← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060427.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060427.8 Rolnummer: C.04.0478.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2007-03-14 Raadplegingen: 303 - laatst gezien 2026-07-03 08:25 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Het retentierecht verleent aan de schuldeiser het recht om een zaak die hem door zijn schuldenaar werd overhandigd te behouden zolang zijn schuldvordering niet is voldaan. Het vereist een samenhang tussen de teruggehouden goederen en de schuldvordering waarvan de betaling wordt geëist. De feitenrechter oordeelt op onaantastbare wijze over het bestaan van het verband

(1).
(1)Zie Cass., 7 okt. 1976, A.C., 1977, 153, met concl. van adv.-gen. KRINGS in Pas. en 5 april 1979, A.C., 1978-79, 936. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - Tussen partijen UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Zakelijke zekerheid - Retentierecht Vrije woorden: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - Tussen partijen Retentierecht Begrip Vereiste OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - Tussen partijen Retentierecht Goederen Schuldvordering Verband Beoordeling Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Retentierecht Goederen Schuldvordering Verband Fiches 4 - 5 Het retentierecht is, met betrekking tot roerende lichamelijke zaken, ook tegenwerpelijk aan de eigenaar van de teruggehouden goederen die niet de schuldenaar is, op voorwaarde van de goede trouw van de schuldeiser
(1).
(1)Zie I. VEROUGSTRAETE, Manuel de la faillite et du concordat, Kluwer, ed. 2003, 538, nr 923 en V. SAGAERT, Zakelijke subrogatie, Antwerpen-Groningen-Oxford, Intersentia, 519, nr 554. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - T.a.v. derden Vrije woorden: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - T.a.v. derden Retentierecht Tegenwerpelijkheid Eigenaar Thesaurus CAS: EIGENDOM Vrije woorden: EIGENDOM Retentierecht Tegenwerpelijkheid Fiche 6 De schuldeiser is te goeder trouw wanneer hij bij de inontvangstname van de goederen mocht aannemen dat zijn schuldenaar de eigenaar van de goederen was of althans bevoegd was om ter zake van die goederen overeenkomsten te sluiten die aanleiding kunnen geven tot de uitoefenig van het retentierecht op deze goederen. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - Tussen partijen Vrije woorden: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - Tussen partijen Retentierecht Goederen Schuldeiser Goede trouw Fiche 7 De tegenwerpelijkheid van het retentierecht aan een derde heeft niet tot gevolg dat deze derde schuldenaar wordt van de schuldvorderingen die voortvloeien uit de overeenkomst gesloten tussen de retentor en diens schuldenaar. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - T.a.v. derden Vrije woorden: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - T.a.v. derden Retentierecht Tegenwerpelijkheid Fiches 8 - 10 De rechtmatige uitoefening van het retentierecht op goederen die niet toebehoren aan de schuldenaar van de retentor levert geen schending op van het recht op ongestoord genot van eigendom. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - T.a.v. derden Vrije woorden: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - T.a.v. derden Retentierecht Eigendom Thesaurus CAS: EIGENDOM Vrije woorden: EIGENDOM Retentierecht RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Aanvullend protocol Retentierecht Eigendom Tekst van de beslissing Nr. C.04.0478.N ARCELOR PROFIL, naamloze vennootschap naar Frans recht, met zetel te 57972 Yutz Cedex (Frankrijk), Postbus 90069, rue Charles D'Huart 3, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen RIGA NATIE, naamloze vennootschap, met zetel te 2030 Antwerpen, Transcontinentaalweg 4, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 15 maart 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1 van het Aanvullend Protocol van 20 maart 1952 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna het E.V.R.M.) (B. St. 19 augustus 1955), gewijzigd bij artikel 2,4 van het protocol nr. 11 van 11 mei 1994, bekrachtigd bij wet van 