id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060502.3 Rolnummer: P.05.1649.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-22 Raadplegingen: 579 - laatst gezien 2026-07-04 08:03 Versie(s): Vertaling FR Fiche De wijziging van artikel 145bis, ,§ 1, vierde lid, Stedenbouwdecreet 1999, door het decreet van 22 april 2005, waarbij de "agrarische gebieden met bijzondere waarde" werden geschrapt uit de lijst van de in deze bepaling gegeven opsomming van ruimtelijk kwetsbare gebieden, is niet relevant voor het gelijkluidend begrip in artikel 146, vierde lid, Stedenbouwdecreet 1999; een "landschappelijk waardevol agrarisch gebied" blijft dus ook na deze wijziging een "agrarisch gebied met bijzondere waarde" in de zin van artikel 146, vierde lid, Stedenbouwdecreet 1999
(1).
(1)Zie Cass., 22 feb. 2005, AR P.04.1346.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050222.34, nr 109, met concl. van proc.-gen. DE SWAEF; Cass., 13 sept. 2005, AR P.05.0479.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050913.39, nr ... Thesaurus CAS: STEDENBOUW - SANCTIES Vrije woorden: STEDENBOUW - SANCTIES Strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken Agrarisch gebied met een bijzondere waarde Tekst van de beslissing Nr. P.05.1649.N
- C R J F, beklaagde,
- B M J H, beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Wim Mertens, advocaat bij de balie te Hasselt, ter terechtzitting bijgestaan door mr, Annelien Vermote, advocaat bij de balie te Brussel, voor mr. Wim Mertens. tegen V S, wonende te 3500 Hasselt, Smetstraat 16, in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van V.I.G. bvba, met zetel te 3720 Kortessem, Tongersesteenweg 187, burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 8 november
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- De eisers voeren aan dat landschappelijk waardevol agrarisch gebied niet behoort tot het bestemmingsgebied "agrarisch gebied met bijzondere waarde" zoals bepaald in artikel 146, vierde lid, Stedenbouwdecreet 1999, om de reden dat: - dit laatste bestemmingsgebied, dat zijn oorsprong vindt in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud in het natuurlijk milieu, zoals alle overige in artikel 146, vierde lid, Stedenbouwdecreet 1999, opgesomde bestemmingsgebieden, als ruimtelijk kwetsbaar gebied uitsluitend gericht is op het behoud van de natuur, en niet van de landschapswaarden; - bij de toepassing van artikel 145bis, ,§ 1, Stedenbouwdecreet 1999, waarin vóór de wijziging bij decreet van 22 april 2005 hetzelfde begrip "agrarisch gebied met bijzondere waarde" voorkwam, dit niet het landschappelijk waardevol agrarisch gebied omvatte. Immers, ondanks het verbod bepaald in het laatste lid van deze paragraaf voor de ruimtelijk kwetsbare gebieden, waaronder bedoelde agrarische gebieden met bijzondere waarde, kon en kan nog steeds overeenkomstig het eerste lid van voormeld artikel, bij wijze van uitzondering, voor werken in landschappelijk waardevol agrarisch gebied een stedenbouwkundige vergunning worden verleend die strijdig is met de bestemmingsvoorschriften van het geldende gewestplan of algemeen plan van aanleg; - het begrip "agrarisch gebied met bijzondere waarde" in artikel 146, vierde lid, Stedenbouwdecreet 1999 is overgenomen van artikel 145bis, ,§ 1, vierde lid, Stedenbouwdecreet 1999 vóór deze laatste bepaling bij decreet van 22 april 2005 werd gewijzigd, en het heeft bijgevolg dezelfde betekenis behouden; - ook de voorbereidende werken van artikel 146, vierde lid, Stedenbouwdecreet 1999 zoals gewijzigd bij decreet van 4 juni 2003, bevestigen het inzicht van de decreetgever om het instandhoudingsmisdrijf in landschappelijk waardevol agrarisch gebied af te schaffen.
- Het begrip landschappelijk waardevol agrarisch gebied wordt omschreven in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen. Krachtens artikel 15 van dit koninklijk besluit is het begrip "landschappelijk waardevolle gebieden" een nadere aanwijzing binnen de categorie "landelijke gebieden". Het betreft bijgevolg niet noodzakelijk agrarische gebieden, al heeft die aanwijzing wel vooral betrekking op agrarische gebieden. Dit artikel 15 omschrijft "landschappelijk waardevolle gebieden" als "gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen". Het landschappelijk waardevolle heeft bijgevolg betrekking op de schoonheidswaarde van het landschap. Een vergunningsaanvraag wordt niet alleen getoetst aan een planologisch criterium (de bestemming) maar ook aan een esthetisch criterium: kunnen de beoogde handelingen en werken worden overeengebracht met de eisen van vrijwaring van het landschap? De voorwaarden die in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied kunnen worden opgelegd, mogen niet van die aard zijn dat handelingen of werken die overeenstemmen met de agrarische bestemming, rechtstreeks of onrechtstreeks zouden worden verboden. De voorwaarden kunnen wel betrekking hebben op landschapsinkleding, gebruikte materialen, bouwhoogte, bouwvolume en plaats van inplanting. Aldus blijkt dat het statuut van landschappelijk waardevol agrarisch gebied essentieel wordt bepaald door de bestemming agrarisch gebied. Het karakter van landschappelijk waardevol gebied betreft de uitvoeringswijze van de werken. Vanuit dat oogpunt valt te begrijpen dat voor de toepassing van de regels inzake zonevreemde constructies geen onderscheid wordt gemaakt tussen gewone agrarische gebieden en landschappelijk waardevolle gebieden.
