id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060515.1 Rolnummer: C.04.0043.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Unierecht Invoerdatum: 2006-09-15 Raadplegingen: 601 - laatst gezien 2026-07-04 04:41 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 moet aldus worden uitgelegd dat ze geen enkele rangorde vaststelt tussen de wijzen van verzending en betekening van een gerechtelijk stuk, door tussenkomst van een verzendende instantie en een ontvangende instantie aangeduid door de lidstaten of aan zich in een andere lidstaat bevindende personen rechtstreeks per post, zodat het mogelijk is het op een van deze twee wijzen dan wel gelijktijdig op de twee wijzen te betekenen
(1).
(1)H.v.J. 9 feb. 2006, nr C-473/04, Jur. H.v.J., 2006, ... Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Vrije woorden: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen. - Verordening (E.G.) nr 1348/2000 van de Raad van 29 mei
- - Uitlegging Gerechtelijk stuk. - Verzending. - Betekening. - Wijzen. - Rangorde Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 29-05-2000 - Artt.4tem11e Vrije woorden: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN. - IN HET BUITENLAND. - Europese Unie. - Verordening (E.G.) nr 1348/2000 van de Raad van 29 mei
- - Uitlegging. - Gerechtelijk stuk. - Verzending. - Betekening. - Wijzen. - Rangorde. Fiches 3 - 4 De Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 moet aldus worden uitgelegd dat, ingeval van cumulatie van de wijze van verzending en betekening van een gerechtelijk stuk, van de eerste geldig verrichte betekening moet worden uitgegaan om te bepalen wanneer voor de geadresseerde een procestermijn ingevolge een betekening begint te lopen
(1).
(1)H.v.J. 9 feb. 2006, nr C-473/04, Jur. H.v.J., 2006, ... Vrije woorden: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen. - Verordening (E.G.) nr 1348/2000 van de Raad van 29 mei
- - Uitlegging. - Gerechtelijk stuk. - Verzending. - Betekening. - Wijze. - Cumulatie. - Uitgangspunt. - Procestermijn. - Begin. BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - IN HET BUITENLAND. - Europese Unie Verordening (E.G.) nr 1348/2000 van de Raad van 29 mei
- - Uitlegging. - Gerechtelijk stuk. - Verzending. - Betekening. - Wijze. - Cumulatie. - Uitgangspunt. - Procestermijn. - Begin Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.04.0043.N PLUMEX, vennootschap naar Portugees recht, met zetel te CP 3100-354 Pombal (Portugal), Parque Industrial Manuel da Mota, Portugal - Lote, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen YOUNG SPORTS, naamloze vennootschap, voorheen genaamd "G.S.B. Management", dewelke ingevolge fusie door overneming in de rechten is getreden van de NV Spartacus en de NV Young Sports, met zetel te 8500 Kortrijk, Volksplein 18, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 16 september 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Het Hof heeft bij arrest van 22 oktober 2004 twee prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Het Hof van Justitie heeft op 9 februari 2006 bij het arrest C-473/04 die vragen beantwoord. De zaak is bij beschikking van de voorzitter van 10 april 2006 verwezen naar de derde kamer. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1, 1°, 4 tot en met 11 en 14, van de Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (hierna: de verordening); - het gelijkheidsbeginsel en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; - de artikelen 40, eerste lid, 48, 49, 50, eerste lid, 52, 54, 55, inzonderheid 2°, 1050, eerste lid, en 1051 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het hof van beroep verklaart het hoger beroep van eiseres niet ontvankelijk wegens laattijdigheid en veroordeelt eiseres tot de kosten van het hoger beroep op grond van volgende redenen: "(Verweerster) beroept zicht terecht op de laattijdigheid van het hoger beroep. (Eiseres) is een vennootschap naar Portugees recht, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is in Portugal, Parque Industrial Manuel da Mota, Lote 1-CP-3100-354 Pombal. Uit de overgelegde stukken blijkt dat het beroepen vonnis aan (eiseres) werd betekend overeenkomstig de bepalingen van de Verordening (EG) 1348/2000 van 9 mei