27 november 1996 (B. St. 4 juli 1997); - de artikelen 16 en 149 van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 544, 1165, 1319, 1320, 1322, 1948 en 2279 van het Burgerlijk Wetboek en voor zoveel als nodig de artikelen 867, 1612, 1673, 1749, 2082 en 2087 van hetzelfde wetboek; - de artikelen 23, 24, 25, 26, 780, eerste lid, 3° en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 23, 24, 25, 26, 780, eerste lid, 3° en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel, vertrouwensbeginsel genaamd; - het algemeen rechtsbeginsel, genaamd beschikkingsbeginsel, ondermeer neergelegd in de artikelen 807 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft. Aangevochten beslissingen De vierde kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen verklaart in het bestreden arrest van 15 maart 2004 het hoger beroep van verweerster toelaatbaar en gegrond, geeft akte aan eiseres van de uitbreiding van haar vordering en verklaart deze ontvankelijk doch ongegrond. Dienvolgens hervormt het hof van beroep het bestreden vonnis en zegt voor recht dat de oorspronkelijke vordering ongegrond is. Tevens verwijst het hof eiseres in de kosten van beide aanleggen. Het hof van beroep grondt deze beslissing op de volgende motieven (zie arrest pp. 4-6): "B. De discussie gaat in essentie over de werking van een beweerd conventioneel retentierecht, meer bepaald of dit recht kan worden tegengesteld aan de verkoper-eigenaar. C. Het retentierecht verleent een schuldeiser de bevoegdheid de afgifte van de goederen te weigeren die aan een ander toebehoort zolang zijn schuldvordering met betrekking tot die goederen niet is voldaan. Er is geen discussie dat Riga Natie over een opeisbare schuldvordering beschikt, de materiële detentie over de goederen heeft, de debiteur in gebreke bleef, de retentor te goeder trouw was (zie infra E) en een verband bestaat tussen schuldvordering en teruggehouden zaak. De discussie speelt vooral in verband met dit laatste aspect. Het is juist, zoals (eiseres) stelt, dat het retentierecht geen zakelijk recht is, doch in doctrine en rechtspraak wordt aan het retentierecht een zakelijke werking toegekend: als pressiemiddel gehanteerd, doorstaat het iedere samenloop. De vraag is of het retentierecht kon worden uitgebreid en een eventuele uitbreiding tegenwerpelijk is aan derden? D. Niet betwist is dat (verweerster) en Steelex regelmatige handelsbetrekkingen onderhielden en Steelex een aanzienlijke betalingsachterstand had opgelopen in verband met de behandeling van goederen, waaronder, en dit voor het overgrote gedeelte, kosten in verband met andere goederen dan de staalbobijnen. In de contractuele relatie tussen (verweerster) en Steelex gelden de factuurvoorwaarden van (verweerster), waaronder het art. 4 dat als volgt luidt: "Wij behouden ons het recht voor, in toepassing van art. 1948 B.W., de afgifte te weigeren van de goederen welke ons worden toevertrouwd, of welke door ons worden behandeld of vervoerd worden, tot gehele, contante betaling van alle ons verschuldigde bedragen, zonder dat deze rechtstreeks betrekking moeten hebben op de ingehouden goederen". Uitgangspunt is, in tegenstelling tot wat de eerste rechter stelde, dat in de relatie (verweerster) Steelex een beding met uitbreiding van het retentierecht rechtsgeldig werd bedongen als deeluitmakend van hun overeenkomst. Een conventioneel beding met uitbreidende werking qua retentierecht kan enkel, zoals in casu, gezien worden in een ruimere economische samenhang tussen vordering en goederen. Goederenbehandeling in een haven en in het kader van regelmatige handelsbetrekkingen zoals in casu is een continue bedoening. Goederen worden in de regel vlug verhandeld, verscheept, gelost etc. zonder dat de kosten voor behandeling met betrekking tot deze of gene specifieke goederen reeds geregeld werden. De behandelaar geeft goederen uit handen dit terwijl inmiddels nieuwe goederen van dezelfde debiteur behandeld en opgeslagen worden. Aldus zullen de voor behandeling in ontvangst genomen goederen op die manier de schuldeiser tot zekerheid dienen niet alleen voor de schuldvordering voortvloeiend uit de bewerking/behandeling