← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060516.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060516.9 Rolnummer: P.04.0265.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-12-04 Raadplegingen: 506 - laatst gezien 2026-07-03 17:48 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het beginsel ne bis in idem, neergelegd in artikel 54 van de Schengen-uitvoeringsovereenkomst van 19 juni 1990 moet toepassing vinden op een in een overeenkomstsluitende staat ingeleide strafrechtelijke procedure wegens feiten waarvoor de betrokkene reeds in een andere overeenkomstsluitende staat is veroordeeld, zelfs al was deze overeenkomst in deze laatste staat nog niet van kracht op de datum van uitspraak van die veroordeling, voorzover de overeenkomst in de betrokken overeenkomstsluitende staten van kracht was op het tijdstip van de beoordeling van de toepassingsvoorwaarden inzake het beginsel ne bis in idem door de instantie waarbij de tweede procedure werd ingeleid

(1).
(1)H.v.J.E.G., 9 maart 2006, C-436/04; Cass., 5 okt. 2004, AR P.04.0265.N, nr 452, met concl. van advocaat-generaal Timperman. Thesaurus CAS: GENEESKUNDE Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN Schengenuitvoeringsovereenkomst Beginsel \"non bis in idem\" Toepassing in de tijd RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Beginsel \"non bis in idem\" Schengenuitvoeringsovereenkomst Toepassing in de tijd Fiches 3 - 5 Het relevante criterium voor de toepassing van artikel 54 van de Schengen-uitvoeringsovereenkomst van 19 juni 1990 is de gelijkheid van de materiële feiten, begrepen als het bestaan van een geheel van feiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, ongeacht de juridische kwalificatie van deze feiten of het beschermde rechtsbelang; strafbare feiten van uitvoer en invoer van dezelfde verdovende middelen waarvoor in verschillende staten die partij zijn bij deze overeenkomst, vervolging is ingesteld, dienen in beginsel te worden beschouwd als "dezelfde feiten" in de zin van dit artikel 54, maar het is aan de bevoegde nationale instanties om dit uiteindelijk te beoordelen
(1).
(1)H.v.J.E.G., 9 maart 2006, C-436/04; Cass., 5 okt. 2004, AR P.04.0265.N, nr 452, met concl. van advocaat-generaal Timperman. Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN Schengenuitvoeringsovereenkomst Beginsel \"non bis in idem\" Uitvoer en invoer van dezelfde verdovende middelen Toepassing RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Beginsel \"non bis in idem\" Schengenuitvoeringsovereenkomst Uitvoer en invoer van dezelfde verdovende middelen Toepassing GENEESKUNDE - GENEESMIDDELEN (VERDOVENDE MIDDELEN INBEGREPEN) Schengenuitvoeringsovereenkomst Beginsel \"non bis in idem\" Uitvoer en invoer van dezelfde verdovende middelen Toepassing Tekst van de beslissing Nr. P.04.0265.N V E L H, beklaagde, eiser, met als raadsman Mr. Tom Vrebos, advocaat bij de balie te Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 9 januari
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Jean-Pierre Frère heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. VOORGAANDE RECHTSPLEGING Het Hof heeft bij arrest van 5 oktober 2004 de uitspraak over het cassatieberoep opgeschort tot het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij wijze van prejudiciële beslissing over de twee hierna volgende vragen uitspraak zal hebben gedaan: "
  2. Moet artikel 54 van de Schengen-uitvoeringsovereenkomst van 19 juni 1999 aldus worden uitgelegd dat het voor een Belgische rechtbank toepassing kan vinden ten aanzien van een persoon die in België nà 25 maart 2001 voor een strafrechtbank is vervolgd wegens dezelfde feiten als deze ter zake waarvan hij bij vonnis van een Noorse strafrechtbank op 2 oktober 2000 is berecht en veroordeeld en waarbij de opgelegde straf of maatregel reeds is ondergaan, daar waar, ingevolge artikel 2.1 van de overeenkomst van 18 mei 1999 tussen de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengen-acquis, onder meer de bepaling van artikel 54 van de Schengen-uitvoeringsovereenkomst pas zal worden uitgevoerd en toegepast door Noorwegen met ingang van 25 maart 2001"? "
  3. Moet artikel 54 van de Schengen-uitvoeringsovereenkomst van 19 juni 1999 gelezen in samenhang met artikel 71 van die overeenkomst aldus worden uitgelegd dat strafbare feiten van bezit ter fine van uitvoer en invoer die betrekking hebben op dezelfde verdovende middelen en psychotropische stoffen van enige aard, cannabis inbegrepen, en die respectievelijk als uit- en invoer vervolgd worden in verschillende landen die de Schengen-uitvoeringsovereenkomst hebben ondertekend of waar het Schengen-acquis uitgevoerd en toegepast wordt, beschouwd worden als 'dezelfde feiten' zoals bedoeld in het vermelde artikel 54"? Op die vragen verklaart het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (tweede kamer) bij arrest van 9 maart 2006, voor recht: 1) Het beginsel ne bis in idem, dat is neergelegd in artikel 54 van de overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, ondertekend te Schengen op 19 juni 1990, moet toepassing vinden op een in een overeenkomstsluitende staat ingeleide strafrechtelijke procedure wegens feiten waarvoor de betrokkene reeds in een andere overeenkomstsluitende staat is veroordeeld, zelfs al was deze overeenkomst in deze laatste staat nog niet van kracht op de datum van uitspraak van die veroordeling, voorzover de overeenkomst in de betrokken overeenkomstsluitende staten van kracht was op het tijdstip van de beoordeling van de toepassingsvoorwaarden inzake het beginsel ne bis in idem door de instantie waarbij de tweede procedure werd ingeleid. 2) Artikel 54 van deze overeenkomst moet aldus worden uitgelegd dat: - het relevante criterium voor de toepassing van dit artikel de gelijkheid van de materiële feiten is, begrepen als het bestaan van een geheel van feiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, ongeacht de juridische kwalificatie van deze feiten of het beschermde rechtsbelang; - strafbare feiten van uitvoer en invoer van dezelfde verdovende middelen waarvoor in verschillende staten die partij zijn bij deze overeenkomst, vervolging is ingesteld, in beginsel dienen te worden beschouwd als "dezelfde feiten" in de zin van dit artikel 54, maar het aan de bevoegde nationale instanties is om dit uiteindelijk te beoordelen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Zowel het beroepen vonnis als het bestreden arrest gaan ervan uit dat de feiten omschreven als uitvoer van verdovende middelen ten laste van de eiser (telastleggingen A, II, b, - C, I, b en C, II, b), dezelfde zijn als deze waarvoor de eiser is veroordeeld bij vonnis van 13 juli 2000 van de rechtbank te Bergen (Noorwegen). Uit het arrest van het Hof van Justitie volgt dat het bestreden arrest, in zoverre het wat de eiser betreft oordeelt "dat de veroordeling van (de eiser) in Noorwegen, wegens de door de eerste rechter aangehaalde redenen, vervolging en veroordeling in België niet in de weg staat" en in zoverre het op die grond het beroepen vonnis dat de eiser veroordeelt, bevestigt, niet naar recht is verantwoord. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het arrest in zoverre het uitspraak doet over de strafvordering ten laste van de eiser. Laat de kosten ten laste van de Staat. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Begroot de kosten op 145 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 16 mei 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060516.9 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041005.8 ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20080402.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.