- Deze betekening gebeurde op twee van de door de verordening voorziene wijzen: - betekening (lees: verzending) op 12 oktober 2001 aan de Direcçâo-Geral da Administraçâo da Justiça, zijnde de door Portugal aangewezen ontvangende instantie. De afgifte van de betekeningsakte gebeurde aan de postdienst op 12 oktober
- Het ontvangstbewijs werd door de ontvangende instantie op 18 oktober 2001 terugbezorgd. De ontvangende instantie betekende het bestreden vonnis op 6 november
- Dit betreft dus een betekening conform de artikelen 4 tot 7 van de verordening; - betekening op 12 oktober 2001 per post. De afgifte van de betekeningsakte gebeurde aan de postdienst op 12 oktober
- Het ontvangstbewijs werd door (eiseres) op 17 oktober 2001 terugbezorgd. Dit betreft dus een betekening conform artikel 14 van de verordening. Portugal heeft verklaard geen enkel voorbehoud te maken nopens de toepassing van dit artikel. Niets verzet er zich tegen dat de betekening op verschillende wijzen geschiedt. Beide betekeningswijzen zijn op een geldige wijze geschied. Wanneer twee verschillende doch geldige betekeningswijzen zijn aangewend, dan is de eerst verrichte betekening bepalend voor de aanvang van de termijn om hoger beroep in te stellen. Terzake is dit de betekening die gebeurde conform artikel 14 van de verordening. Krachtens artikel 1051, eerste lid, Ger. W. is de termijn om hoger beroep aan te tekenen één maand te rekenen vanaf de betekening van het vonnis. Terzake wordt de betekening geacht te zijn gebeurd door de afgifte van de akte aan de postdienst tegen ontvangstbewijs (artikel 40, eerste lid, Ger. W.) ; dit is op 12 oktober
- Dit is de aanvangsdatum van de termijn (artikel 57, eerste lid, Ger. W.). De termijn wordt verlengd overeenkomstig artikel 55 Ger. W., waarnaar artikel 1051, derde lid, Ger. W. verwijst. Terzake bedraagt de verlenging 30 dagen (artikel 55, eerste lid, 2°, Ger. W.). De termijn wordt gerekend van middernacht tot middernacht. Hij wordt gerekend vanaf de dag na die van de akte of van de gebeurtenis welke hem doet ingaan, en omvat alle dagen, ook zaterdag, zondag en wettelijke feestdagen (artikel 52, eerste lid, Ger. W.). Voor de maanden wordt gerekend van de zoveelste dag tot de dag voor de zoveelste (artikel 54 Ger. W.). De dies a quo wordt niet (artikel 52 Ger. W.), de dies ad quem als vervaldag of laatste dag van de termijn wordt wel in de termijn begrepen (artikel 53 Ger. W). De beroepstermijn nam aldus in deze een aanvang daags na de betekening op 12 oktober 2001 om te eindigen op de vervaldag van 11 december
- Er is bovendien geen sprake van overmacht of enige ongeldigheid in de betekening. Nu de appelakte dateert van 17 december 2001, hetzij van na de vervaldag, is de termijn van artikel 1051, eerste lid , Ger. W. overschreden en het hoger beroep laattijdig. Nu (eiseres) in het ongelijk blijft gesteld, dient zij in de kosten van deze instantie te worden verwezen" (zie arrest p. 2-5). Grieven Eerste onderdeel 1.
- Te dezen wordt niet betwist dat de verordening (EG) nr. 1348/2000 toepasselijk is op de litigieuze betekening. Gezegde verordening voorziet in meerdere mogelijkheden voor de betekening (en de kennisgeving) in de ene lidstaat van een gerechtelijk stuk van de andere lidstaat in handelszaken (en in burgerlijke zaken). Enerzijds organiseert zij in haar artikelen 4 tot en met 11 de verzending en betekening (of kennisgeving) van een gerechtelijk stuk door tussenkomst van een verzendende instantie en een ontvangende instantie aangeduid door de lidstaten. Anderzijds staat de verordening in haar artikelen 12 tot en met 15 andere wijzen van verzending en betekening (of kennisgeving) van een gerechtelijk stuk toe. Een van de andere wijzen is de betekening rechtstreeks per post, zoals bepaald in artikel 14 van de verordening. Naar luid van artikel 9, 1°, van de verordening is de datum van betekening (of kennisgeving) van artikel 7 (onverminderd artikel 8) de datum waarop betekening of kennisgeving overeenkomstig het recht van de aangezochte lidstaat is geschied. Bijgevolg is artikel 40, eerste lid, Ger. W. te dezen niet van toepassing. 1.