met betrekking tot deze specifieke goederen, maar ook voor vroeger uitgevoerde behandelingen met betrekking tot goederen die reeds werden teruggegeven. Dit is de zin van het hoger vermelde beding nr. 4 opgenomen in de algemene voorwaarden van (verweerster). Deze voorwaarde is niet fictief en sluit aan bij de economische realiteit. In casu kan nog worden aangestipt dat er een aanzienlijke achterstand in betaling was: de achterstand opgelopen door Steelex oversteeg in aanzienlijke mate de waarde van de staalbobijnen (...). In voorkomend geval kan een conventioneel beding met uitbreidende werking van het retentierecht wel tegengesteld worden aan derden, ondermeer aan de verkoper, die krachtens een beding van eigendomsvoorbehoud stelt eigenaar te zijn gebleven. Besluit Het hoger beroep treft doel. De oorspronkelijke vordering dient als ongegrond te worden afgewezen". Grieven Het hof van beroep stelde, mede door bevestiging van het door de eerste rechter gegeven feitenrelaas,
(1)dat eiseres goederen verkocht aan de firma Steelex met eigendomsvoorbehoud bij niet-betaling,
(2)dat deze goederen opgeslagen werden bij verweerster,
(3)dat de firma Steelex de gefactureerde goederen niet betaalde net zomin als de behandelings- en opslagfacturen van verweerster,
(4)dat de firma Steelex failliet werd verklaard,
(5)dat de schuldvordering van verweerster in het failliessement van de firma Steelex het geheel van de betalingsachterstand van de gefailleerde omvatte en
(6)dat in de contractuele relatie tussen verweerster en de firma Steelex het in de factuurvoorwaarden opgenomen verruimde retentierecht gold tot betaling van alle verschuldigde bedragen. Het retentierecht, onder meer bevestigd door de artikelen 867, 1612, 1673, 1749, 1948, 2082 en 2087 van het Burgerlijk Wetboek, is een recht krachtens hetwelk de rechtmatige bezitter van andermans zaak, de retentor, ertoe gerechtigd is om deze zaak te houden zolang zijn opeisbare vordering in verband met die zaak niet is voldaan, en waarvan aanvaard wordt dat het tegenwerpelijk is aan de eigenaar van de zaak. Eerste onderdeel Het hof van beroep oordeelde in zijn arrest dat er geen discussie bestond over het feit dat er een verband bestaat tussen de schuldvordering waarover verweerster beschikt en de teruggehouden zaak (arrest p. 4, in fine en p. 5, bovenaan). Indien de betreffende overweging zou moeten worden gelezen alsof er een verband bestaat tussen de volledige schuldvordering waarover verweerster ten aanzien van de BVBA Steelex beschikt en de teruggehouden goederen, is het bestreden arrest onwettig om de hierna aangehaalde gronden. In de procedurestukken, en meer bepaald in deze hierna aangehaald, liggen volgende vaststellingen besloten: - het beroepen vonnis, gewezen door de Rechtbank van Koophandel van Antwerpen op 22 december 1999, waarbij in fine van het overwegend gedeelte de rechtbank, na te hebben overwogen dat "verweerster is gehouden de betrokken goederen vrij te geven voor zover eiseres overgaat tot betaling van de kosten verband houdende met de betrokken staalbobijnen" stelt dat "door verweerster in het kader van huidige procedure niet betwist (wordt) dat deze kosten 123.811 BEF bedragen"; dit vonnis werd op dat laatste punt door verweerster niet werd betwist; - het door verweerster ingediend verzoekschrift in hoger beroep, waarbij verweerster zich sub j en k op pagina 4 beperkt tot het aanhalen van het voornoemd bedrag van 123.811 BEF als tegenprestatie van de vrijgave van de staalbobijnen; - de appelconclusie na tussenarrest van verweerster sub 3, p. 10, waarbij deze zich beperkt tot de herhaling van de hiervoren aangehaalde overwegingen, neergelegd in haar verzoekschrift tot hoger beroep; - eiseres' beroepsbesluiten, ingediend ter griffier van het hof van beroep op 7 januari 2001, waarbij eiseres stelt: · op pagina 4, tweede alinea "in haar besluiten genomen tijdens deze procedure" (in kortgeding) "gaf BVBA Riga Natie zelf toe dat de kosten die met de door concluante gevorderde goederen verband hielden per 28 juni 1999 op 123.111 BEF begroot konden worden; · op pagina 8, sub B.2: "Concluante is steeds bereid geweest, met erkenning