← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060516.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060516.8 Rolnummer: P.06.0116.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige - Belastingrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2007-01-23 Raadplegingen: 576 - laatst gezien 2026-07-04 01:37 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het artikel 26, ,§ 1e, en ,§ 2, Bijzondere Wet Arbitragehof legt de rechter in beginsel op de bij hem opgeworpen prejudiciële vraag betreffende de eventuele schending door een wet, een decreet of een in een artikel 134 Grondwet bedoelde regel van de artikelen van titel II "de Belgen en hun rechten" en de artikelen 170, 172 en 191 Grondwet, aan het Arbitragehof te stellen, voor zover de vraag precies aanduidt welke bepaling wordt bedoeld

(1).
(1)Cass., 7 dec. 2004, AR P.04.1196.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041207.4, nr 598. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: ARBITRAGEHOF Prejudiciële vraag Verplichting voor de rechter Beperking Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: PREJUDICIEEL GESCHIL Arbitragehof Prejudiciële vraag Verplichting voor de rechter Beperking Fiches 3 - 4 De loutere omstandigheid dat de douaneambtenaren belast zijn met de opsporing en vaststelling van misdrijven inzake douane en accijnzen doet geen afbreuk aan het recht van verdediging van de persoon die verdacht wordt van een misdrijf ter zake douane en accijnzen
(1).
(1)Zie Cass., 17 okt. 2001, AR P.01.1021.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011017.4, nr
  1. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Douaneambtenaren Opsporing en vaststelling van misdrijven Recht van verdediging Wettelijke bepalingen: Wet - 18-07-1977 - Artt.267e.v. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Douane en accijnzen Douaneambtenaren Opsporing en vaststelling van misdrijven Wettelijke bepalingen: Wet - 18-07-1977 - Artt.267e.v. Tekst van de beslissing Nr. P.06.0116.N I. J J C K, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Eric Pringuet, advocaat bij de balie te Gent, tegen FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen te Antwerpen met kantoor te 2030 Antwerpen, Kattendijkdok-Oostkaai 22, verweerder, vervolgende partij. II.
  2. R D M, beklaagde,
  3. B T M A, beklaagde,
  4. EUROPEAN PETROL COMPANY nv (E.P.C.), met zetel te 1860 Meise, August van Doorslaerlaan 5, civielrechtelijk aansprakelijke partij, met als raadsman mr. Dirk Van Belle, advocaat bij de balie te Antwerpen, ter terechtzitting bijgestaan door Ida Bollingh, advocaat bij de balie te Antwerpen, tegen FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, reeds vermeld, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen te Antwerpen met kantoor te 2030 Antwerpen, Kattendijkdok-Oostkaai 22, verweerder, vervolgende partij, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 7 december
  5. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eisers II voeren in memories die aan dit arrest zijn gehecht, twee gelijkluidende middelen aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  6. Het bestreden arrest wijst het hoger beroep van de eiser I als niet-ontvankelijk af in zoverre het beroepen vonnis de door het openbaar ministerie tegen hem in de zaak I ingestelde strafvordering niet ontvankelijk verklaarde. Het verklaart op zijn beurt, op het hoger beroep van het openbaar ministerie, de strafvordering niet ontvankelijk. De eiser heeft geen belang op te komen tegen deze beslissingen. Het cassatieberoep van de eiser I is in zoverre niet ontvankelijk. Middel van de eiser I
  7. Het middel eist een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. Het middel is niet ontvankelijk. Middelen van de eisers II Eerste onderdeel
  8. De rechter die zijn motivering steunt op onjuist beoordeelde feitelijke gegevens, schendt hierdoor het artikel 149 Grondwet niet. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
  9. Het bestreden arrest overweegt onder meer: "Dat (de eisers II het hof van beroep) verzoeken een aantal (al dan niet thans geherformuleerde) prejudiciële vragen te stellen aan het Arbitragehof, namelijk: - betrekking hebbende op, onder meer, doch niet uitsluitend, de hoofdstukken XVIII, XIX, XX, XXI, XXII, XXIV, XXV, XVII en XVIII van de AWDA, inhoudende 141 artikelen van de AWDA; - betreffende artikel 281 van de AWDA; - betreffende de artikelen 158 tot en met 210 van de AWDA (...). Dat voormelde prejudiciële vraagstelling dermate omvattend is (en deels overlappend) dat zij in feite neerkomt op de vraag of 'het bijzonder strafrecht' te dezen in het algemeen al dan niet strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet".
  10. Het artikel 26, ,§ 1, 1°, en ,§ 2, Bijzondere Wet Arbitragehof legt de rechter in beginsel op de bij hem opgeworpen prejudiciële vraag betreffende de eventuele schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 Grondwet bedoelde regel van de artikelen van titel II "de Belgen en hun rechten" en de artikelen 170, 172 en 191 Grondwet, aan het Arbitragehof te stellen. Wel is vereist dat de vraag precies aanduidt welke bepaling wordt bedoeld. Anders dan het onderdeel aanvoert, kon het bestreden arrest met de redenen die het bevat, wettig oordelen dat de opgeworpen prejudiciële vragen dermate omvattend zijn dat zij in feite neerkomen op de vraag of "het bijzonder strafrecht" al dan niet strijdig is met de artikelen 10 en 11 Grondwet, zodat er geen grond was ze te stellen. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
  11. De overwegingen van het bestreden arrest betreffende het mogelijk dilatoire oogmerk van de vraagstelling en de verwijzingen van het bestreden arrest naar de vroegere rechtspraak van het Arbitragehof en naar onder meer het arrest nummer 16/200 van 14 februari 2001 zijn ten overvloede gegeven. In zoverre het onderdeel tegen deze overwegingen en verwijzingen opkomt, is het niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  12. Om dezelfde redenen als hiervoor vermeld is het Hof evenmin gehouden de bij hem opnieuw opgeworpen prejudiciële vragen aan het Arbitragehof te stellen. Tweede middel
  13. Het middel voert aan dat de medewerking of deelneming van douaneambtenaren aan het strafonderzoek inzake douane en accijnzen een miskenning is van het recht op een eerlijk proces omdat het strijdig is met het recht van verdediging, het bovendien het geheim van het strafonderzoek schendt en minstens een subjectieve schijn van partijdigheid wekt.
  14. De loutere omstandigheid dat de douaneambtenaren belast zijn met de opsporing en vaststelling van misdrijven inzake douane en accijnzen doet geen afbreuk aan het recht van verdediging van de persoon die verdacht wordt van een misdrijf ter zake douane en accijnzen. Die omstandigheid houdt evenmin een schijn van subjectieve partijdigheid in. Het middel faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering
  15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten. Begroot de kosten op 246,87 euro waarvan de eiser sub I. 123,43 euro verschuldigd is en de eisers sub II. 123,44 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 16 mei 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060516.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120313.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011017.4 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041207.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.