- Uit de bedoeling van de Verordening (EG) nr. 1348/2000 volgt dat de wijze bepaald bij voornoemde artikelen 4 tot en met 11 de hoofdwijze van verzending en betekening is. Daarentegen is de manier van betekening toegestaan bij gezegd artikel 14 één van de ondergeschikte wijzen. Dit wil zeggen dat de rechtstreekse betekening per post slechts toegestaan is in buitengewone omstandigheden en in ieder geval ondergeschikt is aan de wijze van verzending en betekening door tussenkomst van de plaatselijke instanties zoals bepaald bij de artikelen 4 tot en met 11 van de verordening. De hoofdwijze van betekening heeft voorrang op de ondergeschikte wijze. Bijgevolg, in geval van cumul van betekeningen overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 11 van de verordening, enerzijds, en rechtstreeks per post, anderzijds, zoals te dezen, heeft eerstgenoemde wijze voorrang. In dat geval is voor de bepaling van de datum waarop de termijn van hoger beroep ingaat de datum van betekening overeenkomstig de hoofdwijze (de artikelen 4 tot en met 11 verordening) relevant en niet de datum van betekening overeenkomstig de ondergeschikte wijze (te dezen : rechtstreeks per post), zelfs indien deze laatst genoemde de eerste in tijd zou verricht zijn. 1.
- Het bestreden arrest stelt vast dat de litigieuze betekening aan eiseres, in Portugal, van het Belgische vonnis a quo, gewezen door de rechtbank van koophandel, gebeurde op twee wijzen : - de eerste wijze: betekening aan eiseres op 6 november 2001 door de Portugese ontvangende instantie, conform de artikelen 4 tot 7 van de verordening; - de tweede wijze: betekening per post, conform artikel 14 van de verordening, waarbij de afgifte van de betekeningsakte aan de postdienst gebeurde op 12 oktober 2001 en het ontvangstbewijs op 17 oktober 2001 door eiseres werd terugbezorgd. 1.
- Uit het voorgaande (zie nr. 1.2.) volgt dat voor de bepaling van de datum waarop de termijn van hoger beroep voor eiseres inging te dezen de datum van betekening overeenkomstig de eerste wijze (artikel 4 tot en met 11 verordening) relevant is. Overeenkomstig artikel 9, 1°, van de verordening is de datum van betekening deze waarop de betekening overeenkomstig het recht van de aangezochte lidstaat, te dezen Portugal, is geschied. Te dezen onderzoeken de appelrechters niet en stellen zij niet vast welke de datum van betekening is overeenkomstig het Portugese recht. Bijgevolg stellen zij niet op wettige wijze vast wanneer voor eiseres de termijn van hoger beroep inging en verstreek en beslissen zij onwettig dat het hoger beroep laattijdig en om die reden onontvankelijk is. 1.
- Voor zoveel als nodig en indien het Hof van oordeel zou zijn dat een prejudiciële vraag, waaromtrent de beslissing noodzakelijk is voor het wijzen van het arrest, wordt opgeworpen betreffende de uitlegging van de verordening (EG) nr. 1348/2000, past het om het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap te verzoeken, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak te doen over volgende vragen:
- is de betekening bepaald bij de artikelen 4 tot en met 11 de hoofdwijze van betekening en de betekening rechtstreeks per post, bepaald in artikel 14, de ondergeschikte wijze van betekening met dien verstande dat de eerstgenoemde wijze voorrang heeft op de tweede genoemde wijze ?
- gaat, in geval van cumul van betekening overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 11, enerzijds, en rechtstreeks per post overeenkomstig artikel 14, anderzijds, voor de geadresseerde van de betekening, de termijn van hoger beroep in op de datum van de betekening gedaan overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 11 en niet op de datum van betekening overeenkomstig artikel 14 ? Besluit Het hof van beroep oordeelt niet wettig dat de termijn van hoger beroep voor eiseres te dezen inging op datum van de rechtstreekse betekening per post overeenkomstig artikel 14 van de verordening (EG) nr. 1348/2000 om reden dat deze betekening het eerst in tijd was. De termijn van hoger beroep ging te dezen evenwel in op datum van de hoger eerstgenoemde betekeningswijze, gedaan overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 11 van de verordening. Bijgevolg ging in casu de termijn van hoger beroep in op de datum waarop de betekening overeenkomstig het Portugese recht was geschied. Het bestreden arrest, dat anders oordeelt, nalaat te onderzoeken en vast te stellen welke de datum van betekening was overeenkomstig het Portugese recht, en het hoger beroep van eiseres laattijdig en om die reden onontvankelijk verklaart, is bijgevolg niet wettig verantwoord (schending van alle in de aanhef van het middel aangevoerde wettelijke bepalingen). Tweede onderdeel 2.