van het eenvoudig retentierecht van de BVBA Riga Natie en ter naleving van de machtiging van de rechter-commissaris dd. 22 mei 1999, "alle kosten van huur, behandeling en stockage met betrekking tot deze goederen" (beschikking rechter-commissaris), door de gefailleerde verschuldigd aan de BVBA Riga Natie, aan deze laatste te betalen ter vrijgave van haar staalbobijnen; Deze kosten verbonden aan de goederen, door Steelex verschuldigd, werden op niet betwiste wijze op 123.811 BEF exclusief B.T.W. begroot (zie besluiten in kort geding van de BVBA Riga Natie op pagina 7), het vonnis a quo oordeelde eveneens dat de kosten, verbonden aan de staalbobijnen, waren. Uit voornoemde procedurestukken blijkt dat verweersters schuldvordering slechts deels in verband staat met de vastgehouden goederen, namelijk ten belope van 123.111 BEF, en dat partijen aanvaardden dat de schuldvordering van verweerster ter zake de door haar vastgehouden goederen slechts een deel uitmaakte van de gehele vordering, die zij jegens de BVBA Steelex bezat. Door aldus aan te nemen dat er geen discussie is dat een verband bestaat tussen de volledige schuldvordering van verweerster en de teruggehouden goederen geeft het hof van beroep aan de hiervoren aangehaalde procedurestukken een met de bewoordingen ervan onverenigbare uitlegging en miskent het de bewijskracht, gehecht aan deze stukken (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) en schendt het het gezag van gewijsde, dat kleeft aan het beroepen vonnis, gewezen door de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen op 22 december 1999 (schending van de artikelen 23, 24, 25 en 26 van het Gerechtelijk Wetboek). Het werpt aldus tevens een betwisting op, die tussen partijen was uitgesloten en die vreemd is aan de openbare orde en schendt het algemeen rechtsbeginsel, genaamd beschikkingsbeginsel, ondermeer neergelegd in de artikelen 807 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, evenals, voor zoveel als nodig, artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, minstens miskent het eiseres' recht van verdediging door haar niet in de gelegenheid te stellen terzake verweer te voeren (schending van het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft). Bovendien bevat de beslissing van het hof van beroep een tegenstrijdigheid in haar redengeving, nu het hof enerzijds oordeelt dat er geen discussie bestond over het feit dat er een verband voorhanden was tussen de volledige schuldvordering van verweerster en de teruggehouden goederen, maar anderzijds stelt dat de BVBA Steelex bij verweerster een ernstige betalingsachterstand had in verband met prestaties die betrekking hadden op zowel voorheen behandelde goederen als op de kwestieuze staalbobijnen en dat de BVBA Steelex een aanzienlijke betalingsachterstand had opgelopen in verband met de behandeling van goederen, waaronder, en dit voor het overgrote gedeelte, kosten in verband met andere goederen dan de staalbobijnen. Deze tegenstrijdigheid maakt een miskenning uit van de motiveringsverplichting, zodat het bestreden arrest niet regelmatig met redenen is omkleed (schending van de artikelen 149 van de gecoördineerde Grondwet en 780, eerste lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek). Daarenboven antwoordde het hof van beroep in voorkomend geval niet op de aanvoeringen van eiseres in conclusie. Eiseres voerde in haar conclusie immers aan dat zij enkel het niet contractueel uitgebreide retentierecht van verweerster erkende en motiveerde haar stelling uitvoerig en nauwkeurig in haar beroepsbesluiten. Door te oordelen dat er geen discussie bestond over het feit dat er een verband bestaat tussen de volledige schuldvordering waarover verweerster beschikt en de teruggehouden zaak, zonder een antwoord te verstrekken op de hiervoren aangehaalde aanvoeringen van eiseres in haar beroepsconclusie, is het bestreden arrest niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Tweede onderdeel In zoverre de beslissing van het hof van beroep dat er geen discussie bestond over het feit dat er een verband bestaat tussen de schuldvordering waarover verweerster beschikt en de teruggehouden