicht worden te bewijzen dat de onverschuldigd betaalde heffingen niet op derden zijn afgewenteld. Uit voornoemd arrest blijkt evenwel tevens dat nationale wettelijke bepalingen die de terugbetaling van in strijd met het gemeenschapsrecht toegepaste belastingen, rechten en heffingen uitsluiten, wanneer vaststaat dat degene die ze heeft moeten betalen, ze daadwerkelijk op anderen heeft afgewenteld, in beginsel niet strijdig te achten zijn met het gemeenschapsrecht.
  21. Hieruit volgt dat het gemeenschapsrecht er niet aan in de weg staat dat het vermoeden van niet-afwenteling kan worden weerlegd en terugbetaling kan worden gevorderd door diegene die de heffing daadwerkelijk heeft betaald.
  22. Het bestreden arrest overweegt enerzijds, dat diegene die de heffingen uiteindelijk moet dragen en ook betaald heeft niet verplicht kan worden te bewijzen dat de onverschuldigd betaalde heffingen al dan niet op derden zijn afgewenteld. De appelrechters komen anderzijds, inzake tot het besluit dat de heffing werd afgewenteld op de verweerster die als producent de last van de bijdrage heeft gedragen en dat niet bewezen is dat de Staat reeds een eerste maal betaalde.
  23. Het arrest kon derhalve zonder schending van de in het middel aangewezen wetsbepalingen beslissen dat de verweerster recht heeft op terugbetaling van de bijdrage. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.
  24. Het middel gaat er verder van uit, dat de appelrechters aanvaarden dat de totaliteit van de door de verweerster onverschuldigd betaalde heffingen werd berekend aan de hand van steekproeven zonder dat zij het bewijs moet leveren van het bedrag van de effectief betaalde of gedragen heffingen.
  25. De appelrechters oordelen met de overweging dat "de door Unica Barda berekende sommen op grond van een verslag van de door haar aangezochte bedrijfsrevisor aanvaard kunnen worden, nu de techniek van controle bij wijze van steekproeven een erkende werkmethode is", dat zij de door de bedrijfsrevisor berekende som als bewezen aanvaarden, waarbij de techniek van controle wordt erkend. Zij stellen niet vast dat de totaliteit van het teruggevorderde bedrag berust op steekproeven.
  26. Het middel berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist mitsdien in zoverre feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 708,67 euro jegens de eisende partij en op de som van 164,32 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van 27 april 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060427.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010119.7 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030429.8 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050311.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.