- Te dezen wordt niet betwist dat de verordening (EG) nr. 1348/2000 toepasselijk is op de litigieuze betekening. 2.
- Gezegde verordening voorziet in meerdere mogelijkheden voor de betekening (en de kennisgeving) in de ene lidstaat van een gerechtelijk stuk van de andere lidstaat in handelszaken (en in burgerlijke zaken). Enerzijds organiseert zij in haar artikelen 4 tot en met 11 de verzending en betekening (of kennisgeving) van een gerechtelijk stuk door tussenkomst van een verzendende instantie en een ontvangende instantie aangeduid door de lidstaten. Anderzijds staat de verordening in haar artikelen 12 tot en met 15 andere wijzen van verzending en betekening (of kennisgeving) van een gerechtelijk stuk toe. Een van de andere wijzen is de betekening rechtstreeks per post, zoals bepaald in artikel 14 van de verordening. Naar luid van artikel 9, 1°, van de verordening is de datum van betekening (of kennisgeving) van artikel 7 (onverminderd artikel 8) de datum waarop betekening (of kennisgeving) overeenkomstig het recht van de aangezochte lidstaat is geschied. 2.
- Naar luid van artikel 14, tweede lid, van de verordening kan elke lidstaat, overeenkomstig artikel 23, eerste lid, bepalen onder welke voorwaarden hij de betekening (of kennisgeving) van gerechtelijke stukken per post aanvaardt. Portugal aanvaardt de betekening (of kennisgeving) van gerechtelijke stukken per post op voorwaarde dat zij wordt uitgevoerd bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs. Het bestreden arrest oordeelt dus onwettig dat Portugal heeft verklaard geen enkel voorbehoud te maken nopens de toepassing van artikel 14 van de verordening (zie arrest p. 4). 2.
- Met betrekking tot de rechtstreekse betekening per post bepaalt de verordening niet uitdrukkelijk op welke datum de betekening is geschied. Uit de bedoeling van de verordening volgt evenwel dat de bepalingen vervat in de artikelen 4 tot en met 11 een algemene draagwijdte hebben in die zin dat zij dienen getransponeerd te worden op de "andere wijzen van verzending en betekening", bepaald bij de artikelen 12 tot en met 15 van de verordening. Meer bepaald dient artikel 9, 1°, van de verordening getransponeerd te worden op de rechtstreekse betekening per post, bepaald bij artikel 14 van de verordening. Hieruit volgt dat in geval van rechtstreekse betekening per post, de datum van betekening voor de geadresseerde van de betekening, deze is waarop de betekening overeenkomstig het recht van de aangezochte lidstaat, te dezen Portugal, is geschied. Er anders over oordelen, zoals het bestreden arrest te dezen doet, brengt zonder redelijke verantwoording een verschil in behandeling teweeg naar gelang de betekening plaats heeft overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 11 van de verordening enerzijds of rechtstreeks per post overeenkomstig artikel 14 anderzijds in strijd met het gelijkheidsbeginsel (artikel 10 en 11 Grondwet). Immers, in dat geval is de datum van betekening naargelang het geval enerzijds de datum waarop de betekening overeenkomstig het recht van de aangezochte lidstaat is geschied (artikel 9, 1°, verordening) en anderzijds de datum waarop de betekening overeenkomstig het recht van de lidstaat van herkomst is geschied (beslissing van de appelrechters). Bijgevolg is artikel 40, eerste lid, Ger. W. te dezen niet van toepassing. 2.
- Zelfs indien te dezen de betekening die het eerst werd uitgevoerd of de rechtstreekse betekening per post relevant zou zijn voor de bepaling van de datum waarop de termijn van hoger beroep voor eiseres, geadresseerde van de betekening, inging, dan nog hadden de appelrechters voorafgaandelijk op wettige wijze dienen te onderzoeken en vast te stellen welke de datum van betekening was overeenkomstig het Portugese recht. Op onwettige wijze oordelen zij evenwel dat terzake de betekening geacht wordt te zijn gebeurd door de afgifte van de akte aan de postdienst tegen ontvangstbewijs overeenkomstig artikel 40, eerste lid, Ger. W. (van België), met andere woorden : dat het recht van de Staat van herkomst de datum van betekening bepaalt. 2.