zaak aldus moet worden opgevat dat het hof van beroep hierbij aannam dat er tussen het gedeelte van verweersters schuldvordering dat de kosten voor de goederenbehandeling en opslag van de staalbobijnen betrof en de teruggehouden zaak een verband bestond, minstens dat er tussen de vordering van verweerster en de teruggehouden zaak een economische samenhang bestond, is de beslissing dat het uitgebreid retentierecht geldig was en tegenstelbaar aan eiseres, onwettig. In onderhavig geding erkende eiseres dat het retentierecht van verweerster, voor zover niet contractueel uitgebreid, haar tegengesteld kon worden. Eiseres betwistte echter dat een contractuele uitbreiding van het retentierecht haar, als eigenaar van de goederen waarop het retentierecht haar, als eigenaar van de goederen waarop het retentierecht wordt uitgeoefend, tegenstelbaar zou zijn. Partijen kunnen het retentierecht contractueel uitbreiden. Een contractueel uitgebreid retentierecht kan op grond van de vertrouwensleer evenwel niet worden tegengeworpen aan de werkelijke eigenaar. Overeenkomstig artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek brengen overeenkomsten alleen gevolgen teweeg tussen de contracterende partijen. Van de debiteur mag niet worden aangenomen dat hij de bevoegdheid had om andermans zaken tot zekerheid aan te wenden voor schuldvorderingen die niet in rechtstreeks verband staan tot die zaak. Deze bevoegdheid past niet in het normaal beheer van de zaak. In onderhavig geval wendde de BVBA Steelex de goederen, die zij bij eiseres aankocht en die ingevolge een beding van eigendomsvoorbehoud nog steeds de eigendom waren van deze laatste, door middel van een conventioneel uitgebreid retentierecht aan tot zekerheid van al haar schulden ten aanzien van verweerster. Eiseres mocht erop vertrouwen dat de staalbobijnen haar eigendom bleven tot op het ogenblik van de voldoening van de koopprijs ervan door de BVBA Steelex. Nu verweerster deze goederen aan de eigenaar, zijnde eiseres, niet wilde vrijgeven op grond van een conventioneel uitgebreid retentierecht, in uitvoering waarvan deze goederen tot zekerheid worden gegeven van schuldvorderingen, die niet in rechtstreeks verband hiermede staan, werd het rechtmatig vertrouwen van eiseres geschokt. Door te oordelen dat, in voorkomend geval, een conventioneel beding met uitbreidende werking van het retentierecht wel tegengesteld kon worden aan derden, onder meer aan eiseres, die krachtens een beding van eigendomsvoorbehoud eigenaar was gebleven van de goederen waarop het retentierecht werd uitgeoefend, schendt het hof van beroep het algemeen rechtsbeginsel, vertrouwensbeginsel genaamd. De tegenwerpelijkheid van het conventioneel uitgebreide retentierecht doet tevens afbreuk aan het eigendomsrecht. Overeenkomstig artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek is eigendom het recht om op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken, mits men er geen gebruik van maakt dat strijdig is met de wetten of met de verordeningen. Eiseres voerde aan dat volgens de bewoordingen van dit artikel enkel wetsbepalingen de uitoefening van het eigendomsrecht kunnen beperken, zodat de uitoefening van het eigendomsrecht niet kan worden beperkt door een tussen derden gesloten overeenkomst. Bovendien wordt het eigendomsrecht beschermd door artikel 1 van het Aanvullend Protocol van 20 maart 1952 bij het E.V.R.M., gewijzigd bij artikel 2,4 van het Protocol nr. 11 van 11 mei 1994, bekrachtigd bij wet van 27 november 1996, dat aan alle rechtssubjecten het recht op ongestoord genot van hun eigendom garandeert. Deze bescherming werd tevens opgenomen in artikel 16 van de gecoördineerde Grondwet, naar luid waarvan niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan ten algemene nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen een billijke en voorafgaande schadeloosstelling. Enkel de wetgever heeft de bevoegdheid om het eigendomsrecht te beperken. De wettelijke uitzonderingen gelden voor alle eigenaars en worden ingevoerd in het algemeen belang. De wetgever voorzag inderdaad dat het retentierecht afbreuk kan doen aan het eigendomsrecht, maar dan