- In artikel 146, derde en vierde lid, Stedenbouwdecreet 1999 gaat het evenwel niet om het vergunnen van zonevreemde constructies in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, maar om het wel of niet verder strafbaar stellen van werken, handelingen of wijzigingen die zonder vergunning of in strijd met de vergunning worden in stand gehouden en waardoor de schoonheidswaarde van het landschap wordt aangetast. Indien men het landschappelijk waardevol agrarisch gebied vergelijkt met de bijzondere bestemmingsgebieden "agrarisch gebied met ecologisch belang" of "vallei- en brongebieden", valt het op dat voor die laatste gebieden beperkingen inzake werken en handelingen worden opgelegd, niet alleen met het oog op het specifiek natuurlijk milieu van planten en dieren maar ook om de landschappelijke waarde niet te schaden. Voor de opsomming van artikel 146, vierde lid, Stedenbouwdecreet 1999 is de bescherming van het specifiek natuurlijk milieu aldus niet het enige criterium. Voor de bescherming en handhaving van de schoonheidswaarde van het landschap komt ook het landschappelijk waardevol agrarisch gebied onder de noemer "agrarisch gebied met bijzondere waarde" in aanmerking.
- Het decreet van 22 april 2005 wijzigt artikel 145, ,§ 1, vierde lid, Stedenbouwdecreet 1999 door de "agrarische gebieden met bijzondere waarde" te schrappen uit de lijst van de in deze bepaling gegeven opsomming van ruimtelijk kwetsbare gebieden. Deze schrapping steunt op de door de rechtspraak gegeven interpretatie van artikel 146, vierde lid, Stedenbouwdecreet 1999 dat ook het landschappelijk waardevol agrarisch gebied als "agrarisch gebied met bijzondere waarde" moet worden beschouwd. De decreetgever heeft daarbij beklemtoond dat de "verduidelijkende wijziging" in artikel 145bis Stedenbouwdecreet 1999 niets uit te staan heeft met het begrip ruimtelijk kwetsbare gebieden in artikel 146 Stedenbouwdecreet 1999 welke gebieden in het kader van de handhaving afzonderlijk moeten worden beschouwd. Bijgevolg is de interpretatie van het begrip "ruimtelijk kwetsbaar gebied" in artikel 145bis Stedenbouwdecreet 1999 voortaan evenmin nuttig voor het gelijkluidend begrip in artikel 146, vierde lid, Stedenbouwdecreet
- De appelrechters oordelen bijgevolg wettig "dat de omschrijving van artikel 146, vierde lid, Stedenbouwdecreet 1999 en 145bis Stedenbouwdecreet 1999 niet dezelfde is, hetgeen bevestigt dat de decreetgever aan deze bepalingen een andere reikwijdte wilde verlenen; dat de omschrijving landschappelijk waardevol agrarisch gebied duidelijk aangeeft dat dat gebied een bijzondere waarde heeft".
- Met hun motivering beantwoorden de appelrechters het verweer van de eisers, en leggen zij uit waarom zij aansluiten bij de rechtspraak van het Hof. Daarmee geven zij aan die rechtspraak geen algemene en als regel geldende draagwijdte.
- Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
- De appelrechters oordelen dat de telastleggingen A en B in hoofde van de eisers de uiting zijn van eenzelfde misdadig opzet zodat de verjaring van de strafvordering begint te lopen vanaf het laatste feit. Zij beantwoorden aldus de conclusie van de eisers en verantwoorden hun beslissing dat de telastleggingen niet zijn verjaard, naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert een schending aan van het legaliteitsbeginsel omdat "wanneer dergelijke onzekerheid bestaat over de bedoeling van de decreetgever of landschappelijk waardevol agrarisch gebied als ruimtelijk kwetsbaar gebied had moeten beschouwd worden, het (hof van beroep) (de eisers) niet had mogen bestraffen vermits het in strijd is met het legaliteitsbeginsel en de in dit middel aangehaalde bepalingen". Het middel legt niet uit waarin de schending van de artikelen 10 en 11 Grondwet en artikel 6 EVRM en 14 IVBPR zou kunnen bestaan. Het is in zoverre onnauwkeurig. Voor het overige is de aangevoerde miskenning van het legaliteitsbeginsel niet gericht tegen het bestreden arrest, maar wel tegen de bepaling van artikel 146, vierde lid, Stedenbouwdecreet 1999, aan hetwelk een onvoldoende nauwkeurige omschrijving van een strafbare gedraging wordt verweten. De artikelen 12 en 14 van de Grondwet bepalen het legaliteitsbeginsel in strafzaken. Het komt aan het Hof niet toe de overeenstemming van de bedoelde decretale bepaling met deze grondwetsartikelen na te gaan. Het middel is in zijn geheel niet ontvankelijk. Vierde middel
- Het middel, in zoverre het opkomt tegen de beoordeling van feiten of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, is niet ontvankelijk.
- Voor het overige beantwoorden de appelrechters eisers verweer dat de verweerder geen voldoende belang heeft. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten. Begroot de kosten op 101,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, en op de openbare terechtzitting van 2 mei 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060502.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050222.34 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050913.39 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071113.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div