- Voor zoveel als nodig en indien het Hof van oordeel zou zijn dat een prejudiciële vraag, waaromtrent de beslissing noodzakelijk is voor het wijzen van het arrest, wordt opgeworpen betreffende de uitlegging van de Verordening (EG) nr. 1348/2000, past het om het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap te verzoeken, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak te doen over volgende vraag : - is de datum van betekening, die voor de geadresseerde van de betekening in aanmerking moet worden genomen, ook in geval van rechtstreekse betekening per post overeenkomstig artikel 14, deze waarop de betekening overeenkomstig het recht van de aangezochte lidstaat is geschied ? Besluit Het hof van beroep overweegt niet wettig dat terzake de betekening geacht wordt te zijn gebeurd door de afgifte van de akte aan de postdienst tegen ontvangstbewijs overeenkomstig artikel 40, eerste lid, Ger. W. (van België), met andere woorden : dat het recht van de Staat van herkomst de datum van betekening bepaalt. Ook in geval van rechtstreekse betekening per post, is de datum van betekening deze waarop de betekening overeenkomstig het recht van de aangezochte lidstaat, te dezen Portugal, is geschied. Het bestreden arrest, dat anders oordeelt, nalaat te onderzoeken en te bepalen welke de datum van betekening was overeenkomstig het Portugese recht, en het hoger beroep van eiseres laattijdig en om die reden onontvankelijk verklaart, is bijgevolg niet wettig verantwoord (schending van alle in de aanhef van het middel aangevoerde wettelijke bepalingen en algemeen rechtsbeginsel). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- De Verordening nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (hierna Verordening genoemd), organiseert in haar artikelen 4 tot en met 11 de verzending en betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken door tussenkomst van een verzendende instantie en een ontvangende instantie aangeduid door de lidstaten. Luidens artikel 14, eerste lid, van de Verordening, is elke lidstaat bevoegd de betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken aan zich in een andere lidstaat bevindende personen rechtstreeks per post te doen verrichten. Luidens artikel 14, tweede lid, kan elke lidstaat, overeenkomstig artikel 23, eerste lid, bepalen onder welke voorwaarden hij de betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken per post aanvaardt.
- Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in het dictum van zijn arrest van 9 februari 2006 gezegd voor recht dat de Verordening "aldus (moet) worden uitgelegd dat zij geen enkele rangorde vaststelt tussen de wijze van verzending en betekening als bedoeld in de artikelen 4 tot en met 11 en die als bedoeld in artikel 14 daarvan, zodat het mogelijk is een gerechtelijk stuk op een van deze twee wijzen dan wel gelijktijdig op de twee wijzen te betekenen".
- De eiseres gaat er in het onderdeel van uit dat de betekening vermeld in de artikelen 4 tot en met 11 van de Verordening, de hoofdwijze van verzending en betekening is en de betekening rechtstreeks per post, vermeld in artikel 14 van de Verordening, een ondergeschikte wijze van betekening is, met dien verstande dat de eerstgenoemde wijze voorrang heeft op de tweede genoemde wijze.
- Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.
- Over de cumulatie van betekening, overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 11 van de Verordening, enerzijds, en rechtstreeks per post overeenkomstig artikel 14 van die verordening, anderzijds, oordeelt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in het dictum van zijn arrest van 9 februari 2006: "Verordening nr. 1348/2000 moet aldus worden uitgelegd dat, in geval van cumulatie van de wijze van verzending en betekening als bedoeld in de artikelen 4 tot en met 11 en die als bedoeld in artikel 14 daarvan, van de datum van de eerste geldig verrichte betekening moet worden uitgegaan om te bepalen wanneer voor de geadresseerde een procestermijn ingevolge een betekening begint te lopen".
- Het onderdeel gaat in zoverre er van uit dat, in geval van vermelde cumulatie van de wijze van betekening, voor de geadresseerde van de betekening, de termijn van hoger beroep ingaat op de datum van de betekening gedaan overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 11 en niet op de datum van de betekening overeenkomstig artikel 14, zelfs indien deze laatst genoemde de eerste in tijd zou verricht zijn.
- Het onderdeel faalt in zoverre naar recht. Overige grieven
- De overige grieven werden verworpen in het arrest van 22 oktober
- Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van vierhonderd eenenzeventig euro drie cent jegens de eisende partij en op de som van honderd tachtig euro tweeënvijftig cent jegens de verwerende partij Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Ghislain Londers en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van vijftien mei tweeduizend en zes uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060515.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CABRL:2015:ARR.20150227.1 ECLI:BE:CABRL:2015:ARR.20150918.7 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041022.21 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171102.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081211.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div