wel slecht in te dezen niet toepasselijke specifieke gevallen, zoals onder meer in de artikelen 867, 1612, 1673, 1749, 1948, 2082 en 2087 van het Burgerlijk Wetboek. Aldus stelt artikel 1948 van het Burgerlijk Wetboek dat de bewaarnemer van een in bewaring gegeven zaak deze kan terughouden tot de gehele voldoening van hetgeen hem wegens de bewaargeving verschuldigd is. Voor het conventioneel uitgebreide retentierecht werd dergelijke wetsbepaling niet voorzien. Verweerster en de BVBA Steelex konden door het opnemen van een conventioneel uitgebreid retentierecht dan ook geen afbreuk doen aan het eigendomsrecht dat een derde, in casu eiseres, bezit op de goederen waarop het retentierecht wordt uitgeoefend. Het bij artikel 2279, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde bezit van roerende goederen geldt niet als titel van eigendom ten aanzien van hem die voor anderen bezit en dus niet als eigenaar bezit. Het hof van beroep kon bijgevolg niet wettig oordelen dat het conventioneel beding met uitbreidende werking van het retentierecht van de tussen verweerster en de BVBA Steelex gesloten overeenkomst wel tegengesteld kon worden aan eiseres, die nochtans de eigenaar was van de goederen waarop het retentierecht werd uitgeoefend (schending van de artikelen 1 van het Aanvullend Protocol van 20 maart 1952 bij het E.V.R.M., van kracht en gewijzigd zoals aangegeven in de aanhef van het middel, 16 van de gecoördineerde Grondwet en 544, 1948 en 2279 van het Burgerlijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, van de artikelen 867, 1612, 1673, 1749, 2082 en 2087 van het Burgerlijk Wetboek). Luidens artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek brengen overeenkomsten alleen gevolgen teweeg tussen de contracterende partijen en brengen zij aan derden geen nadeel toe. Overeenkomsten hebben derhalve een relatief karakter. Eiseres concludeerde dat het tegenstelbaar verklaren van de conventionele uitbreiding van het retentierecht aan de eigenaar van de goederen waarop het retentierecht wordt uitgeoefend, een miskenning uitmaakt van artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek. Derden, met name al degenen die geen partij waren bij de overeenkomst, kunnen op de afdwingbaarheid van de uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen geen beroep doen en kunnen evenmin tot nakoming van de verbintenissen, waarbij zij geen partij zijn, worden verplicht. Een contractpartij heeft bijgevolg niet het recht om de uitvoering van een overeenkomst aan een derde op te leggen. Overeenkomsten kunnen immers geen verbintenissen ten laste van derden leggen. De gevolgen van de overeenkomst, inzonderheid van het conventioneel uitgebreide retentierecht, die tussen de BVBA Steelex en verweerster bestond, konden dan ook geen nadeel berokkenen ten aanzien van derden, waaronder eiseres. Ingevolge het conventioneel uitgebreide retentierecht hield verweerster de staalbobijnen in haar bezit, en dit tot op het ogenblik dat de betalingsachterstand in verband met prestaties die betrekking hadden op voorheen behandelde goederen van de BVBA Steelex volledig zou zijn aangezuiverd. Hierdoor werd eiseres verhinderd de staalbobijnen, die nog steeds haar eigendom waren, terug te nemen en leed zij een nadeel. Door evenwel te oordelen dat de conventionele uitbreiding van het retentierecht toch aan eiseres kon worden tegengeworpen, schendt het hof van beroep aldus ook artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. De appelrechters oordelen dat er geen betwisting bestaat dat verweerster over een opeisbare vordering beschikt op de BVBA Steelex, dat er tussen de schuldvordering en de teruggehouden zaak een verband dient te bestaan en dat tussen partijen "de discussie vooral (speelt) in verband met dit laatste aspect". 2. Het onderdeel gaat ervan uit dat de appelrechters oordelen dat er geen discussie bestond over het feit dat er een verband bestaat tussen de schuldvordering waarover de verweerster beschikt en de teruggehouden zaak en dat hun oordeel hieromtrent tegenstrijdig is. 3. Het onderdeel berust in zoverre op een verkeerde lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag. 4. Het retentierecht verleent aan de schuldeiser het recht om een zaak die hem door zijn schuldenaar werd overhandigd, te behouden zolang zijn schuldvordering niet is voldaan. Dit retentierecht vereist een samenhang tussen de teruggehouden goederen en de schuldvordering waarvan de betaling wordt geëist. De feitenrechter oordeelt op onaantastbare wijze over het bestaan van dit verband. 5. De appelrechters stellen vast dat: - een partij staalbobijnen door de eiseres onder eigendomsvoorbehoud was verkocht aan de BVBA Steelex; - de goederen door de BVBA Steelex werden opgeslagen in de magazijnen van de verweerster, goederenbehandelaar in de haven van Antwerpen; - tussen de BVBA Steelex en de verweerster regelmatige handelsbetrekkingen bestaan; - de verweerster op de BVBA Steelex een schuldvordering heeft voor de stockeringskosten van zowel de partij staalbobijnen als voorheen behandelde goederen; - de BVBA Steelex failliet werd verklaard; - de verweerster haar retentierecht uitoefent op de goederen van de eiseres voor het totale bedrag van de schuldvordering op de BVBA Steelex; - niet betwist wordt dat de verweerster te goeder trouw was; - in de overeenkomst tussen de verweerster en de BVBA Steelex is bedongen (artikel 4) dat de verweerster over een retentierecht beschikt op al de goederen overhandigd door de opdrachtgever "tot algehele, contante betaling van alle ons verschuldigde bedragen, zonder dat deze rechtstreeks betrekking moeten hebben op de ingehouden goederen". 6. De appelrechters oordelen dat het retentierecht van de verweerster als goederenbehandelaar in de haven beantwoordt aan de noodzaak van continuïteit in de transacties en dat zulks "niet fictief is en (aan)sluit bij de economische realiteit". 7. Op grond van deze vaststellingen en die beoordeling verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing dat de verweerster haar retentierecht kan uitoefenen voor de volledige schuldvordering die zij op de BVBA Steelex heeft. 8. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 9. Gelet op het antwoord op het eerste onderdeel, kan het onderdeel, in zoverre het ervan uitgaat dat de appèlrechters niet wettig hebben kunnen besluiten tot een retentierecht tussen de teruggehouden goederen en de totaliteit van de schuldvordering van de verweerster op de BVBA Steelex, niet worden aangenomen. 10. Het retentierecht verleent aan de schuldeiser het recht om een zaak die hem door zijn schuldenaar werd overhandigd, te behouden zolang zijn schuldvordering niet is voldaan. Dit retentierecht is, met betrekking tot roerende lichamelijke zaken, ook tegenwerpelijk aan de eigenaar van de teruggehouden goederen die niet de schuldenaar is, op voorwaarde van de goede trouw van de schuldeiser. 11. De schuldeiser is te goeder trouw wanneer hij bij de inontvangstname van de goederen mocht aannemen dat zijn schuldenaar de eigenaar van de goederen was of althans bevoegd was om ter zake van die goederen overeenkomsten te sluiten die aanleiding kunnen geven tot de uitoefening van het retentierecht op deze goederen. 12. De tegenwerpelijkheid van het retentierecht aan een derde, heeft niet tot gevolg dat deze derde schuldenaar wordt van de schuldvorderingen die voortvloeien uit de overeenkomst gesloten tussen de retentor en diens schuldenaar. 13. Het onderdeel, in zoverre het artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek als geschonden aanwijst, faalt naar recht. 14. De rechtmatige uitoefening van het retentierecht op goederen die niet toebehoren aan de schuldenaar van de retentor levert geen schending op van artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek, noch van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van 20 maart 1952 bij het EVRM. 15. Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van 625,59 euro jegens de eisende partij en op de som van 167,47 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van 27 april 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060427.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20060904.